Besluit van 12 juni 1996 tot vaststelling van bedragen
ingevolge de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning
tot verblijf
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli
1995, nr. DCM95/1231;
Gelet op de artikelen 12 en 24, eerste lid, van de Wet gemeentelijke
zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf;
De Raad van State gehoord (advies van 21 augustus 1995, nr. W0.4.95.0426);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van
5 juni 1996, nr. CIM96/1010;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
De bedragen, bedoeld in artikel 12 van de Wet gemeentelijke zorg voor
houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, worden vastgesteld
op:
a. f 410,– aan de vergunninghouder van 18 jaar of ouder;
b. f 125,– ten behoeve van de vergunninghouder jonger dan 18 jaar,
indien voor deze geen kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet
wordt ontvangen.
Artikel 2
De bedragen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet gemeentelijke
zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, worden
vastgesteld op:
a. f 1 160,– voor een vergunninghouder van 18 jaar of ouder;
b. f 425,– voor een vergunninghouder jonger dan 18 jaar.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1
juli 1995.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.
histnoot's-Gravenhage, 12 juni 1996
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal
Uitgegeven de tweede juli 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA VAN TOELICHTING
ALGEMEEN
Gemeenten hebben sinds 1 juli 1995 ingevolge de Wet gemeentelijke zorg
voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Stb. 1995, 158)
een zorgplicht voor de vergunninghouders die op basis van de wettelijke taakstelling
worden gehuisvest dan wel waarvan de zorg op basis van onderlinge overeenstemming
is overgenomen van een andere gemeente.
In deze algemene maatregel van bestuur wordt de hoogte vastgesteld van
de bedragen die vergunninghouders van 18 jaar en ouder resp. jonger dan 18
jaar ingevolge artikel 12 van de wet van de gemeente ontvangen voor persoonlijke
uitgaven. Tevens wordt de hoogte van de rijksvergoedingen vastgesteld die
de gemeenten ingevolge artikel 24, eerste lid, van de wet maandelijks ontvangen
om aan hun zorgplicht jegens de vergunninghouders te kunnen voldoen.
ARTIKELSGEWIJS
Artikel 1
Voor de hoogte van het bedrag voor persoonlijke uitgaven die vergunninghouders
ingevolge artikel 12 van de wet van de gemeente ontvangen, wordt een onderscheid
gemaakt naar leeftijd zonder onderscheid naar leefsituatie.
Voor vergunninghouders van 18 jaar en ouder geldt een bedrag van f 410
per persoon per maand. Voor vergunninghouders jonger dan 18 jaar wordt een
bedrag verstrekt van f 125 per persoon per maand. Dit bedrag wordt verstrekt
zolang geen aanspraak bestaat op kinderbijslag, ongeacht of deze kinderbijslag
door de vergunninghouder zelf wordt ontvangen of door een ander.
In de situatie dat de gemeente pas in de loop van de maand de zorg voor
een vergunninghouder krijgt, wordt de persoonlijke toelage vastgesteld naar
rato van het aantal dagen dat de vergunninghouder in de gemeente verblijft.
De bedragen voor persoonlijke uitgaven worden netto uitgekeerd.
Artikel 2
In dit artikel wordt de hoogte van de rijksvergoeding geregeld die gemeenten
ingevolge artikel 24, eerste lid, van de wet maandelijks ontvangen om de zorg
te verlenen aan vergunninghouders, waarvoor de gemeente een zorgplicht heeft.
Het gaat hier om een forfaitair bedrag waaruit gemeenten alle kosten die voortvloeien
uit de zorgplicht moeten dekken.
Bij de vergoeding wordt een onderscheid gemaakt naar de vergoeding voor
vergunninghouders 18 jaar en ouder en die voor vergunninghouders van jonger
dan 18 jaar. Met het verschil in vergoeding wordt het feitelijke kostenverschil
tussen deze twee categorieën tot uitdrukking gebracht.
Artikel 3
De bij deze maatregel vastgestelde bedragen waren aanvankelijk in de wet
zelf opgenomen. Kort na de totstandkoming van de wet is ervoor gekozen de
wet te wijzigen om vaststelling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
mogelijk te maken. Omdat bij de onderhavige vaststelling tevens
een van de bedragen is gewijzigd wordt aan het besluit terugwerkende kracht
verleend tot de datum waarop de wettelijke zorgplicht is ingegaan.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal
XHistnoot
Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 augustus 1996, nr.
154.