Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 1996, 367Wet

Wet van 3 april 1996, houdende hernieuwde vaststelling van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag ter aanpassing aan de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de totstandkoming van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden wenselijk is de regels met betrekking tot buitengewone bevoegdheden van burgerlijk gezag opnieuw vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

  • 1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 5, 6, 7, 8, eerste en derde lid, 9, eerste, tweede, derde en vijfde lid, en 10 gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.

  • 2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij het in het eerste lid bedoelde besluit in werking gestelde bepalingen.

  • 3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

  • 4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

  • 5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

  • 6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 2

Zo spoedig mogelijk na het moment waarop bepalingen uit hoofdstuk II buiten werking zijn gesteld, dan wel het moment waarop de werking van deze bepalingen van rechtswege is geëindigd, wordt van Onzentwege aan de beide kamers der Staten-Generaal mededeling gedaan van hetgeen is verricht ingevolge de bevoegdheden die in die bepalingen zijn gegeven.

Artikel 3

De bevoegdheden die deze wet aan organen van burgerlijk gezag toekent, worden slechts uitgeoefend voor zover dit met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid naar het oordeel van die organen geboden is.

Artikel 4

Onder maatregel wordt in deze wet begrepen een voorschrift, een beslissing alsmede de buitenwerkingstelling van een zodanige maatregel of een daarin aangebrachte wijziging.

HOOFDSTUK II. BUITENGEWONE BEVOEGDHEDEN

Artikel 5

  • 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken, de commissaris van de Koning en de burgemeester zijn bevoegd, indien kennis daarvan naar hun oordeel voor de uitoefening van de in dit hoofdstuk gegeven bevoegdheden noodzakelijk is, van een ieder inlichtingen te verlangen en inzage te vorderen van bescheiden alsmede van informatiedragers waarop gegevens zijn vastgelegd.

  • 2. Indien inzage als bedoeld in het eerste lid is gevorderd, kunnen zij teneinde afschriften te maken voor korte tijd afgifte vorderen dan wel schriftelijke vastlegging en afgifte vorderen.

  • 3. Een ieder is verplicht de op grond van het eerste lid verlangde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken en de op grond van dat lid gevorderde inzage alsmede de op grond van het tweede lid gevorderde afgifte dan wel schriftelijke vastlegging en afgifte te verlenen.

  • 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken, de commissaris van de Koning dan wel de burgemeester bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn de in het derde lid bedoelde verplichting moet worden nagekomen.

  • 5. Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in hun hoedanigheid is toevertrouwd. Zij kunnen voorts het verlenen van inzage van bescheiden en gegevens, alsmede het verlenen van medewerking weigeren, voor zover hun geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.

Artikel 6

  • 1. De commissaris van de Koning en de burgemeester handelen bij de uitoefening van hun bevoegdheden die betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde en veiligheid, in overeenstemming met de aanwijzingen van Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

  • 2. De burgemeester handelt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden die betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde en veiligheid, mede in overeenstemming met de aanwijzingen van de commissaris van de Koning.

  • 3. Bij twijfel of de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn uitgeoefend in overeenstemming met de aanwijzingen van Onze voornoemde Minister en van de commissaris van de Koning, verbinden de maatregelen, genomen krachtens die bevoegdheden, totdat zij zijn ingetrokken.

  • 4. Ten aanzien van de voorschriften die op de voet van dit artikel zijn uitgevaardigd, blijft artikel 176, derde tot en met zesde lid, van de Gemeentewet buiten toepassing.

Artikel 7

  • 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd te voorzien in de uitoefening van de bevoegdheden van de commissaris van de Koning en de burgemeester die betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde en veiligheid, door die uitoefening geheel of ten dele aan zich te trekken dan wel daarmee geheel of ten dele een ander orgaan van burgerlijk gezag te belasten.

  • 2. Indien Onze voornoemde Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, gebruik maakt, brengt hij dit terstond ter algemene kennis. Artikel 176, derde tot en met zesde lid, van de Gemeentewet blijft in dat geval buiten toepassing.

Artikel 8

  • 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en de commissaris van de Koning zijn bevoegd het vertoeven in de open lucht te beperken.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd in spoedeisende gevallen regels te geven waarbij wordt afgeweken van de regels, bedoeld in het tweede lid, of deze buiten werking worden gesteld. De door Onze voornoemde Minister gegeven regels worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.

Artikel 9

  • 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en de commissaris van de Koning zijn bevoegd aan personen ten aanzien van wie ernstig vermoeden bestaat dat zij de openbare orde en veiligheid in gevaar zullen brengen, te bevelen een gebied te verlaten of te verbieden zich daarheen te begeven of daarin terug te keren.

  • 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd aan degene op wie het eerste lid is toegepast, een tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van het levensonderhoud van hem en van degenen in wier onderhoud hij voorziet.

  • 3. Indien iemand ingevolge het eerste lid niet in zijn woonplaats kan verblijven, is Onze Minister van Binnenlandse Zaken bevoegd hem op diens verzoek onderdak, verzorging en verpleging voor rekening van het Rijk te verschaffen.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd in spoedeisende gevallen regels te geven waarbij wordt afgeweken van de regels, bedoeld in het vierde lid, of deze buiten werking worden gesteld. De door Onze voornoemde Minister gegeven regels worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.

Artikel 10

  • 1. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie kunnen de artikelen 54 tot en met 57 van de Politiewet 1993 gezamenlijk of afzonderlijk voor het gehele land of een gedeelte daarvan buiten werking stellen.

  • 2. Onze voornoemde Ministers treffen de nodige voorzieningen met betrekking tot de bijstand van de politie voor het geval dat op grond van het eerste lid bepalingen van de Politiewet 1993 buiten werking worden gesteld.

  • 3. Voor zover deze voorzieningen betrekking hebben op bijstand van de politie gedurende situaties waarin op grond van artikel 7, eerste lid, of 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden bepalingen uit de Oorlogswet voor Nederland in werking zijn, geschiedt het treffen van deze voorzieningen in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.

Artikel 11

  • 1. De burgemeester is bevoegd te bepalen dat geen samenkomsten of vergaderingen op openbare plaatsen, geen samenkomsten of vergaderingen van meer dan tien personen op andere dan openbare plaatsen of geen betogingen zullen worden gehouden dan met zijn schriftelijke vergunning.

  • 2. Aan de vergunning kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden.

  • 3. Elke samenkomst, vergadering of betoging gaat, ook indien voor het houden daarvan vergunning is gegeven, op door of namens de burgemeester gedane vordering terstond uiteen.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op andere dan openbare plaatsen.

Artikel 12

Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd de vertoning in het openbaar, dan wel in tegenwoordigheid van meer dan tien personen van alle, dan wel van door Onze voornoemde Minister niet met name toegelaten films voor een door hem daarbij te bepalen tijdsduur te verbieden.

Artikel 13

  • 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd beperkende bepalingen vast te stellen omtrent het vervaardigen, uitgeven, voorhanden hebben, verspreiden, aanbrengen of in de handel brengen van geschriften, opschriften, tekeningen of afbeeldingen. Hij kan een en ander ten aanzien van bepaalde geschriften, opschriften, tekeningen of afbeeldingen geheel verbieden.

  • 2. De daartoe strekkende regelingen van Onze voornoemde Minister worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.

Artikel 14

  • 1. De autoriteiten die daartoe door Onze Minister van Binnenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Minister van Justitie zijn aangewezen, zijn bevoegd elk aan de post of aan andere instellingen van vervoer of aan een inrichting van telecommunicatie toevertrouwd stuk of bericht in beslag te nemen, af te luisteren of op te nemen, te onderzoeken, achter te houden, geheel of gedeeltelijk te vernietigen, te wijzigen, onleesbaar te maken of te verhinderen dat het zijn bestemming bereikt.

  • 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken geeft in overeenstemming met Onze Minister van Justitie nadere regels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 15

  • 1. De burgemeester is bevoegd een ieder aan zijn kleding en degene die de openbare orde en veiligheid verstoort of ten aanzien van wie een gegrond vermoeden bestaat dat hij zich daaraan schuldig zal maken, ook aan zijn lichaam te onderzoeken.

  • 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken geeft in overeenstemming met Onze Minister van Justitie nadere regels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien een of meer van de artikelen 9 tot en met 53 van de Oorlogswet voor Nederland in werking zijn gesteld, wordt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geen gebruik gemaakt jegens militairen.

Artikel 16

  • 1. De burgemeester is bevoegd alle plaatsen, ook tegen de wil van de rechthebbende, te betreden dan wel door ambtenaren van politie of buitengewone opsporingsambtenaren te doen betreden en aldaar onderzoek of huiszoeking te verrichten of door die ambtenaren te doen verrichten, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zo nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm.

  • 2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd zich bij het betreden door andere personen te doen vergezellen.

