Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 1996, 525Wet

Wet van 10 oktober 1996, houdende regelen inzake het verrichten van veiligheidsonderzoeken (Wet veiligheidsonderzoeken)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regelen te stellen ter zake van het verrichten van veiligheidsonderzoeken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

  • 1. In deze wet wordt verstaan onder:

    a. vertrouwensfunctie: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen;

    b. verklaring: een verklaring dat uit het oogpunt van de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon;

    c. Onze Minister: Onze Minister die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waartoe een vertrouwensfunctie, gezien de aard daarvan, behoort;

    d. bevoegd gezag van een Hoog College van Staat: de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de vice-president van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer of de Nationale ombudsman, voor zover het betreft een functie bij de Tweede Kamer, de Eerste Kamer, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, respectievelijk het bureau van de Nationale Ombudsman.

  • 2. In deze wet wordt onder werkgever verstaan:

    a. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

    b. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder a;

    c. degene die, zonder werkgever in de zin van de onderdelen a en b van dit lid te zijn, leiding geeft aan het verrichten van arbeid.

Artikel 2

Indien een vertrouwensfunctie wordt uitgeoefend bij het Ministerie van Defensie, dan wel indien het een functie betreft die als vertrouwensfunctie moet worden aangemerkt in verband met de daarmee samenhangende noodzaak om toegang te hebben tot militaire installaties, treden, voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 10 en 16, tweede lid, Onze Minister van Defensie en de Militaire Inlichtingendienst in de plaats van respectievelijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken en de Binnenlandse Veiligheidsdienst.

Artikel 3

  • 1. Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat wijst, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, functies die de mogelijkheid bieden de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat te schaden aan als vertrouwensfuncties. Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat doet van de aanwijzing terstond mededeling aan de werkgever die het aangaat.

  • 2. De werkgever geeft desgevraagd aan Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat en aan het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst de inlichtingen over de inrichting van zijn dienst, bedrijf of instelling, die nodig zijn voor de beoordeling van de mate waarin een functie de mogelijkheid biedt de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat te schaden.

  • 3. Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat draagt er zorg voor dat binnen vijf jaren na de aanwijzing van een functie als vertrouwensfunctie en vervolgens telkens na vijf jaren wordt nagegaan of de aanwijzing gehandhaafd moet blijven.

Artikel 4

  • 1. De werkgever meldt een persoon die hij wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie aan bij het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde aanmelding geschiedt slechts met schriftelijke instemming van de betrokkene. De werkgever licht de betrokkene in over de betekenis en de rechtsgevolgen van deze aanmelding.

  • 3. De werkgever belast een persoon eerst met de vervulling van een vertrouwensfunctie, nadat Onze Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van die persoon een verklaring heeft afgegeven.

Artikel 5

  • 1. De werkgever meldt een persoon die belast is met de vervulling van een functie die nadien als vertrouwensfunctie is aangewezen, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na de dagtekening van het aanwijzingsbesluit aan bij het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde aanmelding geschiedt slechts met schriftelijke instemming van de betrokkene. De werkgever licht de betrokkene in over de betekenis en de rechtsgevolgen van deze aanmelding.

  • 3. Indien de in het tweede lid bedoelde instemming is geweigerd of indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring is geweigerd, ontheft de werkgever de betrokkene zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken, uit de functie.

Artikel 6

In de gevallen als bedoeld in artikel 4 en 5 beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken, omtrent het afgeven van een verklaring.

Artikel 7

  • 1. Alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, wordt ten aanzien van de betrokken persoon door de Binnenlandse Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek ingesteld.

  • 2. Het veiligheidsonderzoek omvat het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op gegevens betreffende:

    a. de justitiële inlichtingen die ten behoeve van het veiligheidsonderzoek zijn verkregen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag;

    b. deelneming of steunverlening aan activiteiten die de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat kunnen schaden;

    c. lidmaatschap van of steunverlening aan organisaties die doeleinden nastreven, dan wel ter verwezenlijking van hun doeleinden middelen hanteren, die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde;

    d. overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

Artikel 8

  • 1. Weigering van een verklaring geschiedt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat.

  • 2. Een verklaring kan slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

Artikel 9

Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek te doen instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult.

Artikel 10

  • 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is, in overeenstemming met Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat, bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

  • 2. Indien een verklaring is ingetrokken, ontheft de werkgever de betrokken persoon zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na de intrekking van de verklaring, uit de vertrouwensfunctie.

Artikel 11

Deze wet is niet van toepassing op de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast, de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de leden van de Raad van State, de leden van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman, de leden van de Centrale Raad van Beroep, de leden van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de leden van de Tariefcommissie en de leden van het College van beroep studiefinanciering.

Artikel 12

  • 1. Artikel 4, tweede lid, is niet van toepassing in gevallen waarin een persoon met een vertrouwensfunctie wordt belast in het kader van de vervulling van werkelijke dienst, in de zin van hoofdstuk VII van de Dienstplichtwet.

  • 2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt het veiligheidsonderzoek niet eerder ingesteld dan twaalf weken voordat de betrokkene dient op te komen voor het vervullen van zijn werkelijke dienst in de zin van hoofdstuk VII van de Dienstplichtwet. Van het instellen van een veiligheidsonderzoek wordt vooraf mededeling gedaan aan de betrokkene.

Artikel 13

  • 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan, naar aanleiding van een verzoek van een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie dat wordt gedaan in verband met de door die mogendheid of volkenrechtelijke organisatie gehanteerde beveiligingsmaatregelen, over een in dat verzoek aangeduide persoon mededelingen doen.

