Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatsblad 1996, 168 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatsblad 1996, 168 | AMvB |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 november 1994, nr. MJZ08n94061, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de artikelen 8.40, 8.41, 8.42 en 21.8 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 29 augustus 1995, No. W08.94.0682);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 maart 1996, nr. MJZ 96014100, Centrale Directie Juridische Zaken afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. tuinbouwbedrijf met bedekte teelt: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het telen van groenten, fruit, siergewassen, potplanten of eetbare paddestoelen in opstallen, voor zover:
1°. installaties ten behoeve van ruimteverwarming of warmwatervoorziening geen groter nominaal vermogen hebben dan 7,5 MW per installatie en voor zover er geen gasturbine of gasturbine-installatie aanwezig is;
2°. uitsluitend aardgas, propaan, butaan, gasolie, petroleum of lichte stookolie wordt gebruikt als brandstof ten behoeve van ruimteverwarming of warmwatervoorziening;
3°. uitsluitend gasolie of aardgas dan wel een combinatie van deze brandstoffen wordt gestookt in een zuigermotor of een gascompressor in een installatie voor warmtekrachtkoppeling, onderscheidenlijk in een warmtepompinstallatie;
4°. een zuigermotor als bedoeld onder 3°, of een ketelinstallatie niet wordt gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide, stikstofoxiden of stof;
5°. geen activiteiten of handelingen plaatsvinden, zoals bedoeld in bijlage I, categorie 21, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer;
6°. geen behandeling, door middel van begassing met bestrijdingsmiddelen, van bloembollen of knollen plaatsvindt, voor derden in een specifiek daartoe ingerichte begassingsruimte;
7°. de gezamenlijke inhoud van de tanks voor de bewaring van vloeibare kooldioxide niet meer bedraagt dan 16 000 liter;
8°. geen andere nitraathoudende kunstmeststoffen worden bewaard dan die van klasse C als gedefinieerd in richtlijn no 1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld Nitraathoudende meststoffen, vervoer en opslag, derde druk 1982;
9°. elektriciteit voor elektrische installaties uitsluitend wordt opgewekt met behulp van zonne-energie dan wel wordt betrokken van openbare elektriciteitsbedrijven, behoudens bij het gebruik van noodstroomvoorzieningsinstallaties of van met aardgas of gasolie gestookte warmtekrachtkoppelingsinstallaties;
10°. de gezamenlijke inhoud van de tanks voor de bewaring van gasolie of lichte stookolie niet meer bedraagt dan 50 000 liter en voor zover de bewaring in ondergrondse tanks plaatsvindt, dit plaatsvindt in van staal of van kunststof vervaardigde tanks;
11°. geen bewaring van K1- of K2-vloeistoffen in boven- of ondergrondse tanks plaatsvindt, behoudens de bovengrondse bewaring van petroleum in een of meer tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2500 liter;
12°. bewaring van afgewerkte olie uitsluitend in bovengrondse tanks plaatsvindt, waarvan de gezamenlijke inhoud niet meer bedraagt dan 1500 liter;
13°. op het bewaren van butaan of propaan, anders dan in spuitbussen of gasflessen, het Besluit opslag propaan milieubeheer van toepassing is;
14°. ten hoogste 400 kg bestrijdingsmiddelen in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 aanwezig zijn;
15°. aflevering van brandstoffen ten behoeve van tractiedoeleinden uitsluitend plaatsvindt aan eigen motorvoertuigen;
16°. ten hoogste een reserve-wisselreservoir voor de opslag van LPG per transportmiddel dat door middel van LPG wordt aangedreven, aanwezig is, met een waterinhoud van ten hoogste 150 liter;
17°. de gezamenlijke inhoud van de tanks voor de bewaring van vloeibare kunstmeststoffen niet meer bedraagt dan 24 000 liter;
18°. geen verven van bloemen en siergewassen plaatsvindt;
19°. geen dieren bedrijfsmatig worden gehouden;
20°. bij de teelt van eetbare paddestoelen slechts gebruik wordt gemaakt van geënte of doorgroeide compost;
21°. bij de teelt van eetbare paddestoelen de teeltoppervlakte van de cellen niet meer bedraagt dan 4000 m2;
22°. koelinstallaties die werken op ammoniak of een brandbaar koudemiddel niet meer van deze produkten bevatten dan in totaal 100 kg;
b. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de betrokken inrichting te verlenen;
c. gevoelig object: een gebouw of deel van een gebouw, dat bestemd is voor het verblijf van personen of een object, gebouw of terrein dat is bestemd voor verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een kampeerterrein als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, dan wel artikel 8, derde lid, van de wet op de openluchtrecreatie;
d. woning: een gebouw of deel van een gebouw, dat voor bewoning gebruikt wordt of daartoe is bestemd;
e. assimilatiebelichting: kunstmatige belichting van planten en gewassen, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de planten of gewassen, waarvan het geïnstalleerd elektrische vermogen op enig moment meer bedraagt dan 20 W/m2;
f. erfgrens: scheiding tussen aan elkaar grenzende percelen, voor zover niet bij dezelfde rechthebbende in gebruik;
g. aaneengesloten woonbebouwing: drie of meer woningen, die op telkens minder dan 5 m afstand van elkaar zijn gelegen, gerekend van gevel tot gevel;
h. object categorie I:
– aaneengesloten woonbebouwing;
– gevoelig object;
i. object categorie II:
– woning van derden, niet behorend tot een agrarisch bedrijf;
– restaurant;
j. object categorie III:
– woning van derden, behorend tot een agrarisch bedrijf;
k. meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet;
l. vaste meststoffen: meststoffen die niet verpompbaar zijn;
m. kunstmeststoffen: meststoffen van niet organische oorsprong;
n. verkennend onderzoek: onderzoek ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem op een wijze als aangegeven in het protocol Bodemonderzoek milieuvergunning en BSB, uitgave SDU uitgeverij, Den Haag 1993, dan wel in de door Onze Minister aangewezen norm van het Nederlands Normalisatie-instituut met betrekking tot dat onderwerp;
o. gasturbine: een werktuig, bestaande uit een compressor, één of meer verbrandingskamers en een turbine waarin brandstof met behulp van door de compressor gecomprimeerde lucht wordt verstookt, waarna het geproduceerde verbrandingsgas in de turbine tot een lagere druk expandeert en daarbij arbeid afgeeft aan een roterende as;
p. ketelinstallatie: een installatie, bestaande uit een ketel, waarin brandstoffen worden verbruikt, daaronder begrepen de bij de installatie behorende voorzieningen voor de reiniging van rookgas, die in hoofdzaak is bedoeld om warmte over te dragen aan water, stoom of thermische olie, waarbij het water, de stoom of de thermische olie niet in direct contact treedt met de rookgassen;
q. gasturbine-installatie: een installatie, bestaande uit een of meer gasturbines waarin brandstof wordt verstookt, met een of meer bijbehorende ketelinstallaties waar de verbrandingsgassen van deze gasturbine dan wel gasturbines doorheen worden gevoerd teneinde warmte over te dragen aan een medium dat niet in direct contact treedt met die gassen en waarin al of niet brandstof wordt verstookt en waarbij geen dan wel nagenoeg geen extra lucht voor de verbranding wordt toegevoerd;
r. gasolie: gasolie in de zin van de Wet op de accijns;
s. K0-vloeistof: een brandbare vloeistof, alsmede een tot vloeistof verdicht gas, waarvan bij 37,8°C de dampspanning, bepaald volgens NEN 928, uitgave 1970, meer bedraagt dan 98,1 kPa;
t. K1-vloeistof: een brandbare vloeistof, geen K0-vloeistof zijnde, waarvan het vlampunt gelegen is onder 21°C, bepaald volgens NEN-EN 57, uitgave 1984, en die bij 37,8°C een dampspanning heeft van ten minste 35 kPa en ten hoogste 98,1 kPa, bepaald volgens NEN 928, uitgave 1970, of een verfprodukt waarvan het vlampunt lager is dan 21°C, bepaald volgens NEN 5328, uitgave 1972, of NEN-ISO 3679, uitgave 1984;
u. K2-vloeistof: een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt gelegen is op of boven 21°C en onder 55°C, bepaald volgens NEN-EN 57, uitgave 1984, of een verfprodukt, waarvan het vlampunt hoger is dan 21°C, doch lager dan 55°C, bepaald volgens NEN 5328, uitgave 1972, of NEN-ISO 3679, uitgave 1984;
v. K3-vloeistof: een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt gelegen is op of boven 55°C, bepaald volgens NEN-ISO 2719, uitgave 1979, of een verfprodukt, waarvan het vlampunt gelegen is op of boven 55°C, bepaald volgens NEN 5328, uitgave 1976, of NEN-ISO 3679, uitgave 1984;
w. lichte stookolie: lichte stookolie in de zin van de Wet op de accijns;
x. teeltoppervlakte van de cellen: het totaal van het oppervlakte van de teeltbedden ten behoeve van de teelt van eetbare paddestoelen;
y. agrarisch bedrijf: een inrichting als bedoeld in bijlage I, categorie 8.1, onder a, of categorie 9.1, onder f, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer;
2. Dit besluit is niet van toepassing op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt dat is opgericht na de datum van inwerkingtreding van dit besluit en dat is gelegen in een gebied dat krachtens artikel 1.2, tweede lid, onder a of b, van de Wet milieubeheer bij een provinciale milieuverordening is aangewezen of dat anderszins bij een zodanige verordening is aangewezen als gebied waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft en waarvoor bij die verordening regels zijn gesteld, die die bescherming beogen.
3. Dit besluit is niet van toepassing op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, dat is opgericht na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en dat is gelegen:
a. op minder dan 50 m afstand van een object categorie I, dan wel
b. op minder dan 25 m afstand van een object categorie II of III;
4. Dit besluit is niet van toepassing op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, dat is opgericht vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en dat, inclusief een eventuele uitbreiding na deze datum, is gelegen:
a. op minder dan 25 m afstand van een object categorie I, dan wel
b. op minder dan 10 m afstand van een object categorie II of III.
5. Voor het bepalen van de afstanden, genoemd in het derde en vierde lid, wordt gemeten vanaf het onderdeel van het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, dat het dichtst bij het genoemde object is gelegen. Hierbij wordt niet betrokken een waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank en het open erf.
1. Degene die een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt drijft, voldoet aan de voorschriften die zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I, alsmede aan de krachtens deze voorschriften door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen.
2. Van een beschikking waarbij nadere eisen worden gesteld, wordt kennis gegeven in één of meer dag-, nieuws- of huis- aan huisbladen.
1. Degene die voornemens is een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt op te richten, meldt dit voornemen ten minste vier weken voor het oprichten aan het bevoegd gezag en aan de inspecteur.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, dan wel met betrekking tot het veranderen van de werking daarvan.
3. Een melding als bedoeld in tweede lid, is niet vereist indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan dan wel voor de inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, een onherroepelijke vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer gold, en door het veranderen of het veranderen van de werking van de inrichting geen afwijking ontstaat van de bij de eerdere melding verstrekte gegevens, onderscheidenlijk de vergunning.
4. Bij een melding als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt in ieder geval het tijdstip vermeld, waarop het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan zal zijn verwezenlijkt, en worden de gegevens verstrekt, die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. De melding wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister.
5. Degene die een melding heeft gedaan als bedoeld in het eerste of het tweede lid, stelt het bevoegd gezag zo tijdig in kennis van een wijziging van het in het vierde lid bedoelde tijdstip dat het bevoegd gezag in staat is om voorafgaand aan dat tijdstip te controleren of aan de in bijlage I opgenomen voorschriften wordt voldaan.
1. Degene die voornemens is een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt op te richten, verricht ten minste vier weken voor de inrichting in werking wordt gesteld, een verkennend onderzoek en geeft van de resultaten van dat onderzoek onverwijld kennis aan het bevoegd gezag.
2. Degene die voornemens is de activiteiten van het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt buiten werking te stellen, meldt dit voornemen vóór het beëindigen aan het bevoegd gezag.
3. Degene die de activiteiten van het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt heeft beëindigd, verricht binnen acht weken na die beëindiging een verkennend onderzoek en geeft van de resultaten van dit onderzoek onverwijld kennis aan het bevoegd gezag.
