Wet van 24 mei 1996, houdende wijziging van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf te wijzigen in verband met een andere wijze van vaststellen van bedragen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De >Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 12 komt te luiden:

Artikel 12

De in artikel 10, onderdeel b, bedoelde zorg voor een bedrag voor persoonlijke uitgaven houdt in het per kalendermaand beschikbaar stellen van een op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag aan de vergunninghouder van 18 jaar of ouder en ten behoeve van de vergunninghouder jonger dan 18 jaar, indien voor deze geen kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet wordt ontvangen.

B

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het Rijk vergoedt aan de gemeente voor elke volle kalendermaand waarover burgemeester en wethouders ingevolge artikel 9 jegens een vergunninghouder de zorg hebben een op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag voor een vergunninghouder van 18 jaar of ouder en voor een vergunninghouder jonger dan 18 jaar.

2. Onder vernummering van het huidige derde lid tot vierde lid, wordt een nieuw derde lid opgenomen dat als volgt luidt:

  • 3. Het Rijk vergoedt aan de gemeente voor elke vergunninghouder jegens wie burgemeester en wethouders ingevolge artikel 9 de zorg hebben eenmalig een op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag voor de kosten van stoffering en meubilering, bedoeld in artikel 11.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt «de in het eerste lid bedoelde vergoeding» vervangen door: de in het eerste en derde lid bedoelde vergoeding.

C

In artikel 25 wordt «de in artikel 24, eerste lid, bedoelde vergoeding» vervangen door: de in artikel 24, eerste en derde lid, bedoelde vergoeding.

D

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de vergoeding, bedoeld in artikel 24, eerste lid,» vervangen door: de in artikel 24, eerste en derde lid, bedoelde vergoeding.

2. In het eerste lid wordt «de in artikel 24, derde lid, bedoelde declaratie» vervangen door: de in artikel 24, vierde lid, bedoelde declaratie.

3. In het tweede lid wordt «de verklaring, bedoeld in artikel 24, derde lid,» vervangen door: de verklaring, bedoeld in artikel 24, vierde lid,.

E

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt «de hoogte van de in de artikelen 12 en 24, eerste lid, bedoelde bedragen» vervangen door: de hoogte van de krachtens de artikelen 12 en 24, eerste en derde lid, vastgestelde bedragen.

2. Aan de tekst wordt een volzin toegevoegd die als volgt luidt: De ingevolge de eerste volzin herziene bedragen worden door Onze Minister van Binnenlandse Zaken in de Staatscourant bekend gemaakt.

ARTIKEL II

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1995.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 24 mei 1996

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

D. K. J. Tommel

Uitgegeven de dertiende juni 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1995, 158.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1995/96, 24 435.

Handelingen II 1995/96, blz. 4114–4119; 4148; 4656.

Kamerstukken I 1995/96, 24 435 (238, 238a).

Handelingen I 1995/96, zie vergadering d.d. 21 mei 1996.

Naar boven