Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatsblad 1996, 464 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatsblad 1996, 464 | AMvB |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 juni 1996, Directie Wetgeving, nr. 565065/96/6;
Gelet op artikel 16, tweede lid, onderdelen a, d en i, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en artikel 125, eerste lid, onderdelen a, c en j, van de Ambtenarenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 5 augustus 1996, nr. W.03.96.0258);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 30 augustus 1996, Directie Wetgeving, nr. 576568/96/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In het bij en krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder:
a. minister: Onze Minister van Justitie;
b. hoofd van dienst: de door de minister als zodanig aangewezen autoriteit;
c. ambtenaar: de rechterlijk ambtenaar en de niet-rechterlijk ambtenaar;
d. rechterlijk ambtenaar: de rechterlijk ambtenaar die is aangesteld bij het openbaar ministerie;
e. niet-rechterlijk ambtenaar: de ambtenaar die, in vaste dienst dan wel in tijdelijke dienst op grond van artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, is aangesteld bij een gerechtelijke dienst en werkzaam is bij een dienstonderdeel van het openbaar ministerie;
f. reorganisatie van het openbaar ministerie: een verandering in de inrichting van of een vermindering van werkzaamheden bij een dienstonderdeel van het openbaar ministerie, of een wezenlijke verandering in de werkzaamheden van een categorie van functies bij een dienstonderdeel van het openbaar ministerie;
g. oorspronkelijke functie: het samenstel van werkzaamheden dat de functie vormt waarin de ambtenaar is benoemd of die hem is aangewezen;
h. passende functie: de functie die, gezien haar aard en inhoud, aan de ambtenaar, gelet op diens opleiding, ervaring, geschiktheid, persoonlijkheid en overige omstandigheden, redelijkerwijs kan worden opgedragen.
1. Dit besluit is uitsluitend van toepassing op de reorganisatie van het openbaar ministerie.
2. Dit besluit is niet van toepassing op het parket bij de Hoge Raad der Nederlanden.
1. De minister biedt de ambtenaar binnen een termijn van achttien maanden nadat de oorspronkelijke functie een wezenlijke verandering heeft ondergaan of is opgeheven of de ambtenaar overtollig is geworden, ten minste eenmaal een passende functie aan.
2. De ambtenaar is verplicht mee te werken aan het vinden van een passende functie.
1. De minister stelt ten behoeve van de reorganisatie van het openbaar ministerie bij ministeriële regeling een of meer sociale plannen vast waarin, in aanvulling op dan wel in afwijking in voor de ambtenaar gunstige zin van de bestaande rechtspositionele voorschriften, een of meer van de in dit besluit geregelde voorzieningen kunnen zijn opgenomen.
2. In een sociaal plan worden voorts nadere regels opgenomen over:
a. het toepassingsbereik van het sociaal plan;
b. welke functies binnen het openbaar ministerie voor bepaalde categorieën ambtenaren passend zijn;
c. de procedure die moet leiden tot plaatsing in een passende functie.
3. In een sociaal plan kunnen voorts, onverminderd het eerste lid, nadere regels worden opgenomen over:
a. de mogelijkheid van eervol ontslag indien geen plaatsing in een passende functie tot stand komt;
b. andere dan de in dit besluit geregelde onderwerpen.
1. Indien het naar het oordeel van het hoofd van dienst gewenst is dat, in het kader van de reorganisatie van het openbaar ministerie, de ambtenaar zich om-, her- of bijschoolt, stelt het hoofd van dienst in overleg met de ambtenaar schriftelijk een individueel opleidingsplan vast en draagt hij zorg voor de benodigde faciliteiten.
2. De aan de om-, her- of bijscholing verbonden kosten komen niet ten laste van de ambtenaar.
Aan de ambtenaar aan wie in het kader van een verplaatsing de verplichting, bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is opgelegd, dan wel aan de ambtenaar die binnen twee jaar na wijziging van zijn standplaats vrijwillig verhuist en voor wie die wijziging tot gevolg heeft dat zijn nieuwe standplaats is gelegen op een afstand van 50 kilometer of meer ten opzichte van zijn oorspronkelijke standplaats dan wel woonplaats, worden, in verband met die verhuizing, de volgende tegemoetkomingen toegekend:
a. een functieverplaatsingstoelage;
b. een verhuiskostenvergoeding;
c. een vergoeding voor de transportkosten overeenkomstig artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989;
d. een vergoeding van de tot het moment van de verhuizing gemaakte reiskosten in verband met woon-werkverkeer voor een termijn van ten hoogste twee jaar. De vergoeding van de reiskosten is gelijk aan de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 7, eerste lid. Artikel 7, derde lid, is van overeenkomstige toepassing;
e. een tot het moment van de verhuizing voor een termijn van ten hoogste twee jaar vooraf, in overleg met het hoofd van dienst, vast te stellen vergoeding voor de werkelijk gemaakte pensionkosten, voor zover het dagelijks heen en weer reizen tussen de woonplaats en de nieuwe standplaats in redelijkheid niet van de ambtenaar kan worden gevergd.
1. Aan de ambtenaar die is verplaatst en voor wie de afstand tussen zijn woning en zijn plaats van tewerkstelling met tien kilometer of meer toeneemt, zonder dat de verplichting, bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, is opgelegd en zonder dat de ambtenaar vrijwillig verhuist, wordt voor een termijn van ten hoogste zes jaar een tegemoetkoming in de reiskosten verleend overeenkomstig artikel 12, tweede lid, van de Verplaatsingskostenregeling 1989.
2. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming kan gedurende het vierde, vijfde en zesde jaar worden verminderd met respectievelijk 25%, 50% en 75% van het verschil tussen die vergoeding en de in artikel 12, eerste lid, van de Verplaatsingskostenregeling 1989 bedoelde vergoeding.
3. Aan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, kan in plaats van de daar bedoelde tegemoetkoming een OV-jaarkaart 1e klasse, een jaartrajectkaart 1e klasse of een maandtrajectkaart 1e klasse worden verstrekt.
1. In het kader van de reorganisatie van het openbaar ministerie kan aan de rechterlijk ambtenaar van 55 jaar of ouder gedurende vijftien maanden na de inwerkingtreding van dit besluit, met diens instemming, eervol ontslag worden verleend.
2. De met toepassing van het eerste lid eervol ontslagen rechterlijk ambtenaar heeft recht op een uitkering krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959. De hoogte en de duur van de uitkering worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de desbetreffende bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 zoals die op 1 januari 1996 luidden.
Aan de ambtenaar aan wie in het kader van de reorganisatie van het openbaar ministerie eervol ontslag is verleend, wordt een diensttijdgratificatie toegekend ter grootte van een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum als bedoeld in artikel 79, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
De ambtenaar die op het tijdstip van ingang van zijn ontslag de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt ontheven van de sollicitatieverplichting, bedoeld in de artikelen 5, vierde lid, en 9, vijfde lid, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, en de artikelen 6, eerste lid, en 17, vijfde lid, van de Uitkeringsregeling 1966.
1. De ambtenaar wiens aanstelling is beëindigd met recht op wachtgeld, wordt op zijn aanvraag in aanmerking gebracht voor afkoop van zijn recht op wachtgeld ten bedrage van 30% van de nominale waarde van dat recht.
2. Indien de ambtenaar binnen vijf jaar nadat zijn recht op wachtgeld overeenkomstig het eerste lid is afgekocht in burgerlijke overheidsdienst treedt, is hij verplicht de minister daarvan terstond schriftelijk in kennis te stellen en het krachtens het eerste lid ontvangen bedrag terug te betalen tot een gedeelte van, indien indiensttreding geschiedt:
a. binnen een jaar: 90%;
b. na een jaar maar binnen twee jaar: 80%;
c. na twee jaar maar binnen drie jaar: 60%;
d. na drie jaar maar binnen vier jaar: 40%;
e. na vier jaar maar binnen vijf jaar: 20%.
1. Aan de niet-rechterlijk ambtenaar die dit wenst, kan eervol ontslag worden verleend, indien in zijn functie een ander wordt geplaatst aan wie in het kader van de reorganisatie van het openbaar ministerie eervol ontslag zou moeten worden verleend.
