Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 1996
Nr. 474

Gepubliceerd op 26 september 1996



Besluit van 3 september 1996 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet op de gevaarlijke werktuigen (Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 februari 1996, nr DGVgz/VVP/P 9696;

Gelet op de artikelen 1, eerste lid, onderdeel a, 2, 3, 6, 9, 10, 12, derde lid, en 24 van de Wet op de gevaarlijke werktuigen;

Gezien het advies van de Commissie Regeling Attractieveiligheid van 12 december 1995;

De Raad van State gehoord (advies van 4 juni 1996, nr. W 13.96.0060);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 augustus 1996, nr. GZB/C&O/962053;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:

a. attractietoestel: al dan niet permanent geïnstalleerde inrichting ter voortbeweging van personen, die bestemd is voor vermaak of ontspanning en die aangedreven wordt door een niet-menselijke energiebron;

b. attractietoestel van een eenvoudig ontwerp: al dan niet roterend attractietoestel waarmee de passagiers een snelheid kunnen bereiken van niet meer dan 10 meter per seconde of waarmee de passagiers een hoogte kunnen bereiken van niet meer dan 5 meter boven het terrein waarop het attractietoestel is geplaatst;

c. speeltoestel: een inrichting bestemd voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt;

d. keuringsinstantie: een ingevolge artikel 5, eerste lid, van de wet met betrekking tot de keuring van attractie- en speeltoestellen door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen instantie;

e. norm: een document, uitgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, waarin wordt omschreven aan welke eisen een attractie- of speeltoestel moet voldoen, dan wel waarin een omschrijving wordt gegeven van een keurings-, meet- of berekeningsmethode;

f. bijlage I, II, III: de bij dit besluit behorende bijlagen;

g. wet: de Wet op de gevaarlijke werktuigen.

Artikel 2

Als gevaarlijke werktuigen in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de wet, worden aangewezen attractie- en speeltoestellen.

Artikel 3

  • 1. Dit besluit is niet van toepassing op:

    a. attractie- en speeltoestellen die bestemd zijn om uitsluitend buiten het grondgebied van Nederland gebruikt te worden;

    b. kleine door elektrische energie aangedreven attractietoestellen kennelijk bestemd voor de voortbeweging van maximaal 3 kinderen;

    c. speeltoestellen die als element van hun spel door kinderen onder toezicht worden vervaardigd;

    d. voorzieningen met betrekking tot het zich te water begeven als bedoeld in de Wet hygiëne en veiligheid zweminrichtingen.

    2. De artikelen 4 tot en met 14 en 16 zijn niet van toepassing op attractie- en speeltoestellen, die in een andere lidstaat van de Europese Unie, of in een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, rechtmatig in het verkeer zijn gebracht en bestemd zijn voor tijdelijk gebruik in Nederland, mits zij voldoen aan eisen welke gelijkwaardig zijn aan de eisen in dit besluit gesteld.

HOOFDSTUK 2. VERVAARDIGING

Artikel 4

Attractie- en speeltoestellen zijn zodanig ontworpen en vervaardigd, hebben zodanige eigenschappen en zijn van zodanige opschriften voorzien, dat zij bij redelijkerwijs te verwachten gebruik geen gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van personen. Zij voldoen daartoe aan de in bijlage I genoemde voorschriften.

Artikel 5

  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen normen worden aangewezen en nadere voorschriften worden gesteld voor attractie- en speeltoestellen.

  • 2. Attractie- en speeltoestellen welke voldoen aan de normen, bedoeld in het eerste lid, worden in zoverre vermoed te voldoen aan artikel 4.

Artikel 6

Attractie- en speeltoestellen zijn voorzien van de volgende, onlosmakelijk op of in het toestel aangebrachte, onuitwisbare opschriften of aanduidingen:

a. de naam en het adres van de fabrikant of importeur;

b. het bouwjaar;

c. de serie- of typeaanduiding;

d. het serienummer, voor zover van toepassing.

Artikel 7

  • 1. Voor attractietoestellen stelt de fabrikant, diens gemachtigde of, indien zij geen van beide in Nederland zijn gevestigd, degene die de attractietoestellen in Nederland in de handel brengt, een technisch constructiedossier op, met inachtneming van bijlage II, bewaart het bedoelde dossier gedurende de technische levensduur van het attractietoestel en houdt het ter beschikking van een keuringsinstantie.

  • 2. Voor speeltoestellen is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de bewaartermijn beperkt is tot tien jaar na de laatste verhandeling van het speeltoestel.

  • 3. Degene die een attractie- of speeltoestel rechtstreeks betrekt van een in het buitenland gevestigde leverancier, met een ander voornemen dan om het in de handel te brengen, bedingt, indien het toestel niet vergezeld gaat van een technisch constructiedossier, contractueel dat de leverancier een technisch constructiedossier, overeenkomstig bijlage II, ter beschikking houdt van een keuringsinstantie, met in achtneming van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen.

HOOFDSTUK 3. KEURING

Artikel 8

  • 1. Attractietoestellen worden periodiek gekeurd door een keuringsinstantie.

  • 2. Speeltoestellen worden eenmalig gekeurd door een keuringsinstantie.

  • 3. Bij de keuring van speeltoestellen en bij de eerste keuring van attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp kan worden volstaan met de keuring van een het typekenmerkend monster.

Artikel 9

  • 1. De aanvraag van een keuring van een attractie- of speeltoestel wordt ingediend bij slechts één keuringsinstantie.

  • 2. De aanvraag omvat:

    a. de plaats waar het toestel is vervaardigd;

    b. het bouwjaar en het type- en serienummer;

    c. het in artikel 7 genoemde technisch constructiedossier, indien van toepassing, of de naam en adres van de leverancier waar het technisch constructiedossier beschikbaar is voor de keuringsinstantie;

    d. het in artikel 14, tweede lid, bedoelde logboek.

  • 3. De aanvraag gaat vergezeld van de opgave van de plaats waar het attractie- of speeltoestel kan worden gekeurd.

Artikel 10

  • 1. De keuringsinstantie onderzoekt het attractie- of speeltoestel en het technisch constructiedossier en vergewist zich ervan of het toestel is vervaardigd overeenkomstig het technisch constructiedossier.

  • 2. Bij de tweede en volgende keuringen van attractietoestellen vindt geen beoordeling van het technisch constructiedossier plaats.

  • 3. De keuringsinstantie gaat na of de eventuele toepassing van normen correct is gebeurd en voert passende onderzoeken en proeven uit om na te gaan of het toestel overeenstemt met de daarop betrekking hebbende veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.

Artikel 11

De keuringsinstantie stelt bij attractietoestellen de voor het veilig gebruik relevante conclusies van de keuring en de geldigheidsduur van het certificaat of merk van goedkeuring op schrift in het bij het toestel behorende logboek.

Artikel 12

  • 1. De keuringsinstantie geeft aan de in artikel 16, eerste lid, van de wet bedoelde ambtenaren bericht van de uitslagen van keuringen en de datum waarop een tweede of volgende keuring van het bewuste toestel nodig is.

  • 2. De keuringsinstantie die het afgeven van een certificaat of merk van goedkeuring weigert, doet hiervan mededeling aan de overige keuringsinstanties.

Artikel 13

  • 1. De keuringsinstantie die het attractie- of speeltoestel of een het type kenmerkend monster daarvan heeft gekeurd, wordt onverwijld in kennis gesteld van elke ingrijpende wijziging of reparatie van een toestel.

  • 2. Indien naar het oordeel van de in het eerste lid bedoelde keuringsinstantie de wijziging of reparatie van het toestel de veiligheid of gezondheid van personen beïnvloedt, wordt het toestel opnieuw gekeurd overeenkomstig artikel 8.

HOOFDSTUK 4. VERKEER EN GEBRUIK

Artikel 14

  • 1. Attractie- en speeltoestellen gaan vergezeld van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing met aanwijzingen, veiligheidsinstructies, waarschuwingen en andere relevante informatie, die degene die het toestel voorhanden heeft, in staat stelt het toestel zodanig te installeren, te monteren, te doen gebruiken, te demonteren, te inspecteren en te onderhouden dat het toestel geen gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid van personen.

  • 2. Attractie- en speeltoestellen gaan vergezeld van een logboek volgens het model in bijlage III.

Artikel 15

  • 1. Degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft, zorgt ervoor dat het toestel zodanig is genstalleerd, gemonteerd en zodanig is beproefd, geïnspecteerd en onderhouden en zodanig van opschriften is voorzien, dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft, dat hetzij is afgekeurd, hetzij onklaar gemaakt, hetzij anderszins kennelijk niet meer voor gebruik bestemd is.

Artikel 16

Degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft, houdt het in artikel 14, tweede lid, bedoelde logboek bij en bewaart dit logboek.

Artikel 17

Degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft, dat voorzien is van een merk van afkeuring, zorgt ervoor dat:

a. het toestel zodanig is stilgezet of afgesloten dat het niet zonder hulpmiddelen kan worden betreden;

b. op of nabij daarvoor in aanmerking komende punten van het toestel een duidelijk opschrift is aangebracht waaruit blijkt dat het toestel niet voor gebruik is bestemd.

Artikel 18

Attractie- en speeltoestellen die niet in overeenstemming zijn met dit besluit, mogen op (jaar)beurzen, exposities en bij demonstraties worden tentoongesteld en gedemonstreerd, mits op een zichtbaar bord is aangegeven dat de betrokken toestellen niet in overeenstemming met dit besluit zijn, en dat zij niet in het verkeer mogen worden gebracht voordat ze door de fabrikant of importeur in overeenstemming met dit besluit zijn gebracht. Bij demonstraties zijn alle passende veiligheidsmaatregelen genomen om de veiligheid en gezondheid van personen te waarborgen.

HOOFDSTUK 5. MERK VAN AFKEURING

Artikel 19

  • 1. Het is verboden een op een attractie- of speeltoestel aangebracht merk van afkeuring te verwijderen, te beschadigen of onleesbaar te maken.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van de ambtenaren die ingevolge artikel 12, eerste lid, eerste zin, van de wet ten aanzien van attractie- en speeltoestellen aangewezen zijn.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot het merk van afkeuring.

HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 20

  • 1. Degene die een attractietoestel voorhanden heeft, doet onverwijld na de eerste opbouw of plaatsing ervan bij de Regionale Inspectie Gezondheidsbescherming 's-Hertogenbosch aangifte van het feit dat hij een attractietoestel voorhanden heeft, onder opgave van de volgende gegevens:

    a. zijn naam, woon- of verblijfplaats en adres;

    b. de soort, het type, het bouwjaar en de fabrikant van het attractietoestel;

    c. plaats waar het attractietoestel zich bevindt of, in het geval van een niet permanent geïnstalleerd attractietoestel, de plaatsen waar het zich in de periode van drie maanden na de dag van aangifte zal bevinden.

  • 2. Degene die een attractie- of speeltoestel tijdelijk in Nederland gebruikt, doet, tenminste twee maal vierentwintig uur voorafgaand aan elke eerste opbouw of plaatsing van het toestel op Nederlands grondgebied, bij de Regionale Inspectie Gezondheidsbescherming 's-Hertogenbosch aangifte van zijn voornemen tot plaatsing of opbouw van het toestel op Nederlands grondgebied, onder opgave van de gegevens, vermeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK 7. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 21

  • 1. Het verbod gesteld in artikel 10, derde lid, van de wet, voor zover het betreft het voorhanden hebben en gebruiken van attractietoestellen, geldt niet gedurende tien jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit ten aanzien van op dat tijdstip reeds in gebruik zijnde attractietoestellen, mits zij, te zamen met het logboek, door een keuringsinstantie worden onderzocht en dit onderzoek geen evidente tekortkomingen voor de veiligheid en de gezondheid van personen aan het licht brengt.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde onderzoek vindt plaats binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit en wordt daarna elke twee jaar herhaald.

  • 3. De keuringsinstantie maakt van de uitslagen van het in het eerste en het tweede lid bedoelde onderzoek, en de bevindingen bij dit onderzoek, aantekeningen in het in artikel 14 bedoelde logboek.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op attractietoestellen die zijn voorzien van een merk van afkeuring.

Artikel 22

Na afloop van de overgangstermijn, genoemd in artikel 21, eerste lid, vindt met betrekking tot de in dat artikel bedoelde attractietoestellen in geval van keuring krachtens artikel 8, eerste lid, geen beoordeling plaats van het technisch constructiedossier.

Artikel 23

De artikelen 6 en 7, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op de in artikel 21, eerste lid, bedoelde attractietoestellen.

Artikel 24

De artikelen 6, 7, derde lid, 8, tweede lid, en 14, eerste lid, zijn niet van toepassing op speeltoestellen die reeds in gebruik zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 25

Degene die een attractietoestel voorhanden heeft, dat reeds in gebruik is op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, doet binnen 30 dagen na inwerkingtreding van dit besluit bij de Regionale Inspectie Gezondheidsbescherming 's-Hertogenbosch aangifte van het feit dat hij een dergelijk attractietoestel voorhanden heeft, onder opgave van de gegevens, vermeld in artikel 20, eerste lid.

Artikel 26

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.