4. Het verkennend onderzoek richt zich op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen.
5. Het verkennend onderzoek richt zich op de plaatsen waar bodembedreigende handelingen zullen plaatsvinden of hebben plaatsgevonden en in ieder geval op plaatsen waar:
a. vloeibare brandstoffen bovengronds worden opgeslagen, worden overgeslagen of permanent worden gebruikt,
b. bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen of aangemaakt,
c. chemicaliën voor vloeibare voeding worden opgeslagen en de vloeibare voeding wordt aangemaakt en bewaard,
d. dompelbaden worden opgesteld en
e. de in de onderdelen a tot met d bedoelde handelingen hebben plaatsgevonden.
6. Het verkennend onderzoek richt zich niet op de teeltruimte voor gewassen van tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, indien daarin geen stoffen zijn opgeslagen, brandstoffen worden overgegoten en bestrijdingsmiddelen worden overgegoten of aangemaakt.
1. Gedurende één jaar vanaf het tijdstip waarop dit besluit van toepassing wordt op een reeds opgericht tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, is artikel 2 niet van toepassing.
2. Gedurende de in het eerste lid bedoelde periode zijn op het in dat lid bedoelde tuinbouwbedrijf van toepassing:
a. de voorschriften van een krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleende vergunning,
b. de voorschriften van een krachtens artikel 3, eerste lid, van de Hinderwet vastgestelde verordening, en
c. de voorschriften van een gemeentelijke verordening waarin regels zijn gesteld met betrekking tot het brengen van afvalwater in een openbaar riool,
zoals die voorschriften golden tot aan het in het eerste lid bedoelde tijdstip.
3. In een geval als bedoeld in het eerste lid, meldt degene die een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt drijft, ten hoogste 26 weken na het in dat lid bedoelde tijdstip aan het bevoegd gezag en de inspecteur dat hij het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt in werking heeft. De melding geschiedt overeenkomstig artikel 3, vierde lid.
4. Deze melding is niet vereist indien voor het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer geldt.
5. Op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt dat reeds is opgericht op het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt, wordt binnen drie jaar na dit tijdstip een verkennend onderzoek verricht. Artikel 4, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. Van de resultaten van dit onderzoek wordt binnen acht weken kennis gegeven aan het bevoegd gezag.
In afwijking van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B, treedt voor de toepassing van dat besluit met betrekking tot een stookinstallatie in een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt waarop dit besluit van toepassing is, de datum van oprichting van de stookinstallatie in de plaats van de datum van vergunningverlening voor de stookinstallatie en is op een dergelijke stookinstallatie hoofdstuk 8B van de bijlage bij dat besluit niet van toepassing.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnootDe Minister van Volkshuisvesting, RuimtelijkeOrdening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer
Uitgegeven de zesentwintigste maart 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
| I. | Begrippen | 8 |
| II. | Voorschriften: | 9 |
| 1. | Opslaan en aanmaken van bestrijdingsmiddelen | 9 |
| 2. | Opslaan van meststoffen | 10 |
| 3. | Voorschriften voor zuigermotoren van warmtekrachtkoppelingsinstallaties of warmtepompinstallaties | 12 |
| 4. | Verwarmingsinstallaties voor ruimteverwarming of warmwatervoorziening | 13 |
| 5. | Noodstroomvoorzieningen | 15 |
| 6. | Afvalstoffen | 16 |
| 7. | Bodembescherming | 17 |
| 8. | Geluidhinder | 18 |
| 9. | Lichthinder | 20 |
| 10. | Gebruik van vorkheftrucks | 21 |
| 11. | Bewaren van LPG-wisselreservoirs voor de aandrijving van transportmiddelen | 22 |
| 12. | Gasdrukregel- en meetinstallaties en met aardgas gestookte installaties | 22 |
| 13. | Gedragsvoorschriften | 23 |
| 14. | Brandbestrijding | 23 |
| 15. | Meet- en registratieverplichtingen | 23 |
| 16. | Bewaren van K1-, K2- en K3-vloeistoffen en chemicaliën in emballage | 23 |
| 17. | Gebruik van gasflessen | 24 |
| 18. | Opslaan van vloeibare kooldioxide in reservoirs | 24 |
| 19. | Opslaan van gasolie, lichte stookolie, dieselolie en petroleum in bovengrondse tanks met een inhoud van meer dan 200 liter | 26 |
| 20. | Afleverpompen voor motorbrandstoffen | 27 |
| 21. | Opslaan van afgewerkte olie | 28 |
| 22. | Toepassen van ammoniak als koudemiddel | 28 |
| 23. | Teelt van eetbare paddestoelen | 28 |
1. In deze bijlage en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
| bedrijfsriolering: | voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanuit het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt naar een openbaar riool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; |
| belasting: | het deel van het thermische vermogen, waarbij de ketelinstallatie of de zuigermotor daadwerkelijk wordt bedreven; |
| EnergieNed: | Vereniging van Energiedistributiebedrijven in Nederland; |
| equivalent geluidsniveau (LAeq) | het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode, optredende geluid, vastgesteld overeenkomstig voorschrift 8.8; |
| gasfles: | een voor herhaald gebruik bestemde, cilindrische, metalen drukhouder, die voorzien is van één aansluiting met klep- of naaldafsluiter en een waterinhoud heeft van ten hoogste 150 liter; |
| geluidgevoelige bestemmingen | gebouwen of objecten, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder; |
| geluidsniveau in dB(A) | het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) terzake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publikatie no. 651, uitgave 1979; |
| gevaarlijke stof: | stof zoals ingedeeld en gedefinieerd in het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en apparaten op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen. |
| NEN: | een door het NNI uitgegeven norm; |
| NEN-EN: | een door het Comité Européen de Normalisation opgestelde en door het NNI als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm; |
| NEN-ISO: | een door de International Organization for Standardization opgestelde en door het NNI als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm; |
| NNI: | Nederlands Normalisatie Instituut; |
| onbrandbaar: | het onbrandbaar zijn overeenkomstig NEN 6064; |
| openbaar riool: | gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; |
| referentieniveau: | de hoogste waarde van de onder a en b genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit bepaling referentieniveauperiode: a. het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat, gemeten over een bepaalde periode, gedurende 95% van de tijd, wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf; b. het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door wegverkeersbronnen minus 10 dB, met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 06.00 uur alleen wegverkeersbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode; |
| riolering: | bedrijfsriolering of voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; |
| ruimtebehandeling: | een toedieningstechniek, waarbij bestrijdingsmiddelen in een kas worden gebracht en waarbij de initiële gemiddelde deeltjes- of druppelgrootte kleiner is dan 50 μm; |
| thermisch vermogen: | de warmte-inhoud van de maximale hoeveelheid brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een ketelinstallatie of een zuigermotor; |
| VLG: | het Reglement betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen; |
| weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: | de tijd, uitgedrukt in minuten, gedurende welke geen uitbreiding van de brand naar aangrenzende ruimten mag plaatsvinden, bepaald overeenkomstig NEN 6068; |
| zuigermotor: | een installatie, bestaande uit een toestel, waarin een door verbranding van brandstof verkregen gasmengsel een zuiger in beweging brengt voor de aandrijving van een werktuig. |
2. Voor zover een DIN-, NEN-, NEN-EN- of NEN-ISO-norm, waarnaar in deze bijlage wordt verwezen, betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de vóór de datum waarop dit besluit in het Staatsblad is geplaatst, laatst uitgegeven norm met de daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen dan wel – voor zover het op die datum reeds bestaande constructies, toestellen en apparaten betreft – de norm die bij de aanleg c.q. installatie van die constructies, toestellen en apparaten is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald.
1. Opslaan en aanmaken van bestrijdingsmiddelen
Tengevolge van het opslaan en aanmaken mogen geen bestrijdingsmiddelen terecht kunnen komen in de bodem, in het openbaar riool, in het oppervlaktewater of in een afvoerput, -goot of -leiding, die aansluiting geeft op het openbaar riool, op een septic tank, op de openbare weg of op het oppervlaktewater.
1.2. Aanmaken van bestrijdingsmiddelen
1.2.1. Het aanmaken van mengsels of oplossingen van bestrijdingsmiddelen moet geschieden in en vanuit speciaal daarvoor bestemd vaatwerk.
1.2.2. Leidingen die zijn bestemd voor het transport van bestrijdingsmiddelen of een oplossing daarvan, moeten bovengronds zijn gelegd.
1.2.3. Gemorste droge bestrijdingsmiddelen moeten terstond droog worden opgenomen; gemorste vloeibare bestrijdingsmiddelen moeten terstond worden geïmmobiliseerd en in een speciaal daartoe bestemd vat worden gebracht. Hiertoe moeten voldoende materialen, absorberende en neutraliserende middelen voor onmiddellijk gebruik gereed aanwezig zijn.
1.2.4. Pompen, vaatwerk en leidingen, bestemd voor het aanmaken en doseren van bestrijdingsmiddelen, mogen geen rechtstreekse vaste verbindingen vormen met een drinkwaterleiding. Drinkwater mag alleen via een onderbreektank aan de waterleiding worden onttrokken.
1.3. Gebruiken van bestrijdingsmiddelen
1.3.1. Dompelbaden waarin gewerkt wordt met bestrijdingsmiddelen, moeten zijn opgesteld op een vloeistofdichte vloer.
1.3.2. Gedompelde produkten waar nog bestrijdingsmiddelen uit kunnen lekken, moeten boven het dompelbad of boven een vloeistofdichte vloer worden bewaard.
1.3.3. Het doseren van bestrijdingsmiddelen ten behoeve van ruimtebehandeling mag uitsluitend geschieden indien ramen, deuren en ventilatie-openingen zijn gesloten. Ramen, deuren en ventilatie-openingen dienen tot 2 uur na afloop van de behandeling gesloten te blijven.
2.1. Vloeibare kunstmeststoffen in tanks
2.1.1. De voorschriften 2.1.2 tot en met 2.1.20 zijn van toepassing op de opslag van vloeibare kunstmeststoffen.
2.1.2. De stijfheid en sterkte van een tank moeten voldoende zijn om het gewicht van de opgeslagen vloeistof te dragen en om schadelijke vervorming als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen. Een tank moet vloeistofdicht zijn.
2.1.3. De ondersteunende constructie van een tank moet uit onbrandbaar materiaal bestaan; op plaatsen waar kans op verzakking bestaat, moet een doelmatige fundering zijn aangebracht.
2.1.4. Een tank voor de opslag van zure kunstmeststoffen moet zijn voorzien van een ontluchtingsleiding waarvan de uitmonding zich in de buitenlucht bevindt. De ontluchtingsleiding moet te allen tijde een open verbinding van de tank met de buitenlucht verzekeren. Ontluchtingsleidingen van tanks voor de opslag van zure kunstmeststoffen mogen niet in verbinding staan met ontluchtingsleidingen van tanks voor de opslag van basische kunstmeststoffen.
2.1.5. Indien een niveau-aanwijzing of peilinrichting is aangebracht, moet deze zodanig zijn ingericht dat het uitstromen van vloeistof uit de tank, ook door verkeerde werking of door breuk, onmogelijk is.
2.1.6. In elke aansluiting op een tank beneden het hoogste vloeistofniveau en in de toevoerleiding naar het verbruikstoestel moet zo dicht mogelijk bij de tankwand een afsluiter zijn geplaatst; deze moet zodanig zijn uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend, dan wel is gesloten.
2.1.7. Elke tank dient voorzien te zijn van een overstortleiding met een diameter van 50 mm, die uitmondt op 5 cm boven de bodem van de in voorschrift 2.1.9 bedoelde lekbak.
2.1.8. Leidingen moeten bovengronds of in een daartoe speciaal aangelegde goot zijn gelegd.
2.1.9. Een tank moet zijn omgeven door een vloeistofdichte lekbak. Deze lekbak moet voldoende sterk zijn om weerstand te kunnen bieden aan de als gevolg van een lekkage optredende vloeistofdruk. De binnenzijde van de bak moet bestand zijn tegen de in de tanks opgeslagen stoffen.
2.1.10. Indien zich binnen een vloeistofdichte lekbak slechts één tank bevindt, moet de opnamecapaciteit ten minste gelijk zijn aan de tankinhoud. Zijn er binnen de vloeistofdichte bak twee of meer tanks opgesteld, dan moet de opnamecapaciteit van deze bak ten minste gelijk zijn aan de inhoud van de grootste tank, vermeerderd met 10% van de gezamenlijke inhoud van de overige tanks.
2.1.11. Tanks of emballage voor de bewaring van zure stoffen ten behoeve van pH-regulatie dienen in een andere lekbak te zijn geplaatst dan tanks of emballage voor de bewaring van basische stoffen ten behoeve van de pH-regulatie.
