Wet van 20 juni 1996 tot wijziging van de Ontgrondingenwet en andere wetten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Ontgrondingenwet te wijzigen ter bevordering van de coördinatie tussen rijk, provincies en gemeenten van de besluitvorming inzake de voorziening in de behoeften aan oppervlaktedelfstoffen, alsmede ter bevordering van doelmatige procedures, gericht op de totstandkoming van beslissingen omtrent ontgrondingen, alsook enige andere wetten te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De >Ontgrondingenwet1 wordt gewijzigd als volgt.

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. zee: de Noordzee en de Waddenzee, met inachtneming van de grenslijnen, bedoeld in artikel 2 van de Rivierenwet;

b. planologische medewerking verlenen: het nemen van een of meer besluiten krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening door het bestuur van een gemeente of van de provincie waarin die gemeente is gelegen, waardoor een ontgronding kan plaatsvinden zonder strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

c. winplaats: een plaats die is bestemd voor de winning van vaste stoffen door middel van ontgronding;

d. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

B

Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt.

1. In het tweede lid wordt «voorwaarden» vervangen door: voorschriften; na «ter bescherming van alle bij een ontgronding betrokken belangen» wordt ingevoegd: alsmede ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

2. Na het tweede lid worden, onder vernummering van het derde lid tot zesde lid, drie leden ingevoegd, luidende:

  • 3. De in het tweede lid bedoelde voorschriften kunnen in ieder geval inhouden:

    a. dat een werkplan wordt overgelegd, volgens hetwelk de ontgronding zal geschieden, en dat het goedkeuring behoeft van een bij het voorschrift aangewezen overheidsorgaan;

    b. dat de onroerende zaken waarvoor een vergunning tot ontgronding wordt verleend, geheel of bij gedeelten in een bij het voorschrift omschreven toestand dienen te worden gebracht;

    c. dat in plaats van de onder b bedoelde verplichting een bepaald bedrag ineens of bij gedeelten moet worden betaald;

    d. dat de kosten van het beheer van de onroerende zaken die zijn ontgrond geheel of gedeeltelijk moeten worden betaald;

    e. dat de kosten in verband met de aanpassingsinrichting van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken, alsmede van het beheer van de aangepaste omgeving, voor zover zij het gevolg zijn van de ontgronding, geheel of gedeeltelijk moeten worden betaald;

    f. dat financiële zekerheid moet worden gesteld voor het nakomen van krachtens de vergunning geldende verplichtingen;

    g. dat binnen een bij het voorschrift aangegeven periode ten hoogste een bepaalde hoeveelheid aangegeven vaste stoffen mag worden gewonnen;

    h. dat bij het voorschrift aangegeven vaste stoffen voor geen andere bestemming mogen worden afgevoerd dan voor die welke bij het voorschrift is omschreven;

    i. dat de vergunninghouder verplicht is toe te laten dat een aangewezen deel van de te ontgronden onroerende zaken wordt ontgrond door één of meer andere aangewezen derden en dat de daartoe tussen de vergunninghouder en die derden te sluiten overeenkomst de goedkeuring behoeft van een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan;

    j. dat moet worden voldaan aan door een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan gestelde nadere eisen.

  • 4. Een financiële zekerheid als bedoeld in het derde lid, onder f, kan niet worden gevorderd van publiekrechtelijke lichamen.

  • 5. Aan de vergunning kunnen ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat op een daarbij omschreven wijze moet worden aangegeven of aan andere vergunningvoorschriften wordt voldaan en dat de daarbij verkregen gegevens ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

C

Artikel 4 wordt gewijzigd als volgt:

1. de bestaande onderdelen a, b en c vervallen;

2. onderdeel a komt te luiden:

a. het – in geval van watersnood of dringend of dreigend gevaar voor doorbraak van dijken of voor overstroming – nemen van specie van gronden, welke ogenblikkelijk in bezit zijn genomen;

3. onderdeel d wordt geletterd b;

4. toegevoegd wordt een onderdeel, luidende:

c. de uitvoering van een provinciaal milieuprogramma, voor zover dit bevat een aanwijzing van gevallen waarin de bodem is of dreigt te worden verontreinigd, als bedoeld in artikel 4.14, eerste en tweede lid, onder a, 1°, van de Wet milieubeheer dan wel de toepassing van artikel 30 of 31 van de Wet bodembescherming, met uitzondering van de ontgrondingen, welke geschieden ter verkrijging van het voor de werken nodige bodemmateriaal.