Artikel 27

Dit besluit treedt in werking zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 28

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 3 september 1996

Beatrix

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra

Uitgegeven de zesentwintigste september 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

BIJLAGE I Behorende bij artikel 4 van het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen. Voorschriften met betrekking tot het ontwerp en de vervaardiging van attractie- en speeltoestellen

1. Bij het ontwerp en vervaardiging te verwerken veiligheidsbeginselen

a. Een attractie- of speeltoestel dient zodanig te zijn vervaardigd dat het kan functioneren en kan worden afgesteld en onderhouden zonder dat men aan gevaren voor de veiligheid en de gezondheid blootstaat wanneer deze handelingen worden voltrokken onder door de fabrikant vastgestelde omstandigheden.

b. De getroffen voorzieningen moeten erop gericht zijn elk gevaar gedurende de te verwachten levensduur van het toestel, ook bij het monteren en demonteren, uit te sluiten, ook wanneer de gevaren het gevolg zijn van te voorziene abnormale omstandigheden.

c. Bij het kiezen van de meest passende oplossingen moet de fabrikant de volgende beginselen toepassen in de opgegeven volgorde:

– de gevaren uitsluiten of zoveel mogelijk beperken door veiligheidsaspecten optimaal te verwerken in het ontwerp en bij de vervaardiging van het toestel;

– de noodzakelijke beveiligingsvoorzieningen treffen voor gevaren die niet kunnen worden uitgesloten;

– informeren over de gevaren die nog aanwezig zijn als gevolg van een niet volledige doelmatigheid van de getroffen beveiligingsvoorzieningen, aangeven of een bijzondere opleiding is vereist en signaleren dat bepaalde persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gebruikt.

d. Bij het ontwerpen en vervaardigen van een attractie- of speeltoestel alsmede bij de opstelling van de gebruiksaanwijzing moet de fabrikant niet alleen uitgaan van een normaal gebruik van het toestel maar tevens van het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan.

e. Een attractie- of speeltoestel dient zodanig te zijn ontworpen dat abnormaal gebruik, indien gevaarlijk, wordt voorkomen. In voorkomend geval dient de gebruiksaanwijzing de aandacht te vestigen op te ontraden gebruik, dat uit ervaring zou kunnen blijken.

f. Bij het ontwerpen en vervaardigen van speeltoestellen alsmede bij de opstelling van de gebruiksaanwijzing moet de fabrikant rekening houden met het specifieke gedrag van kinderen.

g. Onder de gebruiksomstandigheden waarvoor een attractietoestel is bestemd moeten hinder, vermoeidheid en psychische belasting (stress) van degene die het toestel zal bedienen tot een haalbaar minimum beperkt blijven, rekening houdend met de beginselen van de ergonomie.

h. Bij het ontwerpen en de vervaardiging dient de fabrikant rekening te houden met de belemmeringen die degene die het toestel zal bedienen ondervindt door een noodzakelijk of te voorzien gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (bijv. schoenen, handschoenen, enz.)

2. Met name bij het ontwerp en de vervaardiging in acht te nemen gevaarsaspecten, voorzover van toepassing

a. gevaren ten gevolge van onvoldoende draagkracht van het toestel, rekening houdend met de sterkte, de stijfheid en de vervormingscapaciteit van de toegepaste materialen;

b. gevaren ten gevolge van het verlies van evenwicht van het toestel, rekening houdend met de ondersteuning van het toestel en de ondergrond, alsmede mogelijke belastingen van het toestel;

c. gevaren ten gevolge van de toegepaste electrische energie;

d. gevaren ten gevolge van de toegepaste mechanische, pneumatische of hydraulische energie;

e. gevaren ten gevolge van een defect in het bedieningscircuit of defecten in de energievoorziening;

f. gevaren ten gevolge van het gebruik van het toestel, waaronder vallen, snijden, beklemming, afklemming, verstikking, botsen en overbelasting van het lichaam;

g. gevaren ten gevolge van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van het toestel, waaronder de toegankelijkheid bij defecten en noodsituaties;

h. gevaren ten gevolge van mogelijke interacties van het toestel en de passagiers met de omgeving waaronder omstanders;

i. gevaren ten gevolge van het binnenklimaat van omsloten ruimten, waaronder voldoende ventilatie en voldoende verlichting;

j. gevaren ten gevolge van gebrekkige onderhoudsmogelijkheden;

k. gevaren ten gevolge van het monteren, demonteren en hanteren van het toestel;

l. gevaren ten gevolge van brand;

m. gevaren ten gevolge van hinderlijke straling;

n. gevaren ten gevolge van blootstelling aan chemische stoffen;

o. gevaren ten gevolge van de blootstelling aan biologische verontreiniging.

3. Bij de vervaardiging van een attractie- of speeltoestel door de fabrikant in acht te nemen procedures

a. De fabrikant of importeur moet het nodige onderzoek verrichten en de nodige proeven uitvoeren met de onderdelen, accessoires, beveiligingen of het gehele attractie- of speeltoestel om vast te stellen of het toestel veilig kan worden gemonteerd en in gebruik genomen.

b. Een attractie- of speeltoestel moet worden geleverd met alle speciale uitrustingen en accessoires die essentieel zijn voor het voorkomen van gevaren bij montage, inclusief demontage en transport voor kermistoestellen, afstelling, onderhoud en gebruik, uitgezonderd de levering van eventueel benodigde bodemmaterialen bij speeltoestellen.

BIJLAGE II Behorende bij artikel 7 van het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen. Minimum vereisten technisch constructiedossier

Het technisch constructiedossier dient in ieder geval te bestaan uit:

a. een overzichtsplan van het attractie- of speeltoestel, alsmede de tekeningen en schema's van de bedieningsschakelingen voor zover van toepassing;

b. gedetailleerde en volledige tekeningen, vergezeld, in ieder geval bij attractietoestellen, van berekeningen, testresultaten, materiaalcertificaten, enz., aan de hand waarvan kan worden nagegaan of het toestel aan de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voldoet;

c. gedetailleerde tekeningen en andere uitvoerige inlichtingen met betrekking tot de bij de fabricage van toestellen gebruikte onderdelen; deze hoeven alleen maar aanwezig te zijn, voor zover kennis daarvan noodzakelijk is voor het controleren van de overeenstemming met het bij of krachtens dit besluit bepaalde;

d. een lijst met:

– gevaren die aan de toepassing van het attractie- of speeltoestel verbonden zijn;

– de toegepaste normen en voorschriften;

– de overige technische specificaties waarmee in het ontwerp rekening is gehouden;

e. een beschrijving van de preventieve voorzieningen met het oog op de aan het attractie- of speeltoestel verbonden gevaren;

f. ieder technisch verslag of ieder van een instantie of laboratorium verkregen certificaat;

g. ingeval het gaat om een het type kenmerkend monster: de interne bepalingen die worden toegepast bij de produktie van meerdere toestellen of voor de veiligheid regelmatig te vervangen essentiële onderdelen, ter handhaving van de overeenstemming met het het type kenmerkend monster;

h. een exemplaar van de in artikel 18 van dit besluit bedoelde gebruiksaanwijzing en andere door de importeur verstrekte informatie.

BIJLAGE III Behorende bij artikel 14 van het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen

Deze bijlage bevat een MODEL LOGBOEK met in ieder geval:

a. de volgende gegevens:

– de naam en het adres van de eigenaar en degene die het attractie- of speeltoestel voorhanden heeft;

– een beschrijving van het attractie- of speeltoestel;

– naam van de fabrikant en van de importeur;

– bouwjaar;

– serie- of typeaanduiding;

– serienummer, voorzover van toepassing;

b. de volgende aantekeningen betreffende inspecties en onderhoud:

– data en de tijdstippen waarop inspecties en voor de veiligheid relevant onderhoud hebben plaatsgevonden, alsmede de naam van degene die de inspecties of het onderhoud heeft uitgevoerd;

– hierbij geconstateerde gebreken of veranderingen in de staat van het toestel die de veiligheid in gevaar kunnen brengen;

– de naam van degene die een reparatie uitvoert;

– de vervanging van voor de veiligheid kritieke onderdelen, alsmede de leverancier van deze onderdelen;

c. de volgende gegevens omtrent keuringen:

– de datum en de uitslag van de keuring;

– de keuringsinstantie die de keuring heeft verricht;

– geldigheidsduur van het certificaat of merk van goedkeuring;

– relevante informatie voor het beheer van de attractie, naar aanleiding van de keuring;

d. voor attractietoestellen die reeds in gebruik zijn op het moment van de inwerkingtreding van het besluit de volgende gegevens omtrent de resultaten van het onderzoek zover van toepassing:

– de datum en de uitslag van het onderzoek;

– de keuringsinstantie die het onderzoek heeft verricht;

– de datum van het eerstvolgende onderzoek;

– relevante informatie voor het beheer van het attractietoestel, naar aanleiding van het onderzoek;

e. gegevens over opgetreden ongevallen, indien van toepassing:

– oorzaak of vermoedelijke oorzaak;

– opgetreden persoonlijk letsel;

– naar aanleiding van het ongeval genomen maatregelen.

NOTA VAN TOELICHTING

§ 1. Doel van de regeling

Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is beleidsmatig verantwoordelijk voor de veiligheid van consumentenartikelen. De veiligheid van attractie- en speeltoestellen in attractieparken, op kermissen en speelgelegenheden valt binnen dit beleidsterrein.

Het onderhavige besluit beperkt zich voor wat betreft attractietoestellen tot de toestellen waarmee mensen worden voortbewogen. Het potentiële gevaar van deze attractietoestellen, die veelal worden gebruikt in situaties met grote publieksdichtheid, is groot. In de afgelopen tien jaar vielen een aantal dodelijke slachtoffers te betreuren. Uit het privé-ongevallen registratiesysteem (PORS) van de Stichting Consument en Veiligheid (SCV) kan geconcludeerd worden dat jaarlijks 1100 ongevallen met deze categorie attractietoestellen poliklinische behandeling behoeven en 55 ongevallen leiden tot ziekenhuisopname. Hoewel het PORS zich beperkt tot klinisch en poliklinisch behandelde ongevallen, blijkt uit onderzoek van de SCV dat het totaal aantal ongevallen, inclusief de niet geregistreerde ongevallen die wel door een arts worden behandeld, ongeveer drie maal zoveel (3300) is.

Bij publiek gebruikte speeltoestellen is er sprake van een veel groter aantal ongevallen dat jaarlijks optreedt. Uit het PORS blijkt dat jaarlijks 7500 ongevallen op speelgelegenheden poliklinische behandeling behoeven en 550 ongevallen leiden tot ziekenhuisopname. Op grond van deze cijfers mag men concluderen, dat samen met de niet geregistreerde ongevallen die door een arts worden behandeld, jaarlijks zo'n 22 500 ongevallen medisch worden behandeld.

Het besluit richt zich op het terugdringen van de bovenstaande ongevalscijfers, door voor te schrijven dat het toestel enerzijds zelf geen aanleiding vormt voor ongevallen en anderzijds zo min mogelijk letsel veroorzaakt bij ongevallen, die voortkomen uit gedrag van het publiek, dat niet overeenkomstig de bestemming is van het toestel, maar wel redelijkerwijs te verwachten is. Het streven is een ongevalsreductie te bereiken van 25% binnen 10 jaar na de inwerkingtreding van het besluit. Bij de behandeling van dit besluit in de Ministerraad is afgesproken dat er na 5 jaar een evaluatie zal plaatsvinden.

§ 2. Aanloop tot het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen

Reeds begin tachtiger jaren is er overleg geweest tussen de overheid en de kermisbonden over een veiligheidsregeling in de kermisbranche. Van diverse zijden (gemeenten, politie en de bonden zelf) werd op een dergelijke regeling al geruime tijd aangedrongen. Midden jaren tachtig is, in opdracht van het toenmalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, door TNO een onderzoek gedaan naar technisch-inhoudelijke veiligheidseisen voor attractietoestellen.

Als vervolg hierop installeerde de toenmalige Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in juli 1987 de Commissie Regeling Attractieveiligheid (CRA) met als taak te adviseren over een regeling voor de veiligheid van attractie- en speeltoestellen. Deze commissie was samengesteld uit vertegenwoordigers van fabrikanten, exploitanten, de Stichting Consument en Veiligheid, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Hinderwet en Bouwtoezichtvereniging, alsmede van de rijksoverheid (Ministeries van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Economische Zaken).

De CRA heeft verschillende varianten voor een regeling van de veiligheid van attractie- en speeltoestellen onderzocht. De CRA kwam in haar advies van juli 1989 tot de conclusie dat een landelijke wettelijke regeling voor de veiligheid van attractie- en speeltoestellen absoluut noodzakelijk is om te komen tot een landelijk uniform hoog veiligheidsniveau. Het advies van de CRA is niet meteen geïmplementeerd, omdat in die tijd de Europese Commissie voornemens was om te komen tot communautaire regelgeving voor speeltoestellen en attractietoestellen. De Europese Commissie dacht hierbij aan aparte richtlijnen voor speeltoestellen en attractietoestellen. Met name betreffende attractietoestellen had een deskundigenwerkgroep reeds een uitgewerkt voorstel gedaan voor een richtlijn «demontabele structuren». Op de vergadering van de Europese Raad in november 1992 te Edinburgh werd bekend gemaakt dat in het kader van het zogenaamde Europese subsidiariteitsbeginsel werd afgezien van een dergelijke richtlijn, wegens het ontbreken van wezenlijke interne-marktproblemen.

Toen eenmaal duidelijk was dat er geen Europese richtlijnen zouden komen, zijn de inspanningen van Nederland, tot die tijd gericht op het in Europees kader inbrengen van de inzichten van de CRA, vervolgens gericht op de ontwikkeling van onderhavig besluit. Qua systematiek van dit besluit is echter wel aansluiting gezocht bij het voorstel van de deskundigenwerkgroep voor de richtlijn demontabele structuren en overige zogenaamde Nieuwe-Aanpak-richtlijnen van de Europese Gemeenschap (EG). Dit heeft als voordeel dat het besluit, onder andere door de verwijzing naar de op afzienbare termijn gereedkomende harmoniserende normen, opgesteld door het Europees Comité voor Normalisatie, optimaal kan functioneren in een Europese omgeving, zonder onnodige handelsbelemmeringen te introduceren.

§ 3. Afweging van mogelijke alternatieven

Nu inmiddels enige tijd is verstreken sedert de CRA haar advies heeft uitgebracht, dienen de overwegingen van de CRA tevens te worden bezien in het licht van het regeringsbeleid ten aanzien van deregulering en het groeiende belang dat aan marktwerking wordt gehecht.

In dit kader zij opgemerkt dat de werking van alleen civiel-rechtelijke aansprakelijkheid van de producent van het toestel of van de beheerder van het toestel onvoldoende effect heeft. Ondanks de uitgifte en wijde verspreiding van een handboek Veiligheid van Speelgelegenheden door de SCV in 1985 en ondanks de geruime tijd die reeds wordt gewerkt aan Europese normen voor speeltoestellen, heeft dit niet geleid tot een merkbaar veiliger situatie. De Inspectie Gezondheidsbescherming heeft in de zomer van 1993 een steekproef van 663 speeltuinen uit heel Nederland onderzocht op hun veiligheid. Het blijkt dat bijna één van de drie speeltoestellen uit dit onderzoek onveilig is. De ernst van het letsel dat kinderen kunnen oplopen als gevolg van deze onveiligheid varieert van enig letsel (lichte verwondingen en kneuzingen) tot ernstig letsel of zelfs de dood (bijvoorbeeld hersenletsel of ophanging). Ruim 5 jaar na de uitgifte en de wijde verspreiding van veiligheidshandboeken en brochures, is nog steeds één op de drie toestellen onveilig.

De effectiviteit van civiel-rechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad (o.a. produktaansprakelijkheid) op het terrein van produktveiligheid is eveneens aan de orde geweest in een onderzoek van de Inspectie Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie naar de handhaving van de algemene produktveiligheidsbepalingen van de Warenwet. In de eindrapportage van dit onderzoek (30 juli 1993) wordt de conclusie getrokken dat op het gebied van produktveiligheid privaatrechtelijke handhaving geen voordeel biedt boven de bestaande strafrechtelijke praktijk.

De mogelijkheden tot zelfregulering zijn door de CRA bezien, met als conclusie dat langs deze weg slechts een minimale verbetering van het veiligheidsniveau wordt bereikt. Redenen hiervoor zijn het gebrek aan afdoende sanctiemogelijkheden, de grote diversiteit en de geringe organisatiegraad van de branche. Het effect van zelfregulering zonder afdoende sanctiemogelijkheden zal met name in achterstandssituaties minimaal zijn. Juist in deze achterstandssituaties valt de grootste gezondheidswinst te behalen.

Het regelen van de veiligheid op gemeentelijk niveau is eveneens door de CRA bezien als mogelijk alternatief. De CRA ziet hierin een aantal bezwaren. Het ontbreekt de gemeenten in het algemeen aan de benodigde werktuigbouwkundige deskundigheid om een deugdelijk toezicht te kunnen garanderen, aangezien de dienst Bouw- en Woningtoezicht voornamelijk bouwtechnisch is georiënteerd. Met name bij het toezicht op kermistoestellen leidt dat tot verschillen in de beoordeling tussen verschillende gemeenten, zoals thans wordt geconstateerd door zowel gemeenten als kermisexploitanten.

Bovendien kan de uniformiteit in de beoordeling in gevaar komen door de mate waarin de gemeenten een modelverordening van de VNG navolgen. Naast deze inhoudelijke overwegingen, stelt de VNG zich overigens op het standpunt dat de veiligheid van speeltoestellen en attractietoestellen, gelijk de veiligheid van produkten in het algemeen, een aangelegenheid is van de Rijksoverheid.

De CRA is van mening dat de veiligheid van een attractie- of speeltoestel slechts effectief wordt gewaarborgd door een landelijke regeling van de gehele levenscyclus van het toestel, inclusief de gebruiksfase. De CRA ziet hierbij een gedifferentieerd wettelijk keurings- en herkeuringsregime als noodzaak voor zowel de handels- als de gebruiksfase van bepaalde toestellen. Hierbij speelt het potentiële gevaar van het toestel een belangrijke rol voor de zwaarte van het op te leggen keuringsregime. Zowel nieuwe als bestaande toestellen zouden volgens de CRA onder de regeling moeten vallen.

Een landelijke regeling kan in principe worden gebaseerd op reeds bestaande wetgeving, die zich daarvoor leent. In dit kader zijn beschouwd: Warenwet, Woningwet/Bouwbesluit en de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen.

De Warenwet beperkt de reikwijdte van een regeling tot de handelsfase van het toestel en maakt het niet mogelijk ten aanzien van de gehele levenscyclus, inclusief de gebruiksfase, voorschriften te stellen. De Warenwet is derhalve geen optimale basis voor een landelijke regeling.

De Woningwet/Bouwbesluit biedt om een aantal redenen onvoldoende juridische basis voor een veiligheidsregeling voor attractie- en speeltoestellen. De primair bouwtechnische oriëntatie van Woningwet/Bouwbesluit sluit niet goed aan bij de voornamelijk werktuigbouwkundige aard van het onderwerp. Op grond van de Woningwet/Bouwbesluit kunnen wel eisen worden gesteld aan bouwwerken, maar zijn verdergaande eisen aan de beheerder niet mogelijk. Bovendien vallen rondreizende kermistoestellen niet onder de definitie volgens de Woningwet van een «bouwwerk, geen gebouw zijnde». Naast deze wetgevingstechnische bezwaren, zijn tevens de hierbovengenoemde problemen te verwachten met het toezicht door de dienst Bouw en Woningtoezicht van de gemeenten.

De CRA ziet de Wet op de gevaarlijke werktuigen (WGW) als meest geschikte juridische basis voor een regeling van de veiligheid van attractie- en speeltoestellen. Bepalend bij de uiteindelijke keuze voor de WGW als basis voor het onderhavige besluit zijn vooral geweest de werktuigbouwkundige aard van het onderwerp en de wens om regels te stellen ten aanzien van de gebruiksfase. De WGW maakt het mogelijk ten aanzien van de gehele levenscyclus inclusief het beroepsmatig gebruik voorschriften te stellen.

§ 4. Relatie tot het Bouwbesluit

De Woningwet ziet speeltoestellen en permanent geïnstalleerde attractietoestellen (dus niet: kermistoestellen) als bouwwerken, geen gebouw zijnde. De Woningwet en de hierop gebaseerde regelgeving is dus van toepassing op deze toestellen.

Het Bouwbesluit, een algemene maatregel van bestuur op basis van de Woningwet, geeft algemene technische voorschriften voor het bouwen van bouwwerken en de staat van bestaande bouwwerken. Het Bouwbesluit stelt in dat verband technische eisen met betrekking tot de constructieve veiligheid, gebruiksveiligheid en brandveiligheid, alsmede de bescherming tegen schadelijke of hinderlijke stoffen. Het Bouwbesluit stelt tevens dat niet voldoen aan die technische voorschriften is toegestaan, mits het bouwwerk dan wel beantwoordt aan minstens het door de technische voorschriften van het Bouwbesluit beoogde niveau van veiligheid of bescherming van de volksgezondheid.

De technische voorschriften van het Bouwbesluit kunnen slechts ten dele voorzien in de veiligheid van attractie- en speeltoestellen, vanwege het overwegend werktuigbouwkundige karakter van deze toestellen, het specifieke gebruik er van en, met name voor speeltoestellen, de beoogde doelgroep. De veiligheid van deze toestellen kan derhalve niet worden geborgd door het Bouwbesluit alleen. De bij of krachtens het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen gegeven voorschriften, onder andere de voor deze toestellen in ontwikkeling zijnde Europese normen, die zowel ingaan op de bouwkundige als werktuigbouwkundige elementen van het toestel, zijn specifiek voor dit doel ontwikkeld. Attractie- en speeltoestellen die hieraan voldoen, maar afwijken van de technische voorschriften terzake van het Bouwbesluit, voldoen in ieder geval aan een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan de technische voorschriften van het Bouwbesluit en daarmee aan het in het Bouwbesluit beoogde veiligheidsniveau. Met betrekking tot de verlening van een bouwvergunning voor een speeltoestel of een attractietoestel in een attractiepark kan het certificaat of merk van goedkeuring dat wordt afgegeven door een in het kader van het onderhavige besluit aangewezen keuringsinstantie dan ook worden gebruikt om aan te tonen dat de gekozen oplossing voldoet aan het Bouwbesluit. Een certificaat of merk van goedkeuring houdt in dat het toestel in kwestie beschikt over het veiligheidsniveau dat is vastgelegd in de specifieke Europese norm. Bovendien mag een certificaat of merk alleen maar worden afgegeven door aangewezen keuringsinstanties die voldoen aan een aantal voorwaarden inzake deskundigheid en onafhankelijkheid. Een ministeriële regeling zal deze voorwaarden, in lijn met de Europese systematiek, nader omschrijven.

In het kader van de aanvraag van een bouwvergunning kan het certificaat of merk van goedkeuring een doorslaggevende rol spelen bij de beoordeling door de gemeente van de gelijkwaardigheid in relatie tot het Bouwbesluit. Tevens zullen op landelijk niveau de benodigde stappen worden genomen om het certificaat of merk van goedkeuring door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te laten erkennen als kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de Woningwet en artikel 415 van het Bouwbesluit.

Op het punt van de constructieve veiligheid geeft het Bouwbesluit voorschriften die uitgebreider zijn dan die welke bij of krachtens het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen worden gesteld. Zo beperken de voornoemde Europese normen zich bijvoorbeeld tot rekenmethodes voor belastingen. Het Bouwbesluit gaat op dit punt verder en schrijft tevens normen voor ter berekening van het benodigde draagvermogen van bouwconstructies in relatie tot hun belasting en hoe dit voor diverse materialen moet worden berekend. Deze voorschriften zullen dus bij het ontwerp van een attractie- of speeltoestel moeten worden toegepast en, voor zover ze uitwerking geven aan de bijlagen van het besluit, door de keuringsinstantie moeten worden beoordeeld.

In de gevallen dat het Bouwbesluit en het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen verschillende technische voorschriften geven voor dezelfde aspecten van een toestel, derogeert het laatstgenoemde besluit aan het Bouwbesluit. Dit ingevolge het juridische uitgangspunt dat een specifieke regeling prevaleert boven algemenere regelgeving. Overigens wordt het Bouwbesluit op grond van artikel 5 van de Woningwet op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming gebracht met de technische voorschriften omtrent het bouwen, die worden gegeven bij of krachtens een andere algemene maatregel van bestuur. De voorschriften van het Bouwbesluit die van toepassing zijn op attractie- en speeltoestellen, worden gegeven in het kader van de voorschriften voor bouwwerken, geen gebouw zijnde. Het in overeenstemming brengen van de technische voorschriften uit het Bouwbesluit voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, zal zich derhalve moeten beperken tot vast opgestelde attractietoestellen en speeltoestellen.

Het toezicht op attractie- en speeltoestellen geschiedt primair vanuit het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen door de Inspectie Gezondheidsbescherming. Paragraaf 6 van deze toelichting gaat in op de bevoegdheden waarover de Inspectie gezondheidsbescherming in dit kader beschikt, onder andere het doen van aanschrijvingen. Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 18 van de Woningwet eveneens bevoegd om aanschrijvingen te doen. Gezien het bovenstaande ligt het voor de hand deze bevoegdheid met name te reserveren voor situaties waar gebreken worden geconstateerd die buiten de reikwijdte van het onderhavige besluit vallen. Er zal hierbij sprake moeten zijn van het niet naleven van voorschriften welke niet bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.

Doordat de werking van het onderhavige besluit duidelijk is afgebakend en afgestemd ten opzichte van de werking van het Bouwbesluit, onder andere door het certificaat of merk van goedkeuring te bezien als kwaliteitsverklaring en door de bovengenoemde derogatie bij verschillen tussen beide besluiten, zal de landelijke coördinatie van het optreden van het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht en de Inspectie Gezondheidsbescherming zich vooral beperken tot signalering en informatieuitwisseling in concrete gevallen.