2.1.12. De gehele installatie van de tank en de leidingen moet vloeistofdicht zijn, hetgeen voor het in gebruik nemen of na een grote reparatie door een beproeving moet worden aangetoond. Deze beproeving moet geschieden door de tank en de leidingen geheel met water te vullen. Indien bij de beproeving een lekkage of een ander gebrek wordt geconstateerd, mag de tank niet in gebruik worden gesteld. Voor de beproeving moet tijdig kennis worden gegeven aan het bevoegd gezag, zodat het bevoegd gezag in de gelegenheid is om bij de beproeving aanwezig te zijn.
2.1.13. Het vullen van of aftappen uit een tank moet zonder morsen geschieden.
2.1.14. Een tank mag ten hoogste voor 95% zijn gevuld.
2.1.15. Vulleidingen moeten met een goed sluitende dop of afsluiter zijn afgesloten, behoudens tijdens het vullen van tanks.
2.1.16. Op elke tank moeten met duidelijk leesbare letters de chemische naam en de handelsnaam zijn vermeld van het produkt dat in de tank is opgeslagen, alsmede de concentratie van dat produkt, terwijl tevens duidelijk zichtbaar het bijbehorende gevarensymbool moet zijn aangebracht.
2.1.17. Nabij de vulopening moeten op de vulleiding met duidelijk leesbare letters de chemische naam en de handelsnaam zijn vermeld van het produkt dat is opgeslagen in de tank waarmee de vulleiding in verbinding staat, terwijl tevens duidelijk zichtbaar het bijbehorende gevarensymbool moet zijn aangebracht. Vulpunten dienen tegen mechanische beschadigingen te zijn beschermd.
2.1.18. Er dienen voorzieningen en maatregelen te zijn getroffen om te voorkomen dat bij het vullen van een tank een verkeerde aansluiting wordt gemaakt, waardoor een ander produkt in de tank kan geraken dan waarvoor de tank bestemd is.
2.1.19. Vulleidingen moeten op afschot zijn gelegd, aflopend naar de tank. Indien dit om technische reden niet uitvoerbaar is, dient na het vullen de vulleiding te worden doorgeblazen.
2.1.20. Bij dosering van de kunstmeststoffen in doseervaten, dient eerst voorgedoseerd te worden met water, voordat de kunstmeststoffen mogen worden toegevoegd.
2.2. Vloeibare kunstmeststoffen in emballage
2.2.1. Emballage, geheel of gedeeltelijk gevuld met vloeibare kunstmeststoffen, moet zijn geplaatst in een vloeistofdichte opvangbak, met een inhoud die ten minste gelijk is aan de inhoud van de opgeslagen emballage.
2.3. Vaste meststoffen, niet zijnde vaste kunstmeststoffen
2.3.1. Een opslag van vaste meststoffen, niet zijnde vaste kunstmeststoffen, moet zijn gelegen op ten minste:
a. 100 m afstand van een object categorie I;
b. 50 m afstand van een object categorie II of III.
Voor een opslag van vaste meststoffen, die reeds aanwezig was voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, geldt dit voorschrift met ingang van drie jaar na deze datum.
2.3.2. Voorschrift 2.3.1 is niet van toepassing op een opslag van vaste meststoffen, die reeds aanwezig was voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die is gelegen op ten minste 25 m afstand van een object categorie I, II of III, indien verplaatsing van de opslag redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen omtrent de omvang van de opslag, het afdekken van de meststoffen en de frequentie van de afvoer van de meststoffen, die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die de opslag van de meststoffen voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs kunnen worden gevergd.
3. Voorschriften voor zuigermotoren van warmtekrachtkoppelingsinstallaties of warmtepompinstallaties
3.1. Constructie, installatie en gebruik
3.1.1. Bij gebruik van vloeibare brandstof moeten doelmatige voorzieningen zijn getroffen om te voorkomen dat vloeistof terecht kan komen in de bodem, in het openbaar riool, in het oppervlaktewater of in een afvoerput, -goot of -leiding, die aansluiting geeft op het openbaar riool, op een septic tank, op de openbare weg of op het oppervlaktewater.
3.1.2. Een met aardgas te stoken zuigermotor moet voldoen aan de Veiligheidsvoorschriften voor aardgasmotoren van de Commissie Veiligheid Installaties voor het stoken van Aardgas (VISA, deel C), uitgave 1994.
3.1.3. Een zuigermotor moet zodanig zijn afgesteld en worden onderhouden, dat de concentratie van koolmonoxide in de uitgeworpen gassen, gemeten onder normale bedrijfsomstandigheden, niet meer bedraagt dan 0,1 volumeprocenten.
3.1.4. De in een ruimte waarin een zuigermotor is opgesteld, aanwezige hoeveelheid brandstof mag ten hoogste 200 liter gasolie of ten hoogste 20 liter benzine bedragen.
3.1.5. Nabij een zuigermotor moet een draagbare poederblusser aanwezig zijn met een inhoud van ten minste 6 kg, of een ander geschikt blusmiddel met eenzelfde bluscapaciteit.
3.2.1. Een zuigermotor moet eenmaal per jaar vakkundig worden onderhouden en afgesteld en zo vaak als nodig, doch ten minste eenmaal per jaar worden gereinigd zonder dat roet of ander vuil zich daarbij buiten de inrichting kan verspreiden.
3.2.2. Een met aardgas te stoken zuigermotor die is opgericht na het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt, moet voor de ingebruikneming en vervolgens telkens na twee jaar op goed functioneren worden gecontroleerd aan de hand van de Veiligheidsvoorschriften voor aardgasmotoren van de Commissie Veiligheid Installaties voor het stoken van Aardgas (VISA, deel C), uitgave 1994, door een op grond van de Waarborgregeling REG 94 erkende installateur of een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige. Een afschrift van een rapport van bevindingen van de controle dient binnen vier weken na de datum van de controle aan het bevoegde gezag te zijn verstrekt.
3.2.3. Voorschrift 3.2.2 is van overeenkomstige toepassing op een zuigermotor die is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, met dien verstande dat de eerste controle dient plaats te vinden binnen twee jaar na dat tijdstip.
3.3.1. Een zuigermotor met uitlaatdempersysteem moet zodanig zijn opgesteld dat geen gevaar voor brand is te duchten.
3.3.2. Een zuigermotor met eventueel bijbehorende brandstoftank moet tegen mechanische beschadiging en ongewenste handelingen van onbevoegden zijn beschermd.
3.3.3. Een ruimte waarin een zuigermotor is opgesteld moet voldoen aan NEN 2078 (GAVO deel 2).
3.4. Verbrandingsgasafvoersystemen
3.4.1. Een verbrandingsgasafvoersysteem ten behoeve van een met aardgas te stoken zuigermotor moet voldoen aan de eisen voor verbrandingsgasafvoersystemen gesteld in NEN 1078.
3.4.2. Een verbrandingsgasafvoersysteem ten behoeve van een met olie te stoken zuigermotor, moet voldoen aan de eisen voor verbrandingsgasafvoersystemen gesteld in NEN 3028. In een situatie waarin de vrije uitmonding dan wel verspreiding van de verbrandingsgassen kan worden belemmerd, kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu nadere eisen stellen omtrent de hoogte van de uitmonding van het verbrandingsgasafvoersysteem.
3.4.3. Een verbrandingsgasafvoersysteem moet zo vaak als nodig is, indien olie als brandstof wordt toegepast ten minste éénmaal per jaar, inwendig worden gereinigd, zonder dat roet of ander vuil zich daarbij buiten de inrichting kan verspreiden.
4. Verwarmingsinstallaties voor ruimteverwarming of warmwatervoorziening
4.1.1. De voorschriften 4.2.1 tot en met 4.6.2 zijn van toepassing op verwarmingsinstallaties met een gezamenlijke nominale belasting van meer dan 130 kW op bovenwaarde.
4.1.2. De voorschriften 4.2.2 tot en met 4.2.5. zijn bovendien van toepassing op met olie te stoken verwarmingsinstallaties met een gezamenlijke nominale belasting van 130 kW of minder op bovenwaarde.
4.2. Constructie, installatie en gebruik
4.2.1. Een met aardgas te stoken verwarmingsinstallatie moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de Model Aansluitvoorwaarden Gas 1994 van EnergieNed, uitgave 1994.
4.2.2. Een met olie te stoken verwarmingsinstallatie moet zodanig zijn ingericht en worden onderhouden, dat over het gehele regelbereik een nagenoeg rookloze verbranding wordt verkregen, waarbij het roetgehalte van de verbrandingsgassen, behoudens onmiddellijk na het starten of aansteken van een brander, het roetcijfer 3, bepaald volgens de filterpapiermethode van Bacharach, niet overschrijdt. De verbrandingsgassen mogen geen roetdeeltjes bevatten groter dan 0,5 mm.
4.2.3. De beveiliging van een met olie te stoken verwarmingsinstallatie moet ten minste voldoen aan NEN 2494.
4.2.4. Bij vlamwegval tijdens bedrijf mag een verdampingsbrander van een handbediende, met olie te stoken verwarmingsinstallatie niet eerder opnieuw worden aangestoken noch de ontstekingsinrichting opnieuw in werking worden gesteld, dan nadat de verdampingsbrander tot omgevingstemperatuur is afgekoeld, het eventueel in de vergassingsbrander aanwezige te veel aan olie zorgvuldig is verwijderd en de verwarmingsinstallatie voldoende is geventileerd.
4.2.5. Olieleidingen, met uitzondering van flexibele verbindingsstukken, moeten zijn vervaardigd van metaal van een voldoende mechanische sterkte. De verbindingen moeten onder alle omstandigheden even sterk zijn als de rest van de leiding. De leidingen en appendages moeten blijvend oliedicht zijn.
4.3.1. Een verwarmingsinstallatie moet eenmaal per jaar vakkundig worden onderhouden, afgesteld en zo vaak als nodig is, doch ten minste eenmaal per jaar, worden gereinigd zonder dat roet of ander vuil zich daarbij buiten de inrichting kan verspreiden.
4.3.2. Een met aardgas te stoken verwarmingsinstallatie die is opgericht na het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt, en die een nominale belasting heeft van ten hoogste 660 kW op bovenwaarde, moet voor de ingebruikneming en vervolgens telkens na 4 jaar overeenkomstig de Model Aansluitvoorwaarden Gas 1994 van EnergieNed, uitgave 1994, op goed en veilig functioneren worden gecontroleerd door een op grond van de Waarborgregeling REG 94 erkende installateur of een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige. Een afschrift van een rapport van bevindingen van de controle dient binnen vier weken na de datum van de controle aan het bevoegd gezag te zijn verstrekt.
4.3.3. Een met aardgas te stoken verwarmingsinstallatie die is opgericht na het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt, en die een nominale belasting heeft van meer dan 660 kW op bovenwaarde, moet voor de ingebruikneming en vervolgens telkens na 2 jaar overeenkomstig de Model Aansluitvoorwaarden Gas 1994 van EnergieNed, uitgave 1994, op goed en veilig functioneren worden gecontroleerd door een op grond van de Waarborgregeling REG 94 erkende installateur of een door het bevoegde gezag geaccepteerde deskundige. Een afschrift van een rapport van bevindingen van de controle dient binnen vier weken na de datum van de controle aan het bevoegd gezag te zijn verstrekt.
4.3.4. Een met olie te stoken verwarmingsinstallatie, die is opgericht na het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing wordt, moet voor de ingebruikneming en vervolgens telkens na 2 jaar met inachtneming van de voorschriften 4.2.2 tot en met 4.2.5 op de goede werking worden gecontroleerd en zonodig afgesteld door een door het bevoegde gezag hiertoe geaccepteerde deskundige. Een afschrift van een rapport van bevindingen van de controle dient binnen vier weken na de datum van de controle aan het bevoegd gezag te zijn verstrekt.
4.3.5. De voorschriften 4.3.2, 4.3.3 en 4.3.4 zijn van overeenkomstige toepassing op een verwarmingsinstallatie die is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, met dien verstande dat de eerste controle dient plaats te vinden binnen twee jaar na dat tijdstip.
4.4. Opstelling verwarmingsinstallaties
4.4.1. Een met aardgas te stoken verwarmingsinstallatie moet zijn opgesteld overeenkomstig NEN 1078. Een met een andere brandstof te stoken toestel moet zijn opgesteld overeenkomstig NEN 3028.
4.4.2. De brandstoftoevoer naar een verwarmingsinstallatie die is opgesteld in een stookruimte, moet kunnen worden afgesloten door middel van een op een goed bereikbare plaats, buiten de stookruimte aanwezige afsluiter, zodanig dat wordt voorkomen dat bij brand of als gevolg van lekkage of breuk van een leiding gas of olie in de stookruimte kan stromen. Nabij de stookruimte moet op duidelijke wijze zijn aangegeven waar zich de afsluiter bevindt. Bij de afsluiter moet duidelijk het doel en de wijze van sluiten zijn aangegeven.
4.5. Verbrandingsgasafvoersystemen
4.5.1. Een verbrandingsgasafvoersysteem ten behoeve van een met aardgas te stoken verwarmingsinstallatie moet voldoen aan de eisen voor verbrandingsgasafvoersystemen gesteld in NEN 1078.
4.5.2. Een verbrandingsgasafvoersysteem ten behoeve van een met olie te stoken verwarmingsinstallatie moet voldoen aan de eisen voor verbrandingsgasafvoersystemen, gesteld in NEN 3028.
4.5.3. Indien de vrije uitmonding dan wel verspreiding van de verbrandingsgassen uit een verbrandingsgasafvoersysteem kan worden belemmerd, kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu nadere eisen stellen omtrent de hoogte van de uitmonding van het verbrandingsgasafvoersysteem.
4.5.4. Een verbrandingsgasafvoersysteem moet zo vaak als nodig is en bij toepassing van olie als brandstof ten minste éénmaal per jaar inwendig worden gereinigd, zonder dat roet of ander vuil zich daarbij buiten de inrichting kan verspreiden.
4.6. Verwarmingsinstallaties voor ruimteverwarming of warmwatervoorziening met propaan, butaan of een mengsel hiervan als brandstof.
4.6.1. Een met propaan, butaan of een mengsel hiervan te stoken verwarmingsinstallatie moet zijn uitgevoerd overeenkomstig NEN 3324 en NEN 3324-A.
4.6.2. Een met propaan, butaan, of een mengsel hiervan te stoken verwarmingsinstallatie met een nominale belasting van meer dan 130 kw of meer, moet voor de ingebruikneming en vervolgens telkens na 4 jaar overeenkomstig NEN 3324 en NEN 3324-A op goed en veilig functioneren worden gecontroleerd door een door het bevoegde gezag geaccepteerde deskundige.
5.1.1. Een noodstroomaggregaat moet zodanig zijn opgesteld dat geen gevaar voor brand is te duchten.
5.1.2. Een noodstroomaggregaat en een eventueel aanwezige bijbehorende brandstoftank moeten op doelmatige wijze tegen mechanische beschadiging en handelingen van onbevoegden zijn beschermd.
5.1.3. Bij gebruik van vloeibare brandstof moeten doelmatige voorzieningen zijn getroffen om te voorkomen dat vloeistof terecht kan komen in de bodem, in het openbaar riool, in het oppervlaktewater of in een afvoerput, -goot of -leiding, die aansluiting geeft op het openbaar riool, op een septic tank, op de openbare weg of op het oppervlaktewater kan geraken.
5.1.4. In een ruimte waarin een noodstroomaggregaat is opgesteld, moeten niet-afsluitbare openingen voor de toevoer van verbrandingslucht en ventilatielucht en voor de afvoer van ventilatielucht zijn aangebracht, welke hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van kanalen, verbinding geven met de buitenlucht. Deze openingen moeten:
a. zodanig zijn aangebracht dat een goede dwarsventilatie is gewaarborgd;
b. zodanig zijn aangebracht dat onder alle omstandigheden een vrije luchtdoorlaat is gewaarborgd;
c. zodanige afmetingen hebben dat te allen tijde voldoende ventilatie is gewaarborgd om gassen of dampen die vrijkomen bij brandstoflekkage, af te voeren.
5.1.5. Een noodstroomaggregaat waarvoor aardgas als brandstof wordt toegepast, moet voldoen aan de Veiligheidsvoorschriften voor aardgasmotoren van de Commissie Veiligheid Installaties voor het stoken van Aardgas (VISA, deel C), uitgave 1994.
5.1.6. Een noodstroomaggregaat moet zodanig zijn afgesteld en worden onderhouden dat de concentratie van koolmonoxide in de uitgeworpen gassen, gemeten onder normale bedrijfsomstandigheden, niet meer bedraagt dan 0,1 volumeprocenten.
5.1.7. In een ruimte waarin een noodstroomaggregaat is opgesteld mag ten hoogste 200 liter gasolie of ten hoogste 20 liter benzine aanwezig zijn.
5.1.8. Nabij een noodstroomaggregaat moet een draagbare poederblusser aanwezig zijn met een inhoud van ten minste 6 kilo, of een ander geschikt blusmiddel met een zelfde bluscapaciteit.
5.2. Stationaire opstelling van noodstroomaccumulatoren
5.2.1. Een accumulator ten behoeve van noodstroomvoorziening en de ruimte waarin deze is opgesteld, moeten voldoen aan NEN 1010.
5.2.2. In afwijking van voorschrift 5.2.1 moet een ruimte waarin accumulatoren ten behoeve van noodstroomvoorziening zijn geplaatst waarvan de gezamenlijke energie minder dan 10 000 VAh bedraagt en die vóór 1 juli 1984 zijn opgesteld, zodanig zijn uitgevoerd en geventileerd dat zich geen ontplofbaar mengsel van waterstof en lucht kan vormen.
5.2.3. De vloer van een ruimte waarin open accumulatoren zijn opgesteld, moet vloeistofdicht zijn en bestand zijn tegen het te bezigen electrolyt of op een gelijkwaardige wijze daartegen zijn beschermd.
5.2.4. In een ruimte waarin accumulatoren ten behoeve van noodstroomvoorziening zijn opgesteld, mag niet worden gerookt. In deze ruimte mag bovendien geen open vuur aanwezig zijn. Dit moet op of nabij de toegang tot die ruimte met het pictogram «Vuur, open vlam en roken verboden» zijn aangegeven. Dit gevarensymbool moet zijn uitgevoerd overeenkomstig het Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering.
6.1. Afvalstoffen mogen niet worden verbrand, behoudens in een geval waarin volgens een gemeentelijke verordening verbranden van daarbij aangewezen categorieën uit de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen is toegestaan.
6.2. Afvalstoffen, niet zijnde snoeihout, bladeren, afgedragen gewas en soortgelijke afvalstoffen, mogen niet in de bodem terecht kunnen komen. Het bewaren of bezigen van afvalstoffen op de bodem moet zodanig geschieden dat geen verontreiniging van de bodem kan optreden.
6.3. Afvalstoffen, niet zijnde snoeihout, bladeren, afgedragen gewas en soortgelijke afvalstoffen, moeten regelmatig uit de inrichting worden afgevoerd. Het afvoeren moet zodanig geschieden dat zich geen afvalstoffen in of buiten de inrichting kunnen verspreiden.
6.4. Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze geschieden. Van afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden.
6.5. Bedrijfsafvalwater dat:
a. bedrijfsafvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen of waarvan kan worden voorkomen dat deze in het bedrijfsafvalwater terecht komen,
b. een gevaarlijke afvalstof is, waarvan kan worden voorkomen dat deze in de riolering terecht komt, of
c. stankoverlast buiten de inrichting veroorzaakt,
wordt niet in een riolering gebracht.
6.6. Onverminderd voorschrift 6.5, wordt bedrijfsafvalwater slechts in een openbaar riool gebracht, indien door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan:
a. geen belemmering kan plaatsvinden van de doelmatige werking van een openbaar riool, een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk behorende apparatuur,
b. geen belemmering kan plaatsvinden van de verwerking van slib, verwijderd uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, en
c. de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk worden beperkt.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van bedrijfsafvalwater dat in een openbaar riool wordt gebracht met het oog op de doelmatige werking, bedoeld onder a, de verwerking, bedoeld onder b, en de kwaliteit van het oppervlaktewater, bedoeld onder c.
6.7. Voorschrift 6.6 is van overeenkomstige toepassing op bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
6.8. Bedrijfsafvalwater wordt, voordat het in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater wordt gebracht, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.
6.9. Het composteren van afgedragen gewas en andere plantaardige afvalstoffen dient plaats te vinden op ten minste 5 m van de erfafscheiding, op ten minste 5 m van de insteek van een sloot, op ten minste 100 m van een object categorie I en op ten tenminste 50 m van een object categorie II of III. Voor het composteren van afgedragen gewas en andere plantaardige afvalstoffen, dat reeds plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt dit voorschrift met ingang van drie jaar na dat tijdstip.
6.10. Voorschrift 6.9 is niet van toepassing op het composteren van afgedragen gewas en andere plantaardige afvalstoffen, dat reeds plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en dat plaatsvindt op ten minste 25 m van een object categorie I, II of III, indien verplaatsing van het composteren redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen omtrent de omvang van de hoeveelheid te composteren materiaal, de duur van het composteren en het afdekken van het te composteren materiaal, die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen voor het milieu die het composteren voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs kunnen worden gevergd.
7.1. De voorschriften 7.2 tot en met 7.6 zijn van toepassing op het recirculeren van overtollig drainwater bij substraatteelt door middel van het systeem van onderbemaling.
7.2. Recirculatie moet plaatsvinden door middel van een drainagestelsel met verzamelput en afvoer naar een centrale opvang. Het systeem moet al het drainwater kunnen verwerken.
7.3. De drainagekokers moeten op een diepte liggen, die niet meer dan 25 cm verschilt van de gemiddelde grondwaterstand, maar niet lager dan 125 cm onder het maaiveld.
7.4. De hoeveelheid drainwater moet op een representatief aantal plaatsen worden gemeten. Op basis hiervan wordt de totale drainwaterstroom berekend.
7.5. De hoeveelheid opgepompt water dient te worden geregistreerd.
7.6. Van de berekende hoeveelheid drainwater en de opgepompte hoeveelheid water dient 90% te worden gerecirculeerd.
7.7. Het bewaren of composteren van afgedragen gewas of ander plantaardige afvalstoffen en het bewaren van vaste meststoffen en gebruikt substraatmateriaal dient te geschieden op een vloeistofdichte ondergrond met opstaande randen of gelijkwaardige voorziening; de stapeling moet zodanig geschieden dat uitzakkend vocht niet van de vloeistofdichte ondergrond kan vloeien. De bewaring van dit vocht dient te geschieden in een vloeistofdichte opslagruimte. Voor het bewaren gedurende ten hoogste vijf aaneengesloten dagen is het bovenstaande niet van toepassing.
7.8. Voorschrift 7.7 is van toepassing met ingang van drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, indien het bewaren en composteren reeds voor dat tijdstip plaatsvond, tenzij de in voorschrift 7.7 bedoelde voorziening op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voor de inrichting reeds was voorgeschreven in een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of in een verordening als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Hinderwet.
8.1. Het equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting vast opgestelde toestellen en installaties, mag ter plaatse van woningen van derden, andere geluidgevoelige bestemmingen en – voor zover binnen een afstand van 50 meter van de inrichting geen woningen van derden of geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn – op enig punt 50 meter van de inrichting, niet meer bedragen dan het referentieniveau ter plaatse, met dien verstande dat:
a. het equivalente geluidsniveau (LAeq) niet meer mag bedragen dan:
50 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;
45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;
40 dB(A) tussen 23.00 en 06.00 uur;
b. het equivalente geluidsniveau niet minder behoeft te bedragen dan:
40 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;
35 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;
30 dB(A) tussen 23.00 en 06.00 uur.
8.2. In afwijking van voorschrift 8.1 mag voor inrichtingen die zijn opgericht vóór de datum waarop dit besluit op die inrichting van toepassing wordt, het equivalente geluidsniveau (LAeq) niet meer bedragen dan:
55 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;
50 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;
45 dB(A) tussen 23.00 en 06.00 uur;
met dien verstande dat, indien ten behoeve van die inrichting een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, het equivalente geluidsniveau niet hoger mag zijn dan de waarde die is vastgelegd in de voor die inrichting verleende vergunning of die met de in die vergunning verlangde akoestische voorzieningen en in acht te nemen gedragsregels wordt bereikt; dit geldt niet voor zover dat equivalente niveau hoger is dan de waarde, vermeld in de aanhef van dit voorschrift, of lager is dan de waarde, vastgelegd in voorschrift 8.1, onder b.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de toelaatbare equivalente geluidsniveaus betreffende de inrichting; dit niveau mag echter niet hoger zijn dan het equivalente geluidsniveau, vermeld in de aanhef van dit voorschrift, en niet lager dan het niveau, vastgelegd in voorschrift 8.1, onder b; deze nadere eisen moeten onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen voor het milieu, die de equivalente geluidsniveaus kunnen veroorzaken en moeten redelijkerwijs gevergd kunnen worden.
8.3. De in de voorschriften 8.1 en 8.2 gestelde equivalente geluidsniveaus gelden niet voor grondstomen dat plaatsvindt door middel van een installatie van derden waarbij redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat die niveaus niet worden overschreden. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, die onder meer kunnen inhouden het vaststellen van de toelaatbare equivalente geluidsniveaus, de periode gedurende welke het grondstomen mag plaatsvinden en de locatie waar de installatie moet worden opgesteld en die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die de installatie voor het grondstomen voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs kunnen worden gevergd.
8.4. Onverminderd de voorschriften 8.1 en 8.2 mogen de piekwaarden (Lmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en de daarin verrichte werkzaamheden niet meer bedragen dan:
70 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur;
65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;
60 dB(A) tussen 23.00 en 06.00 uur.
8.5. De in voorschrift 8.4 gestelde piekwaarden gelden niet voor:
a. laden en lossen tussen 19.00 en 06.00 uur ten behoeve van de afvoer van tuinbouwprodukten door middel van groepsvervoer, voor zover dit niet meer dan eenmaal in deze periode plaats vindt;
b. laden en lossen tussen 06.00 en 19.00 uur;
c. laden en lossen, anders dan bedoeld onder a en b, indien redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat de piekwaarden niet worden overschreden.
In een geval als bedoeld onder c kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die het laden en lossen voor het milieu kunnen veroorzaken, die redelijkerwijs kunnen gevergd en die onder meer kunnen inhouden het vaststellen van de toelaatbare piekwaarden, het bepalen van een periode gedurende welke het laden en lossen niet mag plaatsvinden, het aanwijzen van een binnen het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt gelegen plaats waar het laden en lossen dient plaats te vinden, of het aanwijzen van een route die door het af- en aanrijdend verkeer van en naar het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt moet worden aangehouden.
8.6. Op zondagen en algemeen erkende feestdagen gelden voor de toepassing van de voorschriften 8.1, 8.2 en 8.4 tussen 06.00 en 19.00 uur de niveaus van de periode tussen 19.00 en 23.00 uur.
8.7. De controle op of berekening van het ingevolge voorschrift 8.1, 8.2, 8.3, 8.4 of 8.6 geldende geluidsniveau, geschiedt overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13–01, van maart 1981, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ook de beoordeling van de meetresultaten vindt overeenkomstig deze handleiding plaats.
8.8. Indien metingen ter plaatse van de in voorschrift 8.1 bedoelde woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen dan wel op de in dat voorschrift bedoelde afstand niet mogelijk zijn vanwege stoorgeluidsniveaus, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, inhoudende de vaststelling van referentiepunten waar metingen moeten worden verricht.
Daarbij kan het bevoegd gezag geluidsniveaus vaststellen, die zijn afgeleid van de in de voorschriften 8.1, 8.2, 8.3, 8.4 en 8.6 genoemde niveaus.
8.9. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en de gedragsregels die in acht moeten worden genomen teneinde aan de voorschriften 8.1, 8.2, 8.3, 8.4 en 8.6 te voldoen.
9.1. De gevel van een glasopstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, dient te zijn afgeschermd op een zodanige wijze dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95 % wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen, inhoudende dat de lichtuitstraling direct aan de gevel wordt afgeschermd.
9.2. Voorschrift 9.1 is niet van toepassing indien door de aanwezigheid van een object of voorziening binnen 10 m afstand van een gevel van een glasopstand, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast de lichtuitstraling naar de verdere omgeving, voor ten minste 95% wordt gereduceerd. Het bevoegd gezag kan daaromtrent nadere eisen stellen.
9.3. Voorschrift 9.1 is niet van toepassing op een glasopstand waarin reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit assimilatiebelichting werd toegepast, indien zijafscherming naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijze niet kan worden aangebracht. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, inhoudende dat daarbij aangegeven voorzieningen dienen te worden aangebracht dan wel maatregelen moeten worden getroffen die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die de assimilatiebelichting voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs kunnen worden gevergd. Indien dergelijke voorzieningen of maatregelen redelijkerwijze niet mogelijk zijn, wordt de constructie van de glasopstand binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op zodanige wijze aangepast dat het aanbrengen van voorzieningen dan wel het treffen van maatregelen mogelijk wordt.
9.4. De voorschriften 9.1, 9.2 en 9.3 gelden vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang. Indien zich binnen 50 m afstand van een glasopstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, een object categorie I, of binnen 25 m afstand een object categorie II of III bevindt, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, inhoudende dat voorschrift 9.1, onderscheidenlijk voorschrift 9.2, op elk moment waarop de assimilatiebelichting in werking is, geldt voor de gevel die is gekeerd naar het bedoelde object.
9.5. In de periode vanaf 1 september tot 1 mei is de toepassing van assimilatiebelichting vanaf 20.00 tot 24.00 uur niet toegestaan.
9.6. Het in voorschrift 9.5 gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat in de in dat voorschrift aangegeven periode gedurende de daarin genoemde uren geen assimilatiebelichting wordt toegepast. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die assimilatiebelichting voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs kunnen worden gevergd, inhoudende:
– het verbod van de toepassing van assimilatiebelichting gedurende een aaneengesloten periode van vier uur tussen 19.00 en 02.00 uur, dan wel
– de verplichting tot het aanbrengen van een voorziening aan de bovenzijde van de glasopstand, die de lichtuitstraling ten minste 95% reduceert, dan wel
– het vaststellen van een periode tussen 1 september en 1 mei, gedurende welke het verboden is vanaf 20.00 tot 24.00 uur assimilatiebelichting toe te passen, met dien verstande dat gedurende ten minste 10 aaneengesloten weken tijdens genoemde uren assimilatiebelichting wordt toegestaan.
10.1. Een verbrandingsmotor van een vorkheftruck moet zodanig zijn afgesteld dat de uitlaatgassen nagenoeg roet- en rookloos zijn. De verbrandingsmotor moet zijn voorzien van een doelmatige geluiddemper in de uitlaat.
10.2. De ruimte waarin accumulatorenbatterijen van elektrische vorkheftrucks worden geladen, moet op de buitenlucht zijn geventileerd. De vloer van de ruimte dient vloeistofdicht te zijn en bestand tegen accuzuur.
10.3. Tijdens het laden van een accumulatorenbatterij mag binnen 2 m van de opstelplaats van de accumulatorenbatterij niet worden gerookt en mag geen open vuur aanwezig zijn. Dit moet met het pictogram «Vuur, open vlam en roken verboden» zijn aangegeven. Dit gevarensymbool moet zijn uitgevoerd overeenkomstig het Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering.
10.4. Een oplaadinstallatie moet zodanig ten opzichte van de accumulatorenbatterij zijn geplaatst dat zich in de oplaadinstallatie geen waterstofgas kan verzamelen. Tevens moet de oplaadinstallatie zijn geaard.
10.5. Een oplaadinstallatie en een accumulatorenbatterij moeten overzichtelijk zijn opgesteld en te allen tijde goed bereikbaar zijn.
10.6. Het bijvullen van een brandstofreservoir van een heftruck met benzine mag uitsluitend in de buitenlucht plaatsvinden.
10.7. Het verwisselen van het brandstofreservoir van een vorkheftruck met een LPG-gestookte verbrandingsmotor mag alleen in de buitenlucht geschieden. Het is verboden een LPG-reservoir in de inrichting te vullen.
10.8. Indien het LPG-brandstofreservoir verwisselbaar is, moet het deugdelijk aan de heftruck zijn bevestigd; er moeten voldoende en in elk geval twee passende klemmen of beugels permanent aan de heftruck zijn bevestigd.
10.9. De klemmen en beugels waarmee het LPG-brandstofreservoir is bevestigd, moeten evenals de delen van de heftruck, die als ondersteuning dienen van het LPG-brandstofreservoir, zodanig met vilt, leer of kunststof zijn bekleed, dat het LPG-brandstofreservoir de heftruck niet metallisch raakt. De juiste stand van het LPG-brandstofreservoir moet op het LPG-brandstofreservoir door middel van een onuitwisbaar merkteken zijn aangegeven.
10.10. Het LPG-brandstofreservoir, de daarop bevestigde appendages en de bijbehorende leidingen moeten zodanig zijn aangebracht, dat deze zo goed mogelijk tegen aanrijding zijn beschermd en niet door het laden of het verschuiven van de lading kunnen worden beschadigd.
10.11. De op het LPG-brandstofreservoir bevestigde appendages en de daarbij behorende leidingen moeten onder alle omstandigheden gemakkelijk bereikbaar zijn, eventueel na het openen van het deksel van een appendagekast of na het wegnemen van een beschermkap.
10.12. Het LPG-brandstofreservoir moet zijn goedgekeurd door de Dienst voor het Stoomwezen of door een namens die dienst erkende deskundige; ten bewijs daarvan moet het LPG-brandstofreservoir zijn voorzien van een stempelplaat, waarin de volgende gegevens duidelijk leesbaar zijn ingeslagen:
a. het nummer van het LPG-brandstofreservoir;
b. de waterinhoud in liters;
c. de werk en persdruk;
d. de vullingsgraad en de keuringsdatum met het bijbehorende stempel.
10.13. Een LPG-brandstofreservoir waarvan de goedkeuring door de Dienst voor het Stoomwezen of een door die dienst erkende deskundige niet of blijkens de ingeponste datum meer dan 10 jaar geleden heeft plaatsgevonden, mag niet in de inrichting aanwezig zijn.
10.14. Het LPG-brandstofreservoir mag voor ten hoogste 80% met vloeistof zijn gevuld.
10.15. Een beschadigd en/of lek LPG-brandstofreservoir moet onmiddellijk in de buitenlucht worden gebracht en worden gemerkt met het woord «DEFECT», onderscheidenlijk «LEK»; voorts dienen de nodige maatregelen te worden getroffen om brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen; van een en ander moet de plaatselijke brandweer terstond in kennis worden gesteld; het personeel moet hieromtrent zijn geïnstrueerd; een beschadigd of lek LPG-brandstofreservoir moet ten spoedigste aan de leverancier worden teruggezonden.
10.16. De appendages moeten zijn gekeurd door de Dienst van het Stoomwezen. In verband hiermee dienen de verdamper/drukregelaar, onderscheidenlijk de drukregelaar, van de volgende, duidelijk zichtbare, aanduidingen zijn voorzien:
a. het keur- of inschrijvingsmerk van de Dienst voor het Stoomwezen;
b. de hoogst toegestane druk in kPa;
c. de naam van de fabrikant of fabrieksmerk.
10.17. De verdamper/drukregelaar, onderscheidenlijk drukregelaar, moet op een veilige plaats en trillingvrij zijn bevestigd.
11. Bewaren van LPG-wisselreservoirs voor de aandrijving van transportmiddelen
11.1. LPG-wisselreservoirs waarvan de goedkeuring door de Dienst voor het Stoomwezen, een door die dienst erkende deskundige of een ingevolge de EEG-kaderrichtlijn 76-167-EEG aangewezen instantie niet of blijkens de ingeponste datum niet tijdig heeft plaatsgevonden, mogen niet in de inrichting aanwezig zijn. De beproeving moet periodiek zijn herhaald overeenkomstig de termijnen die zijn aangegeven in het VLG.
11.2. Indien op het open terrein van de inrichting, dan wel per verdieping of deel van een gebouw, dat is gescheiden van de rest van het gebouw door wanden, vloeren of plafonds met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van tenminste 60 minuten, meer dan 2 LPG-wisselreservoirs aanwezig zijn, moeten de LPG-wisselreservoirs worden bewaard of zijn opgesteld in een kast, een kluis, een opslaggebouw of een open opslag- of opstelplaats, overeenkomstig de bepalingen van de concept-publicatie CP 16-3 (laboratoria, samengeperste, opgeloste of tot vloeistof verdichte gassen), uitgave 1989, van het Directoraat-Generaal van de Arbeid. Hiervan zijn uitgezonderd LPG-wisselreservoirs die als brandstofreservoirs op een vorkheftruck of motorvoertuig zijn gemonteerd.
11.3. De uitvoering van de in voorschrift 11.2 bedoelde opslag- of opstelplaatsen, alsmede het bewaren van de in deze opslag- of opstelplaatsen aanwezige LPG-wisselreservoirs, moet geschieden overeenkomstig de bepalingen van de concept-publicatie CP 16-3, getiteld laboratoria, samengeperste, opgeloste of tot vloeistof verdichte gassen, uitgave 1989, van het Directoraat-Generaal van de Arbeid.
12. Gasdrukregel- en meetinstallaties en met aardgas gestookte installaties
12.1. Voor zover in deze bijlage niet anders is bepaald, moeten de uitvoering van een gasdrukregel- en meetinstallatie en die van een aardgasinstallatie als gedefinieerd in NEN 1078 en NEN 2078, alsmede die van de ruimten waarin een dergelijke installatie is opgesteld, voldoen aan de Model Aansluitvoorwaarden Gas 1994 van EnergieNed, uitgave 1994.
13.1. De inrichting moet schoon worden gehouden en moet in goede staat van onderhoud verkeren.
13.2. Het aantrekken van ongewenste insekten, knaagdieren en ander ongedierte moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van ongewenste insekten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden.
13.3. Buiten gebruik gestelde installaties, toestellen en tanks dienen op gezette tijden uit de inrichting te worden afgevoerd.
13.4. Het gebruik als brandstof van afgewerkte olie in de zin van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen alsmede het gebruik van andere afvaloliën is niet toegestaan.
14.1. Teneinde een begin van brand effectief te kunnen bestrijden, moeten brandblusmiddelen of brandbestrijdingsinstallaties aanwezig zijn. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van de aard, de capaciteit, het aantal en de plaats van brandblusmiddelen of brandbestrijdingsinstallaties nadere eisen stellen.
14.2. Brandblusmiddelen moeten steeds voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn en onbelemmerd kunnen worden bereikt.
Draagbare blustoestellen, slanghaspels en andere brandblusmiddelen of brandbestrijdingsinstallaties moeten jaarlijks door een deskundige worden gecontroleerd op hun deugdelijkheid. Het onderhoud van draagbare blustoestellen moet overeenkomstig NEN 2559 geschieden. Brandslanghaspels moeten voldoen aan NEN 3211.
14.3. Draagbare blustoestellen moeten zijn voorzien van een rijkskeurmerk met rangnummer.
15. Meet- en registratieverplichtingen
15.1. Indien in deze bijlage is bepaald dat degene die de inrichting drijft, verplicht is metingen, keuringen en controles aan installaties of installatie-onderdelen te verrichten of te doen verrichten, moeten de resultaten daarvan ten minste tot aan het beschikbaar zijn van de resultaten van de eerstvolgende meting, keuring of controle in de inrichting worden bewaard en ter inzage worden gehouden voor het bevoegd gezag, tenzij in deze bijlage anders is bepaald.
16. Bewaren van K1-, K2- en K3-vloeistoffen en chemicaliën in emballage
16.1. De verpakking van K1-, K2- en K3-vloeistoffen en van andere chemicaliën moet dicht zijn, geschikt voor de desbetreffende stof en voldoende sterk. Bewaring van voornoemde stoffen is niet toegestaan in trappenhuizen van gebouwen en op plaatsen die kunnen dienen als vluchtweg in geval van brand of anderszins.
16.2. In de inrichting mogen niet meer K1-, K2- en K3-vloeistoffen en andere chemicaliën aanwezig zijn dan voor een goede bedrijfsvoering noodzakelijk is.
16.3. De bewaring van gevaarlijke stoffen in een emballage van meer dan 25 kg of 25 liter dient plaats te vinden overeenkomstig richtlijn 15-1 van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR), getiteld Opslag gevaarlijke stoffen in emballage, van toepassing.
17.1. Gasflessen waarvan de goedkeuring door de Dienst voor het Stoomwezen, een door die dienst geaccepteerde deskundige of een ingevolge de EEG-kaderrichtlijn 76/767/EEG alsmede de daarop berustende bijzondere richtlijnen 84/525/EEG, 84/526/EEG en 84/527/EEG aangewezen instantie niet of blijkens de ingeponste datum niet tijdig heeft plaatsgevonden, mogen niet in de inrichting aanwezig zijn. De beproeving van gasflessen moet periodiek zijn herhaald overeenkomstig de termijnen, aangegeven in het VLG.
17.2. Gasflessen mogen slechts zijn gevuld met het gas waarvoor zij zijn beproefd en waarvan de naam op de fles is aangebracht. Het voorhanden hebben en het gebruik van gasflessen die zijn gevuld met LPG, is verboden, evenals het voorhanden hebben en het gebruik van vloeibaar gas in LPG anders dan voor de tractie van motorvoertuigen.
17.3. Gasflessen moeten steeds gemakkelijk bereikbaar zijn en beveiligd zijn tegen omvallen en mogen niet in de onmiddellijke nabijheid van andere brandgevaarlijke stoffen zijn opgesteld.
17.4. Niet aan een vaste plaats gebonden gasflessen moeten buiten werktijd op een vaste, in overeenstemming met de plaatselijke brandweer nader te bepalen plaats ondergebracht zijn. Aan een vaste plaats gebonden gasflessen moeten bij de plaatselijke brandweer bekend zijn.
17.5. In de inrichting mogen niet meer gasflessen aanwezig zijn, dan voor een goede bedrijfsvoering noodzakelijk is.
18. Opslaan van vloeibare kooldioxide in reservoirs
18.1. In de voorschriften 18.2 tot en met 18.39 wordt verstaan onder:
reservoir: een reservoir waarin vloeibare kooldioxide wordt opgeslagen;
installatie: een reservoir, de daarop aangebrachte appendages en de bijbehorende leidingen.
18.2. De voorschriften 18.3 tot en met 18.39 zijn van toepassing op reservoirs die zijn bestemd voor de opslag van vloeibare kooldioxide.
18.3. Een reservoir mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor het opslaan van vloeibare kooldioxide.
18.4. Een reservoir moet in de open lucht zijn geplaatst, zo dat bij lekkage vrijkomende kooldioxide zich niet kan ophopen.
18.5. Een hoge-drukreservoir waarin vloeibare kooldioxide niet gekoeld wordt opgeslagen, moet bestand zijn tegen een beproevingsdruk van ten minste 13 MPa.
18.6. Een reservoir waarin vloeibare kooldioxide gekoeld wordt opgeslagen, moet goed zijn geïsoleerd.
18.7. Een reservoir waarin vloeibare kooldioxide gekoeld wordt opgeslagen, moet bestand zijn tegen een beproevingsdruk van ten minste 2,2 MPa.
18.8. Een vacuüm geïsoleerd reservoir waarin vloeibare kooldioxide gekoeld wordt opgeslagen, moet bestand zijn tegen een beproevingsdruk van ten minste 3 MPa.
18.9. Een reservoir moet blijkens zijn constructie speciaal voor de opslag van vloeibare kooldioxide zijn bestemd. Alle onderdelen van de installatie moeten bestand zijn tegen de drukken en temperaturen, die kunnen optreden.
18.10. Het vacuümvat (buitenvat) van een vacuüm geïsoleerd reservoir waarin vloeibare kooldioxide gekoeld wordt opgeslagen, moet van een zodanige dichtheid zijn dat het vereiste vacuüm van het vat behouden blijft.
18.11. De vacuümruimte van een reservoir moet beveiligd zijn tegen overdruk.
18.12. Elk onderdeel van een installatie moet zijn vervaardigd van materiaal dat bestand is tegen de laagste temperatuur waaraan het kan worden blootgesteld.
18.13. Een reservoir moet zijn voorzien van ten minste één deugdelijk veiligheidstoestel dat in directe verbinding staat met de dampruimte van het reservoir. Bij gebruik van meer dan één veiligheidstoestel moeten de toestellen zodanig zijn gekoppeld dat er altijd een veiligheidstoestel in directe verbinding staat met de dampruimte.
18.14. Een veiligheidstoestel moet openen wanneer de toelaatbare bedrijfsdruk wordt overschreden.
18.15. Een veiligheidstoestel en de bijbehorende aanvoer- en afvoerleidingen moeten een zodanige doorlaat hebben, dat de druk in het reservoir niet meer dan 10% boven de toelaatbare bedrijfsdruk kan stijgen.
18.16. Een reservoir moet zijn voorzien van een deugdelijke manometer, die ten minste een druk kan aanwijzen die 25% hoger is dan de toelaatbare bedrijfsdruk van het reservoir.
18.17. Een reservoir moet zijn voorzien van deugdelijke apparatuur waarmee kan worden gemeten welke hoeveelheid vloeibare kooldioxide daarin is opgeslagen.
18.18. Een reservoir moet zijn goedgekeurd door de Dienst voor het Stoomwezen of door een door die dienst erkende deskundige. Ten bewijze daarvan dient het reservoir te zijn voorzien van een stempelplaat, waarin duidelijk zichtbaar de volgende gegevens zijn ingeslagen:
a. het nummer van het reservoir;
b. de gassoort;
c. de waterinhoud in liters;
d. de maximaal toelaatbare vullingsgraad;
e. de werk- en beproevingsdruk;
f. het jaar van de eerste beproeving;
g. het jaar van de laatste beproeving;
h. het waarmerk van de Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst erkend waarmerk.
18.19. Een reservoir waarvan de goedkeuring door de Dienst van het Stoomwezen of door een door deze dienst erkende deskundige niet of blijkens de ingeslagen datum meer dan zes jaar geleden heeft plaatsgevonden, mag niet meer worden gebruikt.
18.20. De stijfheid en de sterkte van de ondersteuningsconstructie van een reservoir moeten voldoende zijn om schadelijke vervorming van het reservoir als gevolg van verzakking van de steunpunten of van weersinvloeden te voorkomen.
18.21. Voor het in gebruik nemen van een installatie en binnen vier weken na elke herkeuring daarvan dient door degene die het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt drijft, een afschrift van het door de Dienst voor het Stoomwezen afgegeven beproevingsrapport aan het bevoegd gezag te zijn overgelegd.
18.22. Het uitwendige van een installatie moet deugdelijk tegen corrosie zijn beschermd.
18.23. Leidingen moeten waar mogelijk bovengronds zijn gelegd. Ondergrondse leidingen moeten zijn beschermd tegen corrosie en belasting door het verkeer.
18.24. Leidingen moeten lekvrij zijn verbonden door een deugdelijke koppeling, door lassen of door hardsolderen.
18.25. Alle onderdelen van een installatie moeten zodanig zijn uitgevoerd dat er geen ontoelaatbare spanningen ten gevolgen van verzakkingen of temperatuurverschillen kunnen ontstaan.
18.26. Een leidinggedeelte tussen twee afsluiters, waarin door het opsluiten van vloeibaar gas een ontoelaatbare drukverhoging kan ontstaan, moet zijn voorzien van een drukontlastklep.
18.27. In de vloeistof- of gasafnameleiding moet zo dicht mogelijk bij het reservoir een afsluiter aanwezig zijn.
18.28. Leidingen moeten zodanig zijn geconstrueerd en ingericht, dat de werking van de verdamper de druk in het reservoir niet boven de werkdruk kan doen stijgen.
18.29. De aansluitkoppeling van de vulleiding van een reservoir moet deugdelijk zijn ondersteund en speciaal voor kooldioxide bestemd zijn.
18.30. Een vulslang voor het vullen van een reservoir alsmede de bijbehorende koppelingen moeten van een deugdelijke constructie zijn en bestand zijn tegen kooldioxide. Zij moeten ten minste eenmaal per jaar op deugdelijkheid worden gecontroleerd en op 3000 kPa worden beproefd.
18.31. Bij het vullen van het reservoir mag de maximaal toelaatbare vullingsgraad niet worden overschreden.
18.32. Voor het bedienen van een installatie en het toezicht tijdens het vullen van het reservoir moeten één of meer personen zijn aangewezen, die voldoende geïnstrueerd zijn omtrent de bediening onder normale omstandigheden en de te treffen maatregelen bij bijzondere omstandigheden.
18.33. Een installatie moet aan alle zijden worden vrijgehouden en toegankelijk zijn.
18.34. Indien een installatie zich bevindt op een terrein dat vrij toegankelijk is, dient op ten minste 1 meter afstand van het reservoir een deugdelijk hekwerk van metaalgaas met een hoogte van ten minste 2 m aanwezig zijn, zodat onbevoegden niet bij de installatie kunnen komen. Op de buitenzijde van het hekwerk moet het opschrift «VERBODEN VOOR ONBEVOEGDEN, KOOLDIOXIDE» zijn aangebracht.
18.35. Het terreingedeelte binnen het in voorschrift 18.34 bedoelde hekwerk moet zich ten minste op het peil van het omliggende terrein bevinden. De bodemafwerking moet zijn uitgevoerd in beton, betonplaten, asfalt of een andere voldoende stevige bestrating.
18.36. Een installatie moet voldoende tegen aanrijding zijn beschermd door een deugdelijk remmingwerk dan wel een deugdelijke vangrailconstructie.
18.37. Reparaties aan een installatie mogen alleen worden uitgevoerd door ter zake kundige personen.
18.38. Een reservoir met een waterinhoud van meer dan 10 000 l dient te zijn geplaatst op ten minste 25 m afstand van een object categorie I, II of III. Voor een reservoir dat reeds aanwezig was voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, geldt dit voorschrift met ingang van drie jaar na dat tijdstip.
18.39. Voorschrift 18.38 is niet van toepassing op een reservoir, dat reeds aanwezig was voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en dat is gelegen op ten minste 10 m afstand van een object categorie I, II of III, indien verplaatsing van het reservoir redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, inhoudende de verplichting tot het aanbrengen van een beschermende voorziening tussen het reservoir en het nabijgelegen object, die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die de opslag van vloeibare kooldioxide voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs kan worden gevergd.
19. Opslaan van gasolie, lichte stookolie, dieselolie en petroleum in bovengrondse tanks met een inhoud van meer dan 200 liter
19.1.1. Het opslaan in een bovengrondse tank van gasolie, lichte stookolie en dieselolie dient plaats te vinden overeenkomstig richtlijn CPR 9–6 van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR), getiteld Vloeibare aardolieprodukten; buitenopslag van K3-produkten in bovengrondse tanks (0,2 tot 150 m3), dan wel de door Onze Minister aangewezen richtlijn van de CPR, die op dit onderwerp betrekking heeft.
19.1.2. Het opslaan van petroleum in een bovengrondse tank dient plaats te vinden op dezelfde wijze als in voorschrift 19.1.1 is aangegeven voor gasolie, lichte stookolie en dieselolie.
19.1.3. De artikelen 5.1.2, 5.1.5, 5.2.6, 5.2.10 en 5.3.1 van de in voorschrift 19.1.1 bedoelde richtlijn gelden niet voor een bovengrondse tank die reeds was opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
19.2.1. Het opslaan in een bovengrondse tank die in een gebouw is geplaatst, mag niet meer bedragen dan 15 000 liter en is slechts toegestaan voor K3-vloeistoffen. De plaatsing van de tank dient zodanig te zijn, dat geen ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen betreffende de plaatsing van de tank. De ontluchtingsleiding van de tank dient in de buitenlucht uit te monden. Voor het overige zijn de voorschriften 19.1.1, 19.1.2 en 19.1.3 van overeenkomstige toepassing.
20. Afleverpompen voor motorbrandstoffen
20.1. Een elektrische pomp ten behoeve van de aflevering van motorbrandstoffen moet in de buitenlucht zijn opgesteld.
20.2. Een pomp moet zodanig zijn geplaatst en de afleverslang moet zodanig zijn bemeten dat de aflevering aan een voertuig nimmer kan plaatsvinden binnen 1 m afstand van een ondergrondse tank.
20.3. Een pomp moet zodanig zijn ingericht dat hetzij slechts gedurende een daartoe strekkende opzettelijke bediening van de vul-afsluiter vloeistof uit de pomp kan stromen, hetzij de aflevering van vloeistof automatisch stopt als het reservoir waaraan wordt afgeleverd, vrijwel is gevuld. In het laatste geval moeten aan de vulafsluiter voorzieningen zijn getroffen, waardoor deze sluit bij een lichte schok.
20.4. Indien geen toezicht wordt gehouden, moet een pomp zijn afgesloten zo dat onbevoegden deze niet in werking kunnen stellen.
20.5. Bij het plotseling sluiten van de vulafsluiter moet een eventueel optredende drukstoot kunnen worden opgevangen.
20.6. De elektrische installatie in en aan de pomp moet voldoen aan de voorschriften voor elektrische installaties in ruimten met gasontploffingsgevaar, NEN 3410. Deze voorschriften zijn niet van toepassing met betrekking tot het bovenste deel van de pompkast, waarin het telwerk is aangebracht, mits zich in dat deel geen leidingen of onderdelen met vloeistof bevinden, die bij lekkage gevaar kunnen opleveren.
Voor de elektrische installatie van het in het voorgaande bedoelde bovenste deel van de pompkast geldt, dat het elektrisch materiaal bij normaal bedrijf geen vonkende delen, noch delen met een temperatuur die gevaar voor ontploffing kan opleveren, mag bezitten.
20.7. Op de hoofdschakelaar waarmee de elektrische installatie in en aan de pompkast kan worden uitgeschakeld, moeten de schakelstanden duidelijk zijn aangegeven. Bij deze schakelaar moet duidelijk zichtbaar zijn vermeld, dat deze dient voor de pomp.
20.8. Behalve de in voorschrift 20.7 bedoelde hoofdschakelaar moet voor het in- en uitschakelen van de elektromotor van een pomp bovendien in of aan de pompkast een schakelaar zijn aangebracht.
20.9. Aan de pompkast van een elektrische pomp mogen geen wandcontactdozen zijn aangebracht; aan de vulafsluiter of aan de afleverslang mag geen elektrische schakelaar aanwezig zijn.
20.10. De pompkast van een elektrische pomp moet voldoende zijn geventileerd; de uitsparing in de pompkast, waarin de vulafsluiter van de afleverslang in ruststand wordt geborgen, moet gasdicht van het inwendige van de pompkast zijn afgesloten.
20.11. Het afleveren van vloeistof is verboden, indien daarbij wordt gerookt of enigerlei vuur of open kunstlicht aanwezig is, of de motor van het voertuig waaraan de vloeistof wordt afgeleverd, in werking is.
20.12. Op of bij een pomp moet met duidelijk leesbare letters het opschrift zijn aangebracht: «VOERTUIGMOTOR AFZETTEN, ROKEN EN VUUR VERBODEN».
20.13. Nabij een pomp moet een draagbare poederblusser aanwezig zijn met een inhoud van ten minste 6 kg of een ander geschikt blusmiddel met eenzelfde bluscapaciteit.
20.14. De afleverinstallatie, de pomp en de leidingen dienen goed te worden onderhouden. Het afleveren van motorbrandstoffen en het ophangen van de afleverslang dient zodanig te geschieden, dat geen verontreiniging van de bodem kan plaatsvinden.
21. Opslaan van afgewerkte olie
21.1. Het vaatwerk voor de bewaring van afgewerkte olie dient te zijn geplaatst in een vloeistofdichte lekbak, die een opnamecapaciteit heeft van ten minste de inhoud van het grootste vat, vermeerderd met 10% van de gezamenlijke inhoud van de overige vaten; er moeten voorzieningen zijn getroffen om te voorkomen dat regenwater in de lekbak kan geraken.
21.2. Het opslaan van afgewerkte olie in een of meer tanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 400 l, mag alleen geschieden in daarvoor speciaal bestemde dubbelwandige tanks of stalen tanks met stalen opvangbak. Op dit opslaan zijn de voorschriften 19.1.1, 19.1.2 en 19.1.3 van overeenkomstige toepassing.
22. Toepassing ammoniak als koudemiddel
22.1. Bij toepassing van ammoniak als koudemiddel dient te worden voldaan aan richtlijn CPR-13 van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR), getiteld «Ammoniak, vervoer, opslag en toepassingen».
23. Teelt van eetbare paddestoelen
23.1. De voorschriften 23.2 tot en met 23.6 zijn van toepassing op de teelt van eetbare paddestoelen.
23.2. Stellingen en bedden mogen niet van hout zijn of van een constructie waarin hout is verwerkt. Voor stellingen en bedden, die reeds aanwezig waren voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt dit voorschrift met ingang van drie jaar na dat tijdstip.
23.3. Het storten of bewaren van champignon-compost of champost dient te geschieden op een specifiek daartoe ingerichte, vloeistofdichte compostplaat.
23.4. Aan de langszijde dient de in voorschrift 23.3 bedoelde compostplaat te zijn voorzien van een keerwand met een hoogte van ten minste 0,5 m. Voor een compostplaat die reeds aanwezig was voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt dit voorschrift met ingang van drie jaar na dat tijdstip.
23.5. De in voorschrift 23.3 bedoelde compostplaat moet zijn gelegen op ten minste:
a. 100 m afstand van een object categorie I;
b. 50 m afstand van een object categorie II of III.
Voor een compostplaat, die reeds aanwezig was voor de tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt dit voorschrift met ingang van drie jaar na dat tijdstip.
23.6. Voorschrift 23.5 is niet van toepassing op een compostplaat, die reeds aanwezig was voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en die is gelegen op ten minste 50 m afstand van een object categorie I of II of ten minste 25 m afstand van een object categorie III, indien verplaatsing van de compostplaat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen omtrent het afdekken van de champignon-compost of champost en of de frequentie van afvoer van de champost, die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die de compostplaat voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs kan worden gevergd.
Bij een melding als bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 5, tweede lid, moeten de volgende gegevens worden verstrekt:
a. naam en adres van degene die het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt drijft,
b. een opgave van het adres waar het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt is of zal worden gevestigd,
c. het voorgenomen tijdstip waarop het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt of de uitbreiding of wijziging daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de werking daarvan wordt verwezenlijkt,
d. de gegevens waaruit kan worden afgeleid of omstandigheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, en tweede lid, zich voordoen en gegevens waaruit de noodzaak tot het stellen van nadere eisen kan blijken, en
e. een plattegrond van het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt;
f. een opgave van:
1°. de samenstelling en de eigenschappen van het bedrijfsafvalwater en de hoeveelheid ervan, die in een riolering wordt gebracht,
2°. de voorzieningen waardoor het bedrijfsafvalwater wordt geleid voordat het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht.
Deze algemene maatregel van bestuur (amvb) bevat algemene voorschriften ter voorkoming en beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu, die veroorzaakt kunnen worden door tuinbouwbedrijven met bedekte teelt. Hieronder worden in dit besluit verstaan inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, waar zich geen bijzondere omstandigheden voordoen als omschreven in artikel 1, eerste en tweede lid, van het besluit. De grondslag voor de amvb is artikel 8.40 van de Wet milieubeheer.
Ingevolge artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt voor de bedrijven waarop het onderhavige besluit van toepassing is, geen vergunningplicht. Degene die een dergelijke inrichting drijft, kan bij de oprichting, verandering of verandering van werkwijze van de inrichting volstaan met een melding. Dit is geregeld in artikel 3 van het besluit (waarmee artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt uitgevoerd). Bedrijven die niet binnen de in artikel 1 aangegeven werkingssfeer van het besluit vallen, zijn ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer vergunningplichtig. Artikel 8.1, tweede lid, is op deze bedrijven niet van toepassing. Zij dienen in het kader van de vergunningprocedure afzonderlijk te worden beoordeeld. Hierop zal nader worden ingegaan in de toelichting bij artikel 1, eerste en tweede lid.
Voor een inrichting die binnen de werkingssfeer van dit besluit valt, vervalt een eerder verleende vergunning, met inbegrip van de daaraan verbonden voorschriften. Met ingang van het tijdstip waarop de inrichting dient te voldoen aan dit besluit en de in de daarbij behorende bijlage I opgenomen voorschriften, geldt hiervoor ingevolge artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer namelijk geen vergunningplicht meer. In artikel 5 is overgangsrecht opgenomen voor vergunningplichtige bedrijven waarop het besluit van toepassing wordt. Verwezen zij naar de toelichting op dat artikel. Nieuw op te richten tuinbouwbedrijven met bedekte teelt dienen direct aan dit besluit te voldoen.
De in bijlage I opgenomen voorschriften sluiten aan bij de bestaande praktijk van vergunningverlening. Bij het stellen van de voorschriften is gebruik gemaakt van de ervaring van gemeenten, bedrijven en adviesbureaus.
Het ontwerp-besluit is ter advisering toegezonden aan de Raad voor het milieubeheer. De Raad heeft geen advies uitgebracht.
Het ontwerp-besluit is voorts ter kennisneming aangeboden aan zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en ten behoeve van inspraak in de Staatscourant gepubliceerd. Een overzicht van de commentaren naar aanleiding van op de voorpublicatie alsmede een verslag van het overleg met de instanties waarvan deze commentaren afkomstig waren, is door mij op 22 augustus 1994 aan de Tweede Kamer aangeboden (kamerstukken II 1993/94, 23 400 XI, nr. 80). Daarbij heb ik aangegeven alle (meerderheids)conclusies in het verslag in het besluit te zullen verwerken. In deze toelichting wordt op de commentaren niet meer afzonderlijk ingegaan. Verwezen zij hier naar genoemde kamerstukken.
De sector tuinbouwbedrijven met bedekte teelt telt naar schatting 15 500 bedrijven, verdeeld over de volgende bedrijfstakken:
– glastuinbouwbedrijven;
– bedrijven voor de produktie van eetbare paddestoelen;
– groententrekkerijen (bijv. witlof, rabarber).
Het gaat om bedrijven waar uitsluitend of in hoofdzaak of uitsluitend groenten, fruit, siergewassen en eetbare paddestoelen worden geteeld in beschermde ruimten, dat wil zeggen niet in de open lucht. Ook de teelt van uitgangsmateriaal in bedekte ruimten valt onder dit besluit.
Naar schatting zullen in totaal ongeveer 12 500 tuinbouwbedrijven met bedekte teelt onder de werking van deze amvb vallen. Veel van deze bedrijven beschikten op het tijdstip van inwerkingtreding nog niet over de vereiste vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. Gedoogsituaties kwamen met name in gebieden waarin de glastuinbouw is geconcentreerd, veelvuldig voor. De inwerkingtreding van het onderhavige besluit maakt hieraan een einde. De bedrijven krijgen gedurende een overgangsperiode de tijd om zich op de nieuwe voorschriften in te stellen en zo nodig maatregelen te treffen om daaraan te kunnen voldoen.
paragraaf 2. Nadelige gevolgen voor het milieu
In bijlage I bij het onderhavige besluit zijn de voorschriften opgenomen, die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die kunnen worden veroorzaakt door tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, waarop het besluit van toepassing is. Hier dient echter bij te worden aangetekend dat ten aanzien van enkele milieu-aspecten op dit moment nog geen (dekkend) voorschriftenpakket kan worden gegeven. Het gaat vooral om het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen, het bevorderen van het hergebruik van deze stoffen, het beperken van het energieverbruik, het tegengaan van de emissie van bestrijdingsmiddelen als gevolg van de toepassing van die middelen en de bescherming van de omgeving tegen lichtuitstraling uit kassen bij de toepassing van assimilatie-belichting. Op deze aspecten zal in het hiernavolgende uitvoeriger worden ingegaan. Zodra het mogelijk is aanvullende voorschriften in het besluit op te nemen, zal het besluit worden gewijzigd. Een dergelijke actualisering wordt overigens in de Wet milieubeheer ook voorgeschreven, namelijk in artikel 8.40, derde lid, juncto artikel 8.22. Een eerste actualisering kan, naar het zich thans laat aanzien, over ongeveer drie jaar worden verwacht. Deze periode is naar verwachting voldoende om de benodigde kennis en inzichten te verwerven en in proefbedrijven en onderzoeksinstellingen met eventueel voor te schrijven maatregelen ervaring op te doen.
De doelmatige verwijdering van afvalstoffen krijgt landelijk gezien steeds meer aandacht. In de glastuinbouw heeft dit onder meer geleid tot het gescheiden inzamelen en verwijderen van afvalstoffen van kunststof, het oprichten van centrale installaties voor de verwerking van snoeihout, bladeren, afgewerkt gewas en soortgelijke afvalstoffen van organische herkomst tot compost en het op grote schaal hergebruiken van substraatmateriaal. Het belangrijkste resterende knelpunt op dit terrein is de verwijdering van substraatmateriaal dat niet meer kan worden hergebruikt. Een deel van de steenwolmatten wordt na smelting opnieuw toegepast bij de produktie van steenachtige produkten. Een groot deel is echter niet verwerkbaar en moet nog worden gestort. In het kader van het afvalstoffenbeleid wordt gezocht naar mogelijkheden om de hoeveelheid te storten afvalstoffen verder te verminderen. In de onderhavige amvb zijn ten aanzien van de verwijdering van afvalstoffen uit het bedrijf alleen voorschriften opgenomen voor de behandeling van deze stoffen op eigen terrein. De uitvoering van het convenant met betrekking tot land- en tuinbouwfolie en kunststofafval zou bij een komende wijziging van het besluit tot aanvullende voorschriften kunnen leiden.
Op de verwijdering van de afvalstoffen is uiteraard de regelgeving met betrekking tot afvalstoffen van toepassing.
Het verbruik van energie en grondstoffen is onderwerp van breedgericht onderzoek en overleg.
Over de verbetering van de energie-efficiëntie en -besparing in de glastuinbouw is tussen de sector en de rijksoverheid een Meerjarenafspraak opgesteld (getekend januari 1992). Dit plan kent een aantal doelstellingen en een afspraak om eind 1995 een evaluatie uit te voeren naar de tussendoelstelling.
In verband met het reeds vergevorderde stadium van overleg over deze amvb met de doelgroep ten tijde van het in werking treden van de Wet milieubeheer en mede gelet op de inhoud van de Meerjarenafspraak is voorshands afgezien van een nadere toetsing van de mogelijkheid en wenselijkheid van het opnemen van eisen aan energiebesparing. Deze toetsing zal plaatsvinden in 1996, gekoppeld aan de evaluatie van de Meerjarenafspraak, waarna aanpassing van dit besluit kan volgen.
Tijdens de voorbereiding van dit besluit is geconstateerd dat in de verschillende milieucompartimenten in glastuinbouwgebieden hoge concentraties bestrijdingsmiddelen worden aangetroffen.
De beleidsdoelstellingen met betrekking tot het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen zijn vastgelegd in het Meerjarenplan Gewasbescherming (MJP-G) dat als hoofddoelstelling heeft:
1. het verregaand terugdringen van de structurele afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen in de land- en tuinbouw,
2. het verminderen van de omvang van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en
3. het verminderen van de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het milieu.
De uitwerking van dit beleid is vastgelegd in de Bestuursovereenkomst Uitvoering MJP-G (verder: bestuursovereenkomst) tussen onder meer de Staat, het landbouwbedrijfsleven en de producenten van bestrijdingsmiddelen. De Hinderwet, die inmiddels is opgegaan in de Wet milieubeheer, wordt in het MJP-G genoemd als een wet die aan de uitvoering van dat plan een bijdrage kan leveren in de vorm van emissie-eisen.
In het beleid ter vermindering van de milieubelasting door het gebruik van bestrijdingsmiddelen kunnen twee hoofdlijnen worden onderscheiden.
1. In het toelatingsbeleid zal een verschuiving worden nagestreefd naar de toepassing van minder milieubelastende bestrijdingsmiddelen door vaststelling van milieucriteria ter uitvoering van artikel 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.
2. Teneinde de hoeveelheden bestrijdingsmiddelen die worden toegepast, te verminderen wordt gestreefd naar:
– het toepassen van preventieve en hygiënische maatregelen waarmee de oorzaken van ziekten en plagen kunnen worden weggenomen,
– het toepassen van niet-chemische bestrijdingsmethoden,
– het selectief en curatief toepassen van bestrijdingsmiddelen in plaats van het preventieve behandelen van het gehele gewas, en
– het toepassen van efficiënte toedieningstechnieken met een relatief laag verbruik.
De eerste hoofdlijn in het beleid heeft inmiddels al geresulteerd in enige regelgeving op basis van artikel 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. In februari 1995 is het Besluit Milieutoelatingseisen Bestrijdingsmiddelen (Staatsblad 1995, 37) van kracht geworden. Hierin zijn voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen criteria gesteld ten aanzien van persistentie in de bodem, uitspoeling naar het grondwater en de toxiciteit voor waterorganismen. Vervolgens is in september 1995 het Besluit Uniforme Beginselen Gewasbeschermingsmiddelen (Staatsblad 1995, 241) in werking getreden, waarin voor gewasbeschermingsmiddelen ook ten aanzien van andere milieu-aspecten criteria voor de toelating zijn gesteld. Dit besluit geldt vooralsnog alleen voor «nieuwe» stoffen en stoffen die in het kader van het EU-herbeoordelingsprogramma zijn beoordeeld. Voor de «oude stoffen» zullen ten aanzien van deze andere milieu-aspecten ook criteria worden gesteld. Deze zullen worden opgenomen in het Besluit Milieutoelatingseisen Bestrijdingsmiddelen.
Overeenkomstig de bestuursoveeenkomst wordt elk jaar een sectorwerkplan voor de glastuinbouw vastgesteld, waarin het pakket aan maatregelen wordt opgenomen, dat nodig is om de doelstellingen van het accoord te realiseren. In dit besluit zijn in aansluiting op de sectorwerkplannen enkele maatregelen voorgeschreven, die zijn gericht op een zorgvuldig omgaan met bestrijdingsmiddelen en tot doel hebben nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Enkele andere maatregelen van het beoogde pakket lenen zich meer voor regeling in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 of kunnen vooralsnog aan de sector zelf worden overgelaten. Indien in het kader van de voortgangsbewaking blijkt dat via de bestuursovereenkomst en via de in de sectorwerkplannen opgenomen maatregelen onvoldoende resultaat wordt geboekt, zullen overeenkomstig de afspraken in het MJP-G nadere wettelijke maatregelen worden voorgesteld om de beleidsdoelstellingen van het akkoord alsnog te realiseren. Dit komt dan aan de orde in het kader van de aangekondigde herziening van dit besluit.
Het voorgaande neemt niet weg dat zich situaties kunnen voordoen, waarin bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen in kassen ongewenste gevolgen voor de omgeving kunnen ontstaan. Dit kan aanleiding zijn voor beperkingen of voorschriften in het kader van de Wet milieubeheer, in aanvulling op de regels in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (zie voor de verhouding tussen deze wetten paragraaf 2 van deze nota van toelichting). Gelet op de resultaten van onderzoek dat door het TNO en het RIVM is verricht naar de emissie van bestrijdingsmiddelen en de gezondheidsrisico's die dit in de onmiddellijke omgeving oplevert (hierop wordt ingegaan in de toelichting op artikel 1, derde en vierde lid), is er op dit moment onvoldoende reden om in het onderhavige besluit in aanvulling op de regelgeving in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 regels te stellen met betrekking tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Vervolgonderzoek is echter noodzakelijk, omdat in vorenbedoeld onderzoek werd uitgegaan van een eenmalige toediening van een bestrij- dingsmiddel. In de praktijk worden middelen echter met een zekere frequentie toegepast. Bovendien is specifiek vervolgonderzoek nodig naar de situatie in glastuinbouwgebieden.
Bedoelde onderzoeken kunnen leiden tot nieuwe inzichten met betrekking tot risico's ten gevolge van de emissie van bestrijdingsmiddelen. Dit kan er toe leiden dat in dit besluit alsnog aanvullende voorschriften ter zake van het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden opgenomen.
Op dit moment is in artikel 1, derde en vierde lid, van het besluit al wel een afstandseis gesteld, die tussen een tuinbouwbedrijf en het dichtstbijgelegen gevoelige object dient te worden aangehouden. Deze eis is gesteld teneinde nadelige gevolgen van het bedrijf voor het milieu in de omgeving te voorkomen. Hierbij gaat het niet alleen om de gevolgen die kunnen worden veroorzaakt door het gebruik van bestrijdingsmiddelen, maar om alle gevolgen die het bedrijf in zijn geheel kan meebrengen. Verwezen zij naar de toelichting op artikel 1, derde en vierde lid.
Met betrekking tot de toepassing van assimilatiebelichting in kassen zijn een aantal onderzoeken verricht. Deze onderzoeken betroffen verschillende aspecten rondom de toepassing van deze techniek.
De toepassing van assimilatiebelichting heeft als doel het bevorderen van de groei van planten en de verbetering van de kwaliteit van de produkten. Zij vindt met name plaats in de periode met een tekort aan daglicht, vanaf september tot april.
Assimilatiebelichting vereist een bepaalde lichtintensiteit. Indien geen voorzieningen zouden worden getroffen, kunnen als gevolg van de toepassing van assimilatiebelichting verschillende nadelige gevolgen voor het milieu optreden. Dergelijke gevolgen kunnen met name optