Besluit van 28 juni 1996, houdende wijziging van
het Besluit verplichte verzekering jagers
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
van 9 mei 1996, No. J. 964703, Directie Juridische Zaken;
Gelet op artikel 12a, vierde en vijfde lid, van de Jachtwet;
De Raad van State gehoord (advies van 4 juni 1996, No. W11.96.0201.);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij van 24 juni 1996, No. J. 966250, Directie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I
Het >besluit verplichte verzekering jagers1, wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2 komt te luiden:
De verzekering moet zijn gesloten met een verzekeraar die in het bezit
is van de ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993 vereiste vergunning of ten aanzien van welke is voldaan aan de procedure,
bedoeld in de artikel 37 of 38 of de artikelen 111, eerste lid, aanhef en
onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, of 116
eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met c, of derde lid, van de genoemde
wet.
B
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
Het tweede lid komt te luiden:
C
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
In het tweede lid, onder a, wordt «Landbouw en Visserij» vervangen
door: Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
ARTIKEL II
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnoot's-Gravenhage, 28 juni 1996
Beatrix
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J. J. van Aartsen
Uitgegeven de zestiende juli 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA VAN TOELICHTING
Artikel 12a van de Jachtwet stelt voor degenen die jagen met geweer een
aansprakelijkheidsverzekering verplicht. De eisen waaraan deze verzekering
moet voldoen, zijn neergelegd in het Besluit verplichte verzekering jagers.
Ingevolge artikel 2 van dit besluit moet de verzekering worden afgesloten
bij een in Nederland gevestigde verzekeraar.
Op 1 juli 1994 is de Wet van 9 maart 1994, houdende vervanging van de
Wet toezicht verzekeringsbedrijf door de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993 (Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993) in werking getreden. De Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993 strekt tot uitvoering van de derde richtlijn schadeverzekering
(Richtlijn nr. 92/49/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen van 18 juni
1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche,
en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (PbEG L
228), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld) en de derde
richtlijn levensverzekering (Richtlijn nr. 92/96/EEG van de Raad van Europese
Gemeenschappen van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke
en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf
en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (PbEG L 360),
naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld). Deze richtlijnen
beogen de voorwaarden te scheppen voor de daadwerkelijke totstandkoming van
de interne verzekeringsmarkt. De inwerkingtreding van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993 noopt tot de wijziging van artikel 2.
Met deze wijziging wordt het artikel in overeenstemming gebracht met het
bij bovengenoemde richtlijnen geïntroduceerde een-vergunningen-beginsel.
Dit beginsel gaat uit van de gelijkwaardigheid van het overheidstoezicht op
de uitoefening van het verzekeringsbedrijf in de verschillende lid-staten.
Communautaire verzekeraars, dat wil zeggen verzekeraars die hun zetel
hebben in één van de andere lid-staten, kunnen, zowel in het
kader van vestiging als dienstverrichting, in Nederland een aansprakelijkheidsverzekering
aanbieden; zowel vanuit een vestiging binnen als een bijkantoor buiten de
Europese Unie omdat zij onder toezicht staan van een overheid uit een andere
lid-staat. Dit geldt ook voor non-communautaire verzekeraars met een bijkantoor
in een andere lid-staat, die van daaruit op de Nederlandse verzekeringsmarkt
een aansprakelijkheidsverzekering voor jagers aanbieden. Ook zij staan immers
onder toezicht van een lid-staat. Ook dergelijke verzekeraars dienen in deze
gevallen in de gelegenheid te worden gesteld op deze markt te opereren. Dit
geldt echter niet voor non-communautaire verzekeraars die niet via een bijkantoor
binnen de Europese Unie opereren.
De onderhavige wijziging strekt tevens tot verhoging van de minimaal verplicht
verzekerde som. Over deze verhoging is advies gevraagd aan de Verzekeringskamer.
De Verzekeringskamer heeft hierover overleg gevoerd met het Verbond van Verzekeraars,
het Ministerie van Financiën en Rollins Hudig Hall.
De Afdelingscommissie Algemene Aansprakelijkheid van het Verbond van Verzekeraars
adviseerde het bedrag waarboven de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt
te verhogen tot tenminste f 1 000 000,–. Zij heeft geen
bezwaar tegen een verhoging van dit bedrag tot f 2 000 000,–
à f 2 500 000,–. De Verzekeringskamer sluit zich
hierbij aan. Zij sluit zich eveneens aan bij de visie van de verzekeringsmakelaar
Rollins Hudig Hall dat een verhoging van het verzekerd bedrag tot f 2 000 000,–
à f 2 500 000,– een verantwoorde keus is.
Gelet op de grote in het geding zijnde belangen van de gelaedeerde bij
letselschades, gelet op de relatief geringe gevolgen in de premiesfeer van
een verhoging van het te verzekeren bedrag en gezien het advies van de Verzekeringskamer
heb ik de hoogte van het bedrag waarboven de verzekeringsplicht zich niet
uitstrekt vastgesteld op f 2 000 000,–.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J. J. van Aartsen
XNoot
1Stb. 1978, 117; gewijzigd bij Besluit van 7 april 1994 (Stb. 265).
XHistnoot
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat
het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.