§ 5. Europees-rechtelijke aspecten

Het Verdrag van de Europese Gemeenschap (EG) verbiedt kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking. Artikel 36 van dit verdrag stelt evenwel dat dit verbod geen beletsel mag vormen voor verboden of beperkingen van invoer welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen. De dienaangaande tot stand gekomen jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen toont dat bij een beroep op artikel 36 de betrokken maatregel noodzakelijk en proportioneel dient te zijn. De noodzaak van het onderhavige besluit ligt in het streven van de Nederlandse regering om de gezondheid en het leven van personen te beschermen, door het grote aantal ongevallen met attractie- en speeltoestellen substantieel terug te dringen.

De proportionaliteit van het besluit kan worden aangetoond doordat een afweging is gemaakt tussen mogelijke alternatieve maatregelen. Hierbij bleek dat de veiligheid van een attractie- of speeltoestel slechts effectief worden gewaarborgd indien regels worden gesteld voor de gehele levenscyclus van het toestel (ontwerpfase, vervaardigingsfase en gebruiksfase); maatregelen met minder verstrekkende gevolgen schieten tekort.

Aangezien het besluit voorschriften geeft inzake het vervaardigen en het gebruiken van attractie- en speeltoestellen zou het in principe gevolgen kunnen hebben voor het goederenverkeer alsmede de dienstverlening, verricht met deze toestellen. Het besluit komt als volgt tegemoet aan het leerstuk inzake de vrije dienstverlening en het vrije verkeer van goederen, welke in een EU-lidstaat, of in een staat welke partij is bij de EER-overeenkomst, rechtsgeldig in het verkeer zijn gebracht. Buitenlandse keurmerken en keuringscertificaten kunnen op grond van artikel 4, zesde lid, van de WGW worden gelijkgesteld met een Nederlandse keuring, indien zij een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden. In voorkomende gevallen hoeft het desbetreffende toestel niet opnieuw te worden gekeurd door een aangewezen keuringsinstantie. Aan de erkenning van een buitenlands certificaat of keurmerk gaat uiteraard een toetsing vooraf aan het in het besluit vastgelegde veiligheidsniveau. In het geval voor een buitenlands toestel een keurmerk of keuringscertificaat is afgegeven dat is gelijkgesteld met een Nederlandse keuring, voldoet het toestel daarmee aan de technische veiligheidseisen van het besluit en heeft het toestel vrij toegang tot Nederland. Een buitenlandse exploitant mag, gedurende de geldigheidsduur van het gelijkgestelde certificaat of merk, dan ook vrijelijk diensten met dit toestel aanbieden in Nederland.

De eis van een keurmerk of hiermee gelijkgesteld merk wordt niet proportioneel geacht voor attractie- en speeltoestellen, die slechts bestemd zijn voor tijdelijk gebruik in Nederland. Derhalve zondert artikel 3, tweede lid, van dit besluit attractie- en speeltoestellen, die bestemd zijn voor tijdelijk gebruik in Nederland, uit van het merendeel van de materiële bepalingen van dit besluit, mits zij voldoen aan technische veiligheidseisen die aantoonbaar gelijkwaardig zijn aan de eisen van dit besluit. Voornoemde bepaling is uitsluitend van toepassing bij tijdelijk gebruik van buitenlandse toestellen in Nederland. In geval dit gebruik een meer permanent karakter krijgt, zijn de materiële bepalingen van het besluit uiteraard onverkort van toepassing, omdat de werking van artikel 3, tweede lid, anders zou resulteren in een concurrentieachterstand voor de Nederlandse toestellen.

Het besluit is genotificeerd in het kader van richtlijn 83/189/EEG betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en normen en heeft het nummer 95/0252/nl als notificatienummer toegewezen gekregen. Het besluit heeft bij de Europese Commissie geen bezwaren opgeleverd. Frankrijk heeft naar aanleiding van de notificatie vragen gesteld over de definitie van speeltoestellen. Tevens wees Frankrijk erop dat het besluit de mogelijkheid zou moeten kennen om buitenlandse normen met een gelijkwaardig veiligheidsniveau te erkennen en wenste een aantal Franse normen voor speeltoestellen erkend te zien. Dit commentaar heeft niet geleid tot wijzigingen. De erkenning van buitenlandse normen is indirect reeds geregeld door middel van de bovengenoemde mogelijkheid tot gelijkstelling van buitenlandse keurmerken en certificaten in de WGW. De toezichthoudende instanties zullen, in afwachting van het gereed komen van de definitieve Europese normen voor speeltoestellen, tot die tijd ten aanzien van speeltoestellen die, aan hen aantoonbaar, voldoen aan de normen van andere lid-staten, waaronder de Franse normen of van andere landen die het EER-verdrag hebben ondertekend, niet optreden anders dan in acute gezondheidsbedreigende gevallen.

§ 6. Handhaving

De ambtenaren van de Inspectie Gezondheidsbescherming (IGB) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zullen, bij ministeriële regeling op grond van artikel 12 en 16 van de WGW, worden aangewezen in verband met de controle van de toestellen en het toezicht op de naleving van het onderhavige besluit. De IGB houdt, vooruitlopend op een wettelijke regeling, thans reeds toezicht op de veiligheid van speeltoestellen. Eén van de regionale diensten van de IGB zal zich verdergaand specialiseren op het gebied van attractie- en speeltoestellen en krijgt een landelijke functie. Deze dienst is thans reeds gespecialiseerd in speeltoestellen. Op het gebied van attractietoestellen zal hiertoe gekwalificeerd personeel worden aangetrokken.

Bij het toezicht en de controle zullen opgestelde attractie- en speeltoestellen steekproefsgewijs worden bezocht. Hierbij wordt niet alleen gekeken of de toestellen volgens het besluit gekeurd zijn, maar ook of de toestellen volgens de gebruiksaanwijzing zijn geïnstalleerd en onderhouden en of het bij het toestel behorende logboek is bijgehouden.

Ook op grond van opgetreden ongevallen of binnengekomen klachten kan de IGB ter plekke nader onderzoek verrichten. Als in zo'n situatie aanvullend technisch onderzoek gewenst is, kan dit eventueel worden uitbesteed aan de aangewezen keuringsinstanties.

Dit besluit zal naar verwachting niet leiden tot een grote belasting van het OM. De door het besluit beoogde verbetering van het veiligheidsniveau wordt in eerste instantie namelijk niet via het strafrecht afgedwongen. Het systeem van keuringen, de aanwijzingen door de keuringsinstanties en het optreden van de IGB vervullen deze taak. In concrete gevallen waar het veiligheidsniveau te wensen overlaat, voorziet de WGW in een aantal mogelijkheden om middels bestuursdwang effectief op te treden zonder dat het strafrecht wordt ingeschakeld. Zo kan de IGB onderzoek (doen) verrichten, herstel eisen binnen een bepaalde termijn, een merk van afkeuring aanbrengen en het toestel verzegelen.

Een schatting van de benodigde capaciteit voor het toezicht op de speelgelegenheden in Nederland kan worden gemaakt op grond van de ervaringen van de IGB Den Bosch. Deze dienst specialiseert zich vooruitlopend op het besluit onder meer in de veiligheid van speeltoestellen en onderzoekt gemeentelijke speelgelegenheden in de regio. In de regio Den Bosch zijn circa 3500 speelgelegenheden met speeltoestellen geregistreerd. Een extrapolatie van deze getallen geeft een landelijk beeld van 35 000 te inspecteren speelgelegenheden.

Het is niet mogelijk om op afzienbare termijn alle speelgelegenheden in Nederland individueel te bezoeken. Rekening houdend met het grote aandeel gemeentelijke speelgelegenheden die steekproefsgewijs geïnspecteerd kunnen worden, leert de ervaring dat kan worden volstaan met de inspectie van een beperkt percentage van het totaal aantal speelgelegenheden per jaar. Op deze wijze zal over een periode van 2 jaar bij alle verantwoordelijke instanties een inspectie hebben plaatsgevonden. De IGB verwacht op grond van haar opgedane ervaringen hiervoor op jaarbasis ongeveer 5 formatieplaatsen te moeten inzetten. Door interne prioriteitsstelling binnen de IGB zal de dienst niet uitgebreid hoeven te worden.

De handhaving van dit besluit ten aanzien van attractietoestellen kan geschieden met een beperkt aantal ambtenaren gezien het relatief geringe aantal attractietoestellen in Nederland en de opzet van het besluit. Zo zijn de beheerders van attractietoestellen verplicht om aangifte te doen bij de IGB-KvW en zal de IGB-KvW door de keuringsinstantie worden voorzien van de voor toezicht en controle benodigde gegevens, zoals de uitslagen en geldigheidstermijnen van keuringen.

De verplichting om een geldig merk van goedkeuring op het toestel aan te brengen beperkt, met name bij kermistoestellen, de mogelijkheden om zich aan de werking van dit besluit te onttrekken.

§ 7. Het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen

In navolging van de Nieuwe-Aanpak-richtlijnen formuleert het besluit de produktveiligheidseisen in algemene bewoordingen als fundamentele voorschriften. Aan deze voorschriften dienen de toestellen te allen tijde te voldoen, zowel in de handelsfase als in de gebruiksfase. Bedoelde voorschriften zijn naar hun aard vrij abstract. Zij omschrijven in feite een bepaald veiligheidsniveau waaraan toestellen dienen te voldoen. Dit veiligheidsniveau kan door fabrikanten op verschillende wijzen worden gerealiseerd. Om hen, maar ook de toezichthoudende overheid, daarin een handvat te geven, geeft het besluit de mogelijkheid om bij ministeriële regeling normen aan te wijzen. Naleving van deze normen is echter niet verplicht.

Complementair aan het hiervoor uiteengezette regime van produktveiligheidseisen moet de fabrikant of de importeur in navolging van de Nieuwe-Aanpak-richtlijnen een aantal procedures in acht nemen, willen zijn toestellen rechtmatig kunnen worden verhandeld. Deze procedures dragen ertoe bij dat het toestel overeenstemt met de eerder genoemde produktveiligheidseisen. Zo dient er altijd een zogenaamd technisch constructiedossier, met andere woorden een «technisch paspoort», bij de fabrikant of de leverancier van het toestel voorhanden te zijn ten behoeve van het overheidstoezicht op de naleving van de veiligheidseisen van dit besluit.

Voordat het toestel wordt verhandeld of in gebruik wordt genomen, is een preventieve keuring vereist. Deze keuringen worden verricht door de daartoe bij ministeriële regeling aangewezen keuringsinstanties. Een instantie komt alleen in aanmerking om te worden aangewezen, indien ze aan een aantal eisen voldoet betreffende onder andere: onafhankelijkheid, deskundigheid en het beschikken over voldoende eigen personeel en middelen en dergelijke. Ook deze criteria zijn overgenomen uit de Nieuwe-Aanpak richtlijnen, waar zij worden gesteld met betrekking tot de zogenaamde notified bodies (EG-keuringsinstellingen met wederzijdse erkenning van elkaars bevindingen). Dat instanties voldoen aan deze eisen kan blijken uit de in hun bezit zijnde relevante erkenningen van de Raad voor Accreditatie.

De WGW bepaalt dat bij ministeriële regeling het keuringstarief wordt vastgesteld. Gezien de verschillende soorten keuringen die het besluit voorschrijft en de toestelspecifieke invulling daarvan, ligt het voor de hand deze vaststelling te beperken tot een maximum uurtarief.

In navolging van het CRA-advies is bovengenoemd keuringsregime bij de inwerkingtreding van het besluit niet meteen van toepassing op reeds in gebruik zijnde en tweedehands te verhandelen attractietoestellen. Voor dergelijke attractietoestellen voorziet het besluit in een overgangstermijn van 10 jaar, waarin kan worden volstaan met visuele inspecties door een keuringsinstantie.

§ 8. Bedrijfseffectentoets

I Financiële rechten of verplichtingen voor het bedrijfsleven jegens de overheid

I a. Het besluit heeft betrekking op enerzijds de fabrikanten en importeurs van attractie- en speeltoestellen en anderzijds de exploitanten van deze toestellen.

Nederland kent vier bedrijven die attractietoestellen fabriceren en importeren. De meeste attractietoestellen hebben geen vaste opstelling maar worden al rondreizend geëxploiteerd op kermissen. Bij benadering zijn er 650 exploitanten van attractietoestellen waarvan een enkele meerdere toestellen heeft. Het aantal toestellen wordt eveneens op 650 geschat, waarvan zo'n 270 toestellen bestemd zijn voor kindervermaak. In Nederland zijn er 7 attractieparken waar circa 100 attractietoestellen in een vaste opstelling worden geëxploiteerd. De belangrijkste fabrikanten en importeurs van speeltoestellen zijn aangesloten bij de Vereniging van Leveranciers van Speeltoestellen (VLS). De VLS heeft ± 15 leden. De meeste leden zijn actief in zowel de fabricage als de import van speeltoestellen. Daarnaast zijn er enkele kleinere fabrikanten actief en worden er speeltoestellen gemaakt in het kader van sociale werkvoorzieningen. In de omvang van deze groepen bestaat geen kwantitatief inzicht.

De wijze waarop speeltoestellen geëxploiteerd worden is zeer divers. Op ongeveer 35 000 speelgelegenheden staan speeltoestellen opgesteld, variërend van een enkel toestel tot een uitgebreide speeltuin. In veel gevallen is er geen sprake van directe commerciële exploitatie. De exploitanten kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenten (naar schatting zo'n 80% van het totaal aantal speelgelegenheden), speeltuinverenigingen (± 1000 organisaties aangesloten bij de NUSO Landelijke Organisatie voor Speeltuinwerk en Jeugdrecreatie), scholen (toestellen op de speelplaats) en diverse dag- en verblijfsrecreatiebedrijven. Vooral deze laatste groep is zeer divers en kan inhoudelijk variëren van de opstelling van één of meerdere speeltoestellen bij een horeca-instelling of bungalowpark, tot grootschalige opstelling van, commercieel geëxploiteerde, speeltoestellen in speeltuinen en attractieparken.

I b. Het besluit leidt niet tot directe financiële rechten of verplichtingen jegens de overheid.

II Verdere financiële consequenties voor het betrokken bedrijfsleven

In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken heeft het Economisch Instituut voor het Middenen Kleinbedrijf (EIM) een bedrijfseffectenrapportage gedaan naar de gevolgen van het ontwerp-besluit. Het EIM heeft zich hierbij beperkt tot de administratieve lasten van het logboek en het technisch constructiedossier aangezien de kosten verbonden aan keuringen en beoordelingen niet goed zijn in te schatten voordat de periodiciteit van het keuringsregime en het keuringstarief nader zijn ingevuld bij ministeriële regeling. Bovendien wordt een inschatting van deze kosten bemoeilijkt omdat thans nog geen keuringsinstanties actief zijn in de zin van het besluit. Daarnaast is de complexiteit van het ontwerp van het toestel doorslaggevend voor de hoeveelheid tijd, en daarmee de kosten, die met een keuring gemoeid zijn. Een en ander beperkt de mogelijkheden tot een cijfermatige beschouwing van de kosten die de uitvoering van het besluit met zich meebrengt.

II a. Het besluit noodzaakt de fabrikanten of importeurs van attractietoestellen tot het inschakelen van een keuringsinstantie voor de uitvoering van de eerste keuring van het toestel. Aan de eerste keuring zijn meer kosten verbonden dan aan navolgende keuringen, omdat de beoordeling van het technisch constructiedossier hier deel van uit maakt. Op het moment worden dergelijke keuringen nog niet uitgevoerd in Nederland. De kosten voor een vergelijkbare keuring in Duitsland liggen daar voor een attractietoestel van een complex ontwerp op f 50 000,– a f 100 000,–. Voor een attractietoestel van een eenvoudig ontwerp worden deze kosten op f 10 000,– a f 15 000,– geschat. De kosten van deze keuring zijn voor rekening van de fabrikant of importeur van het toestel.

De exploitanten van attractietoestellen worden door het besluit genoodzaakt tot het inschakelen van een keuringsinstantie voor de uitvoering van de zichtbeoordelingen en de periodieke keuringen. Deze kosten lopen uiteen van enkele honderden tot enkele duizenden guldens per keuring of onderzoek.

Het besluit noodzaakt de fabrikanten of importeurs van speeltoestellen tot het inschakelen van een keuringsinstantie voor de uitvoering van de keuring of typekeuring van het toestel. De kosten hiervoor bedragen aanzienlijk minder dan die van de keuring van attractietoestellen. In veel gevallen zal kunnen worden volstaan met een keuring van zo'n een a twee arbeidsuren. Dit komt op een geschat bedrag van zo'n f 125,– tot f 250,– per toestel. De kosten van deze keuring zijn voor rekening van de fabrikant of importeur van het toestel.

II b. Verdere gevolgen voor fabrikanten en importeurs van attractie- en speeltoestellen beperken zich tot de bedrijfsvoering binnen de onderneming. Fabrikanten en importeurs worden verplicht toestellen te leveren die aan de veiligheidseisen van dit besluit voldoen. In het uiterste geval kan dit betekenen dat het produktontwerp en het fabricageproces van het toestel moeten worden aangepast, hetgeen kan leiden tot investeringen in apparatuur en hogere materiaalkosten. Gezien de kwaliteit en het veiligheidsniveau van de thans in Nederland geproduceerde toestellen, zullen eventuele procedurele en materiële meerkosten naar verwachting minimaal zijn.

Op de fabrikanten of importeurs rust tevens de verplichting een technisch constructiedossier van het geproduceerde of geleverde toestel op te (laten) stellen en te bewaren. Aangezien in het technisch constructiedossier gegevens vastgelegd worden die in het produktieproces expliciet bekend zijn, behoeft deze administratieve verplichting niet tot hoge procedurele meerkosten te leiden. Het EIM komt in zijn onderzoek op een bedrag van f 700 per attractietoestel en f 17 voor een speeltoestel.

Voor de exploitanten van zowel attractie- als speeltoestellen geldt de verplichting tot het bijhouden van een logboek. Aangezien dit bijhouden niet meer is dan een schriftelijke vastlegging van slechts enkele aspecten van de interne bedrijfsvoering, zal dit niet tot substantile meerkosten leiden. Het meergenoemde onderzoek van het EIM laat zien dat het bijhouden van een logboek voor attractietoestellen door kermisexploitanten structureel per jaar f 343 per exploitant kost. De introductie van het besluit kost eenmalig f 27,50. De administratieve lasten van het bijhouden van een logboek voor een attractietoestel in attractieparken zijn structureel f 80. Het bijhouden van een logboek voor speeltoestellen in attractieparken kost ongeveer f 1,25. De administratieve lasten van het bijhouden van een logboek van speeltoestellen bij overige commerciële exploitanten kosten structureel f 3,69 en eenmalig f 12,50. Exploitanten van attractietoestellen dienen tevens aangifte te doen bij de Inspectie Gezondheidsbescherming. Hieraan zij geen kosten verbonden.

De exploitanten van bestaande speeltoestellen worden verplicht te zorgen dat hun speeltoestellen beschikken over het in het besluit vastgelegde veiligheidsniveau. De hiermee gepaard gaande kosten worden grotendeels veroorzaakt door het wegwerken van de gevolgen van achterstallig onderhoud en soms zelfs verwaarlozing. Het is dan ook niet terecht om deze kosten direct aan het besluit te koppelen, aangezien het plegen van voldoende en adequaat onderhoud ook zonder besluit een normale taak van de beheerder mag worden geacht.

De NUSO landelijke organisatie voor speeltuinwerk en jeugdrecreatie schat dat de kosten voor alle speeltoestellen in Nederland voor een eenmalige inhaalslag waarin achterstallig onderhoud wordt weggewerkt en alle toestellen op het gewenste veiligheidsniveau worden gebracht, zo'n 160 miljoen gulden bedragen. Het besluit leidt in de periode hierna niet tot extra kosten boven de reguliere onderhoudskosten.

III Marktwerking en sociaal-economische gevolgen

De sociaal-economische gevolgen van het besluit beperken zich voornamelijk tot een verbeterde marktwerking van het Nederlandse bedrijfsleven.

III a. Het besluit leidt tot een verbeterde marktwerking voor de kermisexploitanten aangezien het de situatie beëindigt dat verschillende gemeenten bij de standplaatsverpachtingen onderling tegenstrijdige veiligheidseisen ten aanzien van het toestel hanteren, met alle gevolgen van dien.

Voor wat betreft de tijdelijke exploitatie van kermistoestellen in het buitenland is een verbetering van de marktwerking te verwachten. Indien deze toestellen gekeurd zijn volgens de aangewezen normen, die internationaal erkend zijn, kunnen de buitenlandse autoriteiten moeilijk nog op veiligheid gebaseerde belemmeringen opwerpen in de vorm van verplichte toegangskeuringen, zoals thans met name in Duitsland het geval is, waar een geldig certificaat van de Technische Überwachungsverein wordt geëist.

III c. Voor alle fabrikanten, importeurs en exploitanten van attractie- en speeltoestellen geldt dat het voldoen aan de eisen van het besluit een zekere bescherming biedt vanuit het oogpunt van produktaansprakelijkheid.

Bij speelgelegenheden blijkt er een uitstralende werking te bestaan van de aanwezigheid van een goed onderhouden speelgelegenheid op de beleving van de woonomgeving met de economische gevolgen van dien. Achterstallig onderhoud en verwaarlozing van speelgelegenheden werken daarentegen verpaupering in de hand.

§ 9. Advisering door de Sociaal Economische Raad en door de Commissie Regeling Attractieveiligheid

Bij de uitwerking van het ontwerp-besluit was advisering voorzien door twee instanties: de Commissie Regeling Attractieveiligheid en de Sociaal Economische Raad (SER). Door een wijziging in de Arbeidsomstandighedenwet was ten tijde van het gereedkomen van het besluit advisering door de SER niet langer verplicht. Het is derhalve slechts ter informatie toegezonden aan de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER. Binnen deze commissie heeft het besluit, benevens enkele inhoudelijke reacties, vragen opgeroepen over mogelijke tegenstrijdigheden tussen het op de WGW gebaseerde ontwerp-besluit en de op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde uitvoeringsbesluiten c.q. het toekomstige Arbeidsomstandighedenbesluit. Nadat de ministeries van VWS en SZW overtuigend konden aantonen dat het ontwerp-besluit zich slechts richt op toestellen en niet op arbeidsomstandigheden en dat de inhoudelijke opmerkingen in kwestie reeds waren ingediend en behandeld werden bij de CRA, zag de commissie geen aanleiding om inhoudelijk op het ontwerp-besluit te reageren. De passage in de tekst van het besluit die aanleiding gaf tot bovenstaande vraagstelling is overigens aangepast om mogelijke misverstanden in de toekomst te vermijden.

De Commissie Regeling Attractieveiligheid (CRA) heeft op verzoek van de Staatssecretaris van VWS advies uitgebracht over het ontwerp-besluit. Het stemt de leden van de CRA verheugd dat hun aanbevelingen in het CRA-rapport van 1989 thans, na de intrekking van de Europese voornemens tot ontwikkeling van communautaire wetgeving, worden geïmplementeerd in nationale regelgeving. De CRA kan dan ook instemmen met het ontwerp-besluit op voorwaarde dat het ontwerp op een aantal punten wordt aangepast. De opmerkingen van de commissie zijn zoveel mogelijk verwerkt in het voorliggende besluit. De CRA realiseert zich dat de consequenties van het besluit pas helemaal duidelijk zijn op het moment dat een aantal bepalingen zijn uitgewerkt in nadere voorschriften en ministeriële regels. De commissie wil worden betrokken bij de vaststelling hiervan. Ook wil de commissie worden betrokken bij de evaluatie van het besluit na vijf jaar. Met name de kermisbonden wijzen op de uit het besluit voortvloeiende lastenverzwaring voor de ondernemers. Deze lastenverzwaring bedreigt naar hun zeggen het voortbestaan van de kleinere kermisbedrijven op de rand van het bestaansminimum.

De commissie acht de afstemming van het ontwerp-besluit ten opzichte van de bouwregelgeving een punt van aandacht. Het moet worden uitgesloten dat twee verschillende toezichthoudende diensten (de Inspectie Gezondheidsbescherming en het Bouw- en Woningtoezicht) elk met een ander wettelijk kader naar dezelfde toestellen kunnen kijken. Dit probleem speelt met name voor de vast opgestelde attractietoestellen in attractieparken en de grote speeltoestellen. De commissie ziet twee wegen om deze coördinatie-problematiek op te lossen. De reikwijdte van de Woningwet en Bouwbesluit kan worden aangepast, of het op grond van het besluit afgegeven merk van goedkeuring dient te worden erkend als kwaliteitsverklaring, die aantoont dat de toestellen over een, ten opzichte van het Bouwbesluit, gelijkwaardige veiligheid beschikken. De nota van toelichting is in de zin van de tweede oplossingsmogelijkheid aangepast.

De CRA heeft grote bezwaren geuit tegen de oorspronkelijke in het besluit gebezigde term «gebruiker» voor de eigenaar of houder van een toestel. De tekst van het besluit is hiertengevolge aangepast en spreekt thans over «degene die een toestel voorhanden heeft». Om in de perceptie van het publiek de associatie van attractie- en speeltoestellen met gevaarlijke werktuigen te voorkomen, doet de CRA aanbeveling om het ontwerp-besluit zoveel mogelijk een zelfstandige status te geven, los van de WGW. Gezien de verwevenheid van het besluit met het regime van de WGW is dit niet mogelijk gebleken. Om tegemoet te komen aan de bezwaren van de CRA is in de tekst het gebruik van de term «gevaarlijke werktuigen» tot een minimum teruggebracht. Wellicht ten overvloede zij nogmaals vermeld, dat dit niet wil suggereren dat attractie- en speeltoestellen per definitie onveilig zijn.

De commissie betreurt de uitzondering van speeltoestellen die als element van hun spel door kinderen op zogenaamde bouwspeelplaatsen worden vervaardigd, aangezien nu niet alle speeltoestellen onder een wettelijke regeling vallen. De CRA is zich overigens bewust dat de voorwaarden ontbreken om dergelijke speeltoestellen in het ontwerp-besluit te regelen. Zo is er geen sprake van normen, keuringen, een technisch constructiedossier of een logboek. Indien bouwspeelplaatsen toch onder de werking van het besluit zouden worden gebracht, zou dit de introductie betekenen van een tweede, lager, veiligheidsniveau, hetgeen de totale veiligheid van speelgelegenheden niet ten goede komt. De CRA dringt derhalve aan op alternatieve maatregelen ter verhoging van de veiligheid op bouwspeelplaatsen. Indien bouwspeelplaatsen gericht worden benaderd, kan van aansprakelijkheid een veiligheidsverhogende werking uitgaan. Het hiertoe benodigde informatiemateriaal is reeds enige tijd geleden uitgegeven door de NUSO samen met de SCV. Daarnaast dient de Inspectie Gezondheidsbescherming een actieve rol te spelen op bouwspeelplaatsen.

De CRA voorziet problemen met tijdelijk te exploiteren buitenlandse toestellen. De beoordeling of deze toestellen voldoen aan buitenlandse eisen welke gelijkwaardig zijn aan de eisen van het besluit, zal naar men vreest te traag verlopen. Tegen de tijd dat het oordeel is gevormd, bevinden de bewuste toestellen zich alweer in het buitenland. Als hier niets voor wordt geregeld, hebben buitenlandse exploitanten in de praktijk vrij spel en is er sprake van een concurrentieverslechtering voor de Nederlandse kermisexploitant. De CRA dringt derhalve aan op nadere voorschriften die een tijdige beoordeling van buitenlandse toestellen mogelijk te maken, bijvoorbeeld via een centraal meldpunt. Aan deze wens is gevolg gegeven door de uitbreiding van artikel 25 met een tweede lid. Naar aanleiding van de opmerkingen van de CRA is eveneens de uitzonderingsbepaling aangepast voor buitenlandse toestellen die tijdelijk in Nederland worden geëxploiteerd. De uitzonderingsbepaling is beperkt tot de toestelgebonden eisen van het besluit. De zorgplicht voor de eigenaar of houder van het toestel blijft onverkort van toepassing.

De vertegenwoordigers van de kermisbranche signaleerden dat Nederlandse ondernemers thans belemmeringen ondervinden in Duitsland, waar specifieke keuringen door de Technische Überwachungsverein worden geëist. Men vreest dat hierin geen verbetering zal optreden, als de toestellen beschikken over een Nederlands merk van goedkeuring en betreurt het dat het besluit geen garanties kan geven voor de toelating van Nederlandse toestellen in het buitenland.

De CRA dringt er ten zeerste op aan dat de Europese CEN-normen worden aangewezen onder artikel 5. In de periode voordat de Europese normen gereed zijn, moeten er andere normen zijn aangewezen. Zonder dergelijke normen is het besluit namelijk niet uit te voeren. De commissie wil worden betrokken bij het aanwijzen van deze normen.

De commissie adviseert dat de bepalingen met betrekking tot het opstellen en bewaren van een technisch constructiedossier geen belemmering mogen vormen om een attractie- of speeltoestel direct bij de fabrikant in het buitenland te kopen, waardoor Nederlandse gebruikers over minder innovatieve attractietoestellen zouden kunnen beschikken. Artikel 7 is met een vierde lid uitgebreid om aan deze bezwaren tegemoet te komen. De commissie is ten aanzien van het technisch constructiedossier bovendien van mening dat technische berekeningen in het geval van attractietoestellen altijd onderdeel moeten zijn van het technisch constructiedossier. De betreffende bijlage bij het besluit is aangepast. Overigens wijst de commissie erop dat waar het ontwerp-besluit spreekt van het demonteren van toestellen, dit slechts van toepassing is voor kermistoestellen en niet voor speeltoestellen en vast opgestelde attractietoestellen. De tekst van het besluit is hiermee in lijn gebracht.

Het advies van de CRA wijst op mogelijke problemen ten gevolge van de keuringsplicht van niet fabrieksmatig geproduceerde speeltoestellen door bijvoorbeeld ouderverenigingen, reclasseringsprojecten en penitentiaire inrichtingen. Aangezien deze toestellen veelal niet in serie worden vervaardigd, is een typekeuring niet van toepassing en zullen al deze toestellen individueel moeten worden gekeurd. Om te voorkomen dat de keuring het eerste toetsingsmoment is, met alle negatieve gevolgen vandien, wil de CRA dat het technisch constructiedossier van een voorgenomen toestel reeds in de ontwerpfase kan worden gekeurd door een keuringsinstantie. De nota van toelichting maakt thans expliciet melding van deze mogelijkheid.

De CRA vindt de bepaling van het ontwerp-besluit dat de keuringsinstantie in kennis wordt gesteld van elke wijziging of reparatie van het toestel, niet proportioneel en praktisch ook niet uitvoerbaar. Dit zou moeten worden beperkt tot ingrijpende wijzigingen en reparaties zoals omschreven in het document van de gezamenlijke Europese keuringsinstellingen, de Confédération Européenne d'Organimes de Contrôle (CEOC). De betreffende bepaling is in deze zin gewijzigd. De CEOC-omschrijving is opgenomen in de nota van toelichting.

Tot slot dringt de CRA dringt er op aan dat attractie- en speeltoestellen vergezeld moeten gaan van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing. Taalproblemen mogen het opvolgen van de aanwijzingen uit de gebruiksaanwijzing niet in de weg staan. De betreffende bepaling is aangepast.

§ 10. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Zowel attractie- als speeltoestellen worden omschreven als een inrichting bestemd voor vermaak. Attractietoestellen en speeltoestellen worden van elkaar onderscheiden, op grond van de energiebron die wordt gebruikt.

Bij attractietoestellen dient altijd sprake te zijn van voortbeweging en aandrijving door een niet-menselijke energiebron. Attractietoestellen waarbij geen sprake is van een aangedreven voortbeweging bij het primaire functioneren, zoals circustenten, doolhoven, theaters en dergelijke, vallen niet onder dit besluit. De omschrijving «al dan niet permanent geïnstalleerd» geeft aan dat attractietoestellen op zowel kermissen als in attractieparken onder dit besluit vallen. Kabelbanen en andere transportmiddelen die in een attractiepark kunnen worden toegepast, zijn alleen te beschouwen als attractietoestel indien het accent ligt op «vermaak en ontspanning». Indien het voornamelijk gaat om het transport van het publiek naar of van een parkeerplaats of de ingang, is dit niet het geval. Op grond van de snelheid die een passagier kan ontwikkelen en de hoogte die hij kan bereiken met behulp van een attractietoestel, kan dit toestel worden aangemerkt als een attractietoestel van een eenvoudig ontwerp.

Bij speeltoestellen hoeft er geen sprake te zijn van voortbeweging, speeltoestellen kunnen ook statisch van aard zijn (klimtoestellen, glijbanen, e.d.). Kinderen gebruiken in het spel met speeltoestellen lichaamskracht of zwaartekracht. Het is niet uitgesloten dat bepaalde typen speeltoestellen ook bestemd zijn voor een ouder publiek (bijvoorbeeld skate-board banen). Het elastiekspringen of bungy-jumpen valt als speeltoestel dat met name door volwassenen gebruikt wordt, onder dit besluit.

Op grond van artikel 10, vierde lid, van de WGW is de strekking van dit besluit beperkt tot attractie- en speeltoestellen welke niet bestemd zijn voor privé-gebruik. Speeltoestellen voor privé-gebruik vallen onder het Warenwetbesluit speelgoed. Attractietoestellen voor privé-gebruik vallen niet onder dit besluit noch onder een ander besluit of wettelijke regeling.

Artikel 1, onder d, definieert de keuringsinstanties. Deze keuringsinstanties zullen op verzoek worden aangewezen, indien zij voldoen aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden om voor aanwijzing in aanmerking te komen zullen worden bekend gemaakt bij ministeriële regeling.

Artikel 2

In dit artikel worden attractie- en speeltoestellen als gevaarlijk werktuig in het kader van de WGW aangewezen. De werking van de WGW wordt daarmee van toepassing verklaard en de in deze wet opgenomen bepalingen zijn derhalve van kracht voor attractie- en speeltoestellen.

Artikel 3

Een aantal categorieën attractie- en speeltoestellen zijn van dit besluit uitgezonderd. Toestellen die uitsluitend bestemd zijn om buiten Nederlands grondgebied te worden gebruikt, hoeven niet te voldoen aan dit besluit. Hieronder vallen dus niet rondreizende kermistoestellen die zo nu en dan Nederland aandoen. De kleine elektrisch aangedreven attractietoestellen voor kinderen, zoals men die bijvoorbeeld in winkelcentra en op braderieën tegen kan komen, zijn tevens van dit besluit uitgezonderd. Op grond van het Warenwetbesluit elektrotechnische produkten is de veiligheid van deze toestellen afdoende geregeld. Toestellen in zweminrichtingen, zoals waterglijbanen en springplanken, zijn van dit besluit uitgezonderd. Het wettelijke regime van de Wet hygiëne en veiligheid zweminrichtingen is reeds op deze speeltoestellen van toepassing. De zogenaamde bouwspeelplaatsen, waar kinderen onder toezicht zelf constructies bouwen en daarmee spelen zijn eveneens van dit besluit uitgezonderd.

Het tweede lid van dit artikel is bedoeld om dienstverlening vanuit andere EG-lidstaten mogelijk te maken. Buitenlandse toestellen die tijdelijk in Nederland worden geëxploiteerd, behoeven niet te voldoen aan de eisen die het besluit aan toestellen stelt, mits zij voldoen aan gelijkwaardige eisen. Aan het toestel gerelateerde gebruiksvoorschriften als het voorhanden zijn van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing of het bijhouden van een logboek vallen eveneens onder de uitzonderingsbepaling. De zorgplicht voor de eigenaar of houder van het toestel tijdens de gebruiksfase blijft in dergelijke gevallen uiteraard onverkort van toepassing.

Artikel 4

Dit artikel stelt een algemene veiligheidseis voor attractie- en speeltoestellen. Deze algemene veiligheidseis geldt voor de ontwerp- en vervaardigingsfase en strekt zich uit over de gebruiksfase van het toestel. Het toestel mag geen gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van personen opleveren. Onder «personen» wordt verstaan: werkers, leden van het publiek die gebruik maken van het toestel en omstanders. Door het ontbreken van beveiligingen kunnen omstanders worden getroffen door uitzwaaiende onderdelen van een toestel.

Behalve de bescherming van de veiligheid wordt ook de bescherming van de gezondheid genoemd. Hierbij kan men denken aan de grote en abrupte versnellingen op het lichaam, die bij sommige attractietoestellen kunnen optreden, zonder dat sprake is van een ongeval. Bij het gebruik van speeltoestellen speelt de blootstelling aan chemische stoffen (bijvoorbeeld houtconserveringsmiddelen) en biologische verontreiniging (bijvoorbeeld zandbakken).

De algemene veiligheidseis wordt in bijlage I nader uitgewerkt in hoofdlijnen. Deze bijlage geeft een lijst met veiligheidsvoorschriften voor het ontwerp en de vervaardiging. De ontwerper en fabrikant dienen mogelijke gevaarvolle gebruikssituaties grondig te analyseren en zijn verplicht de benodigde preventieve voorzieningen te treffen. Hierbij moet worden uitgegaan van een redelijkerwijs te verwachten gebruik door het publiek. Met de omschrijving «redelijkerwijs te verwachten gebruik» wordt een gebruik bedoeld dat verder gaat dan «gebruik volgens de gebruiksaanwijzing». Dit betekent dat bij het ontwerp van een toestel rekening moet worden gehouden met het gedrag van het publiek dat in de praktijk kan worden waargenomen, bijvoorbeeld het spelgedrag van kinderen met speeltoestellen. Het publiek baseert zijn gedrag daarbij op de eigen inschattingen van de risico's. De term «redelijkerwijs» is in de omschrijving opgenomen om aan te duiden dat excessief risicovolle gedragingen hier niet onder vallen.

De bijlage geeft tevens een uitgebreid overzicht van de in acht te nemen gevaarsaspecten, alsmede de bij de vervaardiging in acht te nemen procedures.

Artikel 5

Bij de in dit artikel genoemde normen kan gedacht worden aan de normen voor attractie- en speeltoestellen die momenteel in Europees verband worden ontwikkeld. De definitie van het begrip «norm» in artikel 1 is zo ruim dat ook documenten met specifieke veiligheidseisen kunnen worden aangewezen, die niet door een normalisatie-instituut zijn uitgegeven.

Indien de aangewezen normen zijn toegepast bij het ontwerp en de vervaardiging van een toestel, levert dit het vermoeden op dat het toestel overeenstemt met de veiligheidseisen van het vorige artikel. Dit vermoeden van overeenstemming is weerlegbaar door de toezichthoudende overheid. De overheid kan dus altijd tegen een toestel optreden, indien zij van mening is dat dit toestel niet overeenstemt met de veiligheidsvoorschriften van het besluit, ook al is het vervaardigd met inachtneming van aangewezen normen. Het vervaardigen met inachtneming van aangewezen normen biedt een fabrikant echter een redelijke zekerheid dat zijn toestellen voldoen aan de eisen van het besluit.

Artikel 6

De gegevens die in of op het toestel moeten zijn aangebracht, zijn bedoeld om registratie van het attractie- of speeltoestel gedurende de technische levensduur van het toestel mogelijk te maken.