  • 3. Een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden kan worden gegeven voor een groter aantal woningen dan bedoeld in artikel 5, eerste lid, van die wet. Het verslag, bedoeld in artikel 10 van de Algemene wet op het binnentreden, wordt mede toegezonden aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

  • 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken geeft in overeenstemming met Onze Minister van Justitie nadere regels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 17

  • 1. De autoriteiten die daartoe door Onze Minister van Binnenlandse Zaken zijn aangewezen, zijn bevoegd alle voorwerpen ten aanzien waarvan ernstig vermoeden bestaat dat zij zullen dienen tot verstoring van de openbare orde en veiligheid, of waaruit aanwijzingen kunnen worden verkregen omtrent een mogelijke verstoring van de openbare orde, te onderzoeken, in beslag te nemen, dan wel het gebruik daarvan te beperken of geheel te verbieden.

  • 2. Van elke inbeslagneming wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal, dat mede de redenen van de inbeslagneming vermeldt, wordt binnen tweemaal vierentwintig uren aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en aan de belanghebbende in afschrift medegedeeld, voor zover mededeling aan de belanghebbende niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van de staat. Voorts wordt van elke beperking en elk verbod aan Onze voornoemde Minister onverwijld kennis gegeven, onder opgave van de redenen die tot deze maatregel hebben geleid.

  • 3. Tegen elke inbeslagneming, elke beperking of elk verbod kan door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Onze Minister beslist hierop zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht weken.

  • 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken geeft in overeenstemming met Onze Minister van Justitie nadere regels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 18

  • 1. Indien de omstandigheden die tot de afkondiging van de algemene noodtoestand hebben geleid, een bedreiging voor het volksbestaan inhouden, zijn Onze Minister van Binnenlandse Zaken en, indien onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, de commissaris van de Koning bevoegd iedere persoon ten aanzien van wie gegrond vermoeden bestaat dat hij de openbare orde en veiligheid in gevaar zal brengen, te interneren.

  • 2. De geïnterneerde wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de redenen van zijn internering, voor zover het belang van de staat zich hiertegen niet verzet, en wordt hierover zo mogelijk gehoord. Van elke internering wordt proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal, dat mede de redenen van de internering vermeldt, wordt de verklaring van de geïnterneerde of de reden van het ontbreken daarvan opgenomen.

  • 3. Het proces-verbaal wordt binnen tweemaal vierentwintig uren in afschrift toegezonden aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, aan de rechtbank van de plaats waar de geïnterneerde geïnterneerd is, en aan de geïnterneerde. Voor zover mededeling van de redenen van de internering aan de geïnterneerde strijdig wordt geoordeeld met het belang van de staat, worden deze in het voor hem bestemde afschrift niet opgenomen. Bij de toezending van het afschrift aan de geïnterneerde wordt mededeling gedaan van het recht een verzoekschrift overeenkomstig artikel 19 in te dienen en toevoeging van een raadsman te verzoeken.

  • 4. Op verzoek van de rechtbank zendt Onze Minister van Binnenlandse Zaken haar alle ter zake dienende stukken en verschaft hij haar mondeling alle gevraagde inlichtingen. Onze voornoemde Minister is bevoegd bij het verschaffen van schriftelijke en mondelinge gegevens te bepalen dat het belang van de staat zich verzet tegen kennisneming daarvan door anderen dan de rechtbank.

  • 5. Op verzoek van de geïnterneerde wordt hem een raadsman toegevoegd. De artikelen 37, 38, 45, 46, 48, 49 en 50, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 6. De geïnterneerde heeft recht op kennisneming van de processtukken, behoudens voor zover het bepaalde in de laatste volzin van het vierde lid toepassing heeft gevonden.

Artikel 19

  • 1. De geïnterneerde kan de in artikel 18, derde lid, bedoelde rechtbank schriftelijk verzoeken te beslissen over de rechtmatigheid van de internering en zijn invrijheidstelling te gelasten. De rechtbank hoort hem zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand na de indiening van het verzoekschrift.

  • 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken wordt in de gelegenheid gesteld de redenen van de internering nader toe te lichten.

  • 3. De rechtbank kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de geïnterneerde of van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, bepaalde personen als getuige of deskundige oproepen. Zij kan zonodig tolken oproepen. Een verzoek tot het horen van bepaalde getuigen of deskundigen kan slechts bij gemotiveerde beslissing worden afgewezen.

  • 4. De oproepingen geschieden door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechtbank een andere wijze van oproepen beveelt.

  • 5. De rechtbank kan bevelen dat getuigen, deskundigen of tolken die, hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor haar worden gebracht om aan hun verplichtingen te voldoen.

  • 6. Een ieder is verplicht, daartoe op wettige wijze opgeroepen, getuigenis af te leggen. Van deze verplichting kunnen zich verschonen:

    a. de bloed- of aanverwanten van de geïnterneerde in de rechte lijn, de bloed- of aanverwanten van de geïnterneerde in de zijlijn tot de derde graad ingesloten en de echtgenoot of vroegere echtgenoot van de geïnterneerde;

    b. zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.

  • 7. De getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf, of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn tot de derde graad ingesloten of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.

  • 8. De rechtbank kan bevelen dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het afleggen van een eed of belofte. De getuige legt in dat geval in handen van de voorzitter de eed of belofte af dat hij de waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.

  • 9. Getuigen, deskundigen en tolken, opgeroepen ingevolge het derde lid, ontvangen desverlangd voor reis- en verblijfkosten alsmede wegens tijdverzuim en daarmee verband houdende noodzakelijke kosten, een vergoeding uit 's Rijks kas overeenkomstig het bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde.

  • 10. De behandeling geschiedt ter openbare terechtziting, maar de rechtbank kan gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen in het belang van de openbare orde of 's lands veiligheid, of ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de geïnterneerde. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

  • 11. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk op het verzoekschrift, doch uiterlijk binnen twee maanden na de indiening daarvan. Deze termijn kan met ten hoogste een maand worden verlengd. De beschikking van de rechtbank is met redenen omkleed, behoudens voor zover het belang van de staat zich tegen vermelding van deze redenen verzet. Indien de rechtbank de internering onrechtmatig oordeelt, gelast zij de onmiddellijke invrijheidstelling.

  • 12. De griffier verzendt terstond een afschrift van de beschikking aan de geïnterneerde en aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken. De aan de geïnterneerde en aan de Minister gezonden afschriften van de beschikking vermelden de datum van verzending.

Artikel 20

De rechtbank is bevoegd een verzoekschrift niet in behandeling te nemen, indien binnen twee maanden voorafgaand aan de indiening op een eerder verzoekschrift ter zake van dezelfde internering is beslist, tenzij uit het latere verzoekschrift blijkt van nieuwe feiten of omstandigheden.

Artikel 21

  • 1. De rechtbank is bevoegd ambtshalve te beslissen over de rechtmatigheid van een internering.

  • 2. Daartoe hoort zij de geïnterneerde en stelt zij Onze Minister van Binnenlandse Zaken in de gelegenheid de redenen van de internering nader toe te lichten.

  • 3. Artikel 19, derde tot en met twaalfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22

  • 1. Tegen een beslissing van de rechtbank genomen op grond van artikel 19, elfde lid, of artikel 21, eerste lid, kan binnen twee maanden na verzending van de beschikking beroep in cassatie worden ingesteld door de geïnterneerde en Onze Minister van Binnenlandse Zaken. De artikelen 426a tot en met 429 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op de behandeling van dit beroep van toepassing.

  • 2. Tegen een afwijzende beslissing ingevolge artikel 19, derde lid, staat beroep in cassatie slechts open gelijktijdig met dat tegen een in het eerste lid bedoelde beslissing.

Artikel 23

In het bestuur van de goederen van de geïnterneerde en het waarnemen van diens belangen wordt zonodig voorzien op de wijze voorgeschreven in afdeling 1 van titel 18 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Te dien einde wordt aan de officier van justitie bij de rechtbank van de woonplaats van de geïnterneerde onverwijld kennis gegeven van de internering. Artikel 9, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24

  • 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, waar de internering geschiedt.

  • 2. Onze Minister van Justitie is belast met het beheer van de inrichtingen alwaar de internering geschiedt, alsmede met de zorg voor de geïnterneerden.

Artikel 25

Onverminderd de artikelen 19, 21 en 22 wordt een geïnterneerde in vrijheid gesteld, zodra dit naar het oordeel van Onze Minister van Binnenlandse Zaken mogelijk is.

Artikel 26

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 18, eerste lid.

  • 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd in spoedeisende gevallen, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, regels te geven waarbij wordt afgeweken van de regels, bedoeld in het eerste lid, of deze buiten werking worden gesteld. De door Onze Minister gegeven regels worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.

Artikel 27

In zaken betreffende een verzoek als bedoeld in artikel 19, eerste lid, en betreffende beroep in cassatie als bedoeld in artikel 22 is geen recht ingevolge de Wet tarieven in burgerlijke zaken verschuldigd.

Artikel 28

  • 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan, indien bij nader onderzoek blijkt dat een internering ten onrechte heeft plaatsgevonden, op verzoek van een gewezen geïnterneerde of diens erfgenamen naar billijkheid een geldelijke tegemoetkoming toekennen voor de schade die de gewezen geïnterneerde als onmiddellijk gevolg van de internering heeft geleden.

  • 2. Het daartoe strekkend verzoek wordt slechts in behandeling genomen, indien het is ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de invrijheidstelling of het overlijden tijdens de internering heeft plaatsgevonden.

HOOFDSTUK III. DWANG- EN STRAFBEPALINGEN

Artikel 29

  • 1. De autoriteiten die met de uitoefening van enige in deze wet genoemde bevoegdheid zijn belast, kunnen wegnemen, beletten, verrichten of in de vorige toestand herstellen hetgeen in strijd met een van haar maatregelen is of wordt gedaan of nagelaten. Dit geschiedt op kosten van de overtreders, tenzij de overtreding buiten hun schuld plaatsvond.

  • 2. De schuldenaar wordt door een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen ambtenaar bij gedagtekende brief uitgenodigd de verschuldigde kosten te betalen binnen de door de in het eerste lid bedoelde autoriteiten vastgestelde termijn.

  • 3. Indien de schuldenaar niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ambtenaar hem schriftelijk aan om alsnog binnen tien dagen na de dagtekening van de aanmaning te betalen.

  • 4. Indien de schuldenaar na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering van de verschuldigde kosten en de aanmaningskosten geschieden bij een door de ambtenaar uit te vaardigen dwangbevel.

  • 5. De betekening en de tenuitvoerlegging van een dwangbevel geschieden door de zorg van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, en door de belastingdeurwaarder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van die wet met toepassing van de artikelen 13 en 14 van die wet.

  • 6. Zolang de ontvanger met de zorg voor de invordering is belast, kan hij een vordering doen op grond van artikel 19 van de Invorderingswet 1990 alsmede verrekenen op grond van artikel 24 van die wet.

  • 7. De ontvanger kan zolang hij met de zorg voor de invordering is belast onder door hem te stellen voorwaarden aan een schuldenaar voor een bepaalde tijd schriftelijk uitstel van betaling verlenen. Gedurende het uitstel wordt de dwanginvordering geschorst. Het uitstel kan tussentijds schriftelijk worden beëindigd.

  • 8. Met betrekking tot het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is artikel 17 van de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in dat artikel voor de «ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd» telkens moet worden gelezen: de met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel belaste ontvanger.

  • 9. De kosten van aanmaning en van verdere vervolging worden berekend op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. De artikelen 6 en 7 van de Invorderingswet 1990 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30

  • 1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

    a. hij die in strijd handelt met een verbod als bedoeld in artikel 12;

    b. hij die in strijd handelt met een beperking, bevel of verbod als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, en 9, eerste lid;

    c. hij die in strijd handelt met een beperking of een verbod als bedoeld in artikel 17, eerste lid;

    d. hij die in strijd handelt met een bepaling of een verbod als bedoeld in artikel 13;

    e. hij die in strijd handelt met een bepaling of een verbod als bedoeld in het eerste lid van artikel 11, of een voorwaarde als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, niet nakomt.

  • 2. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk in strijd handelt met een bevel of verbod als bedoeld in artikel 9.

  • 3. De feiten, in het eerste lid strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen, die in het tweede lid strafbaar gesteld, als misdrijven.

Artikel 31

Indien de misdrijven, bedoeld in de artikelen 131, 132, 138, 139, 141, 143, 179 tot en met 182, 184, 186 en 187 van het Wetboek van Strafrecht worden begaan gedurende de beperkte of de algemene noodtoestand, kunnen de bij die artikelen gestelde gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd en kan de naasthogere categorie geldboete worden opgelegd.

Artikel 32

  • 1. Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit hebben de opsporingsambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

  • 2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd zich bij het betreden door andere personen te doen vergezellen.

HOOFDSTUK IV. SLOTBEPALINGEN

Artikel 33

In artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering1 wordt «artikel 27, tweede lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag;» vervangen door: artikel 30, tweede lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag;.

Artikel 34

De Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Stb. 1952, 361) wordt ingetrokken.

Artikel 35

Deze wet treedt, met uitzondering van de artikelen 5, 6, 7, 8, eerste en derde lid, 9, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 10 tot en met 13, 14, eerste lid, 15, eerste en derde lid, 16, eerste, tweede en derde lid, 17, eerste, tweede en derde lid, 18 tot en met 25, 26, tweede lid, 27 en 28 in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 36

Deze wet wordt aangehaald als: Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 3 april 1996

Beatrix

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

W. Kok

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Uitgegeven de negende juli 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 320.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1993/94, 1994/95, 23 789.

Handelingen II 1994/95, blz. 5833–5855; 5955.

Kamerstukken I 1995/96, 23 789 (4, 30a, 30b).

Handelingen I 1995/96, blz. 1387.