5. de onderdelen e en f vervallen.

D

Na artikel 4 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

Deze wet is mede van toepassing op ontgrondingen op het continentaal plat, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Mijnwet continentaal plat.

Artikel 4b

De Staat is eigenaar van de op of onmiddellijk onder de oppervlakte van het continentaal plat aanwezige schelpen, grind, zand en klei.

E

Artikel 5 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt na «artikel 8, eerste lid» een komma geplaatst.

2. Het derde lid vervalt.

F

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6

Bij de maatregel, bedoeld in artikel 5, eerste lid, kan worden bepaald dat overeenkomstig bij de maatregel te stellen regels een recht wordt geheven ter zake van de behandeling van de aanvraag om een vergunning of wijziging van een vergunning. Het tarief wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde opbrengst van het recht de geraamde uitgaven niet te boven gaat.

G

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7

  • 1. Bij de maatregel, bedoeld in artikel 5, eerste lid, kan worden bepaald dat het verbod van artikel 3, eerste lid, niet geldt voor daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen.

  • 2. Bij de verordening, bedoeld in artikel 5, tweede lid, kan voor daarbij aan te duiden categorieën van ontgrondingen, wegens haar bijzondere aard of met het oog op bijzondere gewestelijke omstandigheden, worden bepaald dat het verbod van artikel 3, eerste lid, niet geldt.

  • 3. Een regeling als bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, kan voorts inhouden dat met betrekking tot ontgrondingen ten aanzien waarvan met toepassing van het eerste of tweede lid is bepaald dat het vergunningvereiste niet geldt, de verplichting geldt tot het melden van het voornemen te ontgronden aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan. Bij toepassing van de eerste volzin worden voorts aangegeven het tijdstip, voorafgaand aan het ontgronden, waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan, alsmede de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt.

  • 4. Een regeling als bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, kan nadere regelen inhouden met betrekking tot de aan een vergunning te verbinden voorschriften.

H

Na artikel 7 worden zeven artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 7a

Met betrekking tot de oppervlaktedelfstoffenvoorziening door middel van ontgronding wordt een plan vastgesteld als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, genaamd structuurschema oppervlaktedelfstoffen. Het structuurschema bevat de hoofdlijnen en beginselen van het beleid inzake de winning van vaste stoffen in Nederland door middel van ontgronding, alsmede het beleid ter bevordering van de toepassing van zodanige vaste stoffen vervangende materialen teneinde de winning van vaste stoffen te beperken. Het wordt telkens voor vijf jaren vastgesteld.

Artikel 7b

  • 1. Ter bevordering van een goede coördinatie tussen rijk en provincies van de besluitvorming inzake de winning van vaste stoffen door middel van ontgronding, in het bijzonder met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van het structuurschema oppervlaktedelfstoffen, voeren Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies periodiek overleg.

  • 2. Ten behoeve van het in het eerste lid bedoelde overleg verstrekken Onze Minister en gedeputeerde staten elkaar stelselmatig inlichtingen met betrekking tot:

    a. de behoeften aan winning van vaste stoffen door middel van ontgronding en de termijnen waarbinnen die behoeften zich doen gevoelen;

    b. de gewonnen hoeveelheden per categorie van vaste stoffen per jaar;

    c. de hoeveelheden per categorie van vaste stoffen, waarvoor een vergunning die haar gelding niet heeft verloren, is verleend;

    d. het beleid met betrekking tot de winning van vaste stoffen door middel van ontgronding, waaronder begrepen de stand van zaken omtrent de uitvoering van het structuurschema oppervlaktedelfstoffen;

    e. het bevorderen van het toepassen van materialen die door middel van ontgronding te verkrijgen vaste stoffen vervangen.

Artikel 7c

Alvorens een winplaats wordt vastgesteld in een streekplan, verzoeken gedeputeerde staten aan de raad van ieder van de gemeenten op het gebied waarvan de beoogde winplaats betrekking heeft, mee te delen of zodanige winplaats in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake.

Artikel 7d

Binnen drie maanden nadat het in artikel 7c bedoelde verzoek is ingekomen, deelt de raad van ieder van de gemeenten op het gebied waarvan de beoogde winplaats betrekking heeft, aan gedeputeerde staten mee of zodanige winplaats in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, en deelt, zo zulks niet het geval is, mee of het gemeentebestuur bereid is aan zodanige winplaats planologische medewerking te verlenen.

Artikel 7e

Indien de beoogde winplaats in strijd is met het geldende bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, en de gemeenteraad niet binnen de in artikel 7d gestelde termijn heeft meegedeeld bereid te zijn planologische medewerking te verlenen, geven gedeputeerde staten, indien wordt overgegaan tot het nemen van een besluit tot vaststelling van de winplaats in een streekplan, tegelijkertijd toepassing aan artikel 37, vierde of vijfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, ertoe strekkende dat het bestemmingsplan in overeenstemming wordt gebracht met het besluit tot vaststelling van de winplaats.

Artikel 7f

Het gemeentebestuur verleent uiterlijk binnen een jaar na het onherroepelijk worden van het besluit tot vaststelling van een winplaats in een streekplan ter zake planologische medewerking, voor zover het overeenkomstig artikel 7d ten aanzien van de winplaats de bereidheid tot het verlenen van zodanige medewerking heeft aangegeven.

Artikel 7g

Ten aanzien van de vaststelling van een winplaats in een streekplan is artikel 4a, achtste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet van toepassing.

I

Artikel 8 wordt gewijzigd als volgt.

1. In het eerste lid wordt «Onze Minister van Verkeer en Waterstaat» vervangen door: Onze Minister.

2. Het tweede en derde lid komen te luiden:

  • 2. Ten aanzien van andere dan de in het eerste lid bedoelde ontgrondingen berust de bevoegdheid tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning bij gedeputeerde staten van de provincie waarin de betrokken onroerende zaak is gelegen. Een zodanige vergunning, betrekking hebbend op het winterbed van de rivieren en stromen, genoemd in artikel 1 van de Rivierenwet, wordt niet verleend, gewijzigd of ingetrokken dan in overeenstemming met Onze Minister.

  • 3. Indien het betreft delfstoffen als bedoeld in artikel 2 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285), wordt een vergunning niet verleend dan na overleg met Onze Minister van Economische Zaken.

3. In het vierde lid vervalt de zinsnede «, veenschap of veenpolder» en wordt «artikel 5 tweede lid,» vervangen door: artikel 5, tweede lid,.

4. Na het vierde lid worden vier leden ingevoegd, luidende:

  • 5. Onze Minister kan, indien spoedige winning van bepaalde vaste stoffen door middel van ontgronding geboden is, aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie een aanwijzing geven ten aanzien van een aanvrage om een vergunning of een in artikel 12 bedoelde machtiging dan wel ten aanzien van een reeds verleende vergunning of machtiging.

  • 6. Onze Minister pleegt over het voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Hij deelt het voornemen, onder vermelding van de redenen daarvoor, mee aan de Staten-Generaal.

  • 7. Gedeputeerde staten nemen bij de beslissing op de aanvrage om een vergunning of een in artikel 12 bedoelde machtiging dan wel ten aanzien van een reeds verleende vergunning of machtiging de aanwijzing in acht die met betrekking tot de beslissing op de aanvrage krachtens het vijfde lid door Onze Minister is gegeven.

  • 8. De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van gedeputeerde staten, ter zake waarvan zij is gegeven.

J

Artikel 10 wordt gewijzigd als volgt.

1. In het eerste lid wordt «een besluit» onderscheidenlijk «is» vervangen door «een beschikking» onderscheidenlijk «zijn» en wordt na «procedure» ingevoegd: alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer. Aan dit lid wordt tevens de volgende volzin toegevoegd: Voorts is paragraaf 14.1 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

2. Onder vernummering van het derde lid tot zesde lid en schrapping van het vierde lid, worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 3. De raad van ieder van de gemeenten op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking heeft, deelt aan het ingevolge artikel 8 bevoegde gezag binnen zes weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, en deelt, zo zulks niet het geval is, mee of het gemeentebestuur bereid is aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen.

  • 4. Indien Onze Minister het ingevolge artikel 8 bevoegde gezag is, delen provinciale staten van de provincie op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking heeft, binnen zes weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het geldende streekplan of een ter inzage gelegd ontwerp van een streekplan, alsmede, zo zulks niet het geval is, of het provinciebestuur bereid is aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen.

  • 5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de artikelen 7c en 7d zijn toegepast.

3. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Beschikkingen als bedoeld in het eerste lid worden genomen na afweging van alle in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen.

4. Na het zevende lid worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 8. Een vergunning wordt niet verleend of gewijzigd indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met een bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, tenzij de raad van de betrokken gemeente heeft meegedeeld planologische medewerking te zullen verlenen, dan wel gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ter zake toepassing hebben gegeven aan artikel 37, vierde of vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 37, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

  • 9. Een vergunning wordt voorts door Onze Minister niet verleend of gewijzigd indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met het geldende streekplan, of een ter inzage gelegd ontwerp van een streekplan, tenzij provinciale staten van de betrokken provincie hebben meegedeeld planologische medewerking te zullen verlenen, dan wel Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer toepassing heeft gegeven aan artikel 6, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

  • 10. Indien ingevolge het eerste lid paragraaf 14.1 van de Wet milieubeheer wordt toegepast, worden de in dat kader tot stand komende beschikkingen tot het verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning of enige andere bestuursrechtelijke toestemming inzake een ontgronding gelijktijdig door gedeputeerde staten bekendgemaakt.

K

Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11

  • 1. Het gemeentebestuur verleent uiterlijk binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de beschikking van Onze Minister of van gedeputeerde staten op de aanvrage om een vergunning ter zake van de in die beschikking bedoelde ontgronding planologische medewerking, voor zover het overeenkomstig artikel 10, derde lid, ten aanzien van die ontgronding de bereidheid tot het verlenen van zodanige medewerking heeft aangegeven.

  • 2. Provinciale staten verlenen uiterlijk binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de beschikking van Onze Minister op de aanvrage om een vergunning ter zake van de in die beschikking bedoelde ontgronding planologische medewerking, voor zover zij overeenkomstig artikel 10, vierde lid, ten aanzien van die ontgronding de bereidheid tot het verlenen van zodanige medewerking hebben aangegeven.

L

Artikel 16 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een beschikking op grond van Hoofdstuk II van deze wet tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning wordt van kracht met ingang van de dag na de dag waarop de termijn afloopt voor het indienen van een bezwaarschrift dan wel, indien ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht geen bezwaar kan worden gemaakt, van een beroepschrift. Indien gedurende de termijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de beschikking niet van kracht voordat op dat verzoek is beslist.

2. In het tweede lid wordt «een besluit», onderscheidenlijk «dat besluit heeft genomen» vervangen door «een beschikking» onderscheidenlijk «die beschikking heeft gegeven».

M

Artikel 17 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste en tweede lid wordt telkens «een besluit» vervangen door: een beschikking.

2. In het tweede lid wordt «Onze Minister van Verkeer en Waterstaat» vervangen door: Onze Minister.

N

In artikel 18 wordt «een besluit» vervangen door: een beschikking.

O

Na artikel 20 worden zes artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 21

  • 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op het beroep tegen een in een streekplan vervat besluit, inhoudende vaststelling van een winplaats, binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn.

  • 2. Een krachtens artikel 7e door gedeputeerde staten genomen maatregel, inhoudende toepassing van artikel 37, vierde of vijfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep deel uit te maken van het desbetreffende in een streekplan vervatte besluit, inhoudende vaststelling van een winplaats.

Artikel 21a

  • 1. Indien tegen een aanvrage voor of het ontwerp van het besluit van Onze Minister of het bestuur van een provincie of een gemeente, dat nodig is voor de inrichting of het gebruik van een winplaats die is vastgesteld in een streekplan dan wel een bestemmingsplan, bedenkingen naar voren kunnen worden gebracht, kunnen deze bedenkingen geen grond vinden in bedenkingen tegen de vastgestelde winplaats.

  • 2. Indien tegen een besluit van Onze Minister of het bestuur van een provincie of een gemeente, dat dient voor het verwezenlijken van een winplaats die is vastgesteld in een streekplan dan wel een bestemmingsplan, beroep kan worden ingesteld, kan dat beroep geen grond vinden in bedenkingen tegen de vastgestelde winplaats.