Artikel 7

Het voorhanden zijn van een technisch constructiedossier maakt de beoordeling van de deugdelijkheid van het toestel en van de kwaliteit van de daarin toegepaste materialen en beveiligingsvoorzieningen mogelijk met niet-destructieve onderzoeksmethoden. Het technisch constructiedossier dient te voldoen aan de eisen uit bijlage II. Naast de technische gegevens en tekeningen dienen ook een beschrijving van de gevaren van het toestel en de gebruiksaanwijzing deel uit te maken van het technisch constructiedossier. Voor type-gekeurde toestellen dient tevens een gedetailleerd fabrikageplan en een beschrijving van het gehanteerde kwaliteitsborgingssysteem te zijn opgenomen, zodat de naar een het type kenmerkend monster vervaardigde toestellen of voor de veiligheid relevante onderdelen hier ook daadwerkelijk mee overeenstemmen. Ten aanzien van bijvoorbeeld het bungy jumpen houden de bepalingen in dat de springprocedure als gebruiksaanwijzing en de kwaliteitsborging van de te produceren bungy's onderdeel zijn van het technisch constructiedossier.

Het technisch constructiedossier dient in ieder geval aanwezig te zijn bij de eerste keuring van een nieuw attractie- of speeltoestel. Hoewel het complete technisch constructiedossier slechts eenmalig wordt beoordeeld (artikel 10), kan het bij een tweede en daaropvolgende keuring als achtergrondinformatie worden gebruikt. De termijn gedurende welke de technische constructiedossiers dienen te worden aangehouden, is derhalve langer voor attractietoestellen dan voor speeltoestellen, omdat voor speeltoestellen slechts één keuring verplicht is. De aangewezen toezichthoudende ambtenaren hebben op grond van artikel 20 van de WGW te allen tijde de bevoegdheid tot inzage in het technisch constructiedossier.

Dit artikel richt zich tot de fabrikant, diens gemachtigde of de importeur van het toestel, voor zover deze in Nederland gevestigd zijn. Ingeval het toestel voor eigen gebruik rechstreeks wordt gekocht bij een in het buitenland gevestigde leverancier, moet contractueel worden bedongen dat de leverancier van het toestel een technisch constructiedossier overeenkomstig bijlage II, ter beschikking houdt van een keuringsinstantie, tenzij de leverancier de eigenaar, als importeur van het toestel, tevens een technisch constructiedossier levert. Aangezien het technische informatie betreft, die een ieder in staat stelt om het toestel na te bouwen, zullen buitenlandse fabrikanten naar verwachting terughoudend zijn om deze informatie beschikbaar te stellen aan particulieren. De rechtstreekse koop bij fabrikanten in het buitenland zou hierdoor kunnen worden bemoeilijkt, waardoor Nederlandse exploitanten over minder innovatieve attractietoestellen zouden beschikken met als gevolg een concurrentie-achterstand ten opzichte van buitenlandse gebruikers. In het licht van artikel 30 van het EU-verdrag zou artikel 7, derde lid, kunnen worden geïnterpreteerd als een maatregel met een gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking. Artikel 36 van het EU-verdrag staat dergelijke maatregelen toe indien zij gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare veiligheid en de gezondheid van personen. Artikel 7, derde lid, is noodzakelijk om een adequate beoordeling van de veiligheid aan de hand van het technisch constructiedossier mogelijk te maken. Het artikel is eveneens gerechtvaardigd aangezien hiertoe geen minder belemmerende wegen openstaan.

Artikel 8

Attractie- en speeltoestellen worden verplicht gekeurd door bij ministeriële regeling aan te wijzen keuringsinstanties. Voor attractietoestellen is een periodieke herhaling van deze keuring verplicht; speeltoestellen behoeven slechts éénmaal te worden gekeurd. Bij de keuring van speeltoestellen en de eerste keuring van attractietoestellen is de beoordeling van het technisch constructiedossier een onderdeel van de keuring. Bij de periodieke herhaling van de keuring van attractietoestellen hoeft het technisch constructiedossier niet opnieuw te worden beoordeeld.

Bij de eerste keuring van attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp en de (eenmalige) keuring van speeltoestellen kan worden volstaan met de keuring van een het type kenmerkend monster. Ingeval voor een het type kenmerkend monster van een attractietoestel een certificaat van goedkeuring is afgegeven krachtens artikel 4, eerste lid, WGW, worden alle toestellen die overeenkomstig zijn vervaardigd, zonder nadere keuring voorzien van een merk van goedkeuring, krachtens artikel 4, derde lid, WGW. Bij de tweede en daaropvolgende keuringen dient een attractietoestel van een eenvoudig ontwerp altijd individueel te worden gekeurd. Alle andere attractietoestellen dienen zowel bij de eerste keuring als bij alle daaropvolgende keuringen individueel te worden gekeurd. Bij ministeriële regeling wordt geregeld dat ook individueel gekeurde toestellen die voldoen aan de vastgestelde voorschriften, direct worden voorzien van een merk van goedkeuring.

Bij ministeriële regeling krachtens artikel 4, vijfde lid, van de wet wordt de geldigheidsduur van het certificaat of merk van goedkeuring bepaald.

De keuringsplicht van het ontwerp-besluit geldt ook voor de niet fabrieksmatig geproduceerde speeltoestellen. Het gaat in dat geval om zelfgebouwde speeltoestellen door bijvoorbeeld ouderverenigingen, reclasseringsprojecten en penitentiaire inrichtingen. Aangezien deze toestellen veelal niet in serie worden vervaardigd, is een typekeuring niet van toepassing en zullen al deze toestellen individueel moeten worden gekeurd. Om te voorkomen dat de keuring het eerste toetsingsmoment is, met alle negatieve gevolgen van dien, kan men het technisch constructiedossier van een voorgenomen toestel reeds in de ontwerpfase laten controleren door een keuringsinstantie. Op deze wijze voorkomt men dat bij de keuring onnodig veel zelfbouwtoestellen worden afgekeurd.

Artikel 9

Een toestel mag uitsluitend bij één keuringsinstantie voor keuring worden aangeboden. Dit om te voorkomen dat ingeval een toestel niet wordt goedgekeurd, een andere keuringsinstantie het bewuste toestel wél goedkeurt. Na het verstrijken van de geldigheidstermijn van het certificaat of merk van goedkeuring, staat de keuze van een keuringsinstantie voor de tweede of daaropvolgende keuring uiteraard vrij.

De aanvraag van een keuring omvat een aantal gegevens, waaronder het technisch constructiedossier en het logboek. Op grond van artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dient eveneens de naam en het adres van de aanvrager te worden vermeld. Het technisch constructiedossier dient slechts te worden overlegd bij de eerste keuring van een attractie- of speeltoestel. Indien de eigenaar of houder van het toestel dit voor eigen gebruik rechtstreeks heeft betrokken bij een buitenlandse leverancier, kan hij bij de eerste keuring van het toestel volstaan met de opgave van naam en adres van de buitenlandse leverancier, waar het technisch constructiedossier beschikbaar is voor de keuringsinstantie. Zoals in artikel 10 bepaald, is de beoordeling van het technisch constructiedossier alleen een onderdeel van de eerste keuring. Het adres waar het technisch constructiedossier beschikbaar wordt gehouden voor de keuringsinstantie dient wel bij iedere keuring te worden opgegeven.

Artikel 10

De keuringsinstantie onderzoekt het toestel en het technisch constructiedossier en beproeft het toestel om vast te stellen of het voldoet aan de algemene veiligheidseis uit artikel 4. Bijlage I is hierbij van toepassing. Dit betekent dat wordt onderzocht of de bij het ontwerp en vervaardiging te verwerken veiligheidsbeginselen daadwerkelijk zijn toegepast, of rekening is gehouden met de relevante gevaarsaspecten en of bij de vervaardiging van het toestel de voorgeschreven procedures in acht zijn genomen. De keuringsinstantie onderzoekt tevens of de eventuele toepassing van krachtens artikel 5 aangewezen normen correct is gebeurd.

Indien op grond van artikel 5, eerste lid, nadere voorschriften zijn gegeven, wordt tevens nagegaan of het toestel hieraan voldoet.

Artikel 11

Voor attractietoestellen worden de conclusies van de keuring die relevant zijn voor het beheer en de geldigheidsduur van het certificaat of merk van goedkeuring door de keuringsinstantie op schrift gesteld in het bij het toestel behorende logboek. Naast de aanwezigheid van een certificaat of merk van goedkeuring, geven deze gegevens nadere informatie over de veiligheid van het toestel. De toezichthoudende ambtenaren kunnen hier gebruik van maken.

Artikel 12

De uitslagen en de geldigheidsduur van keuringen worden door de keuringsinstantie gemeld aan de toezichthoudende ambtenaren. Op basis van deze gegevens kan waar nodig gericht toezicht worden gehouden. Tevens doet een keuringsinstantie die het afgeven van een certificaat of merk van goedkeuring weigert, hiervan mededeling aan de overige keuringsinstanties. Hiermee wordt voorkomen dat dergelijke instanties in zo'n geval te goeder trouw een keuringsaanvraag in behandeling nemen. Een ministeriële regeling op grond van artikel 4, vijfde lid, van de WGW, zal nadere voorschriften geven voor het certificaat of merk van goedkeuring.

Artikel 13

Elke ingrijpende wijziging of reparatie van een attractie- of speeltoestel dient te worden gemeld aan de keuringsinstantie die het toestel of een het type kenmerkend monster in oorspronkelijke staat heeft gekeurd. De term «ingrijpende wijziging of reparatie» wordt hierbij gebruikt in de zin van het, op de Europese ontwerp-norm gebaseerde, document van de gezamenlijke Europese keuringsinstellingen, de Confédération Européenne d'Organismes de Controle (CEOC).

Een wijziging is een maatregel waarbij de originele staat van het toestel niet wordt hersteld of de vervanging van bestaande onderdelen door onderdelen met een afwijkende maat of vorm. De vervanging van verwisselbare onderdelen of componenten is geen wijziging, als dit deel uit maakt van het originele ontwerp van het toestel. De volgende wijzigingen kunnen worden beschouwd als ingrijpende wijzigingen, indien zij het veiligheidsniveau van het toestel beïnvloeden of consequenties hebben voor de gezondheid:

– opvoeren van de werklast of het opvoeren van de prestatie;

– opvoeren van de vastgestelde snelheden;

– opvoeren van het bereik (uitzwaai; hefhoogte, etc.);

– verandering aan de beveiligingsmiddelen;

– verandering aan de lastdragende onderdelen;

– verandering aan de aandrijfmechanismen;

– verandering aan het bedieningsmechanisme.

Het combineren van verschillende structurele en mechanische onderdelen is geen ingrijpende wijziging als het deel uitmaakt van het oorspronkelijke ontwerp en onderzocht en gekeurd is bij de eerste keuring of typekeuring van het toestel.

Een reparatie is een maatregel waardoor de oorspronkelijke staat van een toestel wordt hersteld door herbouw of vervanging van de bestaande onderdelen of units. Als essentiële onderdelen met een veiligheidsfunctie worden herbouwd of vervangen, is dit te beschouwen als een ingrijpende reparatie. Dit is met name het geval bij de het volgende:

– remmen;

– beveiligingsmiddelen, vanginstallaties en terugloopremmen;

– schokdempers;

– snelheidsbegrenzers;

– lastdragende delen;

– aandrijfmechanismen;

– bedieningsmechanismen.

Indien de wijziging of reparatie naar het oordeel van de keuringsinstantie de veiligheid beïnvloedt, is opnieuw een keuring verplicht volgens artikel 8. Bij deze keuring kan de beoordeling van het toestel zich beperken tot een beoordeling van de aangebrachte wijziging of reparatie. Voor het technisch constructiedossier betekent dit dat ten behoeve van de keuring alleen gegevens en informatie met betrekking tot de wijziging of reparatie dienen te worden aangeleverd.

Artikel 14

Attractie- en speeltoestellen gaan vergezeld van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing en een logboek. Beide beogen het veilig gebruik en onderhoud van het toestel. De gebruiksaanwijzing dient te zijn gesteld in de Nederlandse taal, zodat de eigenaar of houder van het toestel bij het opvolgen van de aanwijzingen uit de gebruiksaanwijzing niet kan worden belemmerd door taalproblemen. Op grond van artikel 3, tweede lid, van dit besluit behoeven buitenlandse attractie- en speeltoestellen, die bestemd zijn voor tijdelijk gebruik in Nederland, niet vergezeld te gaan van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing of een logboek. In geval het gebruik van buitenlandse toestellen in Nederland een meer permanent karakter krijgt, is voornoemde uitzondering niet van toepassing. Het voorhanden zijn van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing is in dergelijke gevallen, waarbij het toestel een gerede kans maakt door Nederlandstalig personeel te worden bediend, noodzakelijk om de veiligheid van het toestel te allen tijde te kunnen waarborgen. Een minder belemmerende weg is niet voorhanden.

De gebruiksaanwijzing dient alle relevante informatie te geven die een veilig gebruik van het toestel mogelijk maakt. Hierbij richt de gebruiksaanwijzing zich op alle momenten in de gebruiksfase: installatie, montage, gebruik, inspectie en onderhoud. Het demonteren van een toestel valt hier eveneens onder indien het deel uitmaakt van de gebruiksfase. Bijvoorbeeld bij kermistoestellen zal dit het geval zijn. De voor reguliere inspecties (bijvoorbeeld opstellingsinspecties op kermissen) benodigde informatie en controlelijsten dienen in de gebruiksaanwijzing aanwezig te zijn. De beschrijving van de correcte springprocedure bij het elastiekspringen wordt als onderdeel van de gebruiksaanwijzing beschouwd. De gebruiksaanwijzing is tevens een onderdeel van het technisch constructiedossier en wordt dus betrokken bij de keuring volgens artikel 8.