2. De met toepassing van het eerste lid eervol ontslagen niet-rechterlijk ambtenaar heeft recht op een uitkering krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959, indien overigens wordt voldaan aan de vereisten gesteld in het Rijkswachtgeldbesluit 1959, dan wel op een uitkering op grond van de Uitkeringsregeling 1966.
De ambtenaar die in het kader van de reorganisatie van het openbaar ministerie wordt benoemd in een ambtelijke functie waaraan een lagere bezoldiging is verbonden dan aan zijn oorspronkelijke functie, behoudt zijn oorspronkelijke bezoldiging gedurende de periode waarin die andere functie wordt vervuld.
1. Aan de ambtenaar die wordt geplaatst in een zelfde functie, maar met wijziging van de standplaats, wordt een extra periodiek in de voor hem geldende salarisschaal toegekend.
2. Indien de ambtenaar reeds wordt bezoldigd overeenkomstig het maximum van de voor hem geldende salarisschaal, wordt, in afwijking van het eerste lid, aan hem een eenmalige bruto-gratificatie van 3% van het jaarsalaris toegekend. Onder jaarsalaris wordt verstaan het tot een jaar herleid salaris per maand, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die voor een periode van ten minste twee jaar wordt gedetacheerd in een andere functie binnen de rijksoverheid.
In bijzondere gevallen waarin de bij of krachtens dit besluit gestelde regels niet of niet naar redelijkheid en billijkheid voorzien, kan de minister daarvan in voor de ambtenaar gunstige zin afwijken.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnootDe Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de negentiende september 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Dit besluit bevat aanvullende rechtspositionele voorzieningen in verband met de reorganisatie van het openbaar ministerie (OM). Wat de reorganisatie van het OM in het algemeen betreft verwijs ik naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 14 december 1994 (Tweede Kamer, 1994–1995, 24 034, nr. 1) en naar het op 23 mei 1995 aan de Tweede Kamer aangeboden plan van aanpak (Tweede Kamer, 1994–1995, 24 034, nr. 3). Zoals in het plan van aanpak is vermeld gaat het bij de reorganisatie van het OM om een structurele verbetering van de kwaliteit van de organisatie in al haar onderdelen. Een groei van de personele bezetting maakt daarvan deel uit. Niettemin zullen aan de reorganisatie aanzienlijke personele consequenties verbonden zijn. Daarbij moet worden gedacht aan inkrimpingen, taakverschuivingen en taakveranderingen binnen de dienstonderdelen van het OM.
Dit besluit is zowel van toepassing op de leden van het OM als op de medewerkers die zijn aangesteld bij een gerechtelijke dienst en die werkzaam zijn bij een dienstonderdeel van het OM.
Uitgangspunt is dat zowel de organisatie als de individuele medewerkers een maximale inspanning moeten verrichten om de personele gevolgen van de veranderingsoperatie zo goed mogelijk op te vangen. Daarnaast is behoefte aan een aantal flankerende maatregelen, in aanvulling op dan wel in afwijking in voor de ambtenaar gunstige zin van de bestaande rechtspositionele regelingen.
Omdat de bestaande flankerende maatregelen van het Besluit sociaal beleidskader rijksoverheid 1991 (SBK-RO) vanaf 1 januari 1996 niet meer kunnen worden toegepast, is ervoor gekozen de benodigde flankerende maatregelen op te nemen in een afzonderlijk Sociaal beleidskader reorganisatie openbaar ministerie (SBK-OM). Weliswaar bevat het Algemeen Rijksambtenarenreglement met ingang van die datum een nieuw hoofdstuk VII inzake rechten en verplichtingen bij reorganisaties, maar gelet op artikel 39, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn die bepalingen – anders dan het SBK-RO – niet van (overeenkomstige) toepassing op de leden van het OM. Op de niet-rechterlijke ambtenaren is hoofdstuk VII van het Algemeen Rijksambtenarenreglement evenals de overige bij Besluit van 23 januari 1996 (Stb. 62), houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Uitkeringsregeling 1966 en het Verplaatsingskostenbesluit 1989, in verband met het rechtspositioneel regelen van de personele gevolgen van reorganisaties, met ingang van 1 januari 1996 in de in dit verband relevante algemeen verbindende voorschriften aangebrachte wijzigingen wel van toepassing. Voor hen geldt echter zoals gezegd eveneens het onderhavige besluit. Voor zover dit – specifieke – besluit afwijkt van de algemene regels, prevaleren de bepalingen van het onderhavige besluit.
Teneinde de in dit besluit opgenomen flankerende maatregelen zo goed mogelijk te kunnen toepassen, zullen de daaraan gekoppelde bevoegdheden die in het besluit aan de Minister van Justitie worden toegekend, zoveel mogelijk worden gemandateerd aan de leidinggevende echelons binnen het OM.
Bij de uitvoering van de veranderingsoperatie geldt voor de organisatie een (maximale) inspanningsverplichting om de medewerkers te plaatsen in een passende functie. De in dit besluit opgenomen voorzieningen zullen daaraan een belangrijke bijdrage kunnen leveren. Speciale aandacht zal worden besteed aan opleiding van de medewerkers van het OM, zodat waar nodig mede door om-, her- of bijscholing de herplaatsingsmogelijkheden van de medewerkers zullen worden vergroot. Voorts wordt er uitdrukkelijk naar gestreefd ontslag en wachtgeld/uitkering zoveel mogelijk te voorkomen.
Over dit besluit is de op grond van hoofdstuk III van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en hoofdstuk XI, paragraaf II, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement voorgeschreven overeenstemming bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke macht voor zover het de rechterlijke ambtenaren betreft en met het Georganiseerd Overleg voor zover het de niet-rechterlijke ambtenaren betreft.
De financiële gevolgen van het flankerend beleid zullen naar verwachting niet of nauwelijks afwijken van de situatie waarin het SBK-RO nog van toepassing zou zijn geweest. Zij zullen worden opgevangen binnen het budget dat beschikbaar is voor de reorganisatie van het OM.
Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van gevolgen voor de rijksbegroting.
Dit besluit vindt zijn delegatiegrondslag in artikel 16, tweede lid, onderdelen a, d en i, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en artikel 125, eerste lid, onderdelen a, c en j, van de Ambtenarenwet.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 1996. Ik heb mij beraden op de vraag of het, zowel formeel als materieel, verantwoord is het onderhavige besluit tot stand te brengen voorafgaand aan de totstandkoming van de benodigde formele wetgeving voor de wijzigingen in de structuur van het OM die de reorganisatie met zich zal brengen. Gelet op de uitkomsten van het algemeen overleg met de vaste Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer op 28 juni 1995 over het plan van aanpak (Tweede Kamer, 1995–1996, 24 034, nr. 7) en in het bijzonder op het feit dat de vanaf 1 oktober 1996 in het kader van de reorganisatie te entameren maatregelen alle passen binnen het bestaande wettelijke kader, heb ik die vraag bevestigend beantwoord.
In samenhang met de begripsbepaling in artikel 1, onderdeel f, bakent artikel 2 het toepassingsbereik van het SBK-OM af. Bewust is gekozen voor een ruime omschrijving, zodat het in dit besluit opgenomen flankerend beleid in zoveel mogelijk gevallen kan worden toegepast. Aangezien het parket bij de Hoge Raad der Nederlanden niet rechtstreeks bij de reorganisatie van het OM is betrokken, is dit besluit uitsluitend van toepassing op de ressortsparketten en de arrondissementsparketten.
De reorganisatie van het OM zal naar verwachting in fasen verlopen. Per fase zal een afzonderlijk sociaal plan worden opgesteld, dat specifiek op de situatie in die fase zal worden toegesneden. Het eerste lid schrijft daarom voor dat bij ministeriële regeling een of meer sociale plannen worden opgesteld. Daarin kunnen, in aanvulling op dan wel in afwijking in voor de ambtenaar gunstige zin van de bestaande rechtspositionele regelingen, een of meer van de in het SBK-OM geregelde voorzieningen worden opgenomen. Evenals het SBK-RO gaat het in het SBK-OM om een limitatieve opsomming van de mogelijke voorzieningen. Het tweede lid schrijft voor dat in een sociaal plan over een drietal met name genoemde onderwerpen nadere regels worden opgenomen (imperatief). Het derde lid maakt het mogelijk dat, onverminderd het eerste lid (dat wil onder meer zeggen met inachtneming van het limitatieve karakter daarvan) in een sociaal plan nadere regels worden opgenomen over één met name genoemd onderwerp (onderdeel a), alsmede over andere onderwerpen dan geregeld in het SBK-OM (onderdeel b) (facultatief).
