Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 1996, 619Wet

Wet van 29 november 1996 tot invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en enkele daarmee samenhangende onderwerpen te regelen, alsmede om verder uitvoering te geven aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1991 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendbetrekkingen (91/383/EEG; Pb EG nr. L 206);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. DEFINITIES

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Arbeidsvoorzieningsorganisatie, Centraal Bestuur, Regionaal Bestuur, Algemene Directie en Regionale Directie: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Arbeidsvoorzieningswet 1996;

b. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

HOOFDSTUK 2. OVERGANGSRECHT ARBEIDSVOORZIENINGSWET

AFDELING 1. ALGEMEEN

Artikel 2

  • 1. De Arbeidsvoorzieningswet en de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet worden ingetrokken.

  • 2. Voor de verschillende artikelen of onderdelen van de artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet kan bij koninklijk besluit het tijdstip waarop deze vervallen verschillend worden gesteld.

Artikel 3

  • 1. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, genoemd in artikel 2 van de Arbeidsvoorzieningswet, wordt als rechtspersoon gehandhaafd.

  • 2. Waar in een wettelijk voorschrift of enige andere regeling sprake is van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of een van haar organen als bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet, wordt als zodanig beschouwd de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel het daartoe behorende orgaan, bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet 1996.

Artikel 4

Aan de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening en van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet die functies bekleden wordt met ingang van die datum ontslag verleend.

Artikel 5

Aan de leden van de raad, bedoeld in artikel 74 van de Arbeidsvoorzieningswet, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet die functie bekleden wordt met ingang van die datum ontslag verleend.

Artikel 6

De ontslagcommissie, bedoeld in artikel 37 van de Arbeidsvoorzieningswet, de benoemingen van leden en plaatsvervangende leden van die commissie, voor de daarbij vastgestelde tijd, en de regels die zijn gesteld op grond van het zevende en het achtste lid van genoemd artikel, berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 43 van die wet.

Artikel 7

De algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 61, eerste lid, onderdeel d, van de Arbeidsvoorzieningswet berust met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 69, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

Artikel 8

De door het Centraal Bestuur op grond van de artikelen 18 en 21, derde lid, onderscheidenlijk 66, eerste lid, 67 en 69 van de Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 23, onderscheidenlijk de artikelen 74, eerste lid, 75 en 77 van die wet.

Artikel 9

De door de Regionale Besturen op grond van de artikelen 30 en 33, derde lid, van de Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk tot het tijdstip met ingang waarvan het Centraal Bestuur toepassing geeft aan artikel 23, onderdeel b, van die wet, op artikel 35 van laatstbedoelde wet.

Artikel 10

Het reglement, bedoeld in artikel 19 van de Wet persoonsregistraties en vastgesteld door het Centraal Bestuur op grond van artikel 66, tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet berust met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk tot en met de laatste dag van de vijfde kalendermaand na die datum, op artikel 74, tweede lid, van die wet.

Artikel 11

De door het Centraal Bestuur op grond van artikel 14, tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet gestelde en door Onze Minister op grond van artikel 109 van die wet goedgekeurde regels berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk tot en met de laatste dag van de vijfde kalendermaand na die datum, op artikel 19, onderdeel b, van die wet en gelden voor hetzelfde tijdvak als goedgekeurd door Onze Minister op grond van artikel 87 van laatstbedoelde wet.

Artikel 12

De door het Centraal Bestuur op grond van artikel 27 van de Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk tot en met de laatste dag van de vijfde kalendermaand na die datum, op artikel 32 van die wet en gelden voor hetzelfde tijdvak als goedgekeurd door Onze Minister op grond van artikel 87 van laatstbedoelde wet.

Artikel 13

De door het Centraal Bestuur op grond van artikel 99 van de Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels en de daarop steunende besluiten berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 81, eerste en tweede lid, van die wet.

Artikel 14

De door de Regionale Besturen op grond van artikel 99 van de Arbeidsvoorzieningswet gestelde regels en de daarop steunende besluiten berusten met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, doch uiterlijk tot het tijdstip met ingang waarvan het Centraal Bestuur toepassing geeft aan artikel 81, derde lid, van die wet, op artikel 81, eerste en tweede lid, van laatstbedoelde wet.

Artikel 15

De vaststelling van het aantal en de werkgebieden van de Regionale Besturen, zoals deze ingevolge besluit van het Centraal Bestuur op grond van artikel 9 van de Arbeidsvoorzieningswet geldt, berust met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op artikel 13 van die wet.

Artikel 16

  • 1. Ten aanzien van de oprichting of mede-oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie die heeft plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, is artikel 10, tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 eerst na verloop van één jaar na die datum van toepassing.

  • 2. Ten aanzien van een oprichting, mede-oprichting of deelneming als bedoeld in het eerste lid waaruit geen verplichtingen, rechten of bevoegdheden van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met betrekking tot de stichting, maatschap, vennootschap, vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij zijn voortgevloeid of nog kunnen voortvloeien, is artikel 10, tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 niet van toepassing.

Artikel 17

  • 1. Onze Minister is bevoegd in plaats van de tijdstippen, genoemd in de Afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk II van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, andere tijdstippen vast te stellen alsmede te bepalen dat anderszins wordt afgeweken van de bij of krachtens die afdelingen gegeven regels dan wel dat de toepassing daarvan achterwege blijft, voor zover dat in verband met de datum van inwerkingtreding van die wet noodzakelijk is.

  • 2. Onze Minister is bevoegd, voor zover dat in verband met de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 noodzakelijk is, regels te stellen met betrekking tot de bevoegdheid van het Centraal Bestuur en de Regionale Besturen tot het aangaan van verplichtingen en het doen van uitgaven en de daaraan ten grondslag te leggen begrotingen en beleidsplannen.

  • 3. Onze Minister is overigens bevoegd met het oog op een goede invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 regels te stellen, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij en krachtens die wet en de Arbeidsvoorzieningswet.

  • 4. Alvorens toepassing te geven aan dit artikel hoort Onze Minister het Centraal Bestuur.

Artikel 18

Tot het tijdstip, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wet arbeid gehandicapte werknemers, gelden artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en artikel 72, derde lid, van de Werkloosheidswet niet met betrekking tot personen als bedoeld in artikel 16, derde lid, van eerstgenoemde wet.

AFDELING 2. INTERMEDIAIRE DIENSTVERLENING OP DE ARBEIDSMARKT

Artikel 19

In afwijking van artikel 2, eerste lid, blijven van de Arbeidsvoorzieningswet van kracht:

a. artikel 1, eerste lid, onderdelen h en i, tweede, derde en vierde lid;

b. de paragrafen 3 en 4 van Afdeling 2 van hoofdstuk III en de daarop berustende besluiten en regelingen;

c. artikel 110, voor zover betreffende besluiten en regelingen als bedoeld in de artikelen 83, 84, eerste lid, 86, eerste lid, 91, 92, eerste lid, en 94, eerste lid;

d. artikel 116 en de daarop berustende aanwijzingen, voor zover betreffende het toezicht op de naleving van het bepaalde bij en krachtens de artikelen 82, eerste lid, 83, 85, 86, eerste lid, 90, 91, 93, eerste lid, en 94, eerste lid;

e. artikel 118, voor zover betreffende besluiten op grond van de in dit artikel genoemde bepalingen van de Arbeidsvoorzieningswet.

Artikel 20

Artikel 19 geldt met dien verstande dat:

a. voor de toepassing van de artikelen 82 tot en met 89 van de Arbeidsvoorzieningswet met arbeidsbemiddeling wordt gelijkgesteld dienstverlening met het doel de totstandkoming van overeenkomsten tot het verrichten van arbeid, niet zijnde arbeidsovereenkomsten, te bevorderen ten behoeve van beroepsbeoefenaars op het gebied van kunsten, amusement en beroepssport; en

b. in afwijking van de artikelen 83, eerste lid, 86, eerste lid, 91, eerste lid, en 94, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet met betrekking tot de daar bedoelde besluitvorming van het Centraal Bestuur artikel 22 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 van toepassing is.

Artikel 21

Degene die aan een ander arbeidskrachten ter beschikking stelt, als bedoeld in de artikel 1, eerste lid, onderdeel i, en derde lid, van de Arbeidsvoorzieningswet, verschaft informatie over de verlangde beroepskwalificatie alsmede het document bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet aan degene die ter beschikking wordt gesteld, voordat de terbeschikkingstelling een aanvang neemt.

HOOFDSTUK 3. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN

Artikel 22

De >Werkloosheidswet1 wordt als volgt gewijzigd.

A

Artikel 26, eerste lid, onderdeel f, wordt vervangen door:

f. mee te werken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor zijn inschakeling in de arbeid dan wel aan andere aangewezen activiteiten die daarvoor bevorderlijk zijn;.

B

Artikel 29 vervalt.

C

Hoofdstuk VI wordt getiteld:

HOOFDSTUK VI.

REÏNTEGRATIEMAATREGELEN

D

Artikel 72 komt te luiden:

Artikel 72
  • 1. De bedrijfsvereniging heeft mede tot taak de inschakeling in de arbeid te bevorderen van werknemers die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk IIa of IIb, behoudens voor zover het betreft de taken van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996.

  • 2. Bij de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak werkt de bedrijfsvereniging samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

  • 3. Voor zover de uitvoering van het eerste lid het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid van moeilijk plaatsbare werkloze werknemers betreft, in het bijzonder door scholing, en bijzondere inspanningen voor hun arbeidsbemiddeling, draagt de bedrijfsvereniging dit, in afwijking van artikel 57, eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen op aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of aan derden, niet zijnde uitvoeringsinstellingen als bedoeld in artikel 51 van de Organisatiewet sociale verzekeringen.

  • 4. De bedrijfsvereniging is slechts bevoegd voor de uitvoering van de taak door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of derden op grond van het derde lid een vergoeding te betalen, indien de aanwending van de rijksbijdrage door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ten behoeve van die moeilijk plaatsbare werkloze werknemers in een overeenkomst tussen de bedrijfsvereniging en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is vastgelegd.

  • 5. De bedrijfsvereniging stelt jaarlijks een plan op dat beschrijft op welke wijze zij uitvoering geeft aan het eerste, tweede en derde lid. Dit plan wordt gevoegd bij de begroting, bedoeld in artikel 79, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen.

  • 6. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels omtrent het plan, bedoeld in het vijfde lid. Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

  • 7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld die door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming bij de toepassing van het zesde lid van dit artikel en het eerste en derde lid van artikel 93a in acht worden genomen.

E

Na artikel 93 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 93a
  • 1. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt jaarlijks ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds voor de vergoedingen bedoeld in artikel 72, vierde lid, aan de bedrijfsverenigingen een bedrag ter beschikking.

  • 2. De verdeling van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, over de bedrijfsverenigingen vindt plaats aan de hand van de plannen, bedoeld in artikel 72, vijfde lid.

  • 3. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt regels met betrekking tot de besteding door de bedrijfsverenigingen van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, alsmede met betrekking tot de verantwoording en verslaglegging daarvan. Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 23

De Organisatiewet sociale verzekeringen2 wordt als volgt gewijzigd.

A

In artikel 37, onderdeel a, vervalt: «, bedoeld in artikel 9 van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402)».

B

Aan artikel 63 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten, bedoeld in dit artikel.

C

In artikel 97, onderdeel c, wordt «de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening» vervangen door: de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

D

Aan artikel 102 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd uit de door hen of in hun opdracht gevoerde administratie aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en aan derden de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 72 van de Werkloosheidswet.

Artikel 24

De Algemene bijstandswet3 wordt als volgt gewijzigd.

A

Artikel 111 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid wordt vervangen door:

  • 2. Burgemeester en wethouders werken samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de bedrijfsverenigingen om de inschakeling van bijstandsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen.

2. In het vierde lid wordt «Bij algemene maatregel van bestuur» vervangen door: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

B

Artikel 128 komt te luiden:

Artikel 128

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd uit de administratie terzake van de uitvoering van deze wet aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en aan derden de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 137a.

C

In hoofdstuk X wordt na artikel 137 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 137a
  • 1. Onze Minister verstrekt, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, aan burgemeester en wethouders van gemeenten ten laste van 's Rijks kas een uitkering die door deze bij de uitvoering van artikel 111, eerste lid, dient te worden besteed voor het betalen van een vergoeding aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of aan derden voor door deze verleende diensten gericht op het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling, van moeilijk plaatsbare bijstandsgerechtigden.

  • 2. Onze Minister kan de toepassing van het eerste lid beperken tot door hem aan te wijzen gemeenten.

Artikel 25

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers4 wordt als volgt gewijzigd.

A

Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd.

1. Het tweede lid wordt vervangen door:

  • 2. Burgemeester en wethouders werken samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de bedrijfsverenigingen om de inschakeling van ontvangers van een uitkering op grond van deze wet in het arbeidsproces te bevorderen.

2. In het vierde lid wordt «Bij algemene maatregel van bestuur» vervangen door: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

B

Artikel 51 komt te luiden:

Artikel 51

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd uit de administratie terzake van de uitvoering van deze wet aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en aan derden de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 59a.

C

In hoofdstuk V wordt na artikel 59 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 59a
  • 1. Onze Minister verstrekt, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, aan burgemeester en wethouders van gemeenten ten laste van 's Rijks kas een uitkering die door deze bij de uitvoering van artikel 34, eerste lid, dient te worden besteed voor het betalen van een vergoeding aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of aan derden voor door deze verleende diensten gericht op het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling, van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden.

  • 2. Onze Minister kan de toepassing van het eerste lid beperken tot door hem aan te wijzen gemeenten.

Artikel 26

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen5 wordt als volgt gewijzigd.

A

Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd.

1. Het tweede lid wordt vervangen door:

  • 2. Burgemeester en wethouders werken samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de bedrijfsverenigingen om de inschakeling van ontvangers van een uitkering op grond van deze wet in het arbeidsproces te bevorderen.

2. In het vierde lid wordt «Bij algemene maatregel van bestuur» vervangen door: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

B

Artikel 51 komt te luiden:

Artikel 51

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd uit de administratie terzake van de uitvoering van deze wet aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en aan derden de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 59a.

C

In hoofdstuk V wordt na artikel 59 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 59a
  • 1. Onze Minister verstrekt, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, aan burgemeester en wethouders van gemeenten ten laste van 's Rijks kas een uitkering die door deze bij de uitvoering van artikel 34, eerste lid, dient te worden besteed voor het betalen van een vergoeding aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of aan derden voor door deze verleende diensten gericht op het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling, van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden.

  • 2. Onze Minister kan de toepassing van het eerste lid beperken tot door hem aan te wijzen gemeenten.

Artikel 27

Aan artikel 16 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers6 worden vier nieuwe leden toegevoegd, luidende:

  • 4. De bedrijfsverenigingen en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel stellen jaarlijks een plan op dat beschrijft op welke wijze zij uitvoering geven aan het tweede lid.

  • 5. De bedrijfsvereniging voegt het plan, bedoeld in het vierde lid, bij de begroting, bedoeld in artikel 79, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen.

  • 6. Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming stelt nadere regels omtrent het plan van de bedrijfsvereniging, bedoeld in het vierde lid. Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

  • 7. Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt nadere regels omtrent het plan van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 28

In artikel 76, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering7 vervalt de zinsnede «, onder goedkeuring van het College van toezicht sociale verzekeringen,».

Artikel 29

De Noodwet Arbeidsvoorziening8 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 5, tweede lid, wordt «Arbeidsvoorzieningswet» vervangen door: Arbeidsvoorzieningswet 1996.

B

In artikel 52a vervalt de tweede volzin.

Artikel 30

In artikel 2, eerste lid, van de Ambtenarenwet9 wordt onderdeel x vervangen door:

x. de leden van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening en de voorzitter en de leden van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening, als bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet 1996, alsmede hun plaatsvervangers, en.

Artikel 31

In artikel 1, onderdeel 4°, van de Wet op de economische delicten10 vervalt in de vermelding bij de Arbeidsvoorzieningswet: «71, eerste lid,».

Artikel 32

Aan de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht11, onderdeel F (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), wordt toegevoegd:

3. Artikel 42 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996.

HOOFDSTUK 4. OVERIGE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 33

  • 1. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip is in afwijking van

    a. artikel 72, derde en vierde lid, van de Werkloosheidswet;

    b. artikel 137a van de Algemene bijstandswet;

    c. de artikelen 59a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de vergoeding die terzake ten laste van 's Rijks kas bij of krachtens wet is vastgesteld of ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds bij wet is vastgesteld, slechts bestemd voor vergoeding voor de dienstverlening door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

  • 2. De dienstverlening kan, tot het in het eerste lid bedoelde tijdstip, op grond van de in het eerste lid vermelde artikelen behalve aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie slechts dan ook aan derden worden opgedragen, indien de aanwending van de in het eerste lid bedoelde, voor de dienstverlening door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie beschikbare budgetten, in een overeenkomst tussen de bedrijfsvereniging onderscheidenlijk burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is vastgelegd.

  • 3. Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid, alsmede met betrekking tot de mate waarin na het in het eerste lid bedoelde tijdstip vergoeding als daar bedoeld dient te worden aangewend voor vergoeding voor dienstverlening door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

  • 4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet genomen en regels op grond van het derde lid met betrekking tot de mate waarin na het in het eerste lid bedoelde tijdstip vergoeding als daar bedoeld dient te worden aangewend voor vergoeding voor dienstverlening door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden niet vastgesteld dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het voornemen daartoe is meegedeeld aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 34

  • 1. De in artikel 19 genoemde artikelen en onderdelen van de Arbeidsvoorzieningswet en daarop berustende besluiten en regelingen vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillend kan worden gesteld.

  • 2. Op het tijdstip waarop ingevolge het eerste lid de artikelen 82, eerste lid, 83, 85, 86, eerste lid, 90, 91, 93, eerste lid, en 94, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet vervallen, vervalt in artikel 1, onderdeel 4°, van de Wet op de economische delicten: de Arbeidsvoorzieningswet, de artikelen 82, eerste lid, 83, 85, 86, eerste lid, 90, 91, 93, eerste lid, en 94, eerste lid.

Artikel 35

Het Centraal Bestuur geeft in elk geval met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en vervolgens gedurende het tijdvak van de eerste vier kalenderjaren na die datum in elk geval telkens met ingang van ieder kalenderjaar toepassing aan artikel 68, onderdelen a–e, van die wet.

Artikel 36

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Artikel 37

Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 29 november 1996

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Uitgegeven de negentiende december 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1987, 93, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 november 1996, Stb. 562.

XNoot
2

Stb. 1994, 790, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 mei 1996, Stb. 276.

XNoot
3

Stb. 1995, 199, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 1996, Stb. 248.

XNoot
4

Stb. 1995, 205, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 1996, Stb. 248.

XNoot
5

Stb. 1995, 206, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 1996, Stb. 248.

XNoot
6

Stb. 1986, 300, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 november 1995, Stb. 598.

XNoot
7

Stb. 1987, 89, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 november 1996, Stb. 562.

XNoot
8

Stb. 1971, 448, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 november 1996, Stb. 562.

XNoot
9

Stb. 1994, 5, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 november 1996, Stb. 590.

XNoot
10

Stb. 1950, K258, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 november 1996, Stb. 605.

XNoot
11

Stb. 1994, 1, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 oktober 1996, Stb. 577.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1995/96, 24 554.

Handelingen II 1995/96, blz. 6475–6488; 6696–6697.

Kamerstukken I 1995/96, 24 554 (318(herdr.)); 1996/97, 24 554 (15, 15a, 15b).

Handelingen I 1996/97, blz. 242–264.