Besluit van 24 september 1996, houdende tijdelijke voorzieningen voor de medezeggenschap van de leden van het openbaar ministerie bij de ressortsparketten en de arrondissementsparketten (Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 juni 1996, Directie Wetgeving, nr 565069/96/6;

Gelet op artikel 16, tweede lid, onderdeel i, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;

De Raad van State gehoord (advies van 5 augustus 1996, nr. W03.96.02599);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 16 september 1996, Directie Wetgeving, nr. 579325/96/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Dit besluit is van toepassing op:

a. de parketten bij de gerechtshoven, en

b. de arrondissementsparketten.

Artikel 2

  • 1. Het hoofd van het parket draagt ervoor zorg dat bij het parket een parketvertegenwoordiging is.

  • 2. De parketvertegenwoordiging bestaat uit leden die rechtstreeks worden gekozen door en uit het midden van de kiesgerechtigde leden van het parket.

  • 3. De kiesgerechtigde leden zijn: de advocaten-generaal onderscheidenlijk de arrondissementsofficieren van justitie eerste klasse, de arrondissementsofficieren van justitie, de substituut-officieren van justitie en de rechterlijke ambtenaren in opleiding die tot plaatsvervangend officier van justitie zijn benoemd.

  • 4. Het aantal leden van de parketvertegenwoordiging bedraagt ten minste drie en:

    a. bij een aantal kiesgerechtigde leden van minder dan vijftien: ten hoogste vijf,

    b. bij een aantal kiesgerechtigde leden van vijftien tot 30: ten hoogste zeven, en

    c. bij een aantal kiesgerechtigde leden van 30 of meer: ten hoogste negen.

  • 5. Tijdens een zittingsperiode van de parketvertegenwoordiging kan geen wijziging worden gebracht in haar aantal leden op grond van vermeerdering of vermindering van het aantal kiesgerechtigde leden.

  • 6. De nadere regels, bedoeld in artikel 6, voorzien erin dat, indien een of meer van hen zich kandidaat hebben gesteld, ten minste een van de leden van de parketvertegenwoordiging afkomstig is uit het midden van de rechterlijke ambtenaren in opleiding die tot plaatsvervangend officier van justitie zijn benoemd.

Artikel 3

De parketvertegenwoordiging kiest uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 4

  • 1. De parketvertegenwoordiging stelt een reglement vast. In het reglement worden de onderwerpen geregeld die in dit besluit ter regeling aan de parketvertegenwoordiging zijn opgedragen of overgelaten.

  • 2. Alvorens het reglement vast te stellen, stelt de parketvertegenwoordiging het hoofd van het parket in de gelegenheid zijn zienswijze over een ontwerp voor het reglement kenbaar te maken.

Artikel 5

De verkiezing van de leden van de parketvertegenwoordiging geschiedt bij geheime schriftelijke stemming.

Artikel 6

De parketvertegenwoordiging stelt in het reglement nadere regels omtrent de kandidaatstelling, de inrichting van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag daarvan, alsmede omtrent de vervulling van tussentijdse vacatures in de parketvertegenwoordiging.

Artikel 7

  • 1. De parketvertegenwoordiging draagt ervoor zorg, dat de uitslag van de verkiezingen bekend wordt gemaakt aan het hoofd van het parket en de kiesgerechtigde leden.

  • 2. De parketvertegenwoordiging draagt ervoor zorg, dat de namen en de functies bij het parket van de leden van de parketvertegenwoordiging blijvend worden vermeld op een plaats die vrij toegankelijk is voor alle kiesgerechtigde leden, op zodanige wijze dat daarvan gemakkelijk kennis kan worden genomen.

Artikel 8

  • 1. De leden van de parketvertegenwoordiging treden om de drie jaar tegelijk af. Zij zijn terstond herkiesbaar.

  • 2. De parketvertegenwoordiging kan, in afwijking van het eerste lid, in het reglement bepalen dat de leden om de twee of om de vier jaar tegelijk aftreden, dan wel om de twee jaar voor de helft aftreden. De parketvertegenwoordiging kan voorts, in afwijking van het eerste lid, beperkingen vaststellen ten aanzien van de herkiesbaarheid.

  • 3. Zodra een lid van de parketvertegenwoordiging ophoudt kiesgerechtigd lid van het parket te zijn, eindigt van rechtswege zijn lidmaatschap van de parketvertegenwoordiging.

  • 4. De leden van de parketvertegenwoordiging kunnen te allen tijde als zodanig ontslag nemen. Zij geven daarvan schriftelijk kennis aan de voorzitter en aan het hoofd van het parket.

  • 5. Degene die optreedt ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij optreedt, had moeten aftreden.

Artikel 9

  • 1. De parketvertegenwoordiging regelt in het reglement haar werkwijze.