Over een sociaal plan moet de op grond van hoofdstuk III van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en hoofdstuk XI, paragraaf II, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement voorgeschreven overeenstemming worden bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke macht voor zover het de rechterlijke ambtenaren betreft en met het Georganiseerd Overleg voor zover het de niet-rechterlijke ambtenaren betreft.
De voorzieningen in de artikelen 6 en 7 (vergoeding van verplaatsingskosten, respectievelijk van reiskosten bij herplaatsing) zijn gericht op plaatsing binnen de rijksoverheid.
Wat de reiskosten betreft gaat het om de bedragen die op grond van de belastingwetgeving maximaal onbelast kunnen worden toegekend nadat de aftrek op basis van de eigen bijdrage heeft plaatsgevonden.
De in artikel 7, tweede lid, bedoelde afbouw heeft plaats tot het niveau van de zogenoemde forensenvergoeding.
Met de in het eerste lid opgenomen maatregel wordt beoogd om gedurende een effectieve termijn van twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit besluit een oplossing te creëren voor mogelijke als gevolg van de reorganisatie ontstane personeelsproblemen voor rechterlijke ambtenaren van 55 jaar of ouder. Aan hen kan, met hun instemming, eervol ontslag worden verleend. Gelet op het feit dat na de inwerkingtreding van dit besluit nog formatieplannen en functiebeschrijvingen zullen moeten worden vastgesteld, is ervoor gekozen in het besluit de termijn op vijftien maanden te stellen. Daarmee wordt zoveel mogelijk de effectieve termijn van twaalf maanden gerealiseerd.
Het tweede lid legt, voor de gevallen waarin toepassing is gegeven aan het eerste lid, het recht op een wachtgelduitkering vast, alsmede de hoogte en de duur ervan. Op grond van het – krachtens artikel 39, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren behoudens één hier niet terzake doende uitzondering op de leden van het OM van overeenkomstige toepassing zijnde – Rijkswachtgeldbesluit 1959 zoals dit met ingang van 1 januari 1996 is komen te luiden, bedraagt de wachtgelduitkering gedurende de eerste twaalf maanden 80% van de bezoldiging en vervolgens tot het 65e levensjaar 75% van de bezoldiging. Ter vermijding van ongewenste gevolgen van een mogelijke latere wijziging van de desbetreffende bepalingen wordt niettemin door middel van een statische verwijzing in dit specifieke besluit buiten twijfel gesteld welke de hoogte en de duur van de wachtgelduitkering zijn. Op grond van het met ingang van 1 januari 1996 geldende pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP telt de wachtgeldperiode voor de helft mee voor de pensioenopbouw. De verdeling van de pensioenpremie tussen werkgever en werknemer heeft plaats op de gebruikelijke wijze. Thans is de verdeling 75% voor de werkgever en 25% voor de werknemer.
Dit artikel is, evenals artikel 14, bedoeld om de mobiliteit te bevorderen. Artikel 13 garandeert de ambtenaar die in het kader van de reorganisatie vrijwillig besluit een andere ambtelijke functie te aanvaarden waaraan een lagere bezoldiging is verbonden dan aan zijn oorspronkelijke functie, zijn oorspronkelijke bezoldiging gedurende de periode dat die andere functie wordt vervuld.
Uitgangspunt voor deze bepaling is een feitelijke looptijd van de reorganisatie van vijf jaar.
Voor de goede orde merk ik op dat de op grond van dit besluit ten aanzien van individuele medewerkers getroffen voorzieningen uiteraard ook na het vervallen van dit besluit in stand blijven.
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie.
Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 oktober 1996, nr. 194.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-464.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.