Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 1996, 227Wet

Wet van 28 maart 1996, houdende wijziging van onder meer de Wet op de studiefinanciering en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de invoering van de prestatiebeurs, de vorm van de toelage en de leeftijd waarop aanspraak op studiefinanciering in het hoger onderwijs ontstaat

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om ter uitvoering van het Regeerakkoord het stelsel van studievoortgangscontrole in het hoger onderwijs te vervangen door een stelsel van prestatiebeurs;

dat het tevens wenselijk is de leeftijdsgrens van 18 jaar voor aanspraken op studiefinanciering in het hoger onderwijs te laten vervallen;

dat in verband daarmee wijziging van onder meer de Wet op de studiefinanciering en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek nodig is;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De >Wet op de studiefinanciering1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel m vervalt.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel p door een puntkomma, worden toegevoegd een onderdeel q en een onderdeel r, luidende:

q. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs;

r. studiejaar:

1°. in het hoger onderwijs: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van enig kalenderjaar;

2°. in het overig onderwijs: het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van enig kalenderjaar.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «die volledig onderwijs volgen» vervangen door: die volledig hoger onderwijs volgen en die nog niet de leeftijd van 27 jaren hebben bereikt, alsmede voor studerenden die volledig onderwijs, niet zijnde hoger onderwijs, volgen.

2. In onderdeel b wordt na «volledig onderwijs» ingevoegd: , niet zijnde hoger onderwijs,.

C

Aan artikel 3 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De studerende die door het gaan volgen van hoger onderwijs vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaren gaat voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 7 tot en met 11, komt dan voor het ontvangen van studiefinanciering in aanmerking op de eerste dag van het kwartaal dat daarop volgt.

D

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «studerenden van 18 tot 27 jaren die volledig onderwijs volgen» vervangen door: studerenden tot 27 jaren die volledig hoger onderwijs volgen, alsmede studerenden van 18 tot 27 jaren die overig volledig onderwijs volgen.

2. In het tweede lid wordt na «volledig onderwijs» ingevoegd: , niet zijnde hoger onderwijs,.

E

Het opschrift van hoofdstuk II wordt vervangen door: STUDERENDEN TOT 27 JAREN DIE VOLLEDIG HOGER ONDERWIJS VOLGEN, ALSMEDE STUDERENDEN VAN 18 TOT 27 JAREN DIE OVERIG VOLLEDIG ONDERWIJS VOLGEN

F

In artikel 8, eerste lid, wordt na «de studerende» ingevoegd: die volledig hoger onderwijs volgt, nog niet de leeftijd van 27 jaren heeft bereikt, of dat de studerende die overig volledig onderwijs volgt,.

G

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zevende lid wordt «3 jaren» vervangen door: 4 jaren, en wordt «2 jaren» vervangen door: 3 jaren.

2. In het tiende lid wordt «5 jaren» vervangen door: 4 jaren.

H

In artikel 12, vierde lid, wordt «de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt» vervangen door: nog geen aanspraak op studiefinanciering in de zin van dit hoofdstuk had.

I

Artikel 17a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt in de eerste volzin de zinsnede «wegens het volgen van een studie aan een in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde, dan wel aan een op grond van artikel 6.9 van die wet aangewezen instelling voor hoger onderwijs».

2. In het tweede lid, eerste volzin, wordt «5 jaren» vervangen door: 4 jaren en wordt «2 jaren» vervangen door: 3 jaren.

3. Het tweede lid, tweede volzin, wordt vervangen door: In afwijking van de eerste volzin bestaat gedurende 4 jaren aanspraak op studiefinanciering in de vorm van een rentedragende lening voor de studerende die staat ingeschreven voor meer dan één studie, waaronder de bovenbouwstudierichting der wijsbegeerte, met dien verstande dat gedurende die jaren de reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van beurs.

4. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: De vorige volzin en het derde lid zijn uitsluitend van toepassing op een studie aan een in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde, dan wel aan een op grond van artikel 6.9 van die wet aangewezen instelling voor hoger onderwijs.

5. In de aanhef van het derde lid wordt «5 jaren» vervangen door: 4 jaren en wordt «genoemd in het tweede lid» vervangen door: genoemd in het tweede lid, eerste volzin.

6. Het derde lid, onderdeel a, wordt vervangen door:

a. een voltijdse studierichting met een studielast van meer dan 168 studiepunten.

7. In het vierde lid, onderdeel a, wordt na «tandarts» ingevoegd: , een opleiding genoemd in artikel 7.4, zesde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

8. Het vierde lid, onderdeel c, komt te luiden:

c. 1¼ jaar voor elke 42 studiepunten of het equivalent daarvan, waarmee de studielast van een opleiding godgeleerdheid, van een opleiding gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs, dan wel van een op grond van artikel 6.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aangewezen wetenschappelijke theologische opleiding, de 168 studiepunten of het equivalent daarvan, overschrijdt, zoals blijkt uit een verklaring van het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat, met dien verstande dat de totale verlenging ten hoogste 2½ jaar bedraagt; de studerende dient die verklaring aan de Informatie Beheer Groep te verstrekken.

9. Het zevende lid wordt vervangen door:

  • 7. De Informatie Beheer Groep verlengt op verzoek van de studerende het aantal jaren, bedoeld in het tweede lid, eenmalig met 12 maanden, indien de studerende blijkens gedagtekende verklaringen van een geneeskundige en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen de periode, bedoeld in het tweede lid.

10. Het achtste lid vervalt.

J

Artikel 17b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift wordt vervangen door: Tijdelijke regeling van de gevallen waarin de toelage na korting wegens gebrek aan studievoortgang in het hoger onderwijs uitsluitend rentedragende lening is.

2. In het eerste lid wordt na «een studerende» ingevoegd: die niet over de maand september 1996 of daarna voor het eerst studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs ontving, en.

3. In het eerste lid wordt «in artikel 9, eerste lid, de onderdelen a, b, f en j,» vervangen door: in artikel 9, eerste lid, de onderdelen a, b en j,.

4. In het tweede en derde lid wordt na «de onderdelen c en j,» telkens ingevoegd: benevens, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid dan wel van een zodanige instelling uitgaande opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, de onderdelen a en b,.

K

Na artikel 17d wordt ingevoegd:

Artikel 17e. Gevallen waarin de toelage, die als voorwaardelijk toegekende rentedragende lening was uitgekeerd, wegens voldoende studieprestaties in het hoger onderwijs wordt omgezet in beurs

  • 1. Indien een studerende in de eerste maand waarin hij studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs geniet, is ingeschreven aan een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, de onderdelen a, b en c, wordt de hem op grond van artikel 31c voorwaardelijk toegekende rentedragende lening, dan wel een deel daarvan, omgezet in beurs op de voet van de artikelen 17f, 17fa, 17fb en 17g.

  • 2. Indien een studerende in de eerste maand waarin hij studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs geniet, is ingeschreven aan een andere onderwijsinstelling dan als bedoeld in artikel 9, eerste lid, de onderdelen a, b en c, wordt de hem op grond van artikel 31c voorwaardelijk toegekende rentedragende lening, dan wel een deel daarvan, omgezet in beurs op de voet van artikel 17h.

    2a. Indien een studerende, bedoeld in het eerste lid, vóór 1 februari van het eerste studiejaar in het hoger onderwijs waarvoor hij op enig moment studiefinanciering geniet, een studie gaat volgen aan een andere onderwijsinstelling dan als bedoeld in artikel 9, eerste lid, de onderdelen a, b en c, zal op zijn verzoek het tweede lid van toepassing zijn wanneer hij voor de studie aan die andere onderwijsinstelling het afsluitend examen met goed gevolg heeft behaald. Dat verzoek wordt vóór die datum van 1 februari ingediend bij de Informatie Beheer Groep.

  • 3. Indien een studerende, bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, in het eerste studiejaar in het hoger onderwijs waarvoor hij op enig moment studiefinanciering geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering in de zin van dit hoofdstuk voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de over de maanden van inschrijving in dat studiejaar toegekende voorwaardelijke rentedragende lening omgezet in beurs.

  • 4. Indien op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet een studerende op enig moment 80% of meer arbeidsongeschikt wordt in de periode waarbinnen ingevolge de artikelen 17g en 17h het afsluitend examen nog kan worden behaald om omzetting van voorwaardelijk toegekende rentedragende lening te bewerkstelligen, wordt diens voorwaardelijk toegekende rentedragende lening omgezet in beurs. Indien de situatie van arbeidsongeschiktheid zich niet voordoet in het studiejaar, bedoeld in artikel 17f, eerste lid, worden de eerste 12 maanden van de voorwaardelijk toegekende rentedragende lening niet omgezet.

  • 5. Bij omzetting gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.

Artikel 17f. Omzetting van de eerste 12 maanden voorwaardelijk toegekende rentedragende lening voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, eerste lid

  • 1. Indien een studerende als bedoeld in artikel 17e, eerste lid, ten minste 21 studiepunten heeft behaald in een studiejaar waarin hij op enig moment voor het eerst studiefinanciering heeft genoten voor het volgen van hoger onderwijs, worden de eerste 12 maanden van de voorwaardelijk aan hem toegekende rentedragende lening omgezet in beurs. Voor een studerende die zich als student aan een instelling voor hoger onderwijs inschrijft na 31 januari van een studiejaar, geldt, in afwijking van de eerste volzin, een norm van 14 studiepunten.

  • 2. Bij de beoordeling van de in het eerste lid bedoelde prestatie tellen de studiepunten mee die zijn behaald in opleidingen waarop artikel 17e, eerste lid, van toepassing is.

  • 3. Indien de studerende reeds in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 17g, voldoet hij tevens aan het eerste lid.

  • 4. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan Onze Minister naar aanleiding van een door een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, en ook, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid dan wel van een zodanige instelling uitgaande opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, de onderdelen a en b, in te dienen verzoek, toestaan dat in plaats van studiepunten een andere norm voor de beoordeling van studievoortgang wordt gehanteerd. Deze andere norm dient gelijkwaardig te zijn aan de norm uitgedrukt in studiepunten. De opleiding dient zodanig te worden ingericht dat een studerende in redelijkheid kan voldoen aan de in de vorige volzin bedoelde norm.

  • 5. De natuurlijke persoon van wie, dan wel de rechtspersoon waarvan een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, en ook, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid dan wel van een zodanige instelling uitgaande opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, de onderdelen a en b, uitgaat, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de onderwijsinstelling ingeschreven studerende vast en deelt deze voortgang vóór 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, aan de betrokkene mee. Voorts deelt de in de vorige volzin bedoelde natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend aan de Informatie Beheer Groep mee welke studerenden de norm van 21 dan wel 14 studiepunten, met inachtneming van artikel 31c, niet hebben behaald. Op de verstrekking van die gegevens zijn de krachtens artikel 122b vastgestelde regels van toepassing. De natuurlijke persoon dan wel de rechtspersoon stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan de Informatie Beheer Groep verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.

Artikel 17fa. Alsnog omzetting van de eerste 12 maanden voorwaardelijk toegekende rentedragende lening voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, eerste lid

Indien een studerende als bedoeld in artikel 17f, eerste lid, niet de daar vereiste 21, onderscheidenlijk 14 studiepunten heeft behaald, maar wel 10 studiepunten, en hij twee jaren eerder heeft voldaan aan artikel 17g dan in dat artikel is vereist, worden de in artikel 17f, eerste lid, bedoelde maanden voorwaardelijk aan hem toegekende lening alsnog omgezet in beurs.

Artikel 17fb. Alsnog omzetting van de eerste 12 maanden voorwaardelijk toegekende rentedragende lening voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, eerste lid, die godgeleerdheid volgen met een deficiënt vakkenpakket

  • 1. Indien een studerende als bedoeld in artikel 17f, eerste lid, die aan een instelling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b, is ingeschreven voor het volgen van onderwijs in de godgeleerdheid, op grond van een ontoereikend vakkenpakket alsnog Grieks dan wel Latijn volgt, niet het in artikel 17f, eerste lid, bedoelde aantal studiepunten heeft behaald, en 24 maanden eerder heeft voldaan aan artikel 17g dan in dat artikel is vereist, worden de in artikel 17f, eerste lid, bedoelde maanden voorwaardelijk aan hem toegekende lening alsnog omgezet in beurs.

  • 2. Indien de in het eerste lid bedoelde studerende zowel Grieks als Latijn volgt, geldt voor hem in plaats van de daar bedoelde termijn van 24 maanden, een termijn van 18 maanden.

  • 3. Het eerste en tweede lid is niet van toepassing, indien de studerende in het studiejaar, bedoeld in artikel 17f, eerste lid, minder dan het daar bedoelde aantal studiepunten zou hebben behaald, wanneer het vak Grieks en het vak Latijn elk zouden worden gewaardeerd op 21 studiepunten.

Artikel 17g. Omzetting van dertiende en volgende maanden voorwaardelijk toegekende rentedragende lening voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, eerste lid

  • 1. Indien een studerende als bedoeld in artikel 17e, eerste lid, uiterlijk 6 jaren na de aanvang van de eerste maand waarover hij studiefinanciering genoot voor het volgen van hoger onderwijs, het afsluitend examen met goed gevolg heeft behaald voor een opleiding in het hoger onderwijs waarop deze wet van toepassing is, wordt de voorwaardelijk aan hem toegekende rentedragende lening met uitzondering van de eerste twaalf maanden ervan, omgezet in beurs.

  • 2. Indien ten aanzien van de studerende artikel 17e, derde lid, is toegepast, wordt de uitzondering, bedoeld in het eerste lid, beperkt tot het aantal maanden voorwaardelijke rentedragende lening dat op grond van die bepaling was omgezet.

  • 3. Indien een studerende met goed gevolg het afsluitend examen heeft behaald van een opleiding waarvan de studielast is gebaseerd op een geringer aantal maanden dan 48, wordt het aantal om te zetten maanden met dit verschil verminderd.

  • 4. Indien artikel 17a, derde lid, van toepassing is, wordt het aantal jaren, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met de in artikel 17a, derde lid, bedoelde verlenging. Indien een studerende met goed gevolg het afsluitend examen heeft behaald van een opleiding die, blijkens de studielast is gebaseerd op een geringer aantal maanden dan de op grond van artikel 17a, derde lid, verlengde periode, wordt het aantal om te zetten maanden met dit verschil verminderd.

  • 5. Indien artikel 17a, zevende lid, is toegepast, wordt de periode van 6 jaren, genoemd in het eerste lid, verlengd met 3 jaren.

  • 6. Voor een aaneengesloten periode van 12 maanden waarin de studerende geen studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs heeft ontvangen, wordt de periode van 6 jaren, genoemd in het eerste lid, op verzoek van de studerende, verlengd tot 7 jaren. Dit verzoek moet worden gedaan vóór het einde van de periode van 6 jaren.

Artikel 17h. Omzetting vanaf de eerste maand van voorwaardelijk toegekende rentedragende lening voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, tweede lid

  • 1. Indien een studerende als bedoeld in artikel 17e, tweede lid, uiterlijk 6 jaren na de aanvang van de eerste maand waarover hij studiefinanciering genoot voor het volgen van hoger onderwijs het afsluitend examen met goed gevolg heeft behaald voor een opleiding in het hoger onderwijs waarop deze wet van toepassing is, wordt de voorwaardelijk aan hem toegekende rentedragende lening, voor zover deze nog niet was omgezet op grond van artikel 17e, derde lid, omgezet in beurs.

  • 2. Artikel 17g, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

L

In artikel 26, zesde lid, onderdeel b, wordt «artikel 32f, tweede lid» vervangen door: artikel 32f, derde lid.

M

Artikel 31a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift wordt vervangen door: Tijdelijke regeling van de voorwaardelijke toekenning van studiefinanciering en latere vaststelling van de onvoorwaardelijke vorm ervan.

2. Het eerste lid wordt vervangen door:

  • 1. Ten aanzien van een studerende in het hoger onderwijs die niet over de maand september 1996 of daarna voor het eerst studiefinanciering ontving voor het volgen van hoger onderwijs, wordt het beursdeel van de studiefinanciering in het hoger onderwijs, met uitzondering van de reisvoorziening, toegekend onder de voorwaarde dat de studerende over een studiejaar het in artikel 17b, eerste lid, dan wel het krachtens artikel 17b, tweede lid, vastgestelde resultaat behaalt.

3. Het vierde lid wordt vervangen door:

  • 4. Indien een studerende als bedoeld in het eerste lid, in het eerste studiejaar van inschrijving in het hoger onderwijs waarvoor hij op enig moment studiefinanciering geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering in de zin van dit hoofdstuk voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt aan het einde van dat studiejaar de voor dat studiejaar voorwaardelijk als beursdeel toegekende studiefinanciering onvoorwaardelijk als beurs vastgesteld.

4. In het vijfde lid wordt na «waarin de studerende» ingevoegd:

, bedoeld in het eerste lid,.

N

Artikel 31b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «Indien aan een studerende die is ingeschreven» wordt vervangen door: Indien aan een studerende die zich voor 1 september 1996 heeft ingeschreven.

