Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 1996, 369Wet

Wet van 4 juli 1996 tot wijziging van de Algemene nabestaandenwet (wijziging overgangsrecht alsmede enkele technische aanpassingen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene nabestaandenwet te wijzigen met het oog op een inkomensbescherming van diegenen die reeds voor inwerkingtreding van die wet recht hadden op uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet en die inkomen in verband met arbeid ontvangen en overigens die wet op een aantal andere punten te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING ALGEMENE NABESTAANDENWET

De >Algemene nabestaandenwet1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 worden de onderdelen f en g geletterd g en h en wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

f. halfwees: een ongehuwd kind, van wie de vader of de moeder is overleden en van wie die vader of moeder op de dag van overlijden verzekerd was op grond van deze wet en die als gevolg van dat overlijden nog één overlevende ouder heeft;

B

In artikel 2, tweede lid, wordt na «eerste lid, onderdelen b en d,» ingevoegd: met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

C

In artikel 5, eerste lid, wordt na «In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt» ingevoegd: voor het recht op nabestaandenuitkering.

D

Aan artikel 14 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Voor de nabestaande die op de dag van overlijden van de verzekerde niet voldoet aan de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, omdat het kind op het moment van overlijden tot het huishouden van een ander behoort, gaat het recht op nabestaandenuitkering in op de eerste dag van de maand waarin hij als gevolg van het overlijden wel aan die voorwaarde voldoet.

E

In artikel 17, tweede lid, wordt «De netto-nabestaandenuitkering van de nabestaande» vervangen door: De bruto-nabestaandenuitkering van de nabestaande.

F

Van artikel 19 vervalt het tweede lid en de aanduiding 1. voor de tekst van het artikel.

G

Artikel 22 wordt vervangen door:

Artikel 22

  • 1. Recht op halfwezenuitkering heeft de nabestaande die een halfwees heeft, jonger dan 18 jaar, die niet tot het huishouden van een ander behoort.

  • 2. Voor de toepassing van deze paragraaf en paragraaf 4 van deze afdeling wordt, in afwijking van hoofdstuk 1, onder de nabestaande verstaan: de ouder van een halfwees of de persoon die als ware hij ouder zorg draagt voor een halfwees, die tot zijn huishouden behoort.

  • 3. Het recht op halfwezenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand waarin aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt voldaan.

  • 4. Ten aanzien van het overlijden van de vader of de moeder van een of meer kinderen, bestaat per huishouding slechts recht op één halfwezenuitkering ten aanzien van dit kind of deze kinderen voor één nabestaande. In geval sprake is van meer dan een nabestaande binnen één huishouding, die een aanvraag doen voor een halfwezenuitkering ten aanzien van dit kind of deze kinderen, bepaalt de Bank welke nabestaande in aanmerking komt voor het recht op halfwezenuitkering.

H

In artikel 24, eerste en derde lid, wordt «het kind» vervangen door: de halfwees.

I

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel b, wordt vervangen door:

b. een kind van 16 jaar of ouder, doch jonger dan 18 jaar, dat arbeidsongeschikt is en wiens arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden voortduurt, dan wel ten aanzien van wie aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden zal voortduren; of

2. Het derde lid wordt vervangen door:

  • 3. Het recht op wezenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand waarin aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt voldaan.

J

Artikel 32, eerste lid, wordt vervangen door:

  • 1. Indien de nabestaandenuitkering met toepassing van artikel 18 of artikel 67 wordt verminderd dan wel anderszins op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt op de vakantie-uitkering een evenredige vermindering toegepast dan wel de vakantie-uitkering evenredig verlaagd.

K

In artikel 57, tweede lid, wordt «bij of krachtens de artikelen 6, derde lid» vervangen door: bij of krachtens artikel 6, derde lid.

L

In hoofdstuk 8, overgangsbepalingen, wordt voor artikel 67 een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 66a

  • 1. Een persoon, wiens echtgenoot overlijdt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet, wordt aangemerkt als geboren voor 1 januari 1950.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een persoon uitsluitend als nabestaande aangemerkt, indien hij:

    a. is geboren op of na 1 januari 1950 en voor 1 juli 1956;

    b. op de dag van overlijden was gehuwd met de persoon die nadien is overleden, waarbij artikel 3, eerste lid, buiten toepassing blijft; en

    c. overigens ter zake van het overlijden van zijn echtgenoot, indien dat overlijden zou hebben plaatsgevonden op de dag voor inwerkingtreding van deze wet, recht zou hebben gehad op een weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet.

M

Artikel 67 wordt vervangen door:

Artikel 67

  • 1. Tot de dag met ingang waarvan hij een nieuw recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op een uitkering op grond van artikel 8 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een nabestaandenuitkering en halfwezenuitkering, met dien verstande dat:

    a. het recht op nabestaandenuitkering niet eindigt, wanneer de nabestaande niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b, zolang hij de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, indien hij:

    1°. 40 jaar of ouder is op de laatste dag van de maand, waarin de dag gelegen is met ingang waarvan hij niet aan de bedoelde voorwaarden voldoet, of

    2°. 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is op de laatste dag van de maand, waarin de dag gelegen is, met ingang waarvan hij anders dan in verband met artikel 5, derde lid, niet meer voldoet aan de voorwaarde voor het recht op uitkering overeenkomstig artikel 14, eerste lid, onderdeel a;

    b. inkomen, bestaande uit een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet op de nabestaandenuitkering in mindering wordt gebracht; en

    c. met ingang van 1 januari 1998 op de nabestaandenuitkering het overig inkomen in mindering wordt gebracht overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor personen, geboren voor 1 januari 1941, van de nabestaandenuitkering een bedrag gelijk aan 30% van het netto-minimumloon buiten aanmerking blijft.

  • 2. Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, buiten aanmerking gelaten een bedrag gelijk aan 50% van het bruto-minimumloon. Indien het inkomen geheel of mede bestaat uit inkomen uit arbeid en dat inkomen meer bedraagt dan 50% van het bruto-minimumloon, wordt naast het bedrag, bedoeld in de eerste zin, een derde gedeelte van dat meerdere buiten aanmerking gelaten.

  • 3. Van de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, eindigt de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998, met dien verstande dat, indien hij geboren is voor 1 januari 1941, het recht op nabestaandenuitkering niet eindigt, maar de nabestaandenuitkering met ingang van die datum wordt verminderd tot een bedrag van 30% van het netto-minimumloon, waarop in mindering wordt gebracht een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 4. Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, ontstaat, in geval van overlijden voor 1 januari 1998 van de persoon met wie hij sinds die dag deze gezamenlijke huishouding voert, geen recht op nabestaandenuitkering, noch op halfwezenuitkering indien zijn uitkering op de eerste dag van de kalendermaand onmiddellijk voorafgaand aan de dag van dat overlijden op grond van artikel 68 is vastgesteld.

  • 5. Tot 1 januari 1998 blijft voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, het besluit op grond van artikel 30a van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing, waarbij voor de vaststelling van de uitkering de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering worden samengeteld en als één uitkering worden beschouwd.

  • 6. Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet onder toepassing van een overeenkomst of een regeling inzake sociale zekerheid, die tussen Nederland en een of meer mogendheden van kracht is, recht had op een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, geldt tot 1 januari 1998 dat voor de vaststelling van de uitkering vanaf de dag van inwerkingtreding van deze wet de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering worden samengeteld en als één uitkering worden beschouwd.

  • 7. Voor de toepassing van de Wet beperking samenloop van uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met uitkeringen en renten op grond van de Ongevallenwet 1921 wordt een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet als een uitkering op grond van deze wet in aanmerking genomen, met dien verstande, dat voor het bepalen van de rente op grond van de Ongevallenwet 1921 die tot uitbetaling komt, artikel 18 buiten aanmerking blijft.

  • 8. Bij ministeriële regeling kunnen voor situaties waarin dit artikel niet of onvoldoende voorziet dan wel toepassing van dit artikel tot onredelijke resultaten leidt nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid.

N

Artikel 68 wordt vervangen door:

Artikel 68

  • 1. Voor de nabestaande, bedoeld in artikel 67, die een kind heeft jonger dan 18 jaar wordt de bruto-nabestaandenuitkering in combinatie met de halfwezenuitkering vanaf de eerste dag van de inwerkingtreding van deze wet zodanig vastgesteld, dat na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen naar tariefgroep 4 en de in te houden procentuele premie op grond van de Ziekenfondswet, de netto-nabestaandenuitkering in combinatie met de netto-halfwezenuitkering gelijk is aan 100% van het netto-minimumloon, zoals dat geldt op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet.

  • 2. Het eerste lid vervalt met ingang van de dag waarop de toepassing van dat lid leidt tot een lager bedrag dan dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 17, eerste lid en artikel 25.

O

Artikel 69 wordt vervangen door:

Artikel 69

  • 1. Tot de dag met ingang waarvan hij een nieuw recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van deze wet behoudt de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op een tijdelijke uitkering op grond van artikel 13 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet deze uitkering voor de nog resterende periode, die is vastgesteld op grond van dit artikel van de Algemene Weduwen- en Wezenwet.

  • 2. De persoon, bedoeld in het eerste lid, heeft, onverminderd het eerste lid, recht op nabestaandenuitkering vanaf de eerste dag van de maand volgend op de eindiging van zijn tijdelijke uitkering op grond van artikel 13 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet indien hij op de laatste dag van de periode waarover hem deze tijdelijke uitkering is toegekend arbeidsongeschikt is en van wie aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden na deze dag zal voortduren.

P

Aan artikel 71 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Van de persoon, bedoeld in dit artikel, die recht heeft op uitkering op grond van artikel 26, tweede lid, onderdeel c, en die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, eindigt de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998.

Q

Artikel 72 wordt vervangen door:

Artikel 72

Artikel 68 is van overeenkomstige toepassing op de vakantie-uitkering, die op grond van artikel 31 wordt vastgesteld.

R

In artikel 84, onderdeel E, wordt de punt aan het einde van artikel 38, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet vervangen door een komma en wordt toegevoegd: tenzij voor laatstgenoemde datum het recht op nabestaandenuitkering is geëindigd. In dat geval heeft de persoon, bedoeld in het eerste lid, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van de dag waarop de nabestaandenuitkering is geëindigd.

S

In artikel 101 wordt de zinsnede «Tot het tijdstip waarop artikel I, onderdeel C, van het bij koninklijke boodschap van 18 juli 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en enkele andere wetten (24 258) in werking treedt» vervangen door: Tot het tijdstip waarop artikel I, onderdeel D, van de Wet van 21 december 1995 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en enkele andere wetten in werking treedt.

T

In artikel 106, derde lid, wordt «34f» vervangen door: 37f.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking op de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij is geplaatst. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst wordt uitgegeven na 1 juli 1996, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 juli 1996.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 4 juli 1996

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Uitgegeven de negende juli 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1995, 690, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 1996, Stb. 248.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1995/96, 24 693.

Handelingen II 1995/96, zie vergadering d.d. 27 juni 1996.

Kamerstukken I 1995/96, 24 693 (312, 312a).

Handelingen I 1995/96, zie vergadering d.d. 2 juli 1996.