Besluit van 28 februari 1996 tot wijziging van het Besluit luchtvaartuigtoepassingen bestrijdingsmiddelen (uitbreiding werkingssfeer verbod bestrijdingsmiddelen met behulp van luchtvaartuig toe te passen tot ondernemer landbouwluchtvaartbedrijf)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 24 november 1995, nr. J. 9515971, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op artikelen 13 en 14 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

Gehoord de Bestrijdingsmiddelencommissie;

De Raad van State gehoord (advies van 27 december 1995, nr. W11.95.0654);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 19 februari 1996, No. J. 96173, Directie Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Artikel 4 van het >Besluit luchtvaartuigtoepassingen bestrijdingsmiddelen1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid wordt vervangen door:

  • 1. Het is verboden bestrijdingsmiddelen te gebruiken met behulp van een luchtvaartuig.

2. Het tweede lid wordt vervangen door:

  • 2. Het is verboden bestrijdingsmiddelen met behulp van een luchtvaartuig te gebruiken, zodanig dat de gebruikte middelen buiten het te behandelen object geraken, tenzij de gebruiker aantoont, dat dit ook bij het meest zorgvuldige gebruik niet kon worden vermeden.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 28 februari 1996

Beatrix

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

Uitgegeven de tweede april 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

In bijgaand besluit wordt artikel 4, eerste en tweede lid, van het Besluit luchtvaartuigtoepassingen gewijzigd.

Aanleiding hiertoe vormt het arrest van 2 juni 1992 (NJ 1992, 754), waarin de Hoge Raad bepaalt dat het huidige artikel 4, tweede lid, van het Besluit luchtvaartuigtoepassingen bestrijdingsmiddelen een norm bevat die uitsluitend is gericht tot de feitelijke toepasser en niet tevens tot de ondernemer. De systematiek van het besluit, met name het onderscheid tussen artikel 4 en de artikelen 5 en 6, sloot uitbreiding van de strafbaarstelling tot de onderneming in artikel 4 uit, aldus de Hoge Raad.

Ik vind het echter om de volgende redenen gewenst dat ook de ondernemer ter zake van overtreding van artikel 4 vervolgd kan worden. Voor de uitvoering van de werkzaamheden in een onderneming draagt de ondernemer de verantwoordelijkheid. Het is niet wenselijk dat bij luchtvaartuigtoepassingen de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van spuitopdrachten alleen zou rusten op de piloot die het spuitvliegtuig bestuurt. De ondernemer bepaalt immers welke werkzaamheden binnen het landbouwluchtvaartbedrijf worden verricht en de omstandigheden waaronder dat gebeurt. De ondernemer kan voorwaarden scheppen die het de feitelijke uitvoerder mogelijk maken om de opdracht uit te voeren zonder fouten, zoals het maken van een verantwoorde keuze van een te behandelen object, het gunnen van voldoende tijd om werk te verrichten en het beschikbaar stellen van goede apparatuur. Bovendien kan bij andere spuitactiviteiten, die niet vanuit de lucht plaatsvinden, bij overtreding van de regels ook de onderneming worden aangesproken.

Door de strafbepaling van artikel 4 te wijzigen in die zin, dat het woord «toepassen» wordt vervangen door «gebruiken», vindt een uitbreiding van de werkingssfeer plaats. het begrip «gebruiken» wordt veelvuldig gebruikt in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en heeft nooit aanleiding gegeven tot een uitleg, die uitsluitend ziet op de persoon die eigenhandig de (spuit) apparatuur bedient. Bij het begaan van overtredingen door derden die in dienst van of ten behoeve van het agrarisch bedrijf spuitwerkzaamheden uitoefent, wordt het agrarisch bedrijf in de regel, naast de toepasser zelf, geverbaliseerd en vervolgd. Evenals in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 richt de term gebruiken zich hier niet slechts tot de toepasser in eigenlijke zin, maar ook tot het bedrijf in wiens opdracht de toepasser in eigenlijke zin de bestrijdingsmiddelen gebruikt. Zo wordt ook in de artikelen 2 en 3 van het Besluit luchtvaartuigtoepassingen bestrijdingsmiddelen de term gebruiker gebezigd en niet toepasser.

Aan de onderhavige wijziging zijn zowel voor de overheid als voor het bedrijfsleven geen uitvoeringslasten verbonden. Voor de overheid maakt het weinig verschil of de ondernemer, de feitelijke toepasser of beiden vervolgd worden ten aanzien van dezelfde overtreding.

Voor het bedrijfsleven geldt dat indien men zich aan de bestaande regels houdt, er geen extra lasten bijkomen.

De Bestrijdingsmiddelencommissie heeft bij brief van 4 juli 1995 aangegeven dat de adviesaanvraag geen aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen, behoudens het minderheidsstandpunt van de Stichting Natuur en Milieu. Het onderhavige besluit leent zich er echter niet voor om tot een de facto beëindiging van de luchtvaartuigtoepassingen te komen, zoals de Stichting wenst.

Door de onderhavige wijziging verwacht ik wel dat nog zorgvuldiger gespoten zal worden, hetgeen de Bestrijdingsmiddelencommissie terecht wenselijk acht.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen


XNoot
1

Stb. 1984, 233, gewijzigd bij besluit van 17 december 1993, Stb. 697.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven