Besluit van 24 mei 1996, houdende het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 25 september 1995, nr DGVgz/VVP/L 952051, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op artikel 4, eerste lid, onder a en b, artikel 5, eerste lid, onder c, en artikel 8, onder a en c, van de Warenwet;

Gezien het advies van de Voedingsraad van 11 november 1993, nummer 931111/01 en het advies van de Adviescommissie Warenwet van 27 juni 1995 met nummer 14877/(2/3)5;

De Raad van State gehoord (advies van 22 januari 1996, nummer W13.95.0530);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 mei 1996, nummer GZB/VVB 96543, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1: algemene bepalingen

Artikel 1

  • 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

    a. micro-voedingsstoffen: voedingsstoffen die onmisbaar zijn voor het functioneren van het menselijk organisme, waarin dat organisme niet zelf kan voorzien en die in kleine hoeveelheden geconsumeerd moeten worden;

    b. verrijkte eet- of drinkwaar: een eet- of drinkwaar waaraan een of meer micro-voedingsstoffen zijn toegevoegd, maar die niet tot hoofddoel heeft het leveren van micro-voedingsstoffen;

    c. substitutie-produkt: een verrijkte eet- of drinkwaar:

    – die een bestaande waar beoogt te vervangen, en ten aanzien van uiterlijk, consistentie, smaak, kleur, geur en gebruiksdoel zoveel mogelijk overeenkomt met de te vervangen eet- of drinkwaar; en

    – waaraan één of meer micro-voedingsstoffen zijn toegevoegd tot ten hoogste de gehaltes waarin die stoffen van nature aanwezig zijn in de te vervangen eet- of drinkwaar;

    d. gerestaureerde eet- of drinkwaar: een verrijkte eet- of drinkwaar:

    – die bereid is volgens de richtlijnen van goede produktiepraktijken; en

    – waaraan één of meer micro-voedingsstoffen zijn toegevoegd tot de gehaltes waarin zij vóór de bereiding van nature aanwezig waren in het eetbare deel van de waar of in de eetbare delen van de grondstoffen voor de waar, maar die na of tijdens de bereiding daaruit zijn verdwenen;

    e. aanbevolen dagelijkse hoeveelheid: de hoeveelheid micro-voedingsstof die per dag geconsumeerd moet worden om een gezonde voorziening van het menselijk organisme met die stof te verzekeren;

    f. redelijk geachte dagconsumptie: de totale hoeveelheid van een eet- of drinkwaar die doorgaans op een dag geconsumeerd wordt.

  • 2. Dit besluit is niet van toepassing op eet- of drinkwaren waaraan uitsluitend uit technologische overwegingen één of meer micro-voedingsstoffen zijn toegevoegd.

Artikel 2

  • 1. Het is verboden verrijkte eet- of drinkwaren te bereiden of te verhandelen, die niet voldoen aan de eisen, bij dit besluit gesteld met betrekking tot hun samenstelling.

  • 2. Het is verboden een verrijkte eet- of drinkwaar te bereiden, te behandelen, te verwerken, te verpakken, te bewaren of te vervoeren, voordat Onze Minister op de hoogte is gesteld van de bij dit besluit aangewezen gegevens betreffende de samenstelling van de waar.

  • 3. Het is verboden verrijkte eet- of drinkwaren te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften, bij dit besluit gesteld met betrekking tot hun aanduiding.

  • 4. Het is verboden verrijkte eet- of drinkwaren te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften bij dit besluit gesteld met betrekking tot het bezigen van vermeldingen of voorstellingen betreffende de aard, samenstelling en eigenschappen van de waar, en de uitwerking die de waar bij gebruik kan hebben op de gezondheid van de mens.

Artikel 3

In verrijkte eet- of drinkwaren zijn geen micro-voedingsstoffen aanwezig in hoeveelheden die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid.

§ 2: toevoegen van micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen

Artikel 4

Bij de bereiding van een verrijkte eet- of drinkwaar wordt geen gebruik gemaakt van andere dan de in bijlage 1 genoemde micro-voedingsstoffen.

Artikel 5

De micro-voedingsstoffen vitamine A in de vorm van retinoïden, vitamine D, foliumzuur, seleen, koper en zink worden uitsluitend toevoegd aan een verrijkte eet- of drinkwaar om van die waar een substitutie-produkt of een gerestaureerde eet- of drinkwaar te maken.

Artikel 6

  • 1. De in bijlage 2 genoemde vitamines en de in bijlage 3 genoemde mineralen worden slechts in zodanige hoeveelheden toegevoegd aan een verrijkte eet- of drinkwaar, dat het totaal aanwezige gehalte in een redelijk geachte dagconsumptie van die waar ten minste 15% en ten hoogste 100% van de in die bijlage vermelde aanbevolen dagelijkse hoeveelheid bedraagt.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde hoeveelheden zijn niet van toepassing voor zover het een substitutie-produkt of een gerestaureerde eet- of drinkwaar betreft.

Artikel 7

Ten aanzien van een verrijkte eet- of drinkwaar vindt voedingswaarde-etikettering plaats zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen. Bij deze voedingswaarde-etikettering wordt tevens een vermelding gebezigd van het gehalte van alle toegevoegde micro-voedingsstoffen, voor zover het geen substitutie-produkt of een gerestaureerde eet- of drinkwaar betreft.

Artikel 8

  • 1. Ten aanzien van een verrijkte eet- of drinkwaar wordt een bewering inzake de voedingswaarde zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen, uitsluitend gebezigd voor zover het betreft de toevoeging aan die waar van micro-voedingsstoffen die van nature in de waar aanwezig zijn.

  • 2. In de aanduiding van een verrijkte eet- of drinkwaar, niet zijnde een substitutie-produkt of een gerestaureerde eet- of drinkwaar, blijkt de verrijking uitsluitend door de opname van het zinsdeel «met toegevoegde voedingsstoffen (vitamines en mineralen)» dan wel van een gelijkwaardige zinsnede in een andere voor de consument begrijpelijke taal. Deze zinsnede wordt opgenomen indien ten aanzien van de waar een in het eerste lid bedoelde bewering inzake de voedingswaarde wordt gebezigd.

  • 3. In de aanduiding van een gerestaureerde eet- of drinkwaar of een substitutie-produkt blijkt de toevoeging van micro-voedingsstoffen uitsluitend door de opname van het zinsdeel «met toegevoegde voedingsstoffen (vitamines en mineralen) tot het oorspronkelijke gehalte», of voor zover het een substitutie-produkt betreft van het zinsdeel «met toegevoegde voedingsstoffen (vitamines en mineralen) tot het gehalte in het te vervangen produkt» dan wel van gelijkwaardige zinsnedes in een andere voor de consument begrijpelijke taal.

  • 4. Ten aanzien van een verrijkte eet- of drinkwaar wordt:

    a. geen andere bewering gebezigd inzake de toevoeging van micro-voedingsstoffen aan die waar dan een in dit artikel bedoelde; en

    b. geen vermelding gebezigd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een evenwichtige voeding op basis van niet-verrijkte eet- of drinkwaren niet alle micro-voedingsstoffen in de juiste hoeveelheid kan verschaffen.

Artikel 9

Een verrijkte eet- of drinkwaar wordt niet voor de eerste keer in de handel gebracht, alvorens Onze Minister door de desbetreffende verhandelaar op de hoogte is gesteld van de navolgende gegevens betreffende de samenstelling van de waar:

a. het totale gehalte aan de afzonderlijke micro-voedingsstoffen per 100 g, en per redelijk geachte dagconsumptie, in relatie tot het beoogde gebruiksdoel;

b. wat betreft een substitutie-produkt, de gehaltes aan micro-voedingsstoffen in de te vervangen eet- of drinkwaar; en

c. wat betreft een gerestaureerde eet- of drinkwaar, de gehaltes aan micro-voedingsstoffen die vóór de bedrijfsmatige bereiding van nature aanwezig waren in het eetbare gedeelte van de waar of de grondstoffen voor de waar.

§ 3: slotbepalingen

Artikel 10

Artikel 10, tweede lid, van het >Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen1, komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:

    a. verrijkte eet- of drinkwaren als bedoeld in het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen, voor wat betreft de aanwezigheid van vitamines;

    b. eet- of drinkwaren waarvoor in enig wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Artikel 11

Artikel 11, eerste lid, van het Warenwetbesluit Produkten voor bijzondere voeding2, komt te luiden:

  • 1. Onze Minister stelt ter uitvoering van krachtens de richtlijn getroffen maatregelen, nadere regels vast met betrekking tot de toevoeging van vitamines, minerale zouten, aminozuren en andere stoffen aan produkten voor bijzondere voeding.

Artikel 12

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treden, voor wat betreft de toevoeging van mineralen, de artikelen 6, 7, 8 en 9 in werking vierentwintig maanden na het in dat lid bedoelde tijdstip.

Artikel 13

Dit besluit wordt aangehaald als: Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 24 mei 1996

Beatrix

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra

Uitgegeven de vijfentwintigste juni 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Bijlage 1

Deze bijlage behoort bij artikel 4.

De in artikel 4 bedoelde micro-voedingsstoffen zijn de navolgende:

1. Vitamines

VitamineToegelaten verbindingen
Vitamine ARetinyl-acetaat
 Retinyl-palmitaat
 Retinol
 Bèta-caroteen of caroteen-mengsels met pro-vitamine A activiteit
  
Vitamine DVitamine D2 (ergocalciferol)
 Vitamine D3 (cholecalciferol)
  
Vitamine B1Thiamine-waterstofchloride
 Thiaminemononitraat
  
Vitamine B2Riboflavine
 Riboflavine-5'-natriumfosfaat
  
NiacineNicotinamide
 Nicotinezuur
  
Vitamine B6Pyridoxine-waterstofchloride
 Pyridoxal-5'-fosfaat
 Pyridoxinedipalmitaat
  
FoliumzuurPteroylmonoglutaminezuur
  
PantotheenzuurCalcium-D-pantothenaat
 Natrium-D-pantothenaat
 Dexpanthenol
  
Vitamine B12Cyanocobalamine
 Hydroxocobalamine
  
BiotineD-Biotine
  
Vitamine CL-ascorbinezuur
 Natrium-L-ascorbaat
 Calcium-L-ascorbaat
 6-Palmityl-L-ascorbine-zuur(ascorbylpalmitaat)
 Kalium-L-ascorbaat
  
Vitamine ED-alfa-tocoferol
 DL-alfa-tocoferol
 D-alfa-tocoferylacetaat
 DL-alfa-tocoferylacetaat
  
Vitamine KFyllochinon (Fytomenadion)

2. Mineralen

MineralenToegelaten zouten
Calcium (Ca)Calciumcarbonaat
 Calciumchloride
 Calciumzouten van citroenzuur
 Calciumgluconaat
 Calciumglycerofosfaat
 Calciumlactaat
 Calciumzouten van orthofosforzuur
 Calciumhydroxide
 Calciumoxide
  
Magnesium (Mg)Magnesiumcarbonaat
 Magnesiumchloride
 Magnesiumoxide
 Magnesiumzouten van orthofosforzuur
 Magnesiumsulfaat
 Magnesiumgluconaat
 Magnesiumhydroxide
 Magnesiumzouten van citroenzuur
 Magnesiumlactaat
 Magnesiumglycerofosfaat
  
IJzer (Fe)IJzer(II)citraat
 IJzer(III)ammoniumcitraat
 IJzer(II)gluconaat
 IJzer(II)lactaat
 IJzer(II)sulfaat
 IJzer(II)fumaraat
 IJzer(III)difosfaat (IJzer(III)pyrofosfaat)
 Elementair ijzer (uit carbonyl + elektrolytisch bereid + met waterstof gereduceerd)
 IJzer(III)saccharaat
 Natriumijzer(III)difosfaat
 IJzer(II)carbonaat
  
Koper (Cu)Koper-lysine-complex
 Koper(II)carbonaat
 Koper(II)citraat
 Koper(II)gluconaat
 Koper(II)sulfaat
  
Mangaan (Mn)Mangaancarbonaat
 Mangaanchloride
 Mangaancitraat
 Mangaansulfaat
 Mangaangluconaat
 Mangaanglycerofosfaat
  
Zink (Zn)Zinkacetaat
 Zinkchloride
 Zinklactaat
 Zinksulfaat
 Zinkzouten van citroenzuur
 Zinkgluconaat
 Zinkoxide
  
Seleen (Se)Natriumselenaat
 Natriumseleniet
 selenomethionine
 selenocysteïne
 selenocystine
  
Natrium (Na)Natriumbicarbonaat
 Natriumchloride
 Natriumzouten van citroenzuur
 Natriumgluconaat
 Natriumcarbonaat
 Natriumlactaat
 Natriumzouten van orthofosforzuur
 Natriumhydroxide
  
Kalium (K)Kaliumbicarbonaat
 Kaliumcarbonaat
 Kaliumchloride
 Kaliumzouten van citroenzuur
 Kaliumgluconaat
 Kaliumlactaat
 Kaliumzouten van orthofosforzuur
 Kaliumhydroxide
  
Chloor (Cl)Natriumchloride
 Kaliumchloride
 Calciumchloride
 Magnesiumchloride
 Mangaanchloride
 Zinkchloride
  
Fosfor (P)fosforzuur
 fosfaten, pyrofosfaten en
 orthofosforzuurverbindingen genoemd bij de overige voedingsstoffen
  
Chroom (Cr)chromium (III) chloride
 chromium (III) citraat
 chromium (III) gluconaat
 chromium (III) sulfaat
 chromium (III) picolinaat
  
Molybdeen (Mo)ammonium molybdaat (VI)
 kalium molybdaat (VI)
 natrium molybdaat (VI)

Bijlage 2

Deze bijlage behoort bij artikel 6, eerste lid.

De in artikel 6, eerste lid, bedoelde vitamines en hun aanbevolen dagelijkse hoeveelheid zijn de navolgende:

Vitamine A(RE)800
Vitamine B1(mg) 1,4
Vitamine B2(mg) 1,6
Niacine(mg)18
Vitamine B6(mg) 2
Pantotheenzuur(mg) 6
Vitamine B12(mcg) 1
Biotine(mg) 0,15
Vitamine C(mg) 60
Vitamine E(mg)10
Vitamine K(mcg) 80

Bijlage 3

Deze bijlage behoort bij artikel 6, eerste lid.

De in artikel 6, eerste lid, bedoelde mineralen en hun aanbevolen dagelijkse hoeveelheid zijn de navolgende:

Calcium(mg)800
Magnesium(mg) 300
IJzer(mg) 14
Mangaan(mg) 5
Fosfor(mg) 800
Chroom(mcg) 125
Molybdeen(mcg)160
Natrium(mg)2000
Kalium(mg)3100
Chloride(mg)2000

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Micro-voedingsstoffen, waarvan vitamines en mineralen de grootste groep vormen, hebben een positief gezondheidsimago. Uit gezondheidsoogpunt is een optimale voorziening met micro-voedingsstoffen wenselijk. Micro-voedingsstoffen kunnen echter ook een schadelijke werking hebben. Van veel stoffen was de grens van deze schadelijke werking niet bekend, en waren hierover onvoldoende wetenschappelijke gegevens beschikbaar. In de zestiger jaren werd met het oog op de potentiële schadelijkheid van deze stoffen en het positieve gezondheidsimago, waardoor voor een te hoge opname gevreesd kon worden, een verbodsbepaling krachtens de Warenwet ingevoerd op het toevoegen van deze stoffen aan levensmiddelen. Vrijstelling van deze verbodsbepaling wordt gegeven indien het gehalte van de toe te voegen stof in het desbetreffende produkt niet schadelijk is en wanneer er een voedingskundige behoefte bestaat voor deze toevoeging. Op deze wijze is de toevoeging van vitamines aan vermageringspreparaten geregeld. In 1983 heeft de Voedingsraad de toenmalige bewindslieden geadviseerd over dit restrictieve beleid. Op basis van dit advies is het beleid ongewijzigd voortgezet. Dit heeft een aantal juridische procedures tot gevolg gehad, die resulteerden in het bevestigen van de legitimiteit van dit beleid door de Raad van State en het Europese Hof van Justitie.

Nu ruim 10 jaar verder heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor een nieuwe toetsing van dit beleid noodzakelijk werd geacht. Met name nieuwe wetenschappelijke inzichten, veranderingen in het levensmiddelenaanbod, de regeling met betrekking tot vitaminepreparaten en het beleid van andere landen op dit terrein, vormden de aanleiding voor deze toetsing. Aan de Voedingsraad is in 1991 gevraagd opnieuw te adviseren over dit beleid.

In het advies inzake het toevoegen van essentiële micro-voedingsstoffen aan voedingsmiddelen, komt de Raad tot de conclusie dat er nu geen bezwaren bestaan het huidige restrictieve beleid ten aanzien van het toevoegen van micro-voedingsstoffen te verruimen (Voedingsraad, Den Haag, 11 november 1993, nummer 931111/01). Hierbij gelden wel een aantal randvoorwaarden.

Het advies van de Voedingsraad is gebruikt om in november 1993 een discussiebijeenkomst te houden waarvoor alle betrokken groeperingen waren uitgenodigd. Tijdens deze bijeenkomst is vrijelijk gediscussieerd over de mogelijkheden die er op basis van het advies van de Voedingsraad zijn om het beleid ten aanzien van het toevoegen van micro-voedingsstoffen vorm te geven. Het advies van de Voedingsraad en deze discussiemiddag zijn de leidraad geweest voor het opstellen van dit besluit.

In dit besluit wordt het onder bepaalde voorwaarden toegestaan alle micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen toe te voegen, met uitzondering van jodium, fluor en de aminozuren. Artikel 10 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen blijft hiervoor gehandhaafd. Zowel voor jodium als voor fluor bestaat in Nederland een specifiek profylaxe-beleid, dat erop gericht is een voldoende opname van deze stoffen te waarborgen. Op dit moment wordt jodium aan broodzout en voor een deel aan tafelzout toegevoegd, en voor fluor worden tabletten en andere, niet-levensmiddelenbronnen, aangewend. Naar aanleiding van het advies van de Voedingsraad met betrekking tot de jodiumprofylaxe, zal worden nagegaan of het wenselijk is de mogelijkheid te geven jodium aan meer levensmiddelen toe te voegen. Indien voor de gerichte jodiumverrijking meer levensmiddelen worden gekozen, dan zal worden bezien of een dergelijke bepaling alsnog in dit besluit kan worden opgenomen. Jodium en fluor zijn beide micro-voedingsstoffen die een kleine marge kennen tussen de aanbevolen hoeveelheid en het niveau van inneming waarbij het optreden van schadelijke effecten niet kan worden uitgesloten. Bij een dergelijk kleine marge is het zeer aannemelijk dat bij een vrije verrijking in diverse levensmiddelen een schadelijk niveau wordt bereikt. Gelet op deze smalle veiligheidsmarge en het profylaxe beleid zijn beide stoffen niet in het besluit opgenomen. Ook het toevoegen van aminozuren wordt (voorlopig) niet algemeen toegestaan. Over de veiligheid van aminozuren in verschillende gehaltes en verhoudingen bestaat nog onduidelijkheid. Hierover is nader advies gevraagd aan de Voedingsraad. Dit advies zal moeten uitwijzen of een vrije toevoeging geen negatieve effecten op de gezondheid kan hebben.

Voor het toevoegen van de micro-voedingsstoffen die in dit besluit worden uitgezonderd, blijft het mogelijk voor individuele produkten, indien er een werkelijke behoefte uit voedingskundig oogpunt bestaat en het toe te voegen gehalte niet schadelijk is, vrijstelling te verlenen van artikel 10 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen.

De toevoeging van een aantal micro-voedingsstoffen wordt slechts toegestaan in specifieke produkten, namelijk in substitutie-produkten en gerestaureerde-produkten. De Voedingsraad geeft in zijn advies aan dat voor de vitamines A (in de vorm van retinoïden) en D, foliumzuur en het spoorelement seleen, het verschil tussen de aanbevolen hoeveelheid en het niveau van inneming waarbij het optreden van schadelijke effecten niet kan worden uitgesloten, eveneens zodanig klein is dat het verrijken van voedingsmiddelen met deze voedingsstoffen kan leiden tot een overschrijding van de grens van de veilig geachte inneming. Voor de spoorelementen koper en zink geldt dat ongunstige interacties al kunnen optreden bij relatief lage verhoudingen tussen deze spoorelementen in de voeding. De Voedingsraad is er geen voorstander van dat deze stoffen voor verrijking worden toegevoegd, behoudens de reeds bestaande toevoeging van vitamine A en D aan margarine, halvarine en bak- en braadprodukten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor de drie vitamines A, D en foliumzuur wel nagegaan wordt of de huidige verrijking en het bestaande advies om foliumzuurtabletten te gebruiken de gewenste adequate inname van deze voedingsstoffen oplevert.

Ter bescherming van de volksgezondheid wordt de toevoeging van de micro-voedingsstoffen vitamine A (in de vorm van retinoïden), vitamine D, foliumzuur, seleen, koper en zink alleen toegestaan in substitutieprodukten en gerestaureerde produkten. Deze micro-voedingsstoffen kunnen hierdoor nooit in een hoger gehalte in het voedselpakket aanwezig zijn dan dat ook via de natuurlijke voeding zou zijn verkregen.

Met betrekking tot de verrijking met vitamines en mineralen concludeert de Raad dat, met uitzondering van de reeds genoemde vitamines, er geen bezwaren bestaan tegen een verruiming van de mogelijkheden tot verrijking. Een belangrijk gegeven voor deze conclusie vormt de ervaring in andere landen die verrijking toestaan en waar geen schadelijke effecten zijn opgetreden. De Raad adviseert met de regelgeving bij deze landen aan te sluiten. Deze regelgeving is zeer divers van aard, maar kent in vele gevallen wel een maximumgrens voor de toevoeging.