  • 2. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:

    a. de gevallen waarin de parketvertegenwoordiging ten behoeve van de uitoefening van haar taak bijeenkomt,

    b. de wijze van bijeenroeping van de parketvertegenwoordiging,

    c. het aantal leden dat aanwezig moet zijn om een vergadering te kunnen houden,

    d. de uitoefening van het stemrecht in de vergaderingen,

    e. de voorziening in het secretariaat,

    f. het opmaken en het bekend maken aan het hoofd van het parket, de leden van de parketvertegenwoordiging en de kiesgerechtigde leden van de agenda van de vergaderingen van de parketvertegenwoordiging,

    g. het tijdstip waarop het hoofd van het parket, de leden van de parketvertegenwoordiging en de kiesgerechtigde leden uiterlijk in kennis dienen te worden gesteld van de agenda, welk tijdstip niet later kan worden gesteld dan zeven dagen voor de vergadering, behoudens in spoedeisende gevallen, en

    h. het opmaken en het bekend maken aan het hoofd van het parket, de leden van de parketvertegenwoordiging en de kiesgerechtigde leden van de verslagen van de vergaderingen van de parketvertegenwoordiging en van het jaarverslag van de parketvertegenwoordiging.

Artikel 10

  • 1. De parketvertegenwoordiging kan vaste commissies instellen voor de behandeling van door haar aangewezen onderwerpen.

  • 2. Zij kan in het instellingsbesluit van een vaste commissie haar rechten en bevoegdheden ten aanzien van deze onderwerpen geheel of gedeeltelijk aan de betrokken commissie overdragen.

  • 3. In een vaste commissie kunnen naast een meerderheid van leden van de parketvertegenwoordiging ook andere kiesgerechtigde leden zitting hebben.

Artikel 11

  • 1. De parketvertegenwoordiging kan voorbereidingscommissies instellen ter voorbereiding van door haar te behandelen onderwerpen.

  • 2. Een voorbereidingscommissie kan geen rechten of bevoegdheden van de parketvertegenwoordiging uitoefenen.

  • 3. Een voorbereidingscommissie kan slechts voor een bepaalde, door de parketvertegenwoordiging in het instellingsbesluit te vermelden, tijd worden ingesteld.

  • 4. In een voorbereidingscommissie kunnen naast een of meer leden van de parketvertegenwoordiging ook andere kiesgerechtigde leden zitting hebben.

Artikel 12

  • 1. De parketvertegenwoordiging kan, met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp, een of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een van haar vergaderingen.

  • 2. Aan een uitgenodigde deskundige worden tijdig de agenda van de vergadering en de desbetreffende stukken verstrekt.

  • 3. De leden van de parketvertegenwoordiging kunnen in de vergadering aan een uitgenodigde deskundige inlichtingen en adviezen vragen.

  • 4. Een deskundige kan eveneens worden uitgenodigd een schriftelijk advies uit te brengen.

  • 5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de commissies van de parketvertegenwoordiging.

Artikel 13

  • 1. De parketvertegenwoordiging kan, met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp, het hoofd van het parket uitnodigen tot het bijwonen van een van haar vergaderingen.

  • 2. Aan het hoofd van het parket worden tijdig de agenda van de vergadering en de desbetreffende stukken verstrekt.

  • 3. De leden van de parketvertegenwoordiging kunnen in de vergadering aan het hoofd van het parket inlichtingen en adviezen vragen.

  • 4. Het hoofd van het parket kan eveneens worden uitgenodigd een schriftelijk advies uit te brengen.

  • 5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de commissies van de parketvertegenwoordiging.

Artikel 14

  • 1. Het hoofd van het parket is verplicht de parketvertegenwoordiging en haar commissies het gebruik toe te staan van de voorzieningen waarover hij als zodanig kan beschikken en die de parketvertegenwoordiging en haar commissies voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig hebben.

  • 2. De parketvertegenwoordiging en haar commissies vergaderen zoveel mogelijk tijdens de normale arbeidstijd.

Artikel 15

  • 1. De kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de parketvertegenwoordiging en haar commissies komen ten laste van het parket.

  • 2. Met inachtneming van het eerste lid komen de kosten van het overeenkomstig de artikelen 12 en 20, zesde lid, raadplegen van een deskundige door de parketvertegenwoordiging of een van haar commissies slechts ten laste van het parket indien het hoofd van het parket van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.

  • 3. Het hoofd van het parket kan een regeling treffen waarin, onverminderd de artikelen 14 en 16, de kosten die de parketvertegenwoordiging en haar commissies in een bepaald jaar zullen maken, worden vastgesteld op een bepaald bedrag, dat de parketvertegenwoordiging en haar commissies naar eigen inzicht kunnen besteden. Kosten waardoor het vastgestelde bedrag zou worden overschreden, komen slechts ten laste van het parket voor zover het hoofd van het parket daarin toestemt.

Artikel 16

Het hoofd van het parket treft een regeling waarin:

a. aan de leden van de parketvertegenwoordiging en haar commissies gedurende een bepaald aantal uren per jaar in werktijd de gelegenheid wordt geboden voor onderling beraad en overleg met andere personen over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun taak zijn betrokken, alsmede voor kennisneming van de arbeidsomstandigheden bij het parket, en

b. aan de leden van de parketvertegenwoordiging en haar commissies gedurende een bepaald aantal dagen per jaar in werktijd de gelegenheid wordt geboden voor het ontvangen van de scholing en vorming die zij in verband met de vervulling van hun taak nodig oordelen.

Artikel 17

  • 1. De leden van de parketvertegenwoordiging en haar commissies, alsmede de overeenkomstig artikel 12 geraadpleegde deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding van alle gegevens die zij in hun hoedanigheid vernemen en ten aanzien waarvan het hoofd van het parket dan wel de parketvertegenwoordiging of de betrokken commissie hun geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijke karakter moeten begrijpen. Het voornemen om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk voor de behandeling van de betrokken aangelegenheid medegedeeld. Degene die de geheimhouding oplegt, deelt daarbij tevens mede welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de opgelegde geheimhouding vallen en hoe lang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie de opgelegde geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degenen die zijn belast met het secretariaat van de parketvertegenwoordiging of een van haar commissies.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet ten opzichte van degene die door een lid van de parketvertegenwoordiging of een van haar commissies wordt benaderd voor overleg, mits het hoofd van het parket onderscheidenlijk degene die geheimhouding heeft opgelegd, vooraf toestemming heeft gegeven voor het overleg met de betrokken persoon en deze laatste schriftelijk heeft verklaard dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien van de betrokken persoon het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De in het eerste lid bedoelde verplichting vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de parketvertegenwoordiging of van haar betrokken commissie, noch door het ophouden kiesgerechtigd lid te zijn.

Artikel 18

Het hoofd van het parket draagt ervoor zorg, dat de kiesgerechtigde leden die zich kandidaat stellen of hebben gesteld voor verkiezing tot lid van de parketvertegenwoordiging, alsmede de leden en de gewezen leden van de parketvertegenwoordiging en haar commissies niet uit hoofde van hun kandidaatstelling of hun lidmaatschap worden benadeeld in hun positie bij het parket.

Artikel 19

  • 1. Het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging komen met elkaar bijeen in een overlegvergadering binnen twee weken nadat hetzij de parketvertegenwoordiging hetzij het hoofd van het parket daarom gemotiveerd heeft verzocht.

  • 2. Onverminderd het eerste lid wordt ten minste zes keer per kalenderjaar een overlegvergadering gehouden.

  • 3. In een overlegvergadering worden de aangelegenheden, het parket betreffende, aan de orde gesteld ten aanzien waarvan hetzij het hoofd van het parket hetzij de parketvertegenwoordiging overleg wenselijk acht of waarover op grond van dit besluit overleg tussen het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging moet plaatsvinden. De parketvertegenwoordiging is bevoegd omtrent de bedoelde aangelegenheden voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken.

  • 4. De parketvertegenwoordiging is ook buiten een overlegvergadering bevoegd aan het hoofd van het parket voorstellen te doen omtrent de in het derde lid bedoelde aangelegenheden. Een dergelijk voorstel wordt schriftelijk en voorzien van een toelichting aan het hoofd van het parket voorgelegd. Het hoofd van het parket beslist over het voorstel niet dan nadat daarover ten minste eenmaal overleg is gevoerd in een overlegvergadering. Na het overleg deelt het hoofd van het parket zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd aan de parketvertegenwoordiging mede of, en zo ja in hoeverre, hij overeenkomstig het voorstel zal besluiten. Wanneer het hoofd van het parket of de parketvertegenwoordiging te kennen geeft daarop prijs te stellen, wordt het besluit in een overlegvergadering kenbaar gemaakt.

Artikel 20

  • 1. Een overlegvergadering kan slechts worden gehouden, indien ten aanzien van de parketvertegenwoordiging wordt voldaan aan de bepalingen die ingevolge het reglement gelden voor het houden van een vergadering van de parketvertegenwoordiging. Alle leden van de parketvertegenwoordiging kunnen in de overlegvergadering het woord voeren.

  • 2. De overlegvergadering wordt, tenzij het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging te zamen een andere regeling treffen, beurtelings geleid door het hoofd van het parket en de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter van de parketvertegenwoordiging.

  • 3. De secretaris van de parketvertegenwoordiging treedt op als secretaris van de overlegvergadering, tenzij het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging te zamen een andere persoon als secretaris aanwijzen.

  • 4. De agenda van de overlegvergadering bevat de onderwerpen die door het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging bij de secretaris voor het overleg zijn aangemeld. Het verslag van de overlegvergadering behoeft de goedkeuring van het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging.

  • 5. Het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging maken afspraken over de gang van zaken bij de overlegvergadering en over de wijze en het tijdstip waarop de agenda en het verslag van de overlegvergadering aan de kiesgerechtigde leden bekend worden gemaakt.

  • 6. Ten aanzien van de overlegvergadering zijn de artikelen 14 en 15 van overeenkomstige toepassing. Zowel het hoofd van het parket als de parketvertegenwoordiging kan een of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een overlegvergadering, indien dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp redelijkerwijs nodig is. Zij stellen elkaar hiervan tijdig vooraf in kennis.

Artikel 21

  • 1. Tijdens een overlegvergadering kunnen zowel door het hoofd van het parket als door de parketvertegenwoordiging beslissingen worden genomen.

  • 2. Een overlegvergadering wordt door de voorzitter geschorst, wanneer het hoofd van het parket of de parketvertegenwoordiging ten aanzien van een bepaald onderwerp afzonderlijk beraad wenselijk acht.

Artikel 22

Het hoofd van het parket doet aan de parketvertegenwoordiging zo spoedig mogelijk mededeling van zijn voornemen tot het verstrekken van een adviesopdracht aan een deskundige buiten het parket, met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 24 en 25.

