Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 1996, 590Wet

Wet van 29 november 1996 tot vaststelling van de gewijzigde Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (aanvulling met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede ter uitvoering van artikel 117, vierde lid, van de Grondwet, wenselijk is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren uit te breiden met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof, en dat het in verband daarmee gewenst is deze wet opnieuw vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1

  • 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

    b. rechterlijke ambtenaren: de met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht, de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van het openbaar ministerie, de bij de kantongerechten, de arrondissementsrechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad aangestelde gerechtsauditeurs en griffiers en substituut-griffiers;

    c. rector: degene die krachtens artikel 59i, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie als rector van de opleiding van de rechterlijke ambtenaren in opleiding is aangewezen;

    d. burgerlijke rijksambtenaren: burgerlijke rijksambtenaren, werkzaam bij de departementen van algemeen bestuur.

  • 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder functionele autoriteit:

    a. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van een kantongerecht en de daarbij aangestelde gerechtsauditeurs, griffiers en substituut-griffiers: de kantonrechter, oudste in rang van benoeming;

    b. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van een arrondissementsrechtbank, de daarbij aangestelde gerechtsauditeurs, griffiers en substituut-griffiers, de binnen het rechtsgebied van een arrondissementsrechtbank aangestelde kantonrechters, oudste in rang van benoeming, alsmede de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij een arrondissementsrechtbank: de president van de arrondissementsrechtbank;

    c. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van een gerechtshof, de daarbij aangestelde gerechtsauditeurs, griffiers en substituut-griffiers, alsmede de binnen het rechtsgebied van een gerechtshof aangestelde presidenten van arrondissementsrechtbanken: de president van het gerechtshof;

    d. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van de Hoge Raad, de daarbij aangestelde gerechtsauditeurs, griffiers en substituut-griffiers, alsmede de presidenten van de gerechtshoven: de president van de Hoge Raad;

    e. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van een arrondissementsparket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij een arrondissementsparket: het hoofd van het arrondissementsparket;

    f. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van het parket bij een gerechtshof, alsmede de binnen het rechtsgebied van een gerechtshof aangestelde hoofden van arrondissementsparketten: de procureur-generaal bij het gerechtshof;

    g. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die deel uitmaken van het parket bij de Hoge Raad, alsmede de procureurs-generaal bij de gerechtshoven: de procureur-generaal bij de Hoge Raad;

    h. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de buitenstage: de rector.

HOOFDSTUK 2. VOLLEDIGE TAAK EN DEELTAAK

Artikel 2

  • 1. Een rechterlijk ambtenaar wordt aangesteld voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak.

  • 2. Een rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt aangesteld voor het vervullen van een volledige taak of, voor zover voorzien bij algemene maatregel van bestuur en met inachtneming van de daarbij gestelde regels, voor het vervullen van een gedeeltelijke taak.

Artikel 3

  • 1. De aanstelling van een rechterlijk ambtenaar kan naar omvang van de taak op zijn verzoek bij koninklijk besluit worden gewijzigd.

  • 2. Met inachtneming van de krachtens artikel 2, tweede lid, gestelde regels, kan de aanstelling van een rechterlijk ambtenaar in opleiding naar omvang van de taak op zijn verzoek bij beschikking van Onze Minister worden gewijzigd.

Artikel 4

  • 1. Op een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt beslist nadat daarover het advies is ingewonnen van de functionele autoriteit.

  • 2. Op een verzoek als bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt beslist nadat daarover het advies is ingewonnen van de rector en hetzij de president van de arrondissementsrechtbank hetzij het hoofd van het arrondissementsparket.

Artikel 5

  • 1. In afwijking van artikel 2 worden raadsheren in buitengewone dienst van de Hoge Raad, raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, kantonrechters-plaatsvervangers, advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad en plaatsvervangende officieren van justitie niet aangesteld voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak.

  • 2. Zij kunnen voor het verrichten van werkzaamheden worden opgeroepen door de president van het college waarbij zij zijn aangesteld, door de kantonrechter, oudste in rang van benoeming, bij het kanton waarbij zij zijn aangesteld, onderscheidenlijk door het hoofd van het arrondissementsparket.

Artikel 6

  • 1. Raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, kantonrechters-plaatsvervangers en plaatsvervangende officieren van justitie kunnen op hun verzoek tijdelijk worden aangewezen voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak.

  • 2. De aanwijzing geschiedt voor een bepaalde tijd en kan worden verlengd. De tijdsduur van aanwijzing en verlenging te zamen kan niet meer dan drie jaar bedragen. Een volgende aanwijzing is slechts mogelijk indien sinds de beëindiging van de vorige aanwijzing ten minste zes maanden zijn verstreken.

  • 3. De aanwijzing kan naar de omvang van de taak op verzoek van de belanghebbende worden gewijzigd.

  • 4. Op een aanwijzing, een verlenging van de aanwijzing of een tussentijdse wijziging van de aan de aanwijzing verbonden taak is artikel 4, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Een aanwijzing, een verlenging of een wijziging van de aanwijzing geschiedt voor zover het plaatsvervangende officieren van justitie betreft bij beschikking van Onze Minister en overigens bij koninklijk besluit.

HOOFDSTUK 3. BEZOLDIGING EN ANDERE FINANCIËLE ARBEIDSVOORWAARDEN

Artikel 7

  • 1. Voor de bepaling van hun bezoldiging worden de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding ingedeeld in de volgende categorieën:

    categorie 1: president van en procureur-generaal bij de Hoge Raad;

    categorie 2: vice-president van en plaatsvervangend procureur-generaal bij de Hoge Raad;

    categorie 3: raadsheer in en advocaat-generaal bij de Hoge Raad; president van en procureur-generaal bij een gerechtshof; president van de arrondissementsrechtbanken te 's-Gravenhage, Rotterdam en Amsterdam; hoofdofficier van justitie in de arrondissementen 's-Gravenhage, Rotterdam en Amsterdam;

    categorie 4: president van de overige arrondissementsrechtbanken; hoofdofficier van justitie in de overige arrondissementen;

    categorie 5: coördinerend vice-president van en plaatsvervangend procureur-generaal bij een gerechtshof;

    categorie 6: fungerend hoofdofficier van justitie;

    categorie 7: vice-president van een gerechtshof; coördinerend vice-president van een arrondissementsrechtbank; plaatsvervangend hoofdofficier van justitie;

    categorie 8: raadsheer in en advocaat-generaal bij een gerechtshof; vice-president van een arrondissementsrechtbank; officier van justitie eerste klasse;

    categorie 8a: kantonrechter te 's-Gravenhage, Rotterdam en Amsterdam;

    categorie 8b: kantonrechter te 's-Hertogenbosch, Eindhoven, Breda, Tilburg, Maastricht, Heerlen, Roermond, Venlo, Arnhem, Wageningen, Tiel, Nijmegen, Apeldoorn, Zwolle, Almelo, Enschede, Lelystad, Delft, Leiden, Gouda, Dordrecht, Middelburg, Hilversum, Alkmaar, Haarlem, Zaandam, Utrecht, Amersfoort, Leeuwarden en Groningen;

    categorie 8c: kantonrechter in de overige kantons;

    categorie 9: rechter in een arrondissementsrechtbank; arrondissementsofficier van justitie;

    categorie 10: gerechtsauditeur, tevens raadsheer-plaatsvervanger in het gerechtshof waarbij hij is aangesteld; gerechtsauditeur, tevens rechter-plaatsvervanger in de arrondissementsrechtbank waarbij hij is aangesteld; substituut-officier van justitie; verkeersschout; senior-gerechtsauditeur;

    categorie 11: gerechtsauditeur;

    categorie 11a: arrondissementsgriffier in de arrondissementen 's-Gravenhage, Rotterdam en Amsterdam;

    categorie 11b: griffier van de Hoge Raad; arrondissementsgriffier in de overige arrondissementen;

    categorie 11c: griffier van een gerechtshof;

    categorie 12: rechterlijk ambtenaar in opleiding.

  • 2. In de bij deze wet behorende bijlage is, overeenkomstig de indeling in het eerste lid, het salaris vermeld dat de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige taak maandelijks genieten.

Artikel 8

Rechterlijke ambtenaren of rechterlijke ambtenaren in opleiding die zijn aangesteld voor het vervullen van een gedeeltelijke taak, ontvangen een salaris dat een met hun taak overeenkomend deel bedraagt van het salaris dat zij zouden hebben ontvangen indien zij in hetzelfde ambt zouden zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige taak.

Artikel 9

  • 1. Raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, kantonrechters-plaatsvervangers en plaatsvervangende officieren van justitie die zijn aangewezen om tijdelijk een volledige of een gedeeltelijke taak te vervullen en die niet reeds uit anderen hoofde als rechterlijk ambtenaar of als rechterlijk ambtenaar in opleiding worden bezoldigd, ontvangen over de periode van hun aanwijzing een salaris op de voet van de artikelen 7 en 8.

  • 2. Raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, kantonrechters-plaatsvervangers en plaatsvervangende officieren van justitie die niet zijn aangewezen om tijdelijk een volledige of een gedeeltelijke taak te vervullen, ontvangen een vergoeding volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid:

    a. worden een raadsheer-plaatsvervanger en een rechter-plaatsvervanger gelijk gesteld met een raadsheer onderscheidenlijk rechter in hetzelfde college;

    b. wordt een kantonrechter-plaatsvervanger gelijk gesteld met een kantonrechter in hetzelfde kanton;

    c. wordt een plaatsvervangend officier van justitie gelijk gesteld met een substituut-officier van justitie of een arrondissementsofficier van justitie bij hetzelfde arrondissementsparket, door Onze Minister van Justitie bij de aanwijzing te bepalen.

Artikel 10

Raadsheren in buitengewone dienst van en advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad ontvangen een vergoeding voor verrichte werkzaamheden volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

Artikel 11

  • 1. Het salaris van de kantonrechter die in verband met het openvallen van een plaats de werkzaamheden van kantonrechter in een nabijgelegen kanton op zich heeft genomen, wordt tot en met de laatste dag van de maand waarin hij deze werkzaamheden beëindigt, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen het salaris van een kantonrechter wiens ambt is ingedeeld in categorie 8a en het salaris van een kantonrechter wiens ambt is ingedeeld in categorie 8c.

  • 2. Een salarisvermeerdering als bedoeld in het eerste lid wordt eveneens genoten indien een kantonrechter de daar vermelde werkzaamheden op zich heeft genomen in verband met tijdelijke uitbreiding van werkzaamheden dan wel in verband met afwezigheid, belet of ontstentenis van een ambtgenoot.

Artikel 12

  • 1. Aan de rechterlijk ambtenaar die is belast met de waarneming van een ander ambt waarop deze wet van toepassing is en waaraan een hoger maximum salaris is verbonden, wordt, wanneer de waarneming ten minste 30 dagen heeft geduurd, voor de duur van de waarneming een toelage toegekend.

  • 2. Het bedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de rechterlijk ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij met ingang van de dag waarop de waarneming is ingegaan in het door hem waargenomen ambt zou zijn benoemd.

Artikel 13

  • 1. Indien in de bijlage, bedoeld in artikel 7, tweede lid, voor het salaris van een rechterlijk ambtenaar of een rechterlijk ambtenaar in opleiding een schaal is opgenomen, geniet deze bij de eerste benoeming met ingang van de datum van indiensttreding het als eerste in de schaal vermelde salaris en vervolgens telkens na één jaar het daarna in de schaal vermelde salaris.

  • 2. Van het eerste lid kan worden afgeweken in het besluit waarin de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt benoemd.

  • 3. Indien Onze Minister en de te benoemen rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding geen overeenstemming kunnen bereiken over de toepassing van het tweede lid, wordt beslist nadat een gezamenlijk advies is uitgebracht door een president van een gerechtshof, een president van een arrondissementsrechtbank en een ander met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht, alle aangewezen door Onze Minister.

Artikel 14

Bij een opvolgende benoeming in een ambt waaraan een hoger maximum salaris is verbonden en waarvoor in de bijlage een schaal is opgenomen, geschiedt de inpassing in die schaal, met ingang van de datum van indiensttreding, op het naast hogere bedrag. Vervolgens geniet de betrokkene telkens na één jaar het daarna in de schaal vermelde salaris.

Artikel 15

Bij een opvolgende benoeming in een ambt waaraan een gelijk maximum salaris is verbonden en waarvoor in de bijlage een schaal is opgenomen, geschiedt de inpassing in die schaal van de rechterlijk ambtenaar die nog niet het aan dat ambt verbonden maximum salaris geniet, met ingang van de datum van indiensttreding, op het naast hogere bedrag. Vervolgens geniet hij telkens na één jaar het daarna in de schaal vermelde salaris.

Artikel 16

  • 1. De rechterlijke ambtenaren die zijn aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke taak, en de rechterlijke ambtenaren in opleiding hebben, overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de burgerlijke rijksambtenaren, aanspraak op een vakantie-uitkering, een ziektekostenvergoeding, een vergoeding van reis- en verblijfkosten en een vergoeding van verplaatsingskosten.