Een attractie- of speeltoestel is tevens voorzien van een logboek met ruimte voor aantekeningen omtrent onder andere inspecties en onderhoud. Om de eigenaars of houders van bestaande toestellen te helpen bij het produceren van een logboek, is in bijlage III een modellogboek opgenomen, dat in de handel verkrijgbaar zal zijn.

Artikel 15

De eigenaar of houder heeft een zorgplicht voor het veilig functioneren van een attractie- of speeltoestel. Dit begint bij de installatie van het toestel met verantwoord installeren en monteren, beproeven en toepassen van de benodigde beveiligingsvoorzieningen en benodigde opschriften. Voorts dient de eigenaar of houder door inspecties en onderhoud zorg te dragen dat het toestel veilig blijft. Het veiligheidsniveau dat met dit artikel wordt bewerkstelligd wordt uiteraard bepaald door de stand van de techniek op het moment van vervaardiging van het toestel en datgene wat met het oog op recente veiligheidsinzichten redelijkerwijze mag worden geëist.

Een voorbeeld van verantwoorde installatie van speeltoestellen is het toepassen van geëigend bodemmateriaal met het oog op valgevaar. De eigenaar of houder dient schokabsorberende bodemmaterialen toe te passen, waarbij de absorberende werking van het bodemmateriaal afgestemd is op de valhoogte. De in ontwikkeling zijnde Europese normen zullen aangeven waar welk schokabsorberend materiaal in aanmerking komt.

Een voorbeeld van de verantwoordelijkheid van de eigenaar of houder van kermistoestellen is het verrichten van opstellingsinspecties na het opbouwen van het toestel. Een dergelijke inspectie dient ervoor om na te gaan of tengevolge van het afbreken en opbouwen van het toestel geen tekortkomingen in de veiligheid van het toestel zijn ontstaan, bijvoorbeeld door het ontbreken van borgpennen, onderstoppingen en beveiligingen.

Op grond van artikel 12, eerste lid, van de WGW worden de ambtenaren van de Inspectie Gezondheidsbescherming aangewezen en krijgen deze daarmee de bevoegdheid om attractie- en speeltoestellen te beproeven en te onderzoeken of te doen beproeven en te doen onderzoeken. De aangewezen ambtenaren kunnen schriftelijk herstelling binnen een vastgestelde termijn eisen, of indien blijkt dat, bijvoorbeeld door te kort schietend beheer of onderhoud, het betrokken toestel niet meer voldoet aan de krachtens de WGW gegeven voorschriften, het voorzien van een merk van afkeuring.

Tot een verplichting van aanvullende maatregelen wordt alleen overgegaan als er onveilige situaties worden geconstateerd die aanleiding kunnen geven tot ongevallen. Indien het hierbij gaat om dermate ernstige ongevallen, of een dermate grote kans op ongevallen dat het functioneren van het toestel zonder aanpassingen niet langer verantwoord is, worden de kosten van de gevergde aanpassingen niet betrokken in de beslissing omtrent het nemen van maatregelen. Waar het verder functioneren van het toestel zonder aanpassingen niet onverantwoord is, worden de kosten van de gevergde aanpassingen betrokken in de beslissing omtrent eventuele benodigde aanpassingen van het toestel.

Artikel 16

Het bijhouden van een logboek kan worden gezien als een kwaliteitsborging van het beheer van een toestel. Het logboek helpt de eigenaar of houder bij de zorg voor de veiligheid van het toestel. Per toestel dienen gegevens met betrekking tot onderhoud, inspecties, vervanging van onderdelen en reparaties in een logboek te worden bijgehouden. Op grond van artikel 11 worden ook de conclusies van de keuring die relevant zijn voor het beheer van een attractietoestel, door de keuringsinstantie in het logboek op schrift gesteld. Een model van het logboek is gegeven in bijlage III van het besluit. Het logboek vormt tevens een hulpmiddel voor het optreden van de controlerende en toezichthoudende ambtenaren. Op grond van artikel 20 van de WGW hebben deze ambtenaren vrijelijk inzage in het logboek.

Artikel 17

Ieder die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft, dat is voorzien van een merk van afkeuring, dient er voor te zorgen dat dit toestel niet meer kan worden gebruikt door het publiek.

Artikel 18

Toestellen die niet voldoen aan het besluit, mogen wel worden gedemonstreerd op tentoonstellingen, mits duidelijk wordt aangegeven dat deze toestellen niet mogen worden verhandeld of door middel van lease-overeenkomsten in het verkeer mogen worden gebracht, voordat ze wel voldoen aan de voorschriften van het besluit.

Artikel 19

Dit artikel verbiedt het verwijderen van een merk van afkeuring, anders dan door de controlerende ambtenaren. Dit merk van afkeuring is de sanctie waartoe een controlerend ambtenaar in het uiterste geval kan overgaan indien afwijkingen aan het toestel worden geconstateerd, of indien blijkt dat niet aan de overige voorschriften is voldaan.

Artikel 20

Alle attractietoestellen dienen te worden geregistreerd bij de Regionale Inspectie Gezondheidsbescherming te 's-Hertogenbosch, ten behoeve van het toezicht op de naleving van het besluit. Deze registratieplicht geldt ook voor attractietoestellen die slechts tijdelijk in Nederland worden geëxploiteerd, maar laat onverlet hetgeen reeds is geregeld in artikel 8, eerste lid, WGW betreffende aangifte van de invoer van attractie- en speeltoestellen bij het bevoegde gezag.

Voor buitenlandse attractie- en speeltoestellen die tijdelijk in Nederland worden gebruikt, moet tenminste twee maal vierentwintig uur voorafgaand aan elke eerste opbouw of plaatsing van het toestel op Nederlands grondgebied aangifte worden gedaan bij de Regionale Inspectie Gezondheidsbescherming 's-Hertogenbosch. De reden hiervoor is dat buitenlandse toestellen, bestemd voor tijdelijk gebruik in Nederland, zijn uitgezonderd van de toestelspecifieke eisen van dit besluit, mits zij voldoen aan gelijkwaardige eisen. De aangifteplicht voorafgaand aan de eerste opbouw of plaatsing op Nederlands grondgebied stelt de IGB in staat om tijdig te beoordelen of het toestel aan gelijkwaardige eisen voldoet.

Artikel 21

Voor attractietoestellen die reeds in gebruik zijn op het moment dat dit besluit van kracht wordt, geldt een overgangsregime en is de verbodsbepaling van artikel 10, derde lid, van de WGW niet van toepassing. «Reeds in gebruik» betekent daadwerkelijk gebruik door het publiek; ongebruikte voorraad valt hier niet onder en moet dus meteen bij inwerkingtreding van dit besluit voldoen aan de eisen. Het overgangsregime voor reeds in gebruik zijnde attractietoestellen houdt in dat de veiligheid van dergelijke attractietoestellen binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit door een keuringsinstantie wordt onderzocht. Dit gebeurt onder meer door middel van een visuele inspectie van het toestel waarbij gelet wordt op zichtbare gebreken, die kunnen leiden tot de in bijlage I bij het besluit genoemde gevaren. Het technisch constructiedossier maakt uiteraard geen onderdeel uit van dit onderzoek. Het logboek zal wel een rol spelen, omdat het een overzicht geeft van (een deel van) het technische verleden van het toestel. Bij dit onderzoek kan de keuringsinstantie bijvoorbeeld ook letten op ongevallen die zich in het verleden hebben voorgedaan. Een dergelijk onderzoek dient elke twee jaar te worden herhaald. De keuringsinstantie die een dergelijk onderzoek verricht, maakt van de uitslag en haar bevindingen aantekening in het bij het attractietoestel behorende logboek.

Tot een verplichting van aanvullende maatregelen wordt alleen overgegaan als er onveilige situaties worden geconstateerd die aanleiding kunnen geven tot ongevallen. Indien het hierbij gaat om dermate ernstige ongevallen, of een dermate grote kans op ongevallen dat het functioneren van het toestel zonder aanpassingen niet langer verantwoord is, worden de kosten van de gevergde aanpassingen niet betrokken in de beslissing omtrent het nemen van maatregelen. Waar het verder functioneren van het toestel zonder aanpassingen niet onverantwoord is, worden de kosten van de gevergde aanpassingen betrokken in de beslissing omtrent eventuele benodigde aanpassingen van het toestel.

In de praktijk zullen uit de zichtbeoordeling voortkomende aanpassingen van bestaande attractie-toestellen worden bepaald door de keuringsinstantie en worden medegedeeld aan de eigenaar/beheerder. Ingeval dit niet leidt tot de gewenste aanpassingen wordt de IGB door de keuringsinstantie op de hoogte gesteld van haar bevindingen en kan de IGB vervolgens bestuursmaatregelen treffen. De rechtsgrond hiervoor ligt in artikel 12, eerste lid, van de WGW.

Het overgangsregime geldt niet voor attractietoestellen die door de controlerende ambtenaren van een merk van afkeuring zijn voorzien. Dergelijke toestellen dienen te zijn gekeurd krachtens artikel 8, zonder de beoordeling van het technisch constructiedossier, alvorens weer te mogen worden gebruikt.

Het overgangsregime geldt tot 10 jaar na het van kracht worden van dit besluit. De termijn van 10 jaar is de uitkomst van intensieve onderhandelingen binnen de Commissie Regeling Attractieveiligheid tussen de verschillende vertegenwoordigde partijen. Het overgangsregime is ingesteld om de exploitanten van reeds in gebruik zijnde attractietoestellen een redelijke gelegenheid te geven hun toestellen, onder meer aan de hand van meergenoemde beoordelingen, binnen 10 jaar op keuringsniveau te kunnen brengen, voor zover de toestellen daar niet al reeds aan voldoen.

Artikel 22

Uiterlijk 10 jaar na inwerkingtreding van dit besluit dienen de in het vorige artikel bedoelde attractietoestellen te zijn gekeurd volgens artikel 8, eerste lid. Bij deze keuring hoeft geen beoordeling plaats te vinden van het technisch constructiedossier. Wel dienen bij deze keuring het logboek en de gebruiksaanwijzing betrokken te worden. Indien een eigenaar of houder eveneens een technisch constructiedossier voorhanden heeft en dit bij de keuring wil laten betrekken om het hoge veiligheidsniveau van zijn toestel duidelijk te maken, is dit uiteraard altijd toegestaan.

Het toestel dient bij deze keuring te voldoen aan de veiligheidsvoorschriften van dit besluit. Uitgangspunt hierbij is uiteraard de stand van techniek op het moment van vervaardiging van het toestel en datgene wat met het oog op recente veiligheidsinzichten redelijkerwijs mag worden geëist. Als voorbeeld mag dienen een antieke stoomcaroussel, die na keuring op zich veilig kan worden geacht, ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan de later opgestelde normen. In deze visie is het vertrouwen van de keurende instantie in het toestel doorslaggevend.

Voor deze categorie attractietoestellen wordt met betrekking tot artikel 13 (wijziging en reparatie) geen uitzondering gemaakt voor wat betreft het technisch constructiedossier. Bij dergelijke keuringen beperkt de beoordeling van het technisch constructiedossier zich namelijk tot een beoordeling van de aangeleverde gegevens met betrekking tot de wijzigingen en reparaties.

Artikel 23

De bepalingen met betrekking tot de aanduidingen op het toestel en het opstellen en bewaren van een technisch constructiedossier gelden niet voor attractietoestellen die reeds in gebruik zijn op het moment dat het besluit in werking treedt. Het kan redelijkerwijs niet van de eigenaars of houders van dergelijke toestellen worden verlangd alsnog een technisch constructiedossier op te stellen.

Artikel 24

De uitzonderingen voor speeltoestellen die reeds in gebruik zijn op het moment dat het besluit in werking treedt, gaan iets verder dan die voor attractietoestellen. Voor dergelijke speeltoestellen worden namelijk ook de bepalingen met betrekking tot de keuring en de gebruiksaanwijzing niet van toepassing verklaard. Gezien de in vergelijking met attractietoestellen geringere gevaarszetting bij speeltoestellen en het grote aantal bestaande speeltoestellen in Nederland, staat de gezondheidswinst van verplichte keuringen en het opstellen van een gebruiksaanwijzing niet in verhouding tot de hiermee gepaard gaande moeite.

Artikel 25

Attractietoestellen die reeds in gebruik zijn op het moment dat het besluit in werking treedt, dienen binnen dertig dagen te worden geregistreerd.

Artikel 26

Tijdens de behandeling van het ontwerp-besluit in de Raad Sociaal en Cultureel Beleid is besloten tot een evaluatie van het besluit na 5 jaar in verband met de thans op sommige punten niet geheel te voorziene effecten van het besluit in de praktijk. Hierbij zij aangetekend dat met name voor attractietoestellen na 5 jaar de veiligheidsverhogende werking van het besluit niet noodzakelijkerwijs aantoonbaar zal zijn middels ongevalscijfers, gezien de werking van het overgangsregime.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 oktober 1996, nr. 194.

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl