Besluit van 9 mei 1996, houdende tijdelijke verlaging
van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 9 april 1996,
nr. 96023351 WJA/W;
Gelet op artikel 13i, tweede lid, van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten;
De Raad van State gehoord (advies van 26 april 1996, nr. W10.96.0157);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 3
mei 1996, nr. 96029508 WJA/W;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In afwijking van hetgeen geldt ingevolge het koninklijk besluit van 5
juli 1993, houdende wijziging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming
aardolieprodukten (Stb. 378), bedraagt de heffing, bedoeld in artikel 13h
van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten voor de aardolieprodukten, bedoeld
in artikel 13i, eerste lid, onder a, b, en c, van die wet per 1 000 L
bij 15 graden Celsius: f 12,50.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juni 1996 en vervalt met
ingang van 1 juni 1998.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnoot's-Gravenhage, 9 mei 1996
Beatrix
De Minister van Economische Zaken,
G. J. Wijers
Uitgegeven de achtentwintigste mei 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA VAN TOELICHTING
In artikel 13h van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten is een voorraadheffing
voorzien ter dekking van de exploitatiekosten van de Stichting Centraal Orgaan
Voorraadvorming Aardolieprodukten (COVA).
Bij besluit van 23 maart 1988, houdende verlaging van heffingbedragen
in de Wet vooraadvorming aardolieprodukten (Stb. 125), is de heffing voor
de aardolieprodukten, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, onder a, b en c
van de wet voor het eerst verlaagd, tot f 1,60 per hectoliter. Bij besluit
van 6 december 1988, houdende verlaging van heffingbedragen in de Wet voorraadvorming
aardolieprodukten (Stb. 571), is deze heffing vervolgens gesteld op f 1,35
per hectoliter. De heffing is daarna bij besluit van 5 november 1991, houdende
tijdelijke verlaging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten
(Stb. 592), voor de periode van 1 januari 1992 tot 1 januari 1994 gesteld
op f 1,00 per hectoliter. Bij besluit van 5 juli 1993, houdende tijdelijke
wijziging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten
(Stb. 378), is deze tijdelijke verlaging voortijdig beëindigd. In verband
met een daaraan voorafgaande wijziging van de berekeningsgrondslag (Wet van
24 december 1992 tot wijziging van de Wet op de accijns in verband met de
afschaffing van de fiscale grenzen (Stb. 711)) is de heffing in het laatstgenoemde
besluit op f 13,50 per 1 000 L gesteld.
De ontwikkeling van de egalisatierekening van COVA is aanleiding om de
heffing wederom tijdelijk te verlagen. De egalisatierekening is bedoeld om
fluctuaties in de inkomsten en uitgaven op te vangen, zodat er geen regelmatige
aanpassing van de heffingsbedragen nodig is. Het bestuur van de stichting
streeft daarbij naar een saldo van circa f 50 miljoen. De handhaving
van de heffingsbedragen op het niveau van f 13,50 per 1 000 L zou
leiden tot een stijging van het saldo boven de streefomvang. Deze ontwikkeling
wordt mede veroorzaakt door lagere rentelasten die het gevolg zijn van lagere
rentepercentages. Voor de jaren 1996 en 1997 wordt ook bij een tarief van
f 12,50 per 1 000 L een positief exploitatieresultaat verwacht.
Op basis van de begrotingen van 1996 en 1997 kan worden geconstateerd dat
bij een tarief van f 12,50 per 1 000 L het saldo op de egalisatierekening
tussen de f 50 en f 60 miljoen zal komen te liggen. Ten einde te
voorkomen dat het saldo op de egalisatierekening boven de streefomvang stijgt,
wordt het heffingsbedrag voor een periode van twee jaar met f 1,00 per
1 000 L verlaagd.
De Minister van Economische Zaken,
G. J. Wijers
XHistnoot
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat
het zonder meer instemmend luidt.