Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 1996, 651Wet

Wet van 13 december 1996 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken van de fiscale infrastructuur

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken van de fiscale infrastructuur voor internationaal opererende ondernemingen wenselijk is om de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

In de >Wet op de vennootschapsbelasting 19691 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A. Aan artikel 7 wordt toegevoegd:

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld in welke gevallen de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden de belastingplichtige op zijn verzoek kan toestaan het belastbare bedrag te berekenen in een andere geldeenheid dan de gulden. Daarbij wordt onder meer aangegeven tegen welke koers de in de wetgeving opgenomen bedragen in guldens worden omgerekend in de andere geldeenheid en tegen welke koers het in de andere geldeenheid berekende belastbare bedrag wordt omgerekend in guldens. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

B. Na artikel 10 wordt ingevoegd:

Artikel 10a

  • 1. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van een aan de rechthebbende rechtens dan wel in feite direct of indirect schuldig gebleven winstuitdeling, teruggaaf van gestort kapitaal of kapitaalstorting. De eerste volzin vindt geen toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de schuldigerkenning in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Voorts vindt de eerste volzin geen toepassing ingeval van een schuldig gebleven kapitaalstorting indien die storting een onderdeel vormt van een solvabiliteitsgarantie ter bescherming van inleggers van spaargelden of polishouders van verzekeringsovereenkomsten.

  • 2. Bij het bepalen van de winst komen voorts niet in aftrek renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen rechtens dan wel in feite direct of indirect verschuldigd aan een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon, voor zover de geldlening verband houdt met één van de volgende rechtshandelingen:

    a. een winstuitdeling of een teruggaaf van gestort kapitaal aan een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon;

    b. een verwerving van – daaronder begrepen storting op – aandelen, bewijzen van deelgerechtigdheid of lidmaatschapsrechten in een verbonden lichaam, behoudens voor zover een wijziging wordt aangebracht in het uiteindelijke belang dan wel de uiteindelijke zeggenschap in dat lichaam; of

    c. een kapitaalstorting of een andere vorm van aanwending van vermogen door de belastingplichtige, dan wel door een met hem verbonden, in Nederland gevestigd lichaam of in Nederland wonend natuurlijk persoon, direct of indirect in het lichaam, onderscheidenlijk ten behoeve van het lichaam of de natuurlijk persoon aan wie de geldlening verschuldigd is.

  • 3. Het tweede lid vindt geen toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat:

    a. aan de geldlening en de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; of

    b. over de rente bij degene aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct of indirect is verschuldigd, per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is en dat er geen sprake is van verrekening van verliezen of van andersoortige aanspraken uit jaren voorafgaande aan het jaar waarin de geldlening is opgenomen waardoor over de rente per saldo geen heffing naar bedoelde redelijke maatstaven is verschuldigd, behoudens ingeval aannemelijk is dat de geldlening is aangegaan met het oog op het verrekenen van verliezen of andersoortige aanspraken welke in het jaar zelf zijn ontstaan dan wel op korte termijn zullen ontstaan.

  • 4. Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 13, 13b, 13c, 13ca, 13d, 13e, 13f, 15, 15b, 17, 28, 28b en 29a wordt als een met de belastingplichtige verbonden lichaam aangemerkt:

    a. een lichaam waarin de belastingplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;

    b. een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige;

    c. een lichaam waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige.

    Onze Minister kan op verzoek van een samenwerkende groep van niet-verbonden lichamen de inspecteur machtigen, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, deze groep aan te merken als verbonden lichamen. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt als een met de belastingplichtige verbonden natuurlijk persoon aangemerkt een natuurlijk persoon die voor ten minste een derde gedeelte een belang heeft in de belastingplichtige of in een met hem verbonden lichaam.

C.1. In artikel 13, eerste lid, eerste volzin, wordt «alsmede kosten welke verband houden met een deelneming» vervangen door: alsmede kosten – daaronder begrepen voordelen als gevolg van wijzigingen in valutaverhoudingen – welke verband houden met een deelneming.

In de tweede volzin wordt «de renten en kosten van de geldleningen» vervangen door: de renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van de geldleningen.

C.2. Voorts wordt aan het eerste lid, toegevoegd:

De eerste volzin is met betrekking tot voordelen uit rechtshandelingen welke strekken tot het afdekken van het valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen, andere dan geldleningen die zijn aangegaan voor de verwerving van de deelneming, slechts van toepassing indien de inspecteur vooraf bij voor bezwaar vatbare beschikking, eventueel onder het stellen van nadere voorwaarden, heeft vastgesteld dat de desbetreffende rechtshandeling daartoe strekt.

C.3. Aan het tweede lid, wordt toegevoegd:

Een aandelenbezit in of een lidmaatschap van een niet in Nederland gevestigd lichaam waarvan de werkzaamheden grotendeels bestaan uit het direct of indirect financieren van met de belastingplichtige verbonden lichamen dan wel van bedrijfsmiddelen van zodanige lichamen daaronder begrepen het ter beschikking stellen van het gebruik of het gebruiksrecht daarvan, wordt voor de toepassing van dit artikel geacht als belegging te worden gehouden, tenzij aannemelijk is dat de werkzaamheden van het lichaam ingevolge bij ministeriële regeling te stellen regels kunnen worden aangemerkt als actieve financieringswerkzaamheden.

D. In artikel 13a, eerste lid, wordt «artikel 13, tweede lid, laatste volzin» vervangen door: artikel 13, tweede lid, tweede of derde volzin.

E. In artikel 13b vervalt het zesde lid.

F. In artikel 13c, eerste lid vervalt: laatste acht.

G. Artikel 13ca wordt vervangen door:

Artikel 13ca

  • 1. Ingeval in de eerste vijf jaren na de verwerving van een deelneming van ten minste een vierde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal in een vennootschap, de waarde in het economische verkeer van de deelneming daalt beneden het opgeofferde bedrag, vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing ten aanzien van het hierna omschreven verlies (afwaarderingsverlies). Het afwaarderingsverlies bestaat uit de daling van de waarde in het economische verkeer van de deelneming beneden het voor de deelneming opgeofferde bedrag – doch niet verder dan tot nihil – verminderd met de sedert de verwerving van de deelneming verkregen positieve voordelen uit hoofde van die deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, één en ander voor zover het afwaarderingsverlies nog niet in aanmerking is genomen.

  • 2. Nadat het eerste lid toepassing heeft gevonden, vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing ten aanzien van de positieve voordelen uit hoofde van die deelneming tot een bedrag ter grootte van het afwaarderingsverlies dat op de voet van het eerste lid ten laste van de winst is gebracht en waardeert de belastingplichtige de deelneming zolang de deelnemingsvrijstelling buiten toepassing blijft, jaarlijks op de waarde in het economische verkeer doch niet lager dan op nihil.

  • 3. Indien bij het begin van het zesde jaar na de verwerving van de deelneming waarop het eerste lid toepassing heeft gevonden het bedrag van de positieve voordelen uit die deelneming dat op de voet van het tweede lid tot de winst is gerekend nog steeds lager is dan het afwaarderingsverlies, blijft het tweede lid buiten toepassing en wordt met ingang van dat jaar het verschil in dat jaar en in de vier daarop volgende jaren in elk jaar voor een vijfde deel tot de winst gerekend.

  • 4. Indien bij vervreemding van een deelneming waarop het eerste lid toepassing heeft gevonden het bedrag dat ingevolge het tweede en het derde lid tot de winst is gerekend nog steeds lager is dan het afwaarderingsverlies, wordt het verschil tot de winst van het jaar gerekend waarin de vervreemding plaatsvindt. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval een deelneming waarop het eerste lid toepassing heeft gevonden, daalt beneden een vierde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal in een vennootschap, wordt ontbonden, met toepassing van artikel 15 opgaat in een moedermaatschappij, dan wel bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verdwijnt.

  • 5. Indien, onmiddellijk of middellijk, tot het vermogen van een lichaam een deelneming behoort of heeft behoord welke is verkregen van een verbonden lichaam, wordt, in afwijking in zoverre van de vorige leden, een afwaarderingsverlies met betrekking tot het eerstgenoemde lichaam voor zover dit is toe te rekenen aan een daling van de waarde in het economische verkeer van die deelneming, slechts in aanmerking genomen voor zover dit toe te rekenen gedeelte niet uitgaat boven het afwaarderingsverlies dat met betrekking tot die deelneming in aanmerking is genomen. Voor zover in verband met een afwaarderingsverlies op de in de eerste volzin bedoelde deelneming een bedrag tot de winst is gerekend, wordt bij de belastingplichtige eveneens een overeenkomstig bedrag tot de winst gerekend.

  • 6. Met betrekking tot een deelneming in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 47a, vijfde lid, onderdelen b en c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 door een bij ministeriële regeling aangewezen participatiemaatschappij als bedoeld in dat artikel geldt in afwijking van de in het eerste lid genoemde termijn van vijf jaren een termijn van acht jaren. Voorts vinden in dit geval het derde lid alsmede het vierde lid behoudens ingeval de deelneming wordt ontbonden, geen toepassing. Ingeval een zodanige deelneming waarop het eerste lid toepassing heeft gevonden door de participatiemaatschappij wordt vervreemd aan een verbonden lichaam en het bedrag dat ingevolge het tweede lid tot de winst is gerekend nog steeds lager is dan het afwaarderingsverlies, zijn ten aanzien van deze deelneming het tweede en het vierde lid voor het verschil van overeenkomstige toepassing bij het verbonden lichaam.

H.1. Aan artikel 13d, vierde lid, wordt toegevoegd:

Indien, onmiddellijk of middellijk, tot het vermogen van het ontbonden lichaam een deelneming heeft behoord welke was verkregen van een verbonden lichaam, wordt het liquidatieverlies voor zover dit is toe te rekenen aan een daling van de waarde van die deelneming, slechts in aanmerking genomen voor zover dit toe te rekenen gedeelte niet uitgaat boven het liquidatieverlies dat bij het ontbonden lichaam met betrekking tot die deelneming in aanmerking is genomen.

H.2. Aan het zesde lid wordt toegevoegd:

Indien een storting op aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid bestaat uit aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in een verbonden lichaam, wordt het opgeofferde bedrag ten tijde van de storting niet hoger gesteld dan op het bedrag dat is opgeofferd voor de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die als storting dienen.

I. Aan artikel 15 wordt toegevoegd:

  • 4. Indien ingevolge het eerste lid de belasting van een dochtermaatschappij wordt geheven alsof deze is opgegaan in de moedermaatschappij komen renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen welke rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een verbonden lichaam en welke verband houden met de verwerving van aandelen in die dochtermaatschappij, in de acht volgende jaren nadat alle aandelen in de dochtermaatschappij in het bezit zijn gekomen van de moedermaatschappij, slechts in aftrek tot het bedrag dat de winst van de maatschappij die de geldlening heeft opgenomen zou hebben belopen zonder toepassing van het eerste lid en zonder rekening te houden met de hiervoor bedoelde renten. Voor zover in een jaar renten ingevolge de eerste volzin niet in aftrek zijn gekomen, worden deze aangemerkt als renten die verband houden met de verwerving van aandelen in de desbetreffende dochtermaatschappij van het volgende jaar. Onze Minister kan nadere regelen geven met betrekking tot het bepalen van het in de eerste volzin bedoelde bedrag dat de winst zou hebben belopen gedurende de in die volzin aangegeven periode van acht jaren en de verrekening van rente die bij het einde van die periode van acht jaren nog niet in aftrek is gekomen.

  • 5. Het bepaalde in het vierde lid vindt met betrekking tot geldleningen die verband houden met de verwerving van aandelen geen toepassing:

    a. voor zover blijkt dat het lichaam waaraan de geldlening is verschuldigd, of een daarmee verbonden lichaam, met het oog op de verwerving van de aandelen vermogen uit hoofde van geldlening heeft aangetrokken van niet verbonden lichamen; of

    b. indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1°. de moedermaatschappij toont aan dat het uiteindelijke belang in de dochtermaatschappij in belangrijke mate is gewijzigd; en

    2°. een natuurlijk persoon of een samenwerkende groep van natuurlijke personen heeft middellijk of onmiddellijk een belang van ten minste vijf percent in de moedermaatschappij en de overige aandeelhouders hebben elk een belang van minder dan een derde in de moedermaatschappij waarbij aandeelhouderslichamen die met elkaar zijn verbonden in de zin van artikel 10a, vierde lid, als één aandeelhouder worden aangemerkt; en

    3°. één of meer van de onder 2° bedoelde personen geniet inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ter zake van voor de dochtermaatschappij verrichte werkzaamheden welke van wezenlijke aard zijn.

    Aan de voorwaarden van onderdeel b, onder 2°, wordt ook geacht te zijn voldaan in het geval de waarde in het economisch verkeer van de dochtermaatschappij:

    a. vijftien miljoen gulden of meer maar minder dan vijftig miljoen gulden bedraagt, indien een natuurlijk persoon of een samenwerkende groep van natuurlijke personen middellijk of onmiddellijk een belang heeft van ten minste vijf percent in de moedermaatschappij en de overige aandeelhouders elk een belang van minder dan de helft in de moedermaatschappij hebben waarbij aandeelhouderslichamen die met elkaar zijn verbonden in de zin van artikel 10a, vierde lid, als één aandeelhouder worden aangemerkt;

    b. minder bedraagt dan vijftien miljoen gulden, indien een natuurlijk persoon of een samenwerkende groep van natuurlijke personen middellijk of onmiddellijk een belang heeft van ten minste vijfentwintig percent in de moedermaatschappij.

J. Na artikel 15a wordt ingevoegd:

Artikel 15b

  • 1. Met betrekking tot een lichaam dat deel uitmaakt van een internationaal werkzaam concern en dat uitsluitend vanuit Nederland financieringsactiviteiten verricht ten behoeve van tot het concern behorende lichamen welke zijn gevestigd dan wel mede zijn gelegen in ten minste vier Mogendheden dan wel op twee continenten, wordt door de inspecteur op verzoek van de belastingplichtige onder door hem te stellen voorwaarden toegestaan dat een reserve wordt gevormd ter zake van risico's welke verband houden met die financieringsactiviteiten, met het houden van deelnemingen in de zin van artikel 13, tweede lid, eerste volzin en derde lid, door het concern alsmede met het drijven van ondernemingen door het concern met behulp van vaste inrichtingen buiten Nederland. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder:

    a. financieringsactiviteiten ten behoeve van tot het concern behorende lichamen verstaan financieringsactiviteiten welke strekken ter financiering van bedrijfsmiddelen en bedrijfsmatige activiteiten van tot het concern behorende lichamen, daaronder begrepen het financieren van deelnemingen in de zin van artikel 13, tweede lid, eerste volzin en derde lid, alsmede het ter beschikking stellen van het gebruik of het gebruiksrecht van bedrijfsmiddelen binnen het concern, andere dan financieringsactiviteiten buiten het concern alsmede beleggen;

    b. concernfinancieringswinst verstaan:

    1°. de winst behaald met de financieringsactiviteiten ten behoeve van tot het concern behorende lichamen voor zover deze winst in Nederland belastbaar is, met uitzondering van de winst behaald met vermogen van het lichaam bestaande uit aandelen die niet delen in de reserves van het lichaam en met uitzondering van verliezen van het lichaam voor zover ter zake van deze verliezen een toevoeging uit de reserve aan de winst op de voet van het vierde lid plaatsvindt;

    2°. de positieve voordelen die samenhangen met een risico als bedoeld in het eerste lid, welke onderdeel uitmaken van de in Nederland belastbare winst van andere tot het concern behorende lichamen en voor welk risico het lichaam zelf een bedrag uit de reserve aan de winst heeft toegevoegd, doch ten hoogste tot het laatstbedoelde bedrag;

    c. concern verstaan de belastingplichtige te zamen met de met hem verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, waarbij voor de bepaling van het belang als bedoeld in dat artikellid buiten aanmerking blijven aandelen die bij de ontbinding van het lichaam niet delen in de reserves van het lichaam.

  • 2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien aannemelijk is dat:

    a. van het vermogen dat is aangewend voor de financieringsactiviteiten ten behoeve van tot het concern behorende lichamen voor zover daar concernfinancieringswinst mee wordt behaald, een niet groter gedeelte dan overeenkomt met de verhouding tussen de waarde in het economische verkeer van de in Nederland aanwezige bezittingen van het concern en de waarde in het economische verkeer van alle bezittingen van het concern, direct of indirect betrekking heeft op financieringsactiviteiten ten behoeve van tot het concern behorende lichamen in Nederland, doch nooit meer dan een tiende gedeelte;

    b. de inkomsten van het lichaam die behoren tot de concernfinancieringswinst per Mogendheid ten minste 5% dan wel per continent ten minste 10% bedragen van de totale in Nederland belastbare inkomsten van het lichaam ter zake van financieringsactiviteiten ten behoeve van tot het concern behorende lichamen.

    Voor de toepassing van onderdeel b mag het lichaam één of meer groepen van lichamen vormen welke in verschillende mogendheden dan wel op verschillende continenten zijn gevestigd en waarvan de gezamenlijke inkomsten worden toegerekend aan één mogendheid of aan één continent.

  • 3. Het ten laste van de winst van een jaar aan de reserve toe te voegen bedrag beloopt ten hoogste 80 percent van de in dat jaar behaalde concernfinancieringswinst alsmede van de opbrengsten van bij ministeriële regeling nader omschreven kort lopende beleggingen welke worden aangehouden ter financiering van acquisities die passend zijn bij de omvang en liggen in de lijn van de activiteiten van het concern. Het in de eerste volzin bedoelde percentage wordt verhoogd tot 100 voor positieve voordelen als gevolg van wijzigingen in valutaverhoudingen, alsmede voor zover de concernfinancieringswinst bestaat uit positieve voordelen die samenhangen met een risico als bedoeld in het eerste lid en voor welk risico een bedrag uit de reserve aan de winst is toegevoegd, doch ten hoogste voor het laatstbedoelde bedrag. Het aan de reserve toe te voegen bedrag bedraagt echter niet meer dan 80 percent van het belastbare bedrag dat door de belastingplichtige zou zijn genoten indien over dat jaar geen bedrag aan de reserve zou zijn toegevoegd, noch onttrekkingen ten laste van de reserve aan de winst zouden zijn toegevoegd. Over jaren bij het einde waarvan de in het tweede lid, aanhef en onderdeel a, bedoelde norm is overschreden, blijft voor de berekening van de dotatie aan de reserve van de concernfinancieringswinst buiten aanmerking dat gedeelte dat is toe te rekenen aan het vermogen dat direct of indirect is aangewend voor de financieringsactiviteiten die betrekking hebben op de tot het concern behorende lichamen in Nederland en als gevolg waarvan niet langer wordt voldaan aan de norm bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel a. Toevoegingen aan de reserve vinden niet plaats over jaren bij het einde waarvan niet wordt voldaan aan de voorwaarde van het tweede lid, aanhef, onderdeel b, juncto het eerste lid. Een toevoeging aan de reserve ondergaat geen wijziging bij verrekening van verliezen uit volgende jaren.

  • 4. Uit de reserve wordt, voor zoveel mogelijk, aan de winst van een jaar toegevoegd een bedrag ter grootte van de in het jaar geleden verliezen ter zake van de in het eerste lid omschreven risico's voor zover die in Nederland ten laste van de winst komen. Het bepaalde in de vorige volzin is niet van toepassing op liquidatieverliezen bedoeld in artikel 13d en verliezen van ondernemingen gedreven met behulp van vaste inrichtingen buiten Nederland, die zich voordoen binnen vijf jaar nadat de belastingplichtige voor de eerste maal ten laste van de winst aan de reserve heeft toegevoegd waarbij het ook binnen het concern voor de eerste maal is dat de reserve wordt gevormd en die betrekking hebben op voor die periode reeds gehouden deelnemingen onderscheidenlijk voor die periode reeds gedreven ondernemingen met behulp van vaste inrichtingen buiten Nederland; het vorenstaande geldt niet voor zover het liquidatieverlies betrekking heeft op een toename van het opgeofferd bedrag in de hiervoor bedoelde periode van vijf jaar.

  • 5. Zonder dat dit tot een toevoeging aan de winst leidt kan ten laste van de reserve worden gebracht 50% van het bedrag van een directe of indirecte kapitaalstorting of verwerving van aandelen in een lichaam voor zover het belang bij deze deelneming hier te lande gevestigde tot het concern behorende lichamen aangaat en de kapitaalstorting of verwerving is gefinancierd uit het vermogen van de belastingplichtige dat betrekking heeft op de financieringsactiviteiten, onder gelijktijdige afboeking met een zelfde bedrag van het opgeofferde bedrag bedoeld in artikel 13d voor de desbetreffende deelneming. Het in de vorige volzin bedoelde percentage van 50 wordt vervangen door 100, indien het betreft:

    a. een kapitaalstorting welke samenhangt met een aansprakelijkstelling van het concern of een daartoe behorend lichaam en het lichaam op wie de aansprakelijkheid rust deze niet zelf kan dragen;

    b. een kapitaalstorting of een verwerving van aandelen in een lichaam aan wier activiteiten dan wel de geografische ligging daarvan naar het oordeel van Onze Minister bijzondere risico's zijn verbonden, een en ander mits is zeker gesteld dat in geval van buitenlandse activiteiten de voor de toepassing van deze bepaling benodigde inlichtingen kunnen worden verkregen.

  • 6. Op verzoek van de belastingplichtige kan de reserve in gelijke delen aan de winst van een jaar en de daarop volgende vier jaren worden toegevoegd. In die jaren vinden geen toevoegingen aan de reserve meer plaats. Ingeval zich in deze jaren een situatie voordoet als bedoeld in het vierde of vijfde lid, vinden afboekingen van de reserve overeenkomstig die leden plaats en wordt het eventuele bedrag van de reserve na die afboekingen in gelijke delen toegevoegd aan de winst van de resterende jaren. De belasting over de toevoeging aan de winst ingevolge dit lid bedraagt in afwijking van artikel 22, 10% van de toevoeging, of als dat lager is het belastbare bedrag, mits de belastingplichtige in het desbetreffende jaar voldoet aan de in het eerste lid en de door de inspecteur gestelde voorwaarden.

  • 7. Bij het begin van het jaar waarin het lichaam ophoudt in Nederland belastbare winst te genieten, dan wel waarin het lichaam niet langer voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid of de door de inspecteur gestelde voorwaarden, wordt de reserve aan de winst toegevoegd. In zoverre al in de voorgaande vier jaren op de voet van het zesde lid toevoegingen aan de winst hebben plaatsgevonden, wordt de belasting verhoogd met een bedrag gelijk aan 25% van die toevoegingen.

  • 8. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden, welke iedere 10 jaar aan feiten en omstandigheden kunnen worden aangepast, strekken tot het zeker stellen:

    a. van de heffing van belastingen overeenkomstig doel en strekking van dit artikel alsmede van de invordering van belastingen;

    b. dat indien verliezen waarvoor de reserve wordt gevormd bij een ander lichaam in Nederland in aanmerking worden genomen een bedrag ter grootte van deze verliezen ten laste van de reserve aan de winst wordt toegevoegd;

    c. dat eigen vermogen van het lichaam niet direct of indirect is gefinancierd uit geldleningen aangegaan door in Nederland gevestigde tot het concern behorende lichamen en waarvan de rente bij het bepalen van de winst in aftrek komt;

    d. dat het gebruik van deze regeling direct of indirect er niet toe leidt dat de grondslag voor de heffing van belastingen naar de winst of het inkomen in enigszins belangrijke mate wordt aangetast;

    e. dat vanwege andere Mogendheden geheven belastingen over de inkomsten uit de financieringsactiviteiten door de toepassing van dit artikel niet in volgende jaren in aanmerking worden genomen.

    Bij de toepassing van onderdeel e wordt op verzoek van de belastingplichtige de vanwege andere Mogendheden geheven belastingen over de inkomsten uit de financieringsactiviteiten in het jaar waarin deze worden genoten gezamenlijk in aanmerking genomen.

  • 9. In geval de belastingplichtige niet voldoet aan de door de inspecteur gewijzigde voorwaarden wordt in afwijking van het zevende lid de reserve niet aan de winst toegevoegd zolang de belastingplichtige blijft voldoen aan de voorwaarden die van toepassing waren totdat deze werden gewijzigd. In afwijking van het derde lid vinden alsdan echter geen toevoegingen meer aan de reserve plaats.

  • 10. De inspecteur beslist op het verzoek en past de voorwaarden aan bij voor bezwaar vatbare beschikking.

K.1. In artikel 17, eerste lid, wordt voor de punt aan het slot ingevoegd:

; artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

K.2. In het vierde lid vervalt: als bedoeld in artikel 13b.

L. In artikel 18 wordt het tweede lid vervangen door:

  • 2. Bij het bepalen van de winst worden ook artikel 8, tweede lid, vijfde lid, zesde lid, eerste volzin en tweede volzin, onderdelen b en c, zevende lid, achtste lid, negende lid, alsmede de artikelen 9 tot en met 14 en 15b in acht genomen.

M. In artikel 28, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, en vierde lid, vervalt: als is bedoeld in artikel 13b.

N.1. In artikel 28b, eerste lid, vervalt: als bedoeld in artikel 13b.

N.2. Voorts wordt in het eerste lid na «bestaan uit beleggingen,» toegevoegd: daaronder begrepen bezittingen die worden aangewend voor werkzaamheden welke niet als actieve financieringswerkzaamheden in de zin van artikel 13, tweede lid, laatste volzin, worden aangemerkt,.

O. Aan artikel 29a wordt, onder aanduiding van de bestaande tekst als eerste lid, toegevoegd:

  • 2. Bij het bepalen van de winst komen renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen welke rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een verbonden lichaam en die verband houden met de verwerving van aandelen in een lichaam, terwijl ten gevolge van een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zowel de geldlening als het vermogen van het lichaam waarin de aandelen zijn verworven, deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van een zelfde lichaam, in de acht volgende jaren nadat alle aandelen in de dochtermaatschappij in het bezit zijn gekomen van de moedermaatschappij slechts in aftrek tot het bedrag dat de winst van het lichaam dat de geldlening heeft opgenomen zou hebben belopen indien de fusie niet zou hebben plaatsgevonden. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen welke rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een verbonden lichaam en welke verband houden met de verwerving van dan wel terugbetaling op aandelen welke ten gevolge van een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn uitgegeven.

    Onze Minister kan nadere regelen geven met betrekking tot het bepalen van het in de eerste volzin bedoelde bedrag dat de winst zou hebben belopen, gedurende de in de eerste volzin aangegeven periode van acht jaren en de verrekening van rente die bij het einde van die periode van acht jaren nog niet in aftrek is gekomen.

  • 3. Het bepaalde in het tweede lid vindt geen toepassing voor zover blijkt dat het lichaam waaraan de geldlening is verschuldigd met het oog op de verwerving van de aandelen rechtens dan wel in feite direct of indirect in dezelfde mate vermogen uit hoofde van geldlening heeft aangetrokken van niet verbonden lichamen en voorts vindt artikel 15, vijfde lid, onderdeel b, overeenkomstige toepassing.

P. In artikel 31, tweede lid, wordt «Artikel 13, tweede lid, laatste volzin» vervangen door: Artikel 13, tweede lid, tweede volzin.

ARTIKEL II

  • 1. Gedurende de jaren 1997 tot en met 2001 behoort bij een lichaam dat, dan wel een natuurlijk persoon die, rente ontvangt niet tot de winst onderscheidenlijk niet tot het inkomen, de rente welke ingevolge artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bij het bepalen van de winst van degene die de rente is verschuldigd niet in aftrek is gebracht.

  • 2. Artikel 13ca van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vindt slechts toepassing met betrekking tot een afwaarderingsverlies voor zover de daling van de waarde van de deelneming beneden het opgeofferde bedrag betrekking heeft op een jaar dat aanvangt met of na 1 januari 1997.

ARTIKEL III

  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. De artikelen I en II vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot de heffing over het jaar dat aanvangt op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

  • 3. Voor een aandelenbezit in of een lidmaatschap van een niet in Nederland gevestigd lichaam waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is in het laatste jaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, vindt artikel I, onderdeel C.3. in afwijking in zoverre van het tweede lid, voor het eerst toepassing met betrekking tot de heffing over het derde jaar dat aanvangt op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 13 december 1996

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

Uitgegeven de drieëntwintigste december 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1969, 469, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 december 1996, Stb. 642.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1995/96, 1996/97, 24 696.

Handelingen II 1996/97, blz. 680–698, 725.

Kamerstukken I 1996/97, 24 696 (52, 52a, 52b, 52c, 52d).

Handelingen I 1996/97, zie vergadering van 11 december 1996.