Mede gelet op deze overweging van de Raad wordt in het onderhavige besluit een aanzienlijke verruiming van de bestaande mogelijkheden geschapen, waarbij een maximum aan de toevoeging van vitamines en mineralen wenselijk wordt geacht. Dit maximum is afgeleid van de aanbevolen hoeveelheid. Per redelijk geachte dagconsumptie van het produkt mag maximaal eenmaal de aanbevolen hoeveelheid aanwezig zijn. Indien een consument naast zijn gebruikelijke voeding een of meer verrijkte produkten consumeert die dit maximum bevatten, dan kan hij theoretisch enkele malen de aanbevolen hoeveelheid consumeren. Voor de meeste vitamines en mineralen levert dit zeker geen schadelijk effect op tot 4 à 5 maal de aanbevolen hoeveelheid.

De gestelde maxima gaan er van uit dat (voorlopig) de consumptie van dergelijke verrijkte produkten niet groter zal zijn dan 3 à 4 per dag.

Teneinde na te gaan of deze aanname juist is, zal het aanbod aan deze verrijkte produkten worden gevolgd. Dit zal gegevens opleveren over het effect van dit nieuwe beleid op het levensmiddelenaanbod en de voedingsstoffenvoorziening. De gegevens kunnen aanleiding geven tot aanpassing van het onderhavige besluit. Met het oog hierop dienen verhandelaren van verrijkte eet- of drinkwaren die aan te melden vóór ze in de handel worden gebracht.

Ten behoeve van de objectieve informatie aan de consument over de desbetreffende produkten worden voorwaarden aan de etikettering gesteld. Door de Voedingsraad is er met nadruk op gewezen dat voorkómen dient te worden dat deze produkten alleen op basis van het verrijkingsaspect in positieve zin worden onderscheiden van andere voedingsmiddelen, of zodanig worden gepositioneerd dat mogelijk negatieve voedingskundige aspecten van het desbetreffende voedingsmiddel worden gerelativeerd.

Het toevoegen van micro-voedingsstoffen die van nature reeds in een produkt aanwezig zijn, leidt er niet toe dat de door de consument verwachte samenstelling van het produkt verandert, immers alleen het natuurlijke gehalte van de micro-voedingsstof(fen) wordt hersteld (restauratie) of versterkt. Voedingswaardeclaims zullen in overeenstemming zijn met het beeld dat de consument heeft van het betreffende produkt. Dergelijke claims worden dan ook toegelaten, wel dient bij het gebruik van een claim op versterkte waren de consument erop gewezen te worden dat de microvoedingsstoffen zijn toegevoegd. Dit om de interpretatie van een dergelijke claim te vergemakkelijken.

In dit besluit zijn de bepalingen uit de Warenwetregeling Vrijstelling vitaminepreparaten niet opgenomen. In die regeling worden immers andere produkten onder andere voorwaarden geregeld. Wel bestaat het voornemen die regeling te zijner tijd te vervangen door een besluit waarin tevens andere voedingssupplementen worden opgenomen, zoals de mineralenpreparaten.

Reikwijdte van het besluit

Een verbod micro-voedingsstoffen toe te voegen aan eet- of drinkwaren kan voortvloeien uit:

1. artikel 10, eerste lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen (BBL); of

2. een bepaling in een warenwetbesluit met specifieke regels voor een bepaalde waar (een «produkt-gebonden besluit»), in de vorm «in waar X mogen geen andere stoffen aanwezig zijn dan ...».

Dit besluit heeft uitsluitend betrekking op de onder 1 bedoelde situatie: het verbod in het BBL op het toevoegen van vitamines is niet van toepassing voor zover dit besluit gevolgd wordt.

Dit besluit heft niet een onder 2 bedoeld verbod op. Het toevoegen van vitamines aan bijvoorbeeld mayonaise blijft dus verboden op grond van het Mayonaise- en slasausbesluit (Warenwet). Te zijner tijd zou, indien hieraan behoefte bestaat, een discussie gevoerd kunnen worden over de vraag of het wenselijk is ook voor deze produkten het ontwerp-besluit van toepassing te laten zijn. Vooralsnog is dit in ieder geval niet zo.

De verhouding met het Warenwetbesluit Produkten voor bijzondere voeding verdient speciale aandacht. Het Warenwetbesluit Produkten voor bijzondere voeding bevat zelf geen verbod op het toevoegen van vitamines. Het vitamineren van produkten voor bijzondere voeding is op zich dus verboden op grond van artikel 10, eerste lid, van het BBL (bovenstaande situatie 1). Dat verbod is niet van toepassing voor zover dit besluit gevolgd wordt. Voorts is hier van belang dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 11 van het Warenwetbesluit Produkten voor bijzondere voeding de bevoegdheid houdt nadere regels te stellen wat betreft het toevoegen van vitamines, minerale zouten, aminozuren en andere stoffen aan produkten voor bijzondere voeding. Deze nadere regels kunnen onder meer dienen ter uitvoering van richtlijn nr. 89/398/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-staten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen (PbEG L 186).

Notificatie in het kader van richtlijn nr. 83/189/EEG

In het kader van richtlijn nr. 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 109), is het ontwerp-besluit genotificeerd aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de overige lid-staten van de Europese Unie. Bij de uiteindelijke vaststelling van dit besluit is rekening gehouden met de door de Commissie en de lidstaten gemaakte opmerkingen.

Geen clausule van wederzijdse erkenning

Een te grote inname van bepaalde micro-voedingsstoffen kan schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Dit besluit stelt daarom hoeveelheden micro-voedingsstoffen vast die ten hoogste aan eet- en drinkwaren mogen worden toegevoegd. Bij het opstellen van deze maximale hoeveelheden is uitgegaan van het consumptiepatroon van eet- en drinkwaren in Nederland. Aangezien dat consumptiepatroon in andere lidstaten van de Europese Unie niet per definitie gelijk is aan het Nederlandse, zullen in andere lidstaten afwijkende, voor die lidstaten specifieke, voorschriften van toepassing kunnen zijn. Het staat iedere lid-staat derhalve vrij zijn eigen regels voor verrijkte eet- of drinkwaren op te stellen, afgestemd op de specifieke consumptie in het eigen land. Dergelijke nationale regels komen niet in strijd met de artikelen 30 tot en met 36 van het EG-verdrag, aangezien het hier dwingende eisen betreft ter bescherming van de volksgezondheid op een terrein waarvoor geen communautaire voorschriften van toepassing zijn. Een clausule van wederzijdse erkenning is, gezien het voorgaande, dan ook niet opgenomen. Dit betekent echter niet dat per definitie in het buitenland rechtmatig in de handel gebrachte produkten hier zullen worden geweerd; van geval tot geval zal een beoordeling moeten plaatsvinden. Deze beoordeling is alleen van toepassing op produkten die rechtmatig in het verkeer zijn gebracht in andere lidstaten van de Europese Unie en die niet voldoen aan de eisen van dit besluit. Bedoelde beoordeling zal plaatsvinden in het kader van het verlenen van vrijstelling dan wel ontheffing ex artikel 16, eerste lid, respectievelijk tweede lid van de Warenwet. Deze procedure is in overeenstemming met de door de Europese Commissie geformuleerde eisen in haar mededeling met betrekking tot een interpretatie inzake het vrije verkeer van levensmiddelen (jo. C. 271 dd. 24 oktober 1989).

Advies van de Adviescommissie Warenwet

Het ontwerp-besluit is voorwerp geweest van een uitgebreide bespreking door de Adviescommissie Warenwet. Het uitgebrachte advies is niet op alle punten eensluidend. De opvattingen van consumentenorganisaties en industrie bleken nogal uiteen te lopen. Bij de uiteindelijke vaststelling van het onderhavige besluit is rekening gehouden met deze verschillende opvattingen waarbij het uitgangspunt van de liberalisering van dit terrein is gehandhaafd. Naar aanleiding van het advies zijn in de definities van het besluit enkele aanpassingen doorgevoerd, is de toelichting op een aantal punten uitgebreid, met name met het gedeelte over de reikwijdte van het besluit. Daarnaast heeft de Adviescommissie een nieuw voorstel gedaan voor de etikettering van verrijkte eet- of drinkwaren, met name voor gerestaureerde produkten. Het advies is op dit onderdeel niet geheel gevolgd, daar dit tot opname van een verplichte aanduiding zou leiden. Voor een dergelijke verplichting is uit het oogpunt van consumenteninformatie geen noodzaak, hetgeen bij artikel 8 nader wordt toegelicht.

ARTIKELSGEWIJS

§ 1. Algemene bepalingen

In het eerste lid van artikel 1 is een aantal definities opgenomen. De definitie onder b van «verrijkte eet- of drinkwaar» geeft het onderscheid weer tussen de hier bedoelde waren en vitaminepreparaten. Vitaminepreparaten worden immers in de Warenwetregeling Vrijstelling vitaminepreparaten geregeld. De daarop volgende definities van substitutie-produkt en gerestaureerde eet- of drinkwaar omschrijven produkten die een specifieke categorie vormen van verrijkte eet- of drinkwaren. Aan deze twee categorieën worden met betrekking tot de toe te voegen vitamines en mineralen en de etikettering, andere eisen gesteld.

In de definitie van substitutie-produkt wordt omschreven dat dit een produkt betreft dat beoogt een gewone (niet verrijkte) eet- of drinkwaar te vervangen. Dit vervangings-/substitutie-produkt moet, indien men micro-voedingsstoffen gaat toevoegen, wel zo veel mogelijk overeenkomen met de te vervangen waar. Bijvoorbeeld een drank op basis van soja kan gezien worden als vervangingsprodukt voor melk. Indien men aan dit produkt micro-voedingsstoffen wil toevoegen dan moet de voedingsstoffensamenstelling zo veel mogelijk in overeenstemming met die van melk gebracht worden. Een ander evident voorbeeld is margarine, die gezien kan worden als een substitutie-produkt voor boter. Bij de aanmelding, bedoeld in artikel 9, dient de fabrikant aan te geven welk produkt hij beoogt te vervangen, en hoe de samenstelling van zijn produkt is in vergelijking met het te vervangen produkt.

Bij een gerestaureerde eet- of drinkwaar gaat het om het toevoegen van die micro-voedingsstoffen die tijdens de bereiding verloren zijn gegaan. Micro-voedingsstoffen die aanwezig waren in het eetbare deel van de waar of van de grondstoffen voor de waar. Het restaureren van suiker met de micro-voedingsstoffen zoals die in de suikerbiet aanwezig zijn is niet toegestaan daar suikerbiet niet eetbaar is voor de consument. Die bereiding moet dan wel zodanig zorgvuldig plaatsvinden dat er geen vermijdbare verliezen optreden. Immers restaureren mag geen middel zijn om slechte produktiepraktijken te maskeren. Derhalve wordt in de definitie aangegeven dat de bereiding volgens de richtlijnen van goede produktiepraktijken moet plaatsvinden.

Het is niet verplicht alle micro-voedingsstoffen te restaureren die tijdens het produktieproces verloren gaan. Wel wordt ervan uitgegaan dat indien een fabrikant tot restauratie besluit, hij dit op een evenwichtige wijze zal doen, en met name die micro-voedingsstoffen die kenmerkend zijn voor het produkt zal restaureren. Op basis van artikel 9 zal het aanbod aan deze produkten gevolgd worden. Dit zal gegevens opleveren over de wijze van restauratie. Op basis hiervan zal worden nagegaan of nadere eisen noodzakelijk zijn.

Het tweede lid bepaalt dat de toevoegingen van micro-voedingsstoffen uit technologische overwegingen buiten de reikwijdte van dit besluit vallen. Het toevoegen van ascorbinezuur als anti-oxydant of B-caroteen als kleurstof brengt dit produkt dus niet onder de werkingssfeer van dit besluit. Dit geldt ook voor de toevoeging van natrium voor de zoute smaak (voorbeeld gezouten pinda's) of voor de toevoeging van geringe hoeveelheden mineralen voor de osmolariteit van dranken (voorbeeld sportdranken).

Artikel 2 bevat de noodzakelijke verbodsbepalingen die zijn gebaseerd op artikel 4, eerste lid, onder a en b, artikel 5, eerste lid, onder c, en artikel 8, onder a en c, van de Warenwet.

Artikel 3 beoogt verrijkte eet- of drinkwaren die op grond van de aanwezige hoeveelheid micro-voedingsstoffen schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid, te weren. Deze formulering is opgenomen teneinde discussie te voorkomen over het feit of verrijkte eet- of drinkwaren die een hoeveelheid micro-voedingsstoffen bevatten die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid, beschouwd kunnen worden als ondeugdelijke waren zoals bedoeld in artikel 18, onder a, van de Warenwet.

§ 2. Toevoegen van micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen

In deze paragraaf wordt bepaald welke micro-voedingsstoffen mogen worden toegevoegd, aan welke levensmiddelen en tot welk gehalte. Aan deze toevoeging worden etiketterings-voorschriften verbonden en een aanmeldingsprocedure.

In artikel 4 wordt bepaald welke micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd; de stoffen jodium, fluor en de aminozuren zijn om eerder genoemde reden uitgezonderd. Vitamine K, chroom, molybdeen, chloor, natrium en kalium zijn wel opgenomen, hoewel de Voedingsraad deze voedingsstoffen in zijn advies niet heeft genoemd. Het betreft hier immers micro-voedingsstoffen die al wel aan bepaalde waren voor bijzondere voeding mogen worden toegevoegd.

In bijlage 1 worden de stoffen genoemd en de vorm waarin zij mogen worden toegevoegd. Uit gezondheidsoogpunt is het wenselijk dat alleen die verbindingen worden toegevoegd die daadwerkelijk biologisch actief respectievelijk beschikbaar zijn.

In artikel 5 wordt de toevoeging van een aantal micro-voedingsstoffen beperkt tot substitutie-produkten en gerestaureerde eet- of drinkwaren. Deze beperking wordt noodzakelijk geacht uit het oogpunt van de volksgezondheid, gezien de schadelijkheid van deze stoffen.

Artikel 6 geeft de hoeveelheid aan waarin micro-voedingsstoffen mogen worden toegevoegd. Zoals aangegeven wordt een bovengrens aan de toevoeging noodzakelijk geacht om geen onnodige risico's op schadelijke effecten te lopen. Deze hoeveelheden zijn afgeleid van de desbetreffende aanbevolen hoeveelheden zoals die in bijlage 2 en 3 zijn vermeld. Deze aanbevolen hoeveelheden zijn dezelfde als die welke in het kader van voedingswaarde-etikettering vermeld dienen te worden. Voor die stoffen die niet voorkomen bij de voedingswaarde-etikettering, is voor de aanbevolen hoeveelheden gebruik gemaakt van het door het Wetenschappelijk Comité voor Menselijke Voeding van de Europese Commissie opgestelde rapport over Voedings- en Energie-opnames voor de Europese Gemeenschap (natrium, kalium, chloor) en in voorkomend geval (chroom en molybdeen) van de Recommended Dietary Allowances, 10th edition, National Research Council, USA. Daar waar van een range sprake is, is het gemiddelde als grens aangehouden.

Door het opnemen van een ondergrens voor de aanwezigheid van de micro-voedingsstoffen, wordt voorkomen dat de consument misleid wordt over de toevoeging.

De gestelde grenzen worden betrokken op de redelijk geachte dagconsumptie van het produkt. Onder redelijk geachte dagconsumptie wordt verstaan die hoeveelheid van het produkt die doorgaans door een gebruiker van het produkt op een dag wordt geconsumeerd. De gegevens uit de voedselconsumptiepeiling kunnen voor veel levensmiddelen gebruikt worden om deze dagconsumptie af te leiden. Het gaat hierbij om de gegevens van de personen die het produkt daadwerkelijk hebben geconsumeerd. Het stellen van een grens per hoeveelheid produkt of gekoppeld aan de energetische waarde van het produkt stuit op zodanig veel praktische bezwaren, dat hiervan is afgezien.

Deze grenzen gelden niet voor gerestaureerde eet- of drinkwaren en substitutie-produkten, immers de toevoeging van micro-voedingsstoffen aan deze produkten wordt begrensd door de gehaltes die van nature in het produkt aanwezig zijn respectievelijk door de gehaltes in het te vervangen produkt.

Ten behoeve van de informatie aan de consument wordt in artikel 7 bepaald dat alle verrijkte eet- of drinkwaren voorzien moeten zijn van voedingswaarde-etikettering.

Een fabrikant die de voedingsstoffensamenstelling van zijn produkt aanpast zal de consument hierover objectief willen informeren. Voedingswaarde-etikettering is hiervoor het aangewezen middel.

Naar aanleiding van het advies van de Adviescommissie Warenwet is de vermelding van de hoeveelheden toegevoegde micro-voedingsstoffen voor substitutie-produkten en gerestaureerde eet- of drinkwaren bij deze voedingswaarde-etikettering niet verplicht gesteld. In het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen is voor de vermelding van micro-voedingsstoffen een ondergrens van 15 % van de Aanbevolen Dagelijkse Hoeveelheid vastgelegd. Daar voor de toevoeging van micro-voedingsstoffen aan de genoemde waren geen ondergrens is gesteld zouden bij een verplichte vermelding lagere waarden dan 15% worden vermeld, hetgeen niet in lijn is met de richtlijn nr. 90/496/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 september 1990 inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen) (PbEG L 276).

Deze verplichte vermelding van de micro-voedingsstoffen in de voedingswaarde-etikettering geldt wel voor alle andere verrijkte eet- of drinkwaren.

Met het oog op objectieve informatie worden in artikel 8 nadere etiketteringsvoorwaarden gesteld. Voedingswaardebeweringen inzake de toegevoegde micro-voedingsstoffen zijn toegestaan indien het toegevoegde micro-voedingsstoffen betreft die van nature in de waar aanwezig zijn. Op deze beweringen zijn de voorwaarden en regels van het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen van toepassing.

In het tweede lid wordt een aanduiding vermeld die op verrijkte eet- en drinkwaren, niet zijnde een substitutie-produkt of een gerestaureerde eet- of drinkwaar, is toegestaan. De aanduiding kan de woorden vitamines en mineralen apart of gezamenlijk bevatten of de individuele voedingsstoffen voor zover van toepassing. Deze aanduiding moet worden vermeld indien van de mogelijkheid gebruik wordt gemaakt een voedingswaardebewering te vermelden. Deze aanduiding vormt een hulpmiddel voor de consument bij de interpretatie van de bewering(en). Op gerestaureerde eet- en drinkwaren met een voedingswaardebewering hoeft deze aanduiding niet vermeld te worden, daar het hier produkten betreft waarvan door restauratie de samenstelling niet essentieel wordt veranderd.

Het toevoegen van micro-voedingsstoffen aan substitutie-produkten en gerestaureerde eet- of drinkwaren blijkt uit de ingrediëntendeclaratie bij het produkt. Om de consument over deze toevoeging nader te informeren is de mogelijkheid opgenomen een aanduiding op deze produkten te vermelden waaruit blijkt dat het gaat om toegevoegde voedingsstoffen tot het oorspronkelijke gehalte van het produkt zelf of van het te vervangen produkt. Voor toegevoegde voedingsstoffen kunnen hierbij ook de specifieke stoffen worden vermeld. De fabrikant kan bij deze vermelding een relatie leggen met de vermelding van de micro-voedingsstoffen in de ingrediëntendeclaratie, bijvoorbeeld door te werken met een verwijzingssymbool.

In afwijking van het advies van de Adviescommissie Warenwet is deze vermelding niet verplicht voorgeschreven. Het verplicht voorschrijven van vermeldingen is binnen de Europese Unie sterk beperkt, slechts bij een absolute noodzaak met het oog op duidelijke consumenteninformatie is dit mogelijk. In dit geval is hiervan geen sprake.

In het vierde lid worden andere beweringen over de micro-voedingsstoffen niet toegestaan om te voorkomen dat te sterk de nadruk op de toegevoegde micro-voedingsstoffen wordt gelegd waardoor de consument het produkt niet evenwichting kan beoordelen.

In artikel 9 wordt bepaald dat de verhandelaar, voordat hij het produkt in de handel brengt, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hiervan op de hoogte dient te stellen. Onder produkten die voor het eerst in de handel gebracht worden, kunnen produkten worden verstaan:

– die nog niet in Nederland op de markt zijn, of

– die een significant gewijzigde samenstelling hebben, of

– die voorzien zijn van een nieuwe naam of een nieuw merk.

In dit laatste geval kan bij de aanmelding volstaan worden met een verwijzing naar de eerdere aanmelding.

Dit artikel biedt de basis om de veranderingen in het levensmiddelenaanbod en de voedingstoffensamenstelling te volgen. De verhandelaar dient hiertoe de samenstelling aan te geven, in relatie tot het beoogde gebruiksdoel. Het betreft hier een aanmelding, geen toetsing. De verhandelaar zal op de hoogte gesteld worden van ontvangst van de aanmelding, en kan vervolgens het produkt zonder meer op de markt brengen.

§ 3. Slotbepalingen

Artikel 10 brengt een uit dit besluit voortvloeiende wijziging aan in artikel 10 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen. Artikel 11 brengt een wijziging aan op artikel 11, eerste lid, van het Warenwetbesluit Produkten voor bijzondere voeding, die voortvloeit uit artikel 19, eerste lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen.

Artikel 12 regelt de inwerkingtreding. Hierbij is voor de bepalingen die betrekking hebben op de toevoeging van mineralen, voorzien in een overgangstermijn van vierentwintig maanden, aangezien ter zake op dit moment geen specifieke beperkende wettelijke bepalingen van kracht zijn. Op deze wijze wordt de justitiabele de gelegenheid gegeven zich aan deze nieuwe regels aan te passen. Voor wat betreft vitamines beoogt dit besluit een verruiming ten aanzien van de bestaande situatie, zodat op dat punt geen overgangstermijn noodzakelijk is.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra


XNoot
1

Stb. 1992, 678, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 december 1994, Stb. 857.

XNoot
2

Stb. 1992, 222, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 december 1993, Stb. 776.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 juli 1996, nr. 129.

Naar boven