Besluit van 19 augustus 1996, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 12 van het Besluit van 20 februari 1995, houdende regels voor de beoordeling en de beperking van de risico's van bestaande stoffen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 augustus 1996, nr. MJZ96045435, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op artikel 12 van het Besluit van 20 februari 1995, houdende regels voor de beoordeling en beperking van de risico's van bestaande stoffen (Stb. 106) en op het Besluit van het Gemengd Comité van de Europese Economische Ruimte nr. 12/94 van 2 september 1994 tot wijziging van bijlage I en bijlage II bij de EER-Overeenkomst (PbEG L 292);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

Artikel 12 van het Besluit van 20 februari 1995 houdende regels voor de beoordeling en beperking van de risico's van bestaande stoffen (Stb. 106) treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 19 augustus 1996

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Margaretha de Boer

Uitgegeven de tiende september 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Met het Besluit van 20 februari 1995, houdende regels voor de beoordeling en beperking van de risico's van bestaande stoffen (Stb. 106) is de toepassing in Nederland van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 maart 1993 inzake de beoordeling en de beperking van de risico's van bestaande stoffen (PbEG L 84, zoals gerectificeerd bij PbEG 1993, L 224) verzekerd. Het besluit voorziet, in artikel 12, in een aanpassing van de definitie van het begrip «importeur» (artikel 1, eerste lid, onder e) voor het geval de Verordening zou worden opgenomen in een van de bijlagen bij de Overeenkomst betreffende de Europese Ruimte. Vaststelling van de datum van inwerkingtreding bij Koninklijk besluit van artikel 12 van het besluit is voldoende om deze voorziene wijziging te effectueren.

Voorvermelde verordening was evenwel op het moment van inwerkingtreding van het besluit, 21 februari 1995, reeds opgenomen in hoofdstuk XV van bijlage II bij de Overeenkomst betreffende de Europese Ruimte (Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 12/94 van 2 september 1994 tot wijziging van bijlage I en bijlage II bij de EER-Overeenkomst (PbEG L 292), in werking getreden op 1 december 1994). Ook de uitwerking van de verordening bij Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie van 28 juni 1994 tot vaststelling van de beginselen voor de beoordeling van de risico's voor mens en milieu van bestaande stoffen krachtens Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad (PbEG L 161) en de wijziging van de verordening bij Verordening (EG) nr. 2268/95 van de Commissie van 27 september 1995 betreffende de tweede lijst van prioriteitsstoffen krachtens Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad (PbEG L 231, zoals gerectificeerd bij PbEG 1995, L 237) zijn inmiddels opgenomen in hoofdstuk XV van bijlage II bij de Overeenkomst betreffende de Europese Ruimte (respectievelijk bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 15/95 van 24 februari 1995 (PbEG L 46) en Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 64/95 van 22 november 1995 (PbEG 1995, L 8)).

Dit betekent dat artikel 12 van het Besluit beoordeling en beperking risico's bestaande stoffen niet tijdig in werking is getreden. Voor de periode die ligt na 1 december 1994 en voor de inwerkingtreding van artikel 12 van het besluit bestaat daardoor enig verschil tussen de nationale en de Europese bepalingen.

Het betreft hier met name het feit dat degene die in die periode een stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, in Nederland heeft ingevoerd uit een staat, niet zijnde lid-staat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor het besluit ten onrechte nog als importeur wordt aangemerkt. Het betreft hier overigens uitsluitend de staten Noorwegen, IJsland en Liechtenstein.

Aangezien de bepalingen van de verordening rechtstreeks toepasselijk zijn, zal bij de handhaving van het besluit in deze gevallen worden uitgegaan van de Europeesrechtelijke bepalingen. In deze gevallen zullen derhalve de verplichtingen die volgens het nationale recht op de importeur rusten niet worden afgedwongen.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Margaretha de Boer

Naar boven