  • 2. De mededelingen, bedoeld in het eerste lid, worden slechts gedaan over personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten dan wel, indien zij een andere nationaliteit bezitten, die in Nederland verblijven of daar recentelijk verblijf gehouden hebben. De desbetreffende personen worden schriftelijk in kennis gesteld van de zakelijke inhoud van deze mededelingen. Deze kennisgeving geldt als een beschikking.

  • 3. Indien Onze Minister van Binnenlandse Zaken voornemens is mededelingen als bedoeld in het eerste lid te doen, wordt ten aanzien van de betrokken persoon door de Binnenlandse Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek ingesteld, mits de betrokkene daarmee schriftelijk heeft ingestemd.

  • 4. Het veiligheidsonderzoek omvat het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat en van de verzoekende mogendheid of volkenrechtelijke organisatie van belang zijn. Hierbij wordt uitsluitend gelet op gegevens betreffende:

    a. de justitiële inlichtingen die ten behoeve van het veiligheidsonderzoek zijn verkregen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag;

    b. deelneming of steunverlening aan activiteiten die de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat en van de verzoekende mogendheid of volkenrechtelijke organisatie kunnen schaden;

    c. lidmaatschap van of steunverlening aan organisaties die doeleinden nastreven, dan wel ter verwezenlijking van hun doeleinden middelen hanteren, die aanleiding geven tot het ernstig vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde;

    d. overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden die in verband met het doel van het verzoek van belang kunnen zijn.

  • 5. De mededelingen, bedoeld in het eerste lid, bevatten de conclusies die uit het ingestelde veiligheidsonderzoek kunnen worden getrokken, dan wel de vaststelling dat het onderzoek onvoldoende gegevens heeft opgeleverd om op basis daarvan conclusies te kunnen trekken of dat de betrokken persoon niet heeft ingestemd met het instellen van een veiligheidsonderzoek.

  • 6. Indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een persoon ten aanzien van wie een verklaring is afgegeven, wordt op het verzoek beslist door Onze Minister die de verklaring heeft afgegeven. In zulke gevallen kan een veiligheidsonderzoek achterwege worden gelaten. De mededelingen, bedoeld in het eerste lid, bevatten in zulke gevallen de vaststelling dat ten aanzien van de betrokken persoon een verklaring is afgegeven.

Artikel 14

  • 1. Hij die niet of niet tijdig voldoet aan een verplichting als bedoeld in een van de artikelen 3, tweede lid, 4, eerste en derde lid, 5, eerste en derde lid, en 10, tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie.

  • 2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Artikel 15

Functies die vóór de inwerkingtreding van deze wet als vertrouwensfunctie zijn aangewezen, worden gelijkgesteld met op grond van artikel 3 aangewezen vertrouwensfuncties.

Artikel 16

  • 1. Een persoon die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet belast is met een vertrouwensfunctie, wordt gelijkgesteld met een persoon ten aanzien van wie op dat tijdstip een verklaring als bedoeld in artikel 4, derde lid, en 6 is afgegeven.

  • 2. In afwijking van artikel 9 is Onze Minister van Binnenlandse Zaken gedurende vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ten aanzien van een persoon als bedoeld in het eerste lid tevens bevoegd een hernieuwd veiligheidsonderzoek te doen instellen, indien sinds het laatste ten aanzien van die persoon ingestelde veiligheidsonderzoek een termijn van vijf jaren is verstreken.

Artikel 17

In de >Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A. Artikel 8, tweede lid, onderdeel b, wordt vervangen door:

b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken;.

B. Artikel 9, tweede lid, onderdeel b, wordt vervangen door:

b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken;.

Artikel 18

In artikel 125e van de Ambtenarenwet2 vervallen het eerste, derde, vierde en vijfde lid en worden het tweede en zesde lid vernummerd tot eerste, respectievelijk derde lid. Ingevoegd wordt een nieuw tweede lid, luidende:

  • 2. Aan een ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend, indien hij op grond van het bepaalde in artikel 5, derde lid, of artikel 10, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken uit een vertrouwensfunctie moet worden ontheven.

Artikel 19

In artikel 12g van de Militaire Ambtenarenwet 19313 vervallen het tweede en derde lid en wordt het vierde lid vernummerd tot derde lid. Ingevoegd wordt een nieuw tweede lid, luidende:

  • 2. Aan de militaire ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend, indien hij op grond van het bepaalde in artikel 5, derde lid, of artikel 10, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken uit een vertrouwensfunctie moet worden ontheven.

Artikel 20

Artikel 50, tweede lid, van de Politiewet 19934 komt als volgt te luiden:

  • 2. Voor de toepassing van de Wet veiligheidsonderzoeken bij de politie wordt Onze Minister van Binnenlandse Zaken aangemerkt als Onze Minister, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet veiligheidsonderzoeken.

Artikel 21

Aan artikel 9, zesde lid, van de LSOP-wet5 wordt de volgende volzin toegevoegd: Artikel 50, tweede lid, van de Politiewet 1993 is van overeenkomstige toepassing op de bij het LSOP in dienst zijnde ambtenaren.

Artikel 22

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 23

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet veiligheidsonderzoeken.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 10 oktober 1996

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

De Minister van Defensie,

J. J. C. Voorhoeve

Uitgegeven de negenentwintigste oktober 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1987, 635, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 december 1993, Stb. 759.

XNoot
2

Stb. 1994, 5, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 juli 1996, Stb. 391.

XNoot
3

Stb. 1931, 519, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, Stb. 704.

XNoot
4

Stb. 1994, 145, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 september 1996, Stb. 449.

XNoot
5

Stb. 1994, 780.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1994/95, 1995/96, 24 023.

Handelingen II 1995/96, blz. 4058–4070; 4148; 4151–4153; 4217–4218.

Kamerstukken I 1995/96, 24 023 (216, 216a, 216b, 216c).

Handelingen I 1996/97, zie vergadering d.d. 8 oktober 1996.