2. De zinsnede «na de periode van 5 jaren, genoemd in artikel 17a, tweede lid» wordt vervangen door: na de periode van 4 jaren, genoemd in artikel 17a, tweede lid.

O

Voor artikel 32 wordt ingevoegd:

Artikel 31c. Toekenning van het beursdeel van de studiefinanciering voor het hoger onderwijs als voorwaardelijke rentedragende lening en latere omzetting van die lening dan wel vaststelling van de onvoorwaardelijke vorm ervan

  • 1. De studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs die op grond van de artikelen 15 tot en met 17a en 18 zou zijn toegekend als beurs, wordt, met uitzondering van de reisvoorziening, toegekend als voorwaardelijke rentedragende lening.

  • 2. Op de lening, bedoeld in het eerste lid, zijn de bepalingen van titel 5 van dit hoofdstuk van toepassing.

  • 3. Omzetting van de voorwaardelijk toegekende rentedragende lening op grond van de artikelen 31e en 31f, is voor een studerende slechts eenmaal mogelijk.

Artikel 31d. Vaststelling van de onvoorwaardelijke vorm van de toegekende rentedragende lening met betrekking tot de eerste 12 maanden in het hoger onderwijs voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, eerste lid

  • 1. Over het studiejaar waarin de studerende blijkens de mededeling aan de Informatie Beheer Groep als bedoeld in artikel 17f, vijfde lid, dan wel de mededeling als bedoeld in artikel 7.9b, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek onvoldoende studieprestatie heeft behaald met betrekking tot het eerste studiejaar met studiefinanciering in het hoger onderwijs, wordt met ingang van 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar, de voorwaardelijk toegekende rentedragende lening, bedoeld in artikel 17f, eerste lid, van rechtswege definitief als rentedragende lening vastgesteld.

  • 2. De voorwaardelijk als rentedragende lening toegekende studiefinanciering, bedoeld in het eerste lid, van de studerende, voor wie de Informatie Beheer Groep niet een bericht als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, wordt op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het desbetreffende studiejaar van rechtswege omgezet in beurs. De Informatie Beheer Groep maakt de omzetting zo spoedig mogelijk aan de studerende bekend.

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt de daar bedoelde definitief vastgestelde rentedragende lening alsnog omgezet in beurs, indien de studerende voldoet aan de voorwaarden voor omzetting als bedoeld in de artikelen 17fa en 17fb. De omzetting vindt gelijktijdig plaats met de omzetting, bedoeld in artikel 31e, derde lid. De in dat derde lid bedoelde bekendmaking door de Informatie Beheer Groep heeft betrekking op beide omzettingen tezamen.

Artikel 31e. Vaststelling van de omzetting van voorwaardelijk toegekende rentedragende lening, bedoeld in de artikelen 17g en 17h met betrekking tot studerenden aan instellingen waarop artikel 7.9d van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van toepassing is en daaraan gelijk gestelde instellingen

  • 1. Onze Minister kan voor onderwijsinstellingen of groepen van onderwijsinstellingen waarop artikel 7.9d van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie, dan wel de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een studerende, bedoeld in artikel 17g, eerste lid, dan wel artikel 17h, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan de Informatie Beheer Groep. Die natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

  • 2. Het derde lid is van toepassing op instellingen waarop artikel 7.9d van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van toepassing is en op instellingen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dan wel de mededeling, bedoeld in het eerste lid, vindt de omzetting, bedoeld in artikel 17g dan wel 17h plaats. Zo spoedig mogelijk na de omzetting maakt de Informatie Beheer Groep die omzetting aan de studerende bekend.

Artikel 31f. Vaststelling van de omzetting van voorwaardelijk toegekende rentedragende lening, bedoeld in de artikelen 17g en 17h, met betrekking tot studerenden aan andere instellingen dan bedoeld in artikel 31e, tweede lid

  • 1. Een studerende die een afsluitend examen als bedoeld in de artikelen 17g en 17h, met goed gevolg heeft afgelegd aan een andere instelling voor hoger onderwijs dan bedoeld in artikel 31e, tweede lid, zendt uiterlijk 3 maanden na de datum van dat afsluitende examen, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan de Informatie Beheer Groep en verzoekt daarbij om omzetting van de voorwaardelijk toegekende rentedragende lening. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen is afgesloten.

  • 2. Op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van het in het eerste lid bedoelde verzoek, vindt de omzetting, bedoeld in artikel 17g dan wel 17h plaats. Zo spoedig mogelijk na de omzetting maakt de Informatie Beheer Groep die omzetting aan de studerende bekend.

P

In artikel 33 vervalt: die de leeftijd van 17 jaren heeft bereikt,.

Q

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «betaling van de maandelijkse termijnen, bedoeld in artikel 41» vervangen door: terugbetaling.

2. Het derde lid vervalt.

R

Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder aanduiding van de tekst als eerste lid, wordt daarin «op grond van artikel 38, derde lid» vervangen door: op grond van het tweede lid.

2. Toegevoegd wordt een lid, luidende:

  • 2. Aan het begin van de aflosfase wordt een oorspronkelijke maandelijkse terugbetalingstermijn berekend door toepassing van artikel 41, tweede lid, onderdeel a, op basis van het bedrag aan opgebouwde studieschuld bij de start van de aanloopfase, vermeerderd met de in de aanloopfase over dat bedrag berekende rente. Daarbij wordt geen rekening gehouden met bedragen die, zonder opeisbaar te zijn, zijn terugbetaald in de aanloopfase. De duur van de aflosfase wordt berekend door het bedrag dat in de aanloopfase is terugbetaald te delen door de uitkomst van de eerste volzin. Het aldus verkregen getal wordt naar beneden afgerond en geeft aan het aantal oorspronkelijke maandelijkse termijnen dat in de aanloopfase is terugbetaald. De aflosfase wordt verminderd met het aantal oorspronkelijke maandelijkse termijnen.

S

In artikel 41, tweede lid, vervallen de onderdelen a en b en worden de onderdelen c tot en met e verletterd tot a tot en met c.

T

In artikel 123, derde lid, wordt «voldeed aan de voorwaarden genoemd in artikel 9, lid 1a en 1c,» vervangen door: voldeed aan de voorwaarden, genoemd in artikel 9, lid 1a en 1b.

U

Artikel 123a wordt als volgt gewijzigd:

1. «bedoeld in artikel 7.9a» wordt vervangen door: bedoeld in artikel 7.9a dan wel 7.9b.

2. «dan wel artikel 17b, derde lid,» wordt vervangen door: artikel 17b, derde lid, dan wel artikel 17f, vijfde lid,.

3. «Onze Minister» wordt vervangen door: de Informatie Beheer Groep.

4. Na «artikel 31a, tweede lid,» wordt ingevoegd: dan wel artikel 31d, tweede lid,.

V

Aan artikel 134 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Onze Minister brengt uiterlijk twee jaren na de datum van inwerkingtreding van de artikelen 17e en 31c verslag uit aan de beide Kamers van de Staten-Generaal over de werking van die artikelen.

W

De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van hoofdstuk II wordt vervangen door: Studerenden tot 27 jaren die volledig hoger onderwijs volgen, alsmede studerenden van 18 tot 27 jaren die overig volledig onderwijs volgen.

2. De aanduiding van artikel 17b wordt vervangen door: Tijdelijke regeling van de gevallen waarin de toelage na korting wegens gebrek aan studievoortgang in het hoger onderwijs uitsluitend rentedragende lening is.

3. Na artikel 17d wordt ingevoegd:

Artikel 17e Gevallen waarin de toelage, die als voorwaardelijk toegekende rentedragende lening was uitgekeerd, wegens voldoende studieprestaties in het hoger onderwijs wordt omgezet in beurs

Artikel 17f Omzetting van de eerste 12 maanden voorwaardelijk toegekende rentedragende lening voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, eerste lid

Artikel 17fa Alsnog omzetting van de eerste 12 maanden voorwaardelijk toegekende rentedragende lening voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, eerste lid.

Artikel 17fb Alsnog omzetting van de eerste 12 maanden voorwaardelijk toegekende rentedragende lening voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, eerste lid, die godgeleerdheid volgen met een deficiënt vakkenpakket

Artikel 17g Omzetting van dertiende en volgende maanden voorwaardelijk toegekende rentedragende lening voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, eerste lid

Artikel 17h Omzetting vanaf de eerste maand van voorwaardelijk toegekende rentedragende lening voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, tweede lid.

4. De aanduiding van artikel 31a wordt vervangen door: Tijdelijke regeling van de voorwaardelijke toekenning van studiefinanciering en latere vaststelling van de onvoorwaardelijke vorm ervan.

5. Voor artikel 32 wordt ingevoegd:

Artikel 31c Toekenning van het beursdeel van de studiefinanciering voor het hoger onderwijs als voorwaardelijke rentedragende lening en latere omzetting van die lening dan wel vaststelling van de onvoorwaardelijke vorm ervan

Artikel 31d Vaststelling van de onvoorwaardelijke vorm van de toegekende rentedragende lening met betrekking tot de eerste 12 maanden in het hoger onderwijs voor studerenden, bedoeld in artikel 17e, eerste lid

Artikel 31e Vaststelling van de omzetting van voorwaardelijk toegekende rentedragende lening, bedoeld in de artikelen 17g en 17h met betrekking tot studerenden aan instellingen waarop artikel 7.9b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van toepassing is en daaraan gelijk gestelde instellingen

Artikel 31f Vaststelling van de omzetting van voorwaardelijk toegekende rentedragende lening, bedoeld in de artikelen 17g en 17h, met betrekking tot studerenden aan andere instellingen dan bedoeld in artikel 31e, tweede lid.

ARTIKEL II

De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 6.15, tweede lid, wordt «op 31 januari» vervangen door: op 28 februari.

B

In artikel 7.4, zesde lid, wordt «artikel 17b, eerste lid, dan wel de norm vastgesteld krachtens artikel 17b, tweede lid,» vervangen door: de artikelen 17b, eerste lid, en 17f, eerste lid, dan wel de norm vastgesteld krachtens de artikelen 17b, tweede lid, dan wel 17f, vierde lid,.

C

Artikel 7.9a. wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het opschrift wordt toegevoegd: , bedoeld in artikel 17b van de Wet op de studiefinanciering.

2. In het eerste lid wordt «van iedere aan de instelling ingeschreven student» vervangen door: van iedere aan de instelling ingeschreven student op wie op enig moment in het studiejaar artikel 17b van die wet van toepassing is,.

3. In het tweede lid wordt «Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen» vervangen door: de Informatie Beheer Groep en wordt «welke studenten» vervangen door: welke studenten, bedoeld in het eerste lid,.

4. In het derde lid wordt «Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen» vervangen door: de Informatie Beheer Groep.

D

Na artikel 7.9a wordt ingevoegd:

Artikel 7.9b. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17f van de Wet op de studiefinanciering

  • 1. Het instellingsbestuur stelt aan het einde van het studiejaar de studievoortgang, bedoeld in artikel 17f, eerste dan wel vierde lid, van de Wet op de studiefinanciering van iedere aan de instelling ingeschreven student vast op wie artikel 17f van die wet van toepassing is, en deelt deze studievoortgang voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd aan de betrokkene mee.

  • 2. Het instellingsbestuur deelt na het einde van elk studiejaar voor 1 november daaropvolgend aan de Informatie Beheer Groep mee welke studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in het eerste lid, niet hebben behaald.

  • 3. Het instellingsbestuur stuurt gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het tweede lid, een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die over de betrokkene aan de Informatie Beheer Groep zijn verstrekt. Het instellingsbestuur geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van het bepaalde in de Wet op de studiefinanciering zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.

Artikel 7.9ba. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fa van de Wet op de studiefinanciering

  • 1. Het instellingsbestuur stelt aan het einde van het studiejaar de studievoortgang, bedoeld in artikel 17fa van de Wet op de studiefinanciering van iedere aan de instelling ingeschreven student vast op wie artikel 17f van die wet van toepassing is, maar die niet aan dat artikel 17f voldeed. Het instellingsbestuur deelt deze studievoortgang voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd aan de betrokkene mee.

  • 2. Artikel 7.9b, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 7.9bb. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fb van de Wet op de studiefinanciering

  • 1. Het instellingsbestuur stelt aan het einde van het studiejaar de studievoortgang, bedoeld in artikel 17fb van de Wet op de studiefinanciering, van iedere aan de instelling ingeschreven student in de godgeleerdheid, die met een ontoereikend vakkenpakket zijn studie aanving, vast wanneer op hem artikel 17f van die wet van toepassing is en hij niet aan dat artikel 17f voldeed. Het instellingsbestuur deelt deze studievoortgang voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, aan de betrokkene mee.

  • 2. Artikel 7.9b, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 7.9c. Aanleveren van gegevens in afwijking van de artikelen 7.9a en 7.9b

Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten onder artikel 17b dan wel 17f van de Wet op de studiefinanciering vallen, verstrekt het tevens de gegevens, bedoeld in artikel 7.9a, eerste lid, artikel 7.9b, eerste lid, artikel 7.9ba, eerste lid, dan wel artikel 7.9bb, eerste lid, over alle studenten. In dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling, bedoeld in artikel 7.9a, tweede lid, dan wel 7.9b, tweede lid.

Artikel 7.9d. Met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen

Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in artikel 17g, eerste lid, dan wel 17h, van de Wet op de studiefinanciering, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

E

Artikel 7.51 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «op de voet van de artikelen 15 tot en met 17 van de Wet op de studiefinanciering» vervangen door: op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van de Wet op de studiefinanciering.

2. Het tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool treft een financiële voorziening ten aanzien van een student die op grond van een van de artikelen 31a tot en met 31f van de Wet op de studiefinanciering geen aanspraak kan maken op studiefinanciering op de voet van de artikelen 15 tot en met 16a van die wet, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur door bijzondere omstandigheden het in artikel 31a van die wet bedoelde resultaat, dan wel de in het van toepassing zijnde artikel 31b, 31d, 31e dan wel 31f van die wet bedoelde prestatie niet heeft behaald. De financiële voorziening, bedoeld in de eerste volzin, is zodanig dat de betrokkene niet in een slechtere financiële situatie wordt gebracht dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten zonder toepassing van artikel 17b van de Wet op de studiefinanciering, dan wel, voor wat betreft de periode, bedoeld in artikel 17f, eerste lid, 17g, 17h dan wel 31b, eerste lid, van die wet, zonder toepassing van artikel 31c van die wet.

F

Artikel 7.52 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt na «de studievoortgang,» ingevoegd: het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen,.

2. In de tweede volzin van het tweede lid en in het vierde lid wordt «Algemene Bijstandswet» telkens vervangen door: Algemene bijstandswet.

3. In het vierde lid wordt «Onze minister» vervangen door: De Informatie Beheer Groep.

4. In het vijfde lid wordt «alsmede van de gegevens over de studievoortgang, bedoeld in artikel 7.9a.» vervangen door: de gegevens over de studievoortgang, bedoeld in de artikelen 7.9a en 7.9b, alsmede van de gegevens met betrekking tot het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d.

G

Aan artikel 7.61, eerste lid, onderdeel b, wordt toegevoegd: alsmede beslissingen inzake het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d,.

H

In de artikelen 9.64, derde lid, en 9.71, eerste en tweede lid, wordt «9.26, derde lid, derde volzin» telkens vervangen door: 9.26, vierde lid, tweede volzin.

I

De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het opschrift van artikel 7.9a wordt toegevoegd: , bedoeld in artikel 17b van de Wet op de studiefinanciering.

2. Na artikel 7.9a wordt ingevoegd:

Artikel 7.9b. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17f van de Wet op de studiefinanciering

Artikel 7.9ba. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fa van de Wet op de studiefinanciering.

Artikel 7.9bb. Studievoortgangscontrole, bedoeld in artikel 17fb van de Wet op de studiefinanciering

Artikel 7.9c. Aanleveren van gegevens in afwijking van de artikelen 7.9a en 7.9b

Artikel 7.9d. Met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen.

ARTIKEL III

Artikel 7.9c van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt vervangen door:

Artikel 7.9c. Aanlevering van gegevens van de Informatie Beheer Groep aan de instellingen

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke wijze de Informatie Beheer Groep aan een instellingsbestuur meedeelt op welke studenten de artikelen 7.9a en 7.9b betrekking hebben.

ARTIKEL IV

Indien het bij koninklijke boodschap van 5 december 1994 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering, houdende aanpassing van de collegegeldbepalingen en de afschaffing van verblijfsduurbeperkingen (24 025) tot wet wordt verheven, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

1. Artikel II, onderdeel C, zesde lid, vervalt.

2. Artikel VI komt te luiden:

ARTIKEL VI

  • 1. De studerende die valt onder artikel V van de Wet van 29 mei 1991, Stb. 281 (Heroriëntering WSF I), voldoet niet aan de voorwaarden voor het in aanmerking komen voor studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering, indien deze gedurende 6 jaren als studerende in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs studiefinanciering op grond van die wet heeft genoten, met dien verstande dat dit aantal jaren wordt verlengd op de voet van het tweede en derde lid.

  • 2. De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd voor de studerende:

    a. die is ingeschreven als student in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor het volgen van een opleiding als bedoeld in artikel 7.4, derde en zesde lid, van die wet voor elke 42 studiepunten die de opleiding meer bedraagt dan 168 studiepunten, met 1 jaar,

    b. die is ingeschreven als student in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor het volgen van een opleiding als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid eerste volzin en vijfde lid, van die wet voor elke 42 studiepunten, met 1 jaar en 6 maanden,

    c. die beschikt over een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen op het gebied van het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs met een studielast van ten minste 168 studiepunten en vervolgens voor de eerste maal is ingeschreven als student in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor het volgen van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, onderscheidenlijk het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van ten minste 168 studiepunten, en die gedurende meer dan 3 jaren studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering heeft genoten, met zoveel maanden als nodig om betrokkene voor de desbetreffende opleiding in haar geheel aanspraak te geven op 3 jaren studiefinanciering,

    d. die is ingeschreven als student in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor het volgen van een opleiding in de godgeleerdheid aan:

    1°. bijzondere universiteiten,

    2°. openbare universiteiten indien deze opleidingen worden gevolgd gelijktijdig met dan wel voorafgaand aan het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager voor dat kerkgenootschap, of

    3°. een opleiding op grond van artikel 1.11 van die wet aangewezen instelling, uitsluitend ten behoeve van deze opleidingen,

    met 2 jaren en 6 maanden, of

    e. die is ingeschreven als student in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor het volgen van een opleiding in de humanistiek, met 2 jaar en 6 maanden.

  • 3. Ten aanzien van de studerende die als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen binnen de voor hem volgens het eerste en tweede lid geldende periode met goed gevolg af te ronden, vindt een verlenging van die periode plaats met overeenkomstige toepassing van artikel 17a, zevende lid, van de Wet op de studiefinanciering.

  • 4. Het tweede lid onderdeel a is niet van toepassing ten aanzien van de belanghebbende die zich na 21 november 1995 heeft ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.4, zesde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

3. Na artikel VI wordt een artikel VIa ingevoegd, luidende:

ARTIKEL VIA

Artikel II onderdeel C aanhef en onder 1 geldt niet ten aanzien van de studerenden die vóór 1 september 1996 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering. Ten aanzien van deze studerenden zijn de beperking van het recht op studiefinanciering tot 6 jaren, bedoeld in artikel VI, eerste lid, en de verlenging van die termijn, bedoeld in artikel VI, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL V

De Wet op de studiefinanciering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 17f, eerste lid, wordt «ten minste 21 studiepunten heeft behaald» vervangen door: ten minste 28 studiepunten heeft behaald en wordt «een norm van 14 studiepunten» vervangen door: een norm van 19 studiepunten.

B

In artikel 17fa wordt «niet de daar vereiste 21, onderscheidenlijk 14 studiepunten heeft behaald, maar wel 10 studiepunten» vervangen door: niet de daar vereiste 28, onderscheidenlijk 19 studiepunten heeft behaald, maar wel 21 dan wel 14 studiepunten.

C

In artikel 17e, eerste lid, wordt «de artikelen 17f, 17fb en 17g» vervangen door: de artikelen 17f, 17fa, 17fb en 17g.

ARTIKEL VI

De Wet op de studiefinanciering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 17e, eerste en tweede lid, wordt telkens «de onderdelen a, b en c» vervangen door: de onderdelen a, b, c en j.

B

In artikel 17f, derde en vierde lid, wordt «onderdeel c» telkens vervangen door: de onderdelen c en j.

ARTIKEL VII

Aan artikel 7a van de Experimentenwet onderwijs3 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Onze Minister kan, indien de structuur van het desbetreffende experiment daartoe aanleiding geeft, voor degenen die als student aan dat experiment onderwijs volgen, de periode van 6 jaren, bedoeld in de artikelen 17g, eerste lid, en 17h, eerste lid, van de Wet op de studiefinanciering verlengen.

ARTIKEL VIII

De Algemene Kinderbijslagwet4 wordt als volgt gewijzigd: Na artikel 7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7a

  • 1. De verzekerde heeft geen recht op kinderbijslag overeenkomstig de bepalingen van deze wet voor een eigen kind, een aangehuwd kind of een pleegkind, indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering.

  • 2. Ook bestaat geen recht op kinderbijslag zolang op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht, ingediend door degene die studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering heeft aangevraagd, geen uitspraak is gedaan.

ARTIKEL IX

Indien het bij koninklijke boodschap van 28 april 1994 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe bepalingen voor een tegemoetkoming in de studiekosten (Wet tegemoetkoming studiekosten5) (23 699) tot wet wordt verheven, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

1. Artikel 9, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1°. de onderdelen a en b vervallen.

2°. aan onderdeel d ten 2° wordt toegevoegd: of.

3°. onderdeel d ten 4° vervalt.

2. Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1°. in het tweede lid vervalt onderdeel 1°.

2°. in het derde lid vervalt onderdeel a.

3. Na artikel 16 wordt ingevoegd artikel 16a, luidende:

Artikel 16a. Overbruggingstegemoetkoming

  • 1. In afwijking van de artikelen 9 en 16 komt de aanvrager, bedoeld in artikel 8, voor een overbruggingstegemoetkoming in aanmerking ten behoeve van een studerende

    a. die voor 1 oktober van het studiejaar jonger is dan 18 jaren,

    b. die op 1 oktober van het studiejaar als student is ingeschreven voor het volgen van hoger onderwijs waarop hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering van toepassing is, en

    c. voor wie de aanvrager over het voorafgaande studiejaar een tegemoetkoming in de studiekosten als bedoeld in artikel 16 heeft ontvangen.

  • 2. De overbruggingstegemoetkoming omvat voor een studerende aan een opleiding als bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel b:

    a. twee twaalfde deel van het bedrag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder 4°, en

    b. indien de aanvrager in het voorafgaande studiejaar aanspraak had op het normbedrag bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel b, twee twaalfde deel van dat normbedrag naar de maatstaf van het lopende studiejaar.

  • 3. De overbruggingstegemoetkoming omvat voor een studerende aan een opleiding als bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel c:

    a. twee twaalfde deel van het bedrag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder 4°, en

    b. indien de aanvrager in het voorafgaande studiejaar aanspraak had op het normbedrag bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel c, twee twaalfde deel van dat normbedrag naar de maatstaf van het lopende studiejaar.

  • 4. De artikelen 16, vijfde lid, 17 en 18 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Artikel 19 is niet van toepassing.

4. Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1°. in het tweede lid wordt «artikel 9, eerste lid, onderdelen a, c, d, onder 1° en 4°, en e» vervangen door: artikel 9, eerste lid, onderdelen c, d, onder 1°, en e.

2°. in het derde lid wordt na «studiejaar 18 jaar wordt,» ingevoegd «dan wel voor een studerende die na 1 oktober van het studiejaar als student is ingeschreven voor het volgen van hoger onderwijs waarop hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering van toepassing is,» en wordt na «18 jaar heeft bereikt» ingevoegd: dan wel als student is ingeschreven.

3°. in het zesde lid wordt «artikel 9, eerste lid, onderdelen b, d, onder 2° en onder 3°» vervangen door: artikel 9, eerste lid, onderdeel d, onder 2° en onder 3°.

5. Na artikel 92 wordt ingevoegd een artikel 92a, luidende:

Artikel 92a. Overgangsbepaling met betrekking tot artikel 16a

Voor het studiejaar 1996–1997 geldt

a. in artikel 16a, eerste lid, onderdeel c, in plaats van «een tegemoetkoming in de studiekosten als bedoeld in artikel 16»: een tegemoetkoming voor het volgen van voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs of deeltijds middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Regeling tegemoetkoming studiekosten voor studerenden jonger dan 18 jaar, studiejaar 1995–1996.

b. in artikel 16a, tweede lid, onderdeel b, in plaats van «het normbedrag bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel b»: een tegemoetkoming voor het volgen van middelbaar beroepsonderwijs of deeltijds middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Regeling tegemoetkoming studiekosten voor studerenden jonger dan 18 jaar, studiejaar 1995–1996.

c. in artikel 16a, tweede lid, onderdeel c, in plaats van «het normbedrag bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel b»: een tegemoetkoming voor het volgen van voortgezet onderwijs met uitzondering van middelbaar beroepsonderwijs of deeltijds middelbaar beroepsonderwijs, in de zin van de Regeling tegemoetkoming studiekosten voor studerenden jonger dan 18 jaar, studiejaar 1995–1996.

ARTIKEL X

Indien het bij koninklijke boodschap van 28 april 1994 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe bepalingen voor een tegemoetkoming in de studiekosten (Wet tegemoetkoming studiekosten) (23 699) tot wet wordt verheven, wordt artikel XIV, eerste lid, vervangen door:

  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1996, met dien verstande dat de bepalingen, genoemd in lid 1a tot en met het zevende lid, in werking treden op de in die leden aangeduide tijdstippen.

  • 1a. Artikel I met uitzondering van de onderdelen Q, R en S, en artikel II treden in werking met ingang van 1 september 1996.

ARTIKEL XI

Artikel I, de onderdelen A onder 1 en onder 2 sub r, G, I onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 10, K en O en de artikelen II en V, onderdeel A, gelden niet ten aanzien van de studerenden die vóór 1 september 1996 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering.

ARTIKEL XII

Een studerende in het hoger onderwijs die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet naar de maatstaf van artikel 3, tweede lid, van de Wet op de studiefinanciering jonger is dan 18 jaar en die op grond van deze wet aanspraak krijgt op studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering, kan, in afwijking van artikel 32, tweede lid, van die wet, het verzoek daartoe doen tot uiterlijk 31 december 1996.

ARTIKEL XIII

De tekst van de Wet op de studiefinanciering wordt door Onze Minister van Justitie in het Staatsblad geplaatst.

ARTIKEL XIV

  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 september 1996, met dien verstande dat de bepalingen, genoemd in het tweede tot en met zevende lid, in werking treden op de in die leden aangeduide tijdstippen.

  • 2. Artikel VIII treedt in werking met ingang van 1 oktober 1996.

  • 3. Artikel I, de onderdelen Q, R en S, treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.

  • 4. Artikel III treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 5. Artikel V treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Een zodanig koninklijk besluit wordt slechts tot stand gebracht, nadat uit een overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal is gebleken dat deze Kamer van oordeel is dat de verhoging van de kwaliteit en studeerbaarheid voldoende voortgang heeft gehad. Bij dit overleg zal mede de nadere evaluatie van de gevolgen van de temponorm worden betrokken.

  • 6. Artikel VI treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 7. Artikel VII treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 28 maart 1996

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

Uitgegeven de drieëntwintigste april 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1991, 112, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 226.

XNoot
2

Stb. 1992, 593, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 maart 1996, Stb. 226.

XNoot
3

Stb. 1970, 370, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 oktober 1995, Stb. 501.

XNoot
4

Stb. 1990, 128, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 1995, Stb. 691.

XNoot
5

Stb. 1995, 676.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1994/95, 1995/96,24 325 .

Handelingen II 1995/96, blz. 2983–3028, 3147–3148.

Kamerstukken I 1995/96, 24 325 (161, 161a, 161b, 161c, 161d, 161e).

Handelingen I 1995/96, blz. 1305–1322, 1327–1334.