Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 1996, 546AMvB

Besluit van 30 oktober 1996 tot wijziging van enkele op de Werkloosheidswet gebaseerde besluiten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 augustus 1996, Directie Sociale Verzekeringen, Afdeling Werknemersverzekeringen, nr. SV/WV/96/1531;

Gelet op de artikelen 16, vijfde lid, 17a, derde lid, en 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet;

De Raad van State gehoord (advies van 27 september 1996, nr. W12.96.0414);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 oktober 1996, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/96/3959;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het >Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt «artikel 16, derde lid» vervangen door: artikel 16, vijfde lid.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Voor de eerste volzin wordt het cijfer «1.» geplaatst, waarna de tweede volzin vervalt;

2°. Na het nieuwe eerste lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Toepassing van het eerste lid brengt geen wijziging in de dag waarop recht op uitkering ontstaat.

  • 3. In afwijking van het eerste lid worden opeenvolgende verliezen van arbeidsuren niet tot één verlies van arbeidsuren samengeteld indien het ene verlies leidt of heeft geleid tot het ontstaan van een recht op minimumloongerelateerde uitkering ingevolge hoofdstuk IIb van de Werkloosheidswet, en het andere tot het ontstaan van een recht op een uitkering ingevolge hoofdstuk IIa van die wet.

C

Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid wordt aan artikel 4 een nieuw derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien het eerdere verlies een recht op uitkering ingevolge hoofdstuk IIb van de Werkloosheidswet heeft doen ontstaan en ter zake van het laatste verlies van arbeidsuren wordt voldaan aan artikel 17 van die wet, wordt, in afwijking van het tweede lid, de omvang van het eerdere verlies zodanig vastgesteld dat het opgetelde verlies, vermeerderd met het resterend aantal arbeidsuren, gelijk is aan het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het eerdere verlies van arbeidsuren.

D

Na inwerkingtreding van dit besluit berust het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren op artikel 16, vijfde lid, van de Werkloosheidswet.

ARTIKEL II

Na inwerkingtreding van dit besluit berust het Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet op artikel 17a, derde lid, van de Werkloosheidswet.

ARTIKEL III

Het Besluit gelijkstelling loondagen Werkloosheidswet2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 1, 2 en 3 wordt «artikel 42, tweede lid, onderdeel a» telkens vervangen door: artikel 17, onderdeel b, onder 1°.

B

In artikel 1, tweede lid, wordt «Hoofdstuk II» vervangen door: hoofdstuk IIa of IIb.

C

Artikel 4 vervalt, waarna de artikelen 5 en 6 worden vernummerd tot 4 en 5.

D

Na inwerkingtreding van dit besluit berust het Besluit gelijkstelling loondagen Werkloosheidswet op artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet.

ARTIKEL IV

Artikel 4 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren, zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing ten aanzien van de persoon wiens laatste arbeidsurenverlies, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, plaatsvindt voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

ARTIKEL V

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de bijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 30 oktober 1996

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Uitgegeven de twaalfde november 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Op 1 maart 1995 trad de Wet van 22 december 1994, houdende wijziging van de Werkloosheidswet en enkele andere wetten (aanscherping referte-eisen WW) grotendeels in werking. Deze wet dient te leiden tot aanpassing van een aantal op de Werkloosheidswet (WW) en de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) gebaseerde algemene maatregelen van bestuur (amvb). In het voorliggende Besluit wordt een aantal van deze besluiten gewijzigd. Het gaat om louter technische en redactionele aanpassingen, die niet zullen leiden tot financiële gevolgen van enig belang.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdelen A en D

Deze onderdelen betreffen louter redactionele aanpassingen, nodig geworden ten gevolge van het inwerkingtreden van de wet van 22 december 1993, Stb. 744.

Artikel I, onderdeel B

Artikel 3 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren bepaalt dat bij opeenvolgende relevante verliezen van arbeidsuren (dat wil zeggen: verliezen van ten minste vijf of ten minste de helft van het aantal arbeidsuren per kalenderweek) deze verliezen, uitzonderingen daargelaten, bij elkaar worden geteld. Aldus kan de uitvoeringspraktijk volstaan met één dagloonvaststelling. Opgemerkt wordt overigens dat deze samentelling er niet toe leidt dat twee rechten worden samengevoegd tot één recht, behalve in het geval van artikel 17c WW.

Bij wet van 22 december 1994, Stb. 955, werd de zogenaamde kortdurende uitkering in de Werkloosheidswet geïntroduceerd. Deze uitkering bedraagt 70% van het minimumloon, of 70% van het dagloon, indien dat lager is.

In het – naar verwachting overigens slechts zelden voorkomende – geval dat bij opeenvolgend relevant arbeidsurenverlies ter zake van het ene verlies een recht op kortdurende uitkering ontstaat of is ontstaan en ter zake van het andere een recht op loongerelateerde uitkering, is samentelling niet zinvol, tenzij het recht op kortdurende uitkering dagloongerelateerd is. In het voorgestelde artikel I, onderdeel B, wordt dan ook bepaald dat niet samengeteld wordt indien het ene verlies leidt tot een recht op minimumloongerelateerde kortdurende uitkering (hoofdstuk IIb WW) en het andere tot een recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering (hoofdstuk IIa WW).

Artikel I, onderdeel C

Het tweede lid van artikel 4 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren is opgenomen om te bewerkstelligen dat, ingeval sprake is van een langzamerhand afnemend arbeidspatroon met tussentijdse pieken in de arbeidsomvang, de totale verliesomvang vermeerderd met de eventuele resterende arbeidsuren niet meer kan bedragen dan het oorspronkelijke aantal arbeidsuren. Daartoe is geregeld dat de omvang van het laatste verlies zodanig wordt vastgesteld, dat de som van het eerdere verlies, het laatste verlies en de eventueel resterende arbeidsuren, gelijk is aan het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het eerdere verlies van arbeidsuren.

Dit lid leidt tot een minder gewenst resultaat indien ter zake van het eerdere arbeidsurenverlies een recht op kortdurende uitkering is ontstaan, en ter zake van het laatste verlies zowel aan de wekeneis als aan de jareneis van artikel 17 WW wordt voldaan. Ter zake van dat laatste verlies zal dan – indien ook aan de overige uitkeringsvoorwaarden blijkt te zijn voldaan – een recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering ontstaan. Vasthouden aan de regel van artikel 4, tweede lid, dat de omvang van het laatste recht, berekend met toepassing van het eerste lid van artikel 4, wordt verminderd (waarbij de omvang van het eerdere recht ongewijzigd blijft), past niet in de overal elders in de WW gekozen lijn, dat bij (dreigende) samenloop van rechten op kortdurende uitkering enerzijds en op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering anderzijds, het laatste recht zoveel mogelijk tot uitdrukking komt, zonodig ten koste van het eerste.

Bovendien zou dit, vaker dan indien de omvang van het eerder ontstane recht zou worden beperkt, bij werkhervatting vanuit een samenloopsituatie tot het ongewenste resultaat leiden dat betrokkene totaalbedrag aan uitkering ongewijzigd zou blijven, terwijl bovendien het recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering bij hernieuwde werkloosheid minder vaak zou kunnen herleven.

Het bovenstaande heeft geleid tot het in het voorliggende besluit opgenomen voorstel om aan artikel 4 een nieuw lid toe te voegen, waarin wordt bepaald dat in bovenbedoelde samenloopsituatie niet de omvang van het laatste arbeidsurenverlies wordt beperkt, maar de omvang van het eerdere, tot de kortdurende uitkering leidende arbeidsurenverlies.

Artikel IV

Aan de wijziging van artikel 4 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren wordt eerbiedigende werking gegeven. Het zou immers onwenselijk zijn indien de uitvoeringsinstanties voor alle gevallen waar het hier om gaat de verhouding in aantallen arbeidsuren ter zake waarvan de twee rechten bestaan zou moeten wijzigen, zeker nu dat voor het gros van de gevallen geen gevolgen zou hebben voor het totaalbedrag aan uitkering.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave


XNoot
1

Stb. 1986, 687, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 22 januari 1996, Stb. 94.

XNoot
2

Stb. 1991, 483.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.