Artikel 21b

  • 1. Indien op aanvragen om beschikkingen tot het verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning of enige andere bestuursrechtelijke toestemming inzake ontgronding § 14.1 van de Wet milieubeheer is toegepast, worden zodanige beschikkingen voor de mogelijkheid van beroep ingevolge de desbetreffende wettelijke bepalingen als één beschikking aangemerkt.

  • 2. In de in het eerste lid bedoelde beschikkingen wordt vermeld dat zij zijn voorbereid met toepassing van § 14.1 van de Wet milieubeheer.

  • 3. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde beschikkingen kan slechts beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  • 4. De Afdeling beslist op het beroep binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn.

Artikel 21c

Een beschikking, houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, maakt voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, deel uit van de in artikel 17, tweede lid, bedoelde beschikking.

Artikel 21d

Niet vatbaar voor afzonderlijk beroep is een mededeling inzake het verlenen van planologische medewerking als bedoeld in de artikelen 7d of 10, derde en vierde lid.

Artikel 21e

Indien beroep is ingesteld tegen een beschikking van gedeputeerde staten tot verlening, wijziging, intrekking of weigering van een vergunning en Onze Minister nadien met toepassing van artikel 8, vijfde lid, een aanwijzing heeft gegeven of gedeputeerde staten vervolgens overeenkomstig zodanige aanwijzing een andere beschikking op de aanvrage hebben genomen, wordt het beroepschrift met betrekking tot eerstbedoelde beschikking buiten verdere behandeling gelaten.

P

Na artikel 21e wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK IIIA HEFFING

Artikel 21f
  • 1. Provinciale staten zijn bevoegd bij wijze van provinciale belasting een heffing in te stellen ter bestrijding van ten hoogste vijftig procent van de ten laste van de provincie komende kosten van werkzaamheden in verband met onderzoek en planning met betrekking tot ontgrondingen en van werkzaamheden, voortvloeiende uit de toepassing van artikel 7b.

  • 2. Aan een heffing worden onderworpen de bij verordening aan te wijzen categorieën van houders van vergunningen en machtigingen ingevolge de Ontgrondingenwet.

  • 3. Als grondslag voor de heffing geldt de hoeveelheid stoffen ten aanzien waarvan vergunning of machtiging is verleend. Geen heffing wordt geheven ten aanzien van hoeveelheden van minder dan 10 000 kubieke meter vaste stoffen, gemeten in profiel van ontgraving.

Q

Het opschrift van hoofdstuk IV komt te luiden:

HOOFDSTUK IV GEDOOGPLICHTEN EN HANDHAVING

R

Voor artikel 22 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 21g

  • 1. Indien Onze Minister in verband met de toepassing van deze wet onderzoek ter plaatse nodig oordeelt, is hij bevoegd de rechthebbenden ten aanzien van gronden of wateren waar dat onderzoek wordt ingesteld de verplichting op te leggen het verrichten van dat onderzoek, alsmede het aanbrengen, het aanwezig zijn, het onderhoud, het gebruik en het verwijderen van de voor dat onderzoek nodige middelen te gedogen, onverminderd het recht van deze rechthebbenden op schadevergoeding. Gelijke bevoegdheid als bedoeld in de vorige volzin komt toe aan gedeputeerde staten.

  • 2. Een beschikking tot oplegging van een gedoogplicht wordt tenminste twee weken voor de aanvang van het onderzoek bekendgemaakt aan de rechthebbenden.

Artikel 21h

  • 1. Indien de aanvrager of de houder van een vergunning of degene die voornemens is een aanvrage in te dienen ter verkrijging van de gegevens die ingevolge het bepaalde krachtens artikel 5, eerste onderscheidenlijk tweede lid, moeten worden verschaft in een aanvrage om een vergunning of wijziging van een vergunning, onderzoek moet verrichten in gronden of wateren ten aanzien waarvan hij niet de rechthebbende is, kan hij Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten verzoeken daartoe een gedoogplicht overeenkomstig artikel 21g op te leggen.

  • 2. Hij legt hiertoe over een opgave van de ligging van de gronden of wateren, van de namen en woonplaatsen van de rechthebbenden daarvan, alsmede van de aard der onderzoekingen.

  • 3. Bij de beschikking tot het opleggen van de gedoogplicht worden zodanige voorschriften gesteld jegens degene op wiens verzoek de gedoogplicht wordt opgelegd, dat de vergoeding van schade aan de rechthebbende op voldoende wijze is verzekerd.

S

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22

Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn de artikelen 18.4 tot en met 18.12, alsmede de artikelen 18.14 en 18.16 van de Wet milieubeheer van toepassing.

T

In artikel 25 wordt «Onze Minister van Verkeer en Waterstaat» vervangen door «Onze Minister», wordt vervolgens «artikel 8 vierde lid,» vervangen door «artikel 8, vierde lid,» en vervalt de zinsnede «, het veenschap of de veenpolder».

U

Artikel 26 wordt gewijzigd als volgt:

a. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Voorzover blijkt dat de aanvrager, de houder van de vergunning of degene die overeenkomstig afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht bedenkingen heeft ingebracht dan wel overeenkomstig afdeling 3.4 of afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, ten gevolge van een beschikking ter zake van een ontgronding als bedoeld in artikel 8 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, wordt hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, en wel door Onze Minister ten laste van 's Rijks kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, eerste lid, door gedeputeerde staten ten laste van de provinciale kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, tweede lid, en door het bestuur van het waterschap ten laste van de kas van die instelling, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, vierde lid.

b. In het tweede lid wordt «de beslissing» vervangen door «de beschikking» en wordt «afzonderlijk besluit» vervangen door: afzonderlijke beschikking.

V

In artikel 27 wordt «Onze Minister van Verkeer en Waterstaat» vervangen door: Onze Minister.

W

Artikel 28 wordt gewijzigd als volgt.

De aanduiding «1.» voor het eerste lid en het tweede lid vervallen.

X

In artikel 28 wordt «een besluit» vervangen door: een beschikking.

Y

In artikel 29, tweede lid, wordt «door het Rijk» vervangen door: door Onze Minister.

Z

Na artikel 29 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 29a

  • 1. De artikelen 26 tot en met 29 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van schade die een rechthebbende als bedoeld in artikel 21g lijdt of zal lijden tengevolge van het opleggen van een gedoogplicht als bedoeld in dat artikel in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid.

  • 2. De schade tengevolge van het in artikel 21h bedoelde onderzoek wordt vergoed door degene op wiens verzoek de gedoogplicht is opgelegd.

AA

Hoofdstuk VI komt te luiden:

HOOFDSTUK VI OVERGANGSBEPALINGEN WIJZIGINGSWET

Artikel 30

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder wijzigingswet verstaan: de wet van 20 juni 1996 tot wijziging van de Ontgrondingenwet en andere wetten (Stb. 411).

Artikel 31
  • 1. De artikelen 6 en 10 vinden geen toepassing ten aanzien van aanvragen om vergunning die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingswet. Ten aanzien van zodanige aanvragen wordt artikel 10, zoals dat luidde voor het bedoelde tijdstip, toegepast.

  • 2. Artikel 21f, tweede lid, vindt geen toepassing ten aanzien van houders van vergunningen en machtigingen die zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingswet.

Artikel 32
  • 1. Een vergunning welke vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingswet krachtens de Rivierenwet bij onherroepelijk geworden beschikking is verleend voor een ontgronding als bedoeld in artikel 4, § 1, onderdeel f, van die wet, wordt beschouwd als ingevolge deze wet te zijn verleend en blijft als zodanig van kracht gedurende vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingswet, voor zover zij niet eerder is vervallen of ingetrokken.

  • 2. Indien vóór het eindigen van de geldigheidsduur van een in het eerste lid bedoelde vergunning een aanvraag om een vergunning krachtens deze wet wordt ingediend, blijft de vergunning van kracht totdat de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

  • 3. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingswet nog niet een beschikking op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4, § 1, onderdeel f, van de Rivierenwet onherroepelijk is geworden, blijven ten aanzien van de behandeling van die aanvraag, de beschikking op de aanvraag en het beroep tegen de bedoelde beschikking de voor dat tijdstip toepasselijke wettelijke bepalingen gelden.

  • 4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een vergunning welke is verleend overeenkomstig het derde lid.

  • 5. Een door Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingswet verleende toestemming voor een ontgronding op het continentaal plat, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Mijnwet continentaal plat, wordt beschouwd als een vergunning in de zin van deze wet.

BB

In hoofdstuk VII vervalt artikel 32.

ARTIKEL II

De Wet milieubeheer2 wordt gewijzigd als volgt.

A

Aan de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten wordt, onder vervanging van de punt na «de Wet bodembescherming» door een komma, toegevoegd: de Ontgrondingenwet.

B

In de bijlage vervalt de vermelding van de Wet bodemmaterialen Noordzee.

ARTIKEL III

De Wet bodemmaterialen Noordzee wordt ingetrokken.

ARTIKEL IV

Artikel 81 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285)3 vervalt.

ARTIKEL V

In de Mijnwet 19034 wordt na artikel 8 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8a

Deze wet, zomede de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285) is niet van toepassing op ontgrondingen.

ARTIKEL VI

De Mijnwet continentaal plat5 wordt gewijzigd als volgt.

A

In artikel 1, eerste lid, wordt, na «opsporingsonderzoek» en de omschrijving daarvan ingevoegd:

winnen van delfstoffen: het, anders dan in de vorm van monsters of beproevingen, door middel van boringen of andere ondergrondse werken onttrekken van delfstoffen aan het continentaal plat;

B

Aan artikel 22 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van de overdracht van de eigendom van delfstoffen die, anders dan door winning, blijvend aan het continentaal plat worden onttrokken met gebruikmaking van een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet, aan de houder van die vergunning.

ARTIKEL VII

In artikel 4, § 1, van de Rivierenwet6 wordt de komma aan het slot van onderdeel e vervangen door een punt en vervalt onderdeel f.

ARTIKEL VIII

Artikel 72c, eerste alinea, van de onteigeningswet7 komt te luiden:

Zonder voorafgaande verklaring bij de wet, dat het algemeen nut de onteigening vordert, kan onteigening in het belang van de winning van oppervlaktedelfstoffen plaats hebben van zaken en rechten als bedoeld in artikel 4:

a. overeenkomstig een onherroepelijk geworden besluit tot vaststelling van een winplaats in een streekplan;

b. indien ter zake een vergunning tot ontgronding krachtens de Ontgrondingenwet is verleend en onherroepelijk is geworden.

ARTIKEL IX

De Wet op de economische delicten8 wordt gewijzigd als volgt.

A

In artikel 1, onder 4°, vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet bodemmaterialen Noordzee.

B

In artikel 1a, onder 2°, wordt in de zinsnede met betrekking tot de Ontgrondingenwet «de artikelen 3, eerste en tweede lid, 12, eerste en tweede lid, en 16, tweede lid;» vervangen door: de artikelen 3, eerste en tweede lid, 7, derde lid, 12, eerste en tweede lid, 16, tweede lid, en 22 j° artikel 18.6 van de Wet milieubeheer;.

ARTIKEL X

Artikel 53 van de Wet Raad voor verkeer en waterstaat9 vervalt.

ARTIKEL XI

De tekst van de Ontgrondingenwet wordt in het Staatsblad geplaatst.

ARTIKEL XII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 1996

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Margaretha de Boer

Uitgegeven de vijftiende augustus 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1965, 509, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 juli 1995, Stb. 355.

XNoot
2

Stb. 1994, 80, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 mei 1996, Stb. 292.

XNoot
3

Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 1996, Stb. 199.

XNoot
4

Stb. 1996, 200.

XNoot
5

Stb. 1996, 210.

XNoot
6

Stb. 1908, 339, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 december 1993, Stb. 650.

XNoot
7

Stb. 1851, 125, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 april 1996, Stb. 366.

XNoot
8

Stb. 1950, K 258, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 juli 1996, Stb. 400.

XNoot
9

Stb. 1992, 146, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 december 1993, Stb. 690.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1993/94, 1994/95, 1995/96, 23 568.

Handelingen II 1995/96, blz. 3320–3330; 3363–3381; 3411.

Kamerstukken I 1995/96, 23 568 (179, 179a, 179b, 179c).

Handelingen I 1995/96, blz. 1755.

Naar boven