Artikel 23

Het hoofd van het parket bespreekt ten minste twee maal per kalenderjaar in een overlegvergadering het algemene beleid van het parket en het door het hoofd van het parket gevoerde en te voeren beleid met de parketvertegenwoordiging.

Artikel 24

  • 1. De parketvertegenwoordiging heeft een instemmingsrecht ten aanzien van de volgende door het hoofd van het parket voorgenomen besluiten:

    a. een regeling inzake werktijden,

    b. een regeling inzake vakantie en verlof,

    c. een regeling inzake de veiligheid, de gezondheid of het welzijn in verband met de werkzaamheden,

    d. een regeling inzake opleiding en verdere vorming,

    e. een regeling inzake loopbaanvorming,

    f. een regeling inzake werkoverleg,

    g. een regeling als bedoeld in artikel 15, derde lid, en

    h. een regeling als bedoeld in artikel 16.

  • 2. Indien de parketvertegenwoordiging niet met een voorgenomen besluit als bedoeld in het eerste lid instemt, kan het hoofd van het parket niet een met het voorgenomen besluit overeenkomend besluit nemen.

Artikel 25

  • 1. De parketvertegenwoordiging heeft een adviesrecht ten aanzien van de volgende door het hoofd van het parket voorgenomen besluiten:

    a. een besluit inzake belangrijke wijzigingen in de organisatie, en

    b. een besluit inzake de verdeling van de werkzaamheden.

  • 2. Een advies als bedoeld in het eerste lid wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.

Artikel 26

  • 1. De parketvertegenwoordiging wordt in de gelegenheid gesteld een profielschets op te stellen voor een te benoemen procureur-generaal, plaatsvervangend procureur-generaal, hoofdofficier van justitie, fungerend hoofdofficier van justitie of plaatsvervangend hoofdofficier van justitie.

  • 2. De parketvertegenwoordiging wordt in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent de benoeming van een procureur-generaal, plaatsvervangend procureur-generaal, hoofdofficier van justitie, fungerend hoofdofficier van justitie of plaatsvervangend hoofdofficier van justitie.

Artikel 27

De parketvertegenwoordiging bevordert zoveel als in haar vermogen ligt de naleving van de voor het parket geldende voorschriften op het gebied van de rechtspositie, alsmede van de voor het parket geldende voorschriften op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de werkzaamheden.

Artikel 28

Het hoofd van het parket is verplicht desgevraagd aan de parketvertegenwoordiging en haar commissies tijdig alle inlichtingen en gegevens te verstrekken die deze voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig hebben.

Artikel 29

  • 1. Het hoofd van het parket treft bij voorlopig reglement, voor zover nodig, de voorzieningen die tot de bevoegdheid van de parketvertegenwoordiging behoren, totdat de parketvertegenwoordiging zelf die bevoegdheid uitoefent. Artikel 4, eerste lid, is op het voorlopig reglement van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De kiesgerechtigde leden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over een ontwerp van het voorlopig reglement kenbaar te maken.

  • 3. Het voorlopig reglement vervalt op het tijdstip waarop het door de parketvertegenwoordiging vastgestelde reglement in werking treedt.

  • 4. Het hoofd van het parket draagt ervoor zorg, dat uiterlijk op de eerste dag van de derde kalendermaand na de maand waarin dit besluit in werking is getreden, bij het parket een parketvertegenwoordiging is.

Artikel 30

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 april 1996.

  • 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 april 2001.

Artikel 31

Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 24 september 1996

Beatrix

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Uitgegeven de eerste oktober 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

1.1 Achtergronden

Sinds de inwerkingtreding op 5 mei 1995 van de Wet van 13 april 1995 (Stb. 231) is de Wet op de ondernemingsraden (Wor) ook van toepassing op ambtenaren. In artikel 53b Wor wordt echter op de toepasselijkheid van de Wor een uitzondering gemaakt voor de rechterlijke ambtenaren (dat zijn: de rechters in de Hoge Raad, de hoven, de rechtbanken, de kantongerechten, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de Tariefcommissie en het College van beroep studiefinanciering; de leden van het openbaar ministerie (OM); de gerechtsauditeurs bij de genoemde gerechten; de griffiers en de substituut-griffiers van de genoemde gerechten) en voor de rechterlijke ambtenaren in opleiding (raio's). Bij het maken van die uitzondering is aangekondigd dat de Minister van Justitie ernaar zal streven dat uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 5 mei 1995 voor de in artikel 53b Wor uitgezonderde ambtenaren specifieke medezeggenschapsregelingen tot stand worden gebracht.

Het onderhavige besluit bevat een dergelijke specifieke medezeggenschapsregeling voor de leden van het OM bij de ressortsparketten en de arrondissementsparketten en voor de raio's die tot plaatsvervangend officier van justitie zijn benoemd. Het gaat om een tijdelijke regeling, waarbij bij de ressortsparketten en de arrondissementsparketten een tijdelijk medezeggenschapsorgaan (de parketvertegenwoordiging) wordt gecreëerd.