  • 2. Bovendien genieten zij een uitkering ter zake van veeljarige dienst op de tijdstippen en tot de bedragen die gelden voor de burgerlijke rijksambtenaren. Bij de bepaling van de diensttijd wordt rekening gehouden met tijd in overheidsdienst doorgebracht, overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de burgerlijke rijksambtenaren.

Artikel 17

  • 1. Het genot van de bezoldiging vangt aan met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding in dienst treedt.

  • 2. Bij overgang in 's Rijks dienst naar een ander ambt wordt, indien dit ambt wordt aanvaard met ingang van een dag waarop het einde van de aanstelling in het oude rechterlijke ambt nog niet is ingegaan, de bezoldiging in dit oude ambt niet langer uitbetaald dan tot de dag waarop het genot van de bezoldiging in het nieuwe ambt aanvangt.

  • 3. De bezoldiging wordt per maand genoten.

  • 4. Indien een aanspraak op een verhoging van de bezoldiging ontstaat op een andere dag dan de eerste dag van een kalendermaand, wordt het nieuwe salaris genoten vanaf de eerste dag van die kalendermaand.

  • 5. Indien de bezoldiging moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt de bezoldiging per dag gesteld op één dertigste deel van de bezoldiging per maand.

Artikel 18

  • 1. De bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van overlijden.

  • 2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden wordt aan de weduwe of de weduwnaar van wie de overleden rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als maatstaf geldt de bezoldiging die de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding op de dag van het overlijden genoot. Onder weduwe of weduwnaar van wie de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding niet duurzaam gescheiden leefde, wordt mede begrepen de nabestaande levenspartner met wie de niet gehuwde rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding samenwoonde en, met het oogmerk duurzaam samen te leven, een gemeenschappelijke huishouding voerde op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt.

  • 3. De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal de vakantie-uitkering over een maand. Als maatstaf geldt de bezoldiging die de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding in de maand van het overlijden zou hebben genoten.

  • 4. Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar van wie de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen worden mede verstaan natuurlijke kinderen waarover de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.

  • 5. Ontbreken ook minderjarige kinderen, dan geschiedt, indien de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, de uitkering ten behoeve van deze nagelaten betrekkingen.

Artikel 19

De bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden ten aanzien van het gelijktijdig genot van burgerlijke en militaire beloning, vinden overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bezoldigde rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren van de aan hun ambt verbonden bezoldiging nimmer minder ontvangen dan het bedrag, waarmede deze bezoldiging hun militaire bezoldiging overtreft.

HOOFDSTUK 4. ARBEIDSTIJD

Artikel 20

  • 1. De arbeidstijd bedraagt bij een volledige taak 40 uur per week, met dien verstande dat over een kalenderjaar aanspraak bestaat op arbeidsduurverkorting met 96 uur.

  • 2. Indien de betrokkene is aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een gedeeltelijke taak, bedragen de arbeidstijd en de arbeidsduurverkorting een evenredig deel van de arbeidstijd en de arbeidsduurverkorting bij een volledige taak.

Artikel 21

Geen werkzaamheden worden opgedragen op zaterdagen, zondagen en dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als of zijn gelijkgesteld met algemeen erkende feestdagen, tenzij het belang van de taakvervulling dit naar het oordeel van de functionele autoriteit onvermijdelijk maakt.

Artikel 22

  • 1. De rechtbankvergadering onderscheidenlijk de hofvergadering verdeelt, op voorstel van de president van het gerecht, de werkzaamheden van hen die deel uitmaken van het gerecht.

  • 2. De kantonrechters in een kanton verdelen, op voorstel van de kantonrechter, oudste in rang van benoeming, de werkzaamheden van die kantonrechters.

  • 3. Het hoofd van het arrondissementsparket onderscheidenlijk de procureur-generaal bij het gerechtshof verdeelt de werkzaamheden van hen die deel uitmaken van het arrondissementsparket onderscheidenlijk van het openbaar ministerie bij het gerechtshof en stelt, indien daartoe aanleiding bestaat, de tijden vast waarop de werkzaamheden worden verricht.

  • 4. De president van het gerecht onderscheidenlijk de kantonrechter, oudste in rang van benoeming, verdeelt de werkzaamheden van de gerechtsauditeurs die zijn aangesteld bij het desbetreffende gerecht, en stelt, indien daartoe aanleiding bestaat, de tijden vast waarop de werkzaamheden worden verricht.

  • 5. De president van de arrondissementsrechtbank, voor zover de rechterlijk ambtenaar in opleiding de opleiding doorbrengt bij die arrondissementsrechtbank, onderscheidenlijk het hoofd van het arrondissementsparket, voor zover de rechterlijk ambtenaar in opleiding de opleiding doorbrengt bij dat parket, verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijk ambtenaar in opleiding en stelt, indien daartoe aanleiding bestaat, de tijden vast waarop de werkzaamheden worden verricht. Indien de rechterlijk ambtenaar in opleiding de opleiding elders doorbrengt, worden de tijden waarop de werkzaamheden worden verricht vastgesteld door de rector van de opleiding.

  • 6. Van de in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verdeling van werkzaamheden onderscheidenlijk vaststelling van tijden waarop de werkzaamheden worden verricht, kan slechts worden afgeweken voor een beperkte duur en indien het belang van de taakvervulling dit naar het oordeel van de functionele autoriteit onvermijdelijk maakt.

HOOFDSTUK 5. VAKANTIE EN VERLOF

Paragraaf 5.1. Vakantie

Artikel 23

  • 1. Rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding hebben aanspraak op vakantie met behoud van hun volle bezoldiging.

  • 2. De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in uren per kalenderjaar. Zo nodig vindt afronding naar boven plaats.

Artikel 24

  • 1. De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van de leeftijd en van de taakomvang van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding.

  • 2. De aanspraak op vakantie bedraagt 192 uren per kalenderjaar bij een volledige taak.

  • 3. De aanspraak op vakantie wordt, afhankelijk van de leeftijd die de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verhoogd volgens onderstaande tabel:

    LeeftijdVerhoging
    30 t/m 39 jaar: 8 uur
    40 t/m 44 jaar:16 uur
    45 t/m 49 jaar:24 uur
    50 t/m 54 jaar:32 uur
    55 t/m 59 jaar:40 uur
    60 t/m 64 jaar:48 uur
    65 t/m 70 jaar:56 uur
  • 4. De aanspraak op vakantie wordt voor degene die een aanstelling of aanwijzing voor een gedeeltelijke taak heeft, vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige taak.

