Besluit van 7 augustus 1996 tot wijziging van het Besluit nevenzittingsplaatsen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 22 juli 1996, Directie Wetgeving, nr. 569163/96/6

Gelet op artikel 50, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;

De Raad van State gehoord (advies van 9 juli 1996, no. W03.96.0254);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 juli 1996, Directie Wetgeving, nr. 569163/96/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het >Besluit nevenzittingsplaatsen1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel d wordt de punt vervangen door een puntkomma;

2. Toegevoegd wordt een onderdeel e, luidende:

e. de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage; te Delft, Gouda en Leiden.

B

Artikel 3a, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage kan, voor zover het betreft de behandeling van zaken als bedoeld in artikel 34a van de Vreemdelingenwet, terechtzittingen houden buiten de hoofdplaats van het arrondissement, onderscheidenlijk buiten het arrondissement in de volgende nevenzittingsplaatsen: Alphen aan den Rijn, Haarlemmermeer, Loenen en Tilburg.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 7 augustus 1996

Beatrix

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Uitgegeven de twintigste augustus 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

1. Korte inhoud

In artikel 3 van het Besluit nevenzittingsplaatsen zijn voor de bestuursrechtelijke kamer van een beperkt aantal arrondissementsrechtbanken nevenzittingsplaatsen aangewezen.

Voor de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage was dat niet gebeurd. De president van die rechtbank heeft de wens te kennen gegeven dat in het kader van de intensivering van de samenwerking binnen het arrondissement de bestuursrechtelijke kamers zittingen kunnen houden in de plaatsen waarin een kantongerecht is gevestigd. Aangezien zulks mijn instemming heeft is voornoemd artikel 3 thans met het oog daarom uitgebreid.

Voorts worden in artikel 3a van het Besluit nevenzittingsplaatsen ook Alphen aan den Rijn en Haarlemmermeer aangewezen als plaatsen waar beroep tegen vrijheidsbeperkende of ontnemende maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet kunnen worden behandeld. Een en ander houdt verband met het feit dat inmiddels ook in de huizen van bewaring in Alphen aan den Rijn en Zoetermeer dergelijke maatregelen in het kader van de Vreemdelingenwet ten uitvoer worden gelegd terwijl door de recente opening van het Aanmeldcentrum Schiphol ook van daaruit beroepen tegen maatregelen als hiervoor bedoeld worden gegenereerd. Teneinde de logistieke belasting die het vervoer van de betrokken vreemdelingen naar de rechtbank met zich meebrengt te beperken, zijn ook Alphen aan den Rijn en Haarlemmermeer thans als nevenzittingsplaats voor de behandeling van zaken als bedoeld in artikel 34a van de Vreemdelingenwet aangewezen.

2. Financiële consequenties

De financiële consequenties van een eerste ingebruikneming van de nevenzittingsplaatsen genoemd in artikel 3 van het Besluit nevenzittingsplaatsen worden opgevangen binnen het bestaande begrotingskader van het arrondissement 's-Gravenhage. In geval van een verdere personele uitbreiding van de nevenzittingsplaatsen zullen de financiële consequenties daarvan eerst afzonderlijk worden besproken in het reguliere begrotingsoverleg met het arrondissement.

Ook de financiële consequenties van de uitbreiding van artikel 3a worden opgevangen binnen het bestaande begrotingskader.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1992, 331, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 4 juli 1994, Stb. 503.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van art. 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

Naar boven