In het kader van de voorgenomen reorganisatie van het OM – ik verwijs naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 14 december 1994 (Tweede Kamer, 1994–1995, 24 034, nr. 1) en naar het op 23 mei 1995 aan de Tweede Kamer aangeboden plan van aanpak (Tweede Kamer, 1994–1995, 24 034, nr. 3) – zal te gelegener tijd een definitieve medezeggenschapsregeling voor het OM tot stand komen. Dat zal een geïntegreerde regeling zijn, dat wil zeggen dat zij betrekking heeft zowel op de leden van het OM als op de medewerkers die werkzaam zijn in de ondersteuning. Het hoofd van het parket zal in de nieuwe OM-organisatie immers hoofd van dienst zijn van beide geledingen. Thans is de directeur gerechtelijke ondersteuning nog hoofd van dienst van de medewerkers die werkzaam zijn in de ondersteuning. Op die medewerkers is de Wor wel van toepassing.

Op dit moment is er geen specifieke medezeggenschapsregeling voor de rechterlijke ambtenaren en de raio's op wie dit besluit betrekking heeft (vgl. art. 10 Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren). Teneinde in de periode voorafgaande aan de totstandbrenging van de definitieve regeling niet onnodig lang het thans bestaande vacuüm te laten bestaan – hetgeen juist gelet op de reorganisatie van het OM als onwenselijk moet worden beschouwd – wordt nu voor deze categorieën een tijdelijke regeling tot stand gebracht.

Op dit moment staat nog niet vast hoe lang sprake zal zijn van het naast elkaar bestaan van de parketvertegenwoordiging voor de leden van het OM en de ondernemingsraad voor de medewerkers in de ondersteuning. De bevoegdheden die thans de directeur gerechtelijke ondersteuning nog heeft ten aanzien van de medewerkers in de ondersteuning, zullen in het kader van de zogenoemde beheersovergang binnen afzienbare tijd overgaan naar de hoofden van de parketten. Dezen zullen dan de overlegpartner zijn van beide geledingen. In deze structuur zal geleidelijk moeten worden toegegroeid naar een geïntegreerde regeling. Het is niet uitgesloten dat daarbinnen toch voor een zekere differentiatie zal worden gekozen. Vanzelfsprekend zal over de nieuwe regeling overeenstemming moeten worden bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke macht en met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken.

Het onderhavige besluit berust op artikel 16, tweede lid, onderdeel h, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Deze bepaling maakt het mogelijk dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (amvb) voor rechterlijke ambtenaren en raio's voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot medezeggenschap.

Over de in dit besluit opgenomen regeling is overeenkomstig hoofdstuk III Wrra overeenstemming bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke macht.

1.2 Hoofdlijnen

Bij het opstellen van deze specifieke medezeggenschapsregeling is ernaar gestreefd, de systematiek en de inhoud – en daarom ook de bewoordingen – van de Wor waar mogelijk over te nemen. Op een aantal punten was dat, gelet op het karakter en de structuur van de (huidige) OM-organisatie, (nog) niet of niet volledig mogelijk of wenselijk. Voor een deel gaat het daarbij om technische kwesties, voor een ander deel om zaken van meer inhoudelijke aard.

De twee belangrijkste inhoudelijke afwijkingen van de Wor hebben betrekking op de vaststelling van de onderwerpen waarvoor een instemmingsrecht onderscheidenlijk een adviesrecht voor het medezeggenschapsorgaan (in dit geval de parketvertegenwoordiging) geldt en op het ontbreken van een specifieke geschillenregeling in het onderhavige besluit. Op het eerste punt wordt in de artikelsgewijze toelichting nader ingegaan. Ten aanzien van het tweede punt merk ik op deze plaats het volgende op. De Wor bevat een gedifferentieerde geschillenregeling, waarbij soms rechtsmacht toekomt aan de kantonrechter en soms aan de ondernemingskamer van het hof te Amsterdam. Artikel 21, eerste lid, derde volzin, Wor voegt daaraan nog de rechtbank (als bestuursrechter) toe. Gelet op het karakter van de (huidige) OM-organisatie geef ik er de voorkeur aan, thans te vertrouwen op het zelfregulerend vermogen van die organisatie. De regeling bevat derhalve geen bijzondere bepalingen omtrent de beslechting van geschillen die voortvloeien uit de toepassing van dit besluit. Dat wil overigens niet zeggen dat, in het onverhoopte geval dat de betrokkenen er onderling niet uitkomen, er geen mogelijkheden voor rechterlijke interventie zijn. Artikel 9a Wrra stelt immers voor een belanghebbende beroep open tegen een besluit waarbij (onder anderen) een rechterlijk ambtenaar of een raio als zodanig belanghebbende is. Aangezien mag worden aangenomen dat het hoofd van het parket een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), het hoofd van het parket in bepaalde gevallen besluiten neemt waarbij een rechterlijk ambtenaar of een raio als zodanig belanghebbende is en de parketvertegenwoordiging gelet op haar taak bij sommige van die besluiten van het hoofd van het parket belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb, kan de parketvertegenwoordiging in die gevallen beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Dat geldt overigens ook voor de individuele rechterlijk ambtenaar of raio. Overigens is het streven, in de definitieve medezeggenschapsregeling voor het OM wel aansluiting te zoeken bij de geschillenregeling in de Wor.

Waar nodig wordt in de artikelsgewijze toelichting ingegaan op de overige verschillen met de Wor. Ook wordt in voorkomende gevallen aangegeven aan welke bepalingen van de Wor de bepalingen van dit besluit zijn ontleend.

Voor de goede orde wijs ik erop dat hetgeen in het onderhavige besluit is geregeld, uiteraard geen inbreuk kan en mag maken op hetgeen met toepassing van hoofdstuk III Wrra is besloten over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de rechterlijke ambtenaren en de raio's. Anders gezegd: de besluitvorming tussen de Minister van Justitie en de Sectorcommissie rechterlijke macht prevaleert te allen tijde boven de besluitvorming in het kader van de onderhavige medezeggenschapsregeling.

1.3 Financiële gevolgen

Voor zover aan deze regeling structurele kosten zijn verbonden, zullen deze worden opgevangen binnen de budgetten van de verschillende arrondissementen. In verband met de invoering zullen incidentele kosten optreden. De incidentele kosten zullen zeer beperkt van omvang zijn. Zij zullen worden opgevangen binnen het budget dat beschikbaar is voor de reorganisatie van het OM.

Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van gevolgen voor de rijksbegroting.

2. Artikelsgewijs

Artikel 1

Aangezien het parket bij de Hoge Raad niet rechtstreeks bij de voorgenomen reorganisatie van het OM is betrokken, is deze tijdelijke regeling uitsluitend van toepassing op de ressortsparketten en de arrondissementsparketten.

Artikel 2

Het eerste lid schrijft bij elk parket een vertegenwoordigend orgaan voor, onder de benaming parketvertegenwoordiging. Het hoofd van het parket draagt zorg voor de totstandkoming van de parketvertegenwoordiging op zijn parket.

Het tweede lid legt vast dat de leden van de parketvertegenwoordiging worden gekozen door en uit het midden van de kiesgerechtigde leden van het parket. De kring van degenen aan wie het actieve kiesrecht toekomt, is derhalve gelijk aan de kring van degenen aan wie het passieve kiesrecht toekomt.

Het derde lid omschrijft wie de kiesgerechtigde leden van het parket zijn. In de eerste plaats zijn dat de leden van het OM, met uitzondering van het hoofd van het parket (de procureur-generaal onderscheidenlijk de hoofdofficier van justitie) en diens vervanger (de plaatsvervangend procureur-generaal onderscheidenlijk de fungerend dan wel de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie; vgl. art. 6, eerste onderscheidenlijk vierde lid, Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO)). Zij zijn ondergeschikt aan het hoofd van het parket (vgl. art. 5a Wet RO). In de tweede plaats zijn dat de raio's die tot plaatsvervangend officier van justitie zijn benoemd. Ook zij zijn ondergeschikt aan het hoofd van het parket (vgl. art. 1, onderdeel d, Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren). De overige plaatsvervangende officieren van justitie behoren niet tot de kiesgerechtigde leden.

De term «de kiesgerechtigde leden» komt overigens op diverse andere plaatsen in de regeling terug en heeft dan steeds de in artikel 2, derde lid, omschreven betekenis.

Voor de goede orde merk ik nog op, dat uit de wettelijke positie van de vervanger van het hoofd van het parket voortvloeit dat hetgeen tussen hem en de parketvertegenwoordiging wordt afgesproken, bindend is voor het hoofd van het parket.

In het vierde lid is het minimale en het maximale aantal leden van de parketvertegenwoordiging aangegeven. Het minimum is in alle gevallen drie. De maxima variëren, afhankelijk van de omvang van het parket. Bij de kleinere parketten is het maximum vijf leden, bij de middelgrote zeven en bij de grotere negen.

Het vijfde lid is ontleend aan artikel 6, zesde lid, Wor.

Het zesde lid strekt ertoe, te verzekeren dat een van de leden van de parketvertegenwoordiging een tot plaatsvervangend officier van justitie benoemde raio is. De parketvertegenwoordiging is verplicht, in de in artikel 6 voorgeschreven nadere regels betreffende de verkiezingen – die worden opgenomen in het in artikel 4, eerste lid, bedoelde reglement – , een dergelijke voorziening op te nemen. Die verplichting geldt uiteraard alleen, als een of meer van deze kiesgerechtigde leden zich kandidaat hebben gesteld. Deze bepaling is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met artikel 9, vierde lid, Wor.

Artikel 3

Deze bepaling is ontleend aan artikel 7, eerste volzin, Wor, met dien verstande dat het aantal plaatsvervangende voorzitters is beperkt tot één.

Artikel 4

Het eerste lid, dat is ontleend aan art. 8, eerste lid, eerste volzin, Wor verplicht de parketvertegenwoordiging een reglement vast te stellen. Daarin worden uitsluitend regels opgenomen betreffende de onderwerpen waarvan het onderhavige besluit bepaalt dat zij door de parketvertegenwoordiging moeten of kunnen worden geregeld (of nader geregeld). De parketvertegenwoordiging is derhalve niet bevoegd autonome (nadere) regels vast stellen.

Het tweede lid is ontleend aan art. 8, eerste lid, derde volzin, Wor.

Artikel 5

Deze bepaling is ontleend aan artikel 9, eerste lid, Wor. Anders dan in artikel 9, tweede en derde lid, Wor bevat dit besluit geen voorschriften omtrent (de bevoegdheid tot het indienen van) kandidatenlijsten. Wel kan de parketvertegenwoordiging op grond van artikel 6 in het reglement nadere regels stellen betreffende de kandidaatstelling.

Artikel 6

Deze bepaling is ontleend aan artikel 10 Wor.

Artikel 7

Deze bepaling is ontleend aan artikel 11 Wor, met dien verstande dat hier niet wordt gesproken van degenen die kandidatenlijsten hebben ingediend.

Artikel 8

Deze bepaling is ontleend aan artikel 12 Wor.

Artikel 9

Deze bepaling is ontleend aan artikel 14 Wor.

Artikelen 10 en 11

Artikel 10 (vaste commissies) is ontleend aan artikel 15, tweede lid, Wor. Artikel 11 (voorbereidingscommissies) is ontleend aan artikel 15, vierde lid, Wor. Het eerste lid van artikel 15 Wor, dat een algemene bevoegdheid tot het instellen van commissies bevat, en het derde lid, dat voorziet in de mogelijkheid van het instellen van onderdeelscommissies, zijn niet overgenomen, omdat daaraan in de OM-organisatie geen behoefte bestaat.

Artikelen 12 en 13

Deze bepalingen zijn ontleend aan artikel 16 Wor. Er is gekozen voor afzonderlijke artikelen betreffende deskundigen (artikel 12) en het hoofd van het parket (artikel 13).

Artikel 14

Deze bepaling is ontleend aan artikel 17, eerste en tweede lid, Wor. Het derde lid is niet overgenomen, omdat aan een uitdrukkelijke regeling inzake het behoud van de aanspraak op de bezoldiging in de OM-organisatie geen behoefte bestaat.

Artikel 15

Deze bepaling bevat, in vereenvoudigde vorm, die onderdelen van artikel 22 Wor waaraan in de OM-organisatie behoefte bestaat. De in artikel 22, tweede lid, tweede volzin, opgenomen verfijningen zijn niet overgenomen.

In het derde lid is niet gekozen voor een stelsel waarin het hoofd van het parket en de ondernemingsraad gezamenlijk het budget vaststellen, maar voor een – beter in de systematiek van de onderhavige regeling passend – stelsel waarin het hoofd van het parket daarover beslist, ten aanzien van welke beslissing aan de parketvertegenwoordiging een instemmingsrecht toekomt (vgl. art. 24, onderdeel g).

In vergelijking met de systematiek van de Wor is deze bepaling overigens naar voren gehaald en geplaatst bij de andere bepalingen over de zogenoemde faciliteiten voor de parketvertegenwoordiging en haar commissies.

Artikel 16

Deze bepaling bevat, in vereenvoudigde vorm, die onderdelen van artikel 18 Wor waaraan in de OM-organisatie behoefte bestaat. In het bijzonder de in artikel 18, derde en vierde lid, opgenomen verfijningen zijn niet overgenomen. Ook is niet gekozen voor een stelsel waarin het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging gezamenlijk het aantal uren (onderdeel a) onderscheidenlijk het aantal dagen (onderdeel b) vaststellen, maar voor een – beter in de systematiek van de onderhavige regeling passend – stelsel waarin het hoofd van het parket daarover beslist, ten aanzien van welke beslissing aan de parketvertegenwoordiging een instemmingsrecht toekomt (vgl. art. 24, onderdeel h).

Artikel 17

Deze bepaling, die grotendeels is gebaseerd op artikel 20, eerste, tweede, vierde en zesde lid, Wor, regelt de geheimhoudingsplicht rondom de vervulling van de taak van de parketvertegenwoordiging en haar commissies. In plaats van de hier minder adequate term «zaken- en bedrijfsgeheimen» (vgl. art. 20, eerste lid, eerste volzin, Wor) wordt in het eerste lid, eerste volzin, de – ruimere – term «gegevens» (vgl. art. 2:5, eerste lid, Awb) gebruikt. Ook in een ander opzicht is de geheimhoudingsplicht hier ruimer, omdat zij zich niet alleen mede uitstrekt tot gegevens «in verband met opgelegde geheimhouding», maar tot alle gegevens waarvan de betrokkenen «, al dan niet in verband met opgelegde geheimhouding,» het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Ook deze laatste formulering is ontleend aan art. 2:5, eerste lid, Awb.

Art. 20, vijfde lid, Wor is niet overgenomen, omdat artikel 4:16 Awb reeds voorziet in het daarin bepaalde.

Artikel 18

Deze bepaling is ontleend aan artikel 21, eerste lid, eerste volzin, Wor, met dien verstande dat hier niet wordt gesproken van kandidatenlijsten. Aan de overige onderdelen van artikel 21 Wor bestaat in de OM-organisatie geen behoefte.

Artikel 19

De regeling van de overlegvergadering is ontleend aan artikel 23, eerste tot en met vierde lid, Wor. De bepaling geeft de parketvertegenwoordiging onder meer een algemeen adviesrecht en een algemeen recht op overleg jegens het hoofd van het parket.

Artikel 20

Deze bepaling is ontleend aan artikel 23a, eerste tot en met zesde lid, tweede volzin, Wor.

Artikel 21

Deze bepaling is ontleend aan artikel 23b Wor.

Artikel 22

Deze bepaling is ontleend aan artikel 31c Wor, met dien verstande dat de verplichting hier behalve voor instemmingsonderwerpen (vgl. art. 24) ook geldt als het gaat om adviesonderwerpen (vgl. art. 25). Om systematische redenen is deze bepaling in vergelijking met de Wor naar voren gehaald.

Artikel 23

Deze bepaling legt, in aanvulling op artikel 19, uitdrukkelijk vast dat ten minste twee keer per jaar overleg wordt gevoerd over het algemene beleid van het parket en het door het hoofd van het parket gevoerde en te voeren beleid.

Artikel 24

In het eerste lid wordt aangegeven ten aanzien van welke punten de parketvertegenwoordiging een instemmingsrecht heeft. Daarbij is gekeken naar de in artikel 27, eerste lid, Wor opgesomde onderwerpen. Voor zover relevant zijn deze in het onderhavige artikel – al dan niet in aangepaste vorm – overgenomen. Voor het merendeel van de niet overgenomen onderwerpen geldt dat zij in de OM-organisatie niet op het niveau van de afzonderlijke parketten worden geregeld maar dat, nadat daarover overeenstemming is bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke macht of onder omstandigheden met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, daaromtrent algemeen verbindende voorschriften zijn en worden vastgesteld. Daarnaast geldt voor enkele onderwerpen (met name artikel 27, onderdelen a en l, Wor) dat zij in de OM-organisatie niet van toepassing zijn.

In het tweede lid is neergelegd dat over de in het eerste lid genoemde door het hoofd van het parket te nemen besluiten overeenstemming moet bestaan tussen het hoofd van het parket en de parketvertegenwoordiging. Dit overeenstemmingsvereiste (vgl. art. 13, eerste lid, Wrra) treedt in de plaats van de in artikel 27, tweede lid, Wor opgenomen geschillenregeling ten aanzien van instemmingsonderwerpen.

Artikel 25

In aanvulling op artikel 19 legt het eerste lid vast dat de parketvertegenwoordiging een adviesrecht heeft ten aanzien van de twee daarin genoemde onderwerpen. Onderdeel a is – in iets andere vorm – terug te vinden in een aantal onderdelen van artikel 25, eerste lid, Wor. Voor het overige lenen de daarin geregelde onderwerpen zich niet voor opneming in het onderhavige besluit, hetzij omdat zij zijn toegespitst op een commerciële onderneming (bij voorbeeld de onderdelen a en b), hetzij omdat zij betrekking hebben op aangelegenheden die in de OM-organisatie niet aan de orde zijn (bij voorbeeld de onderdelen f en g).

Het tweede lid is ontleend aan artikel 25, tweede lid, Wor.

Artikel 26

Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid van inspraak door de parketvertegenwoordiging bij de benoeming van het hoofd en het plaatsvervangend hoofd van het parket. Die inspraak is tweërlei. In het eerste lid wordt het recht toegekend een profielschets op te stellen. Die profielschets zal worden aangeboden aan het tot benoeming bevoegde gezag. Het tweede lid verzekert dat de parketvertegenwoordiging het recht heeft om de bevoegde autoriteit te adviseren omtrent de kandidaten die meedingen naar de vacante functie.

Artikel 27

Deze bepaling is ontleend aan artikel 28, eerste (bevordering van de naleving van de voorschriften op het gebied van de rechtspositie en van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de werkzaamheden) en tweede (bevordering van het werkoverleg) lid, Wor. Gelet op het karakter van de OM-organisatie zijn het tweede element van het tweede lid (bevordering van de overdracht van bevoegdheden) en het derde lid niet overgenomen.

Deze bepaling brengt tevens tot uitdrukking dat de parketvertegenwoordiging een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de goede gang van zaken bij het parket.

Artikel 28

Deze bepaling is ontleend aan artikel 31, eerste lid, eerste volzin, Wor. Zij geeft de parketvertegenwoordiging een algemeen recht op informatie jegens het hoofd van het parket.

Artikel 29

Deze bepaling bevat een overgangsrechtelijke voorziening die ertoe moet leiden dat uiterlijk met ingang van de derde maand na de maand waarop dit besluit in werking treedt, bij elk parket een parketvertegenwoordiging functioneert. De verantwoordelijkheid daarvoor wordt – overeenkomstig indertijd bij de invoering van de Wor (vgl. art. 48 Wor) – uitdrukkelijk gelegd bij het hoofd van het parket, met inspraak van de kiesgerechtigde leden.

Artikel 30

Omdat voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit daarop in de OM-organisatie feitelijk reeds is geanticipeerd – met name door het houden van verkiezingen in april 1996 – is in het eerste lid voorzien in terugwerkende kracht van dit besluit tot 1 april 1996. De in dit besluit geregelde materie verzet zich niet tegen het verlenen van terugwerkende kracht daaraan.

Om de in paragraaf 1 van het algemeen deel uiteengezette redenen heeft de in dit besluit vervatte regeling een tijdelijk karakter. Daarom voorziet het tweede lid in een horizonbepaling. Gekozen is voor een relatief lange termijn. Indien de totstandkoming van een geïntegreerde regeling voorspoedig verloopt, zal deze termijn – door middel van een wijziging van het onderhavige besluit – worden verkort.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 12 november 1996, nr. 219.

Naar boven