Artikel 25

Indien wijziging wordt aangebracht in de taakomvang van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe taakomvang. De tot aan de datum van ingang van de wijziging verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.

Artikel 26

Bij indiensttreding of bij het einde van de aanstelling of aanwijzing in de loop van een kalenderjaar wordt de aanspraak op vakantie naar evenredigheid vastgesteld.

Artikel 27

  • 1. Over kalendermaanden gedurende welke de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding in het geheel geen werkzaamheden verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke hij gedeeltelijk werkzaamheden verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van zijn taak dat hij feitelijk vervult. De eerste en tweede volzin zijn eerst van toepassing nadat de rechterlijk ambtenaar dan wel de rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende een periode van 30 aaneengesloten kalenderdagen geheel of gedeeltelijk geen werkzaamheden verricht.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    a. indien de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding als gevolg van ziekte zijn werkzaamheden niet of slechts gedeeltelijk verricht, en de verhindering tot het verrichten van werkzaamheden korter duurt dan 26 weken, waarbij de tijdvakken worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van 30 aaneengesloten kalenderdagen of minder opvolgen,

    b. in geval van genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 36,

    c. in geval van genoten ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 37, en

    d. in geval van genoten vakantie.

Artikel 28

  • 1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is vrij om vast te stellen wanneer hij vakantie opneemt, voor zover het belang van de taakvervulling zich daartegen naar het oordeel van de functionele autoriteit niet verzet.

  • 2. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die is aangesteld of aangewezen voor een volledige taak dient in elk kalenderjaar ten minste 120 uren vakantie op te nemen, waarvan ten minste 80 uren over een aaneengesloten periode.

  • 3. Voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die is aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een gedeeltelijke taak wordt de op grond van het tweede lid geldende verplichting vastgesteld op een evenredig deel van de verplichting bij een volledige taak.

Artikel 29

  • 1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende de binnenstage meldt het voornemen vakantie op te nemen tijdig aan de functionele autoriteit.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de kantonrechters, oudste in rang van benoeming, de presidenten van de arrondissementsrechtbanken, de presidenten van en de procureurs-generaal bij de gerechtshoven en de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad.

Artikel 30

Indien de taakvervulling dat dringend noodzakelijk maakt, kan de functionele autoriteit, bedoeld in artikel 29, aan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding opdragen reeds opgenomen vakantie in te trekken, zowel voor als tijdens de vakantie. Indien deze door het intrekken van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze aan hem vergoed.

Artikel 31

Niet opgenomen vakantie, waaronder eventueel van vorige jaren overgeboekte vakantie, wordt naar het volgende kalenderjaar overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding over een vol kalenderjaar berekend op grond van de artikelen 24 tot en met 27, verminderd met de in artikel 28, tweede en derde lid, bedoelde vakantie.

Artikel 32

  • 1. Indien de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding op de datum van het einde van zijn aanstelling nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij nog niet heeft opgenomen, een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij direct voorafgaand aan het einde van zijn aanstelling genoot. De vergoeding wordt berekend met inachtneming van artikel 31 en uitgaande van het salaris en de taak zoals die direct voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband voor hem golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar van het einde van zijn aanstelling.

  • 2. Indien op de dag van het einde van zijn aanstelling blijkt dat de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.

  • 3. In geval van overgang zonder onderbreking naar een andere functie binnen de rijksoverheid in de loop van een kalenderjaar kan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen de vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet genoten zijn, te behouden. Daarbij wordt de vakantie die in het lopende kalenderjaar is genoten in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.

Paragraaf 5.2. Verlof

Artikel 33

  • 1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geniet verlof.

  • 2. Indien het gerecht of het parket waarbij de rechterlijk ambtenaar is aangesteld of aangewezen dan wel waar de rechterlijk ambtenaar in opleiding de opleiding doorbrengt, op een daartoe aangewezen kerkelijke of nationale, landelijk, regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet hij verlof voor zover de taakvervulling zich daartegen naar het oordeel van de functionele autoriteit niet verzet.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien het betreft een dag als bedoeld in artikel 21.

Artikel 34

In geval van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden kan op verzoek van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging worden verleend door de functionele autoriteit.

Artikel 35

  • 1. Behoudens in dringende gevallen moet het buitengewoon verlof, bedoeld in artikel 34, tijdig worden aangevraagd.

  • 2. De verlening geschiedt voor een daarbij te bepalen periode. Aan de verlening kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 3. Indien de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding niet vooraf een aanvraag voor het buitengewoon verlof heeft ingediend maar ten genoege van de functionele autoriteit aantoont dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad terwijl er voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze afwezigheid beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging.

Artikel 36

  • 1. De vrouwelijke rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof.

  • 2. Zij heeft recht op zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een geneeskundige of van een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling, binnen zes weken is te verwachten. Het verlof vangt uiterlijk aan vier weken voorafgaande aan deze datum.

  • 3. Zij heeft recht op bevallingsverlof van tien weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste zestien weken, voor zover het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder dan zes weken heeft bedragen.

  • 4. Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt gelijkgesteld met verhindering wegens ziekte.

Artikel 37

  • 1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die als ouder in familierechtelijke betrekking is komen te staan tot een kind, of blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres is komen te wonen als een kind, en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op verlof. Indien de ter zake van de aanspraak op verlof in de eerste volzin gestelde voorwaarden ten aanzien van meer kinderen van de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding met ingang van hetzelfde tijdstip worden vervuld, bestaat de aanspraak slechts ten aanzien van één van die kinderen.

  • 2. Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die is aangesteld of aangewezen voor ten minste 4/10 gedeelte van een volledige taak en wiens dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd.

  • 3. Het verlof strekt zich uit over een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden en bedraagt ten hoogste de helft van de voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding geldende arbeidstijd per week. Geen aanspraak op verlof bestaat over de periode gelegen na de datum waarop het kind als leerling kan worden toegelaten tot de basisschool.

  • 4. Over de uren waarop de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding verlof is verleend, behoudt hij 75 procent van zijn bezoldiging.

  • 5. De functionele autoriteit kan toestaan dat het verlof afwijkend van de eerste volzin van het derde lid wordt opgenomen, mits daardoor het maximale aantal verlofuren dat over een aaneengesloten periode van zes maanden aan de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding kan worden verleend, niet wordt overschreden en de aaneengesloten verlofperiode niet meer dan een jaar bedraagt.

  • 6. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten verlofuren wanneer zijn aanstelling tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof wordt beëindigd op verzoek, dan wel niet op verzoek op grond van aan hem te wijten feiten of omstandigheden. Beëindiging op verzoek gevolgd door een overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de rijksoverheid wordt niet als beëindiging van de aanstelling beschouwd.

Artikel 38

  • 1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding meldt het voornemen tot het nemen van het in artikel 37 bedoelde verlof ten minste twee maanden voor het door hem gewenste tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan de functionele autoriteit. Hij doet daarbij opgave van:

    a. de aaneengesloten periode van het verlof,

    b. het aantal uren verlof per week, en

    c. de spreiding van de verlofuren over de week.

  • 2. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde van het in artikel 36 bedoelde bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.

  • 3. De functionele autoriteit is verplicht in te stemmen met een verzoek van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij de taakvervulling zich hiertegen ernstig verzet. Hij behoeft aan het verzoek niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan een maand na het verzoek. Indien het verlof, met toepassing van de eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof.

  • 4. De functionele autoriteit kan, na overleg met de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding, de spreiding van de uren over de week op grond van gewichtige redenen met betrekking tot de taakvervulling wijzigen en wel tot een maand voor het door de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding opgegeven tijdstip van ingang van het verlof.

Artikel 39

  • 1. Onze Minister kan aan een rechterlijk ambtenaar die is aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een volledige of een gedeeltelijke taak, of aan een rechterlijk ambtenaar in opleiding op diens verzoek buitengewoon verlof al dan niet met behoud van bezoldiging verlenen. De verlening geschiedt voor een daarbij te bepalen periode. Aan de verlening kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 2. Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt beslist nadat daarover het advies is ingewonnen van de functionele autoriteit.

  • 3. Het buitengewoon verlof gaat niet eerder in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorschriften door de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding.

  • 4. In geval van buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging heeft de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding geen aanspraak op vakantie of arbeidsduurverkorting als bedoeld in artikel 20, tweede lid.

HOOFDSTUK 6. OVERIGE RECHTEN EN PLICHTEN

Artikel 40

  • 1. De rechterlijke ambtenaren – met uitzondering van de raadsheren in buitengewone dienst, de advocaten-generaal in buitengewone dienst en de plaatsvervangers – en de rechterlijke ambtenaren in opleiding kunnen door de functionele autoriteit worden verplicht te gaan of blijven wonen in of nabij de gemeente waarin het gerecht of parket waarbij zij zijn aangesteld is gelegen, indien dit naar het oordeel van die functionele autoriteit in verband met de goede vervulling van hun taak noodzakelijk is.

  • 2. Aan deze verplichting moet worden voldaan binnen twee jaar nadat zij is opgelegd.

Artikel 41

  • 1. Onze Minister kan een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar of een rechterlijk ambtenaar in opleiding verplichten tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen.

  • 2. Een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt genomen nadat daarover het advies is ingewonnen van de functionele autoriteit.

Artikel 42

  • 1. Voor schade die een rechterlijk ambtenaar of een rechterlijk ambtenaar in opleiding bij de vervulling van zijn taak aan een derde toebrengt en waarvoor hij zelf krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, is jegens de derde uitsluitend de Staat aansprakelijk.

  • 2. Voor schade als bedoeld in het eerste lid en voor schade die hij bij de vervulling van zijn taak aan de Staat toebrengt, is een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding jegens de Staat niet aansprakelijk, behalve voor zover de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

  • 3. Voor schade die een gevolg is van een rechterlijke uitspraak is een rechterlijk ambtenaar niet aansprakelijk, tenzij artikel 852, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is.

  • 4. Onze Minister kan de betrokken rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding bij besluit verplichten om ter zake van schade waarvoor deze op grond van het tweede lid aansprakelijk is, aan de Staat ter finale kwijting een vergoeding te betalen.

  • 5. In het besluit wordt het bedrag van de vergoeding vermeld. Indien het bedrag nog niet kan worden vastgesteld, worden de reden daarvan en zo mogelijk een voorlopige raming van het bedrag in het besluit vermeld, waarna Onze Minister zo spoedig mogelijk bij afzonderlijk besluit het bedrag vaststelt.

Artikel 43

  • 1. Een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding onthoudt zich van het openbaren van gedachten of gevoelens en van de uitoefening van de rechten tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn taak of het goede functioneren van de rechterlijke macht niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

  • 2. Het eerste lid is, voor zover het betreft het recht van vereniging, niet van toepassing op het lidmaatschap van:

    a. een politieke groepering, waarvan de aanduiding is ingeschreven overeenkomstig de Kieswet dan wel de Wet Europese verkiezingen, of

    b. een vakvereniging.

Artikel 44

  • 1. Rechterlijke ambtenaren – met uitzondering van de plaatsvervangers – en rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de binnenstage kunnen niet tevens advocaat, procureur of notaris zijn dan wel anderszins van het verlenen van rechtskundige bijstand een beroep maken.

  • 2. Rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de binnenstage geven de functionele autoriteit kennis van de betrekkingen die zij buiten hun ambt vervullen. Zo mogelijk geschiedt de kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het gaan vervullen van de betrekking.

  • 3. De functionele autoriteit houdt een register bij waarin de in het tweede lid, eerste volzin, bedoelde betrekkingen zijn opgenomen. Het register ligt ter inzage bij het desbetreffende gerecht of parket.

Artikel 45

  • 1. Aan een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die is benoemd of verkozen in een functie in een publiekrechtelijk college wordt, tenzij het belang van een goede taakvervulling zich daartegen verzet, door de functionele autoriteit gelegenheid gegeven tot het bijwonen van vergaderingen en zittingen van dat college en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van dat college.

  • 2. Aan een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding wordt, tenzij het belang van een goede taakvervulling zich daartegen verzet, door de functionele autoriteit gelegenheid gegeven tot het verrichten van of het deelnemen aan activiteiten op de terreinen, bedoeld in artikel 48, eerste of derde lid, voor of van een vakvereniging.

Artikel 46

  • 1. Onze Minister kan aan een rechterlijk ambtenaar of een rechterlijk ambtenaar in opleiding een schadeloosstelling of een vergoeding van kosten verlenen indien deze:

    a. op verzoek of met instemming van Onze Minister bijzondere werkzaamheden ten behoeve van de rechtspleging verricht waarvoor redelijkerwijs een schadeloosstelling dient te worden verleend, of

    b. bij de uitoefening van zijn normale taak of bij het verrichten van de in onderdeel a bedoelde werkzaamheden kosten maakt die redelijkerwijs niet voor zijn rekening dienen te komen.

  • 2. Het in de aanhef van het eerste lid bedoelde besluit geldt voor een daarbij aan te geven termijn. Aan het besluit kunnen voorschriften worden verbonden.

HOOFDSTUK 7. BEROEP

Artikel 47

  • 1. Een belanghebbende kan tegen een besluit of een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een rechterlijk ambtenaar als zodanig of een rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

  • 2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit tot benoeming, aanstelling of aanwijzing, tenzij het beroep wordt ingesteld door een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden.

HOOFDSTUK 8. OVERLEG

Artikel 48

  • 1. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand – met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd – van de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding, wordt niet beslist dan nadat daarover door of namens Onze Minister overleg is gevoerd met de Sectorcommissie rechterlijke macht.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 49, een en ander voor zover in het overleg over deze aangelegenheden niet is voorzien in een bevoegdheid om aanvullende of afwijkende voorzieningen te treffen ten behoeve van de functionarissen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Over algemene aangelegenheden met betrekking tot de rechtspleging wordt door of namens Onze Minister overleg gevoerd met de Sectorcommissie rechterlijke macht, indien een deelnemer aan het overleg dat verzoekt.

  • 4. Het overleg, bedoeld in het eerste en het derde lid, wordt op een zodanig tijdstip gevoerd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de te nemen besluiten.

  • 5. Het eerste lid is niet van toepassing op de rechtstoestand van de griffiers.

Artikel 49

Voor zover het overleg met de Centrale Commissie, bedoeld in artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, betrekking heeft op aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van alle ambtenaren waarop artikel 125 van de Ambtenarenwet van toepassing is, heeft het eveneens betrekking op de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding.

Artikel 50

  • 1. De deelnemers aan het overleg, bedoeld in artikel 48, eerste en derde lid, zijn de Sectorcommissie rechterlijke macht en Onze Minister.

  • 2. De Sectorcommissie rechterlijke macht bestaat uit vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. De Sectorcommissie heeft één gezamenlijke stem in het overleg.

  • 3. Onze Minister of een door hem aan te wijzen ambtenaar is voorzitter van het overleg.

  • 4. De deelnemers aan het overleg kunnen zich, na overleg met de voorzitter, doen bijstaan door deskundigen of adviseurs.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de inrichting van het overleg.

Artikel 51

  • 1. Voorstellen strekkende tot invoering, wijziging of intrekking van regelingen welke aangelegenheden betreffen waarop artikel 48, eerste lid, betrekking heeft en waaraan individuele functionarissen als bedoeld in artikel 48, eerste lid, rechten kunnen ontlenen dan wel die plichten voor hen kunnen meebrengen, worden slechts ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de Sectorcommissie rechterlijke macht.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op voorstellen strekkende tot:

    a. invoering of wijziging van een wettelijke regeling die betrekking heeft op alle burgers of alle werknemers, waaronder begrepen de functionarissen, bedoeld in artikel 48, eerste lid,

    b. invoering of wijziging van een wettelijke regeling voor de functionarissen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, met een overeenkomstige inhoud als een voorstel tot invoering of wijziging van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7A: 1637a van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn,

    c. vantoepassingverklaring op de functionarissen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7A: 1637a van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn en met die vantoepassingverklaring samenhangende wijzigingen in voor functionarissen als bedoeld in artikel 48, eerste lid, geldende regelingen, een en ander mits het totaal van rechten en plichten van de functionarissen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, of

    d. implementatie van verplichtingen voortvloeiend uit een internationaal verdrag.

  • 3. Indien in een overleg een geschil ontstaat over de vraag of bij een voorstel als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt voldaan aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en plichten over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 53, eerste lid.

Artikel 52

  • 1. Indien tijdens het overleg met de Sectorcommissie rechterlijke macht over voorstellen als bedoeld in artikel 48, eerste lid, de voorzitter dan wel de Sectorcommissie rechterlijke macht tot het oordeel komt dat het overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van de deelnemers aan het overleg zal hebben, brengt de voorzitter dan wel de Sectorcommissie rechterlijke macht dat oordeel binnen drie dagen nadat daarvan in het overleg blijk is gegeven, schriftelijk ter kennis aan de andere deelnemer aan het overleg.

  • 2. Binnen vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, schrijft de voorzitter een bijzondere vergadering uit. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven. In deze vergadering wordt nagegaan of:

    a. het overleg wordt voortgezet of wordt beëindigd, dan wel

    b. overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de Advies- en Arbitragecommissie dan wel door middel van onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop het advies kan worden ingewonnen dan wel het geschil aan een arbitrale uitspraak kan worden onderworpen.

  • 4. Het overleg wordt voortgezet twee weken na ontvangst van het advies van de Advies- en Arbitragecommissie.

Artikel 53

  • 1. Er is een Advies- en Arbitragecommissie, die tot taak heeft te adviseren dan wel een arbitrale uitspraak te doen in de geschillen die haar ingevolge artikel 51, tweede lid, onderdeel b, of derde lid, worden voorgelegd. Ten aanzien van de samenstelling van de Advies- en Arbitragecommissie is artikel 110g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Advies- en Arbitragecommissie voor de behandeling van aangelegenheden op grond van artikel 52, tweede lid, onderdeel b, of derde lid, wordt uitgebreid met twee leden en hun plaatsvervangers, benoemd door Onze Minister. Van hen worden één lid en zijn plaatsvervanger benoemd op voordracht van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.

  • 2. Tot het inwinnen van een advies van de Advies- en Arbitragecommissie is zowel de voorzitter van het overleg als de Sectorcommissie rechterlijke macht bevoegd.

  • 3. Voor het onderwerpen van het geschil aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie overeenkomstig artikel 52, tweede lid, onderdeel b, is overeenstemming vereist tussen de voorzitter en de Sectorcommissie rechterlijke macht.

  • 4. De arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie heeft bindende kracht.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de samenstelling en de werkwijze van de Advies- en Arbitragecommissie.

HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN

Artikel 54

  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter aanvulling van hetgeen in deze wet is geregeld, voor de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding nadere arbeidsvoorwaarden worden vastgesteld. Daarbij kan worden afgeweken van de bepalingen, bedoeld in de artikelen 16 en 19.

  • 2. Voorts kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot:

    a. aanstelling, schorsing en ontslag, behoudens voor zover het betreft de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad,

    b. wachtgeld,

    c. voorzieningen in verband met ziekte,

    d. bescherming bij de arbeid,

    e. medezeggenschap,

    f. overige rechten en plichten, en

    g. disciplinaire straffen.

Artikel 55

De >Wet op de rechterlijke organisatie1 wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen 7b tot en met 8a, 15 tot en met 18 en 23 vervallen.

B

In artikel 59d vervalt het tweede lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

C

In artikel 71 vervalt het tweede lid en worden het derde en vierde lid vernummerd tot tweede en derde lid.

D

In artikel 72, zesde lid, en in artikel 73, vijfde lid, wordt «23 tot en met 29a» telkens vervangen door: 24 tot en met 29a.

E

Artikel 84a, zesde lid, komt te luiden als volgt:

  • 6. Artikel 12a is niet van toepassing op de raadsheer in buitengewone dienst.

Artikel 56

De Beroepswet2 wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen 3 en 4 komen te luiden als volgt:

Artikel 3

Op de president, de coördinerend vice-presidenten, de vice-presidenten, de raadsheren en de raadsheren-plaatsvervangers zijn de artikelen 7a, tweede lid, 24, 28 en 28a van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

Op de president, de coördinerend vice-presidenten, de vice-presidenten, de raadsheren en de raadsheren-plaatsvervangers is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 10 tot en met 12 en 22, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. wat hun bezoldiging betreft de president, de coördinerend vice-presidenten, de vice-presidenten, de raadsheren en de raadsheren-plaatsvervangers worden gelijkgesteld met diezelfde ambten bij een gerechtshof;

b. voor de overeenkomstige toepassing van artikel 4 en de hoofdstukken 5 en 6 de president wordt aangemerkt als functionele autoriteit;

c. artikel 29, eerste lid, niet van toepassing is op de president.

B

De artikelen 5, 6, 8 en 13 vervallen.

C

Artikel 15 komt te luiden als volgt:

Artikel 15
  • 1. Bij de Centrale Raad van Beroep kunnen gerechtsauditeurs worden benoemd.

  • 2. De gerechtsauditeurs moeten Nederlander zijn.

  • 3. Zij leggen de eed of verklaring en beloften af ter zitting van de Centrale Raad van Beroep.

  • 4. De artikelen 24, 28, 28a, 29, 29b en 108 tot en met 110 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is, voor zover betrekking hebbend op gerechtsauditeurs, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 4 en de hoofdstukken 5 en 6 van die wet de president wordt aangemerkt als functionele autoriteit.

D

Artikel 16 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het derde lid komt te luiden als volgt:

  • 3. De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is, voor zover betrekking hebbend op griffiers, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    a. wat zijn bezoldiging betreft de griffier wordt gelijkgesteld met de griffier van de Hoge Raad;

    b. voor de overeenkomstige toepassing van artikel 4 en de hoofdstukken 5 en 6 de president wordt aangemerkt als functionele autoriteit.

2. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde, zesde en zevende lid tot onderscheidenlijk vierde, vijfde en zesde lid.

Artikel 57

De Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie3 wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen 4 en 5 komen te luiden als volgt:

Artikel 4

Op de president, de coördinerend vice-presidenten, de vice-presidenten, de raadsheren en de raadsheren-plaatsvervangers zijn de artikelen 7a, tweede lid, 24, 28 en 28a van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

Op de president, de coördinerend vice-presidenten, de vice-presidenten, de raadsheren en de raadsheren-plaatsvervangers is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 10 tot en met 12 en 22, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. wat hun bezoldiging betreft de president, de coördinerend vice-presidenten, de vice-presidenten, de raadsheren en de raadsheren-plaatsvervangers worden gelijkgesteld met diezelfde ambten bij een gerechtshof;

b. voor de overeenkomstige toepassing van artikel 4 en de hoofdstukken 5 en 6 de president wordt aangemerkt als functionele autoriteit;

c. artikel 29, eerste lid, niet van toepassing is op de president.

B

De artikelen 6, 7, 9 en 14 vervallen.

C

Artikel 16 komt te luiden als volgt:

Artikel 16
  • 1. Bij het College kunnen gerechtsauditeurs worden benoemd.

  • 2. De gerechtsauditeurs moeten Nederlander zijn.

  • 3. Zij leggen de eed of verklaring en beloften af ter zitting van het College.

  • 4. De artikelen 24, 28, 28a, 29, 29b en 108 tot en met 110 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is, voor zover betrekking hebbend op gerechtsauditeurs, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 4 en de hoofdstukken 5 en 6 van die wet de president wordt aangemerkt als functionele autoriteit.

D

Artikel 17 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het derde lid komt te luiden als volgt:

  • 3. De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is, voor zover betrekking hebbend op griffiers, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    a. wat zijn bezoldiging betreft de griffier wordt gelijkgesteld met de griffier van een gerechtshof;

    b. voor de overeenkomstige toepassing van artikel 4 en de hoofdstukken 5 en 6 de president wordt aangemerkt als functionele autoriteit.

2. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot vierde en vijfde lid.

Artikel 58

De Tariefcommissiewet4 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3a komt te luiden als volgt:

Artikel 3a

Op de gewone leden zijn de artikelen 2 tot en met 4 en 40 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 4 en 40 de voorzitter wordt aangemerkt als functionele autoriteit.

B

De artikelen 3b, 5, 5a en 8 vervallen.

C

In artikel 16 komen het eerste en tweede lid te luiden als volgt:

  • 1. Op de gewone en de plaatsvervangende leden zijn de artikelen 7 en 8, 13 tot en met 21, 23 tot en met 38, 42 en 45 tot en met 54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    a. de voorzitter wordt aangemerkt als functionele autoriteit;

    b. voor het overige de voorzitter wordt gelijkgesteld met de president van een gerechtshof;

    c. de ondervoorzitters en de gewone leden die het lidmaatschap als hoofdfunctie bekleden worden gelijkgesteld met de vice-presidenten van een gerechtshof;

    d. de overige leden worden gelijkgesteld met de raadsheren in een gerechtshof; en

    e. de plaatsvervangende leden worden gelijkgesteld met de raadsheren-plaatsvervangers in een gerechtshof.

  • 2. Indien iemand die met toepassing of met overeenkomstige toepassing van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt bezoldigd voor het vervullen van een volledige taak tevens wordt aangesteld als voorzitter, ondervoorzitter of gewoon lid van de Tariefcommissie, wordt zijn salaris tot en met de laatste dag van de maand waarin de aanstelling bij de Tariefcommissie wordt beëindigd, vermeerderd met 1/5 deel van het salaris dat is verbonden aan het vervullen van een volledige taak in het ambt waarin hij bij de Tariefcommissie is aangesteld.

Artikel 59

De Wet op de studiefinanciering5 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 109a komt te luiden als volgt:

Artikel 109a
  • 1. Bij het College kunnen gerechtsauditeurs worden benoemd.

  • 2. De gerechtsauditeurs moeten Nederlander zijn.

  • 3. Zij leggen de eed of verklaring en beloften af ter zitting van het College.

  • 4. De artikelen 24, 28, 28a, 29, 29b en 108 tot en met 110 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is, voor zover betrekking hebbend op gerechtsauditeurs, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 4 en hoofdstuk 5 van die wet de voorzitter wordt aangemerkt als functionele autoriteit.

B

In artikel 111, vierde lid, wordt onder vervanging van de punt door een komma toegevoegd: tenzij buitengewoon verlof wordt genoten als bedoeld in artikel 39 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verbinding met artikel 112, eerste lid, van deze wet.

C

Artikel 111a vervalt.

D

Artikel 112 wordt gewijzigd als volgt:

– De aanduiding van het artikel komt te luiden: Rechtspositie

– Het eerste lid komt te luiden als volgt:

  • 1. Op de voorzitter, de vice-voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 10 tot en met 12 en 22, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    a. wat hun bezoldiging betreft de voorzitter, de vice-voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden worden gelijkgesteld met een coördinerend vice-president van, een vice-president van, een rechter in en een rechter-plaatsvervanger in een arrondissementsrechtbank;

    b. voor de overeenkomstige toepassing van artikel 4 en de hoofdstukken 5 en 6 de voorzitter wordt aangemerkt als functionele autoriteit;

    c. artikel 29, eerste lid, niet van toepassing is op de voorzitter.

E

De artikelen 112a en 113 vervallen.

Artikel 60

In artikel 33, derde lid, van de Wet gewetensbezwaarden militaire dienst6 wordt «een vergoeding op de krachtens artikel 2 van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (Stb. 1972, 464) bepaalde voet» vervangen door: een vergoeding op de voet van artikel 9, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat zij voor de toepassing van dat artikellid worden gelijkgesteld met een rechter-plaatsvervanger.

Artikel 61

De Pachtwet7 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 117 vervalt.

B

In artikel 121 wordt «de overtredingen, bedoeld in de artikelen 122 en 123» vervangen door: de overtreding, bedoeld in artikel 123.

C

Artikel 122 vervalt.

D

In artikel 125, vijfde lid, vervalt «117,».

Artikel 62

In artikel 6, vierde lid, van de Wet militaire strafrechtspraak8 wordt «23 tot en met 29a» vervangen door: 24 tot en met 29a.

Artikel 63

In artikel 2, tweede lid, van de Ambtenarenwet9 wordt «De artikelen 125, 125c, 125e, 125f en 126» vervangen door: De artikelen 125, 125a, 125c, 125d, 125e, 125f en 126.

Artikel 64

De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, zoals deze luidt op de dag voor inwerkingtreding van de onderhavige wet, wordt ingetrokken.

Artikel 65

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 66

Deze wet wordt aangehaald als: Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 29 november 1996

Beatrix

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Uitgegeven de tiende december 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

BIJLAGE BEDOELD IN ARTIKEL 7, TWEEDE LID, VAN DE WET RECHTSPOSITIE RECHTERLIJKE AMBTENAREN

salariscategoriesalaris in guldens per maand per 1 januari 1995
1 16 876
2 15 824
3 14 837
4 13 912
   
5aanvang11 499
 na 1 jaar12 253
 na 2 jaar13 056
 na 3 jaar13 912
   
6 12 648
   
7aanvang10 792
 na 1 jaar11 499
 na 2 jaar12 253
 na 3 jaar12 648
   
8aanvang10 792
 na 1 jaar11 140
 na 2 jaar11 499
 na 3 jaar11 870
   
8a 11 870
8b 11 140
8c 10 455
   
9aanvang 8 301
 na 1 jaar 8 759
 na 2 jaar 9 001
 na 3 jaar 9 249
 na 4 jaar 9 505
 na 5 jaar 9 811
 na 6 jaar10 128
 na 7 jaar10 455
   
10aanvang 7 073
 na 1 jaar 7 256
 na 2 jaar 7 432
 na 3 jaar 7 615
 na 4 jaar 7 844
 na 5 jaar 8 071
 na 6 jaar 8 301
 na 7 jaar 8 531
 na 8 jaar 8 641
   
11aanvang 6 162
 na 1 jaar 6 345
 na 2 jaar 6 528
 na 3 jaar 6 710
 na 4 jaar 6 887
 na 5 jaar 7 073
 na 6 jaar 7 256
 na 7 jaar 7 432
 na 8 jaar 7 615
 na 9 jaar 7 844
 na 10 jaar 7 957
   
11aaanvang7 432
 na 1 jaar 7 615
 na 2 jaar7 844
 na 3 jaar 8 071
 na 4 jaar8 301
 na 5 jaar 8 531
 na 6 jaar8 759
 na 7 jaar 9 001
 na 8 jaar9 249
 na 9 jaar 9 505
11baanvang7 073
 na 1 jaar 7 256
 na 2 jaar7 432
 na 3 jaar 7 615
 na 4 jaar7 844
 na 5 jaar 8 071
 na 6 jaar8 301
 na 7 jaar 8 531
 na 8 jaar8 641
   
11caanvang 6 162
 na 1 jaar 6 345
 na 2 jaar 6 528
 na 3 jaar 6 710
 na 4 jaar 6 887
 na 5 jaar 7 073
 na 6 jaar 7 256
 na 7 jaar 7 432
 na 8 jaar 7 615
 na 9 jaar 7 844
 na 10 jaar 7 957
   
12aanvang3 766
 na 1 jaar 3 945
 na 2 jaar4 138
 na 3 jaar 5 072
 na 4 jaar5 265
 na 5 jaar 5 446
 na 6 jaar5 608
 na 7 jaar 5 779
 na 8 jaar5 971

XNoot
1

Stb. 1972, 463, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 februari 1996, Stb. 155.

XNoot
2

Stb. 1994, 3, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 mei 1996, Stb. 302.

XNoot
3

Stb. 1994, 4, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 maart 1995, Stb. 116.

XNoot
4

Stb. 1995, 400, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, Stb. 704.

XNoot
5

Stb. 1991, 112, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 227.

XNoot
6

Stb. 1980, 6, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 april 1996, Stb. 366.

XNoot
7

Stb. 1958, 37, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 juli 1996, Stb. 389.

XNoot
8

Stb. 1990, 370, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, Stb. 704.

XNoot
9

Stb. 1994, 5, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1996, Stb. 525.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1994/95, 1995/96, 24 220.

Handelingen II 1995/96, blz. 2541.

Kamerstukken I 1995/96, 24 220 (126, 126a, 126b, 126c); 1996/97, 24 220 (21, 21a, 21b).

Handelingen I 1996/97, zie vergadering d.d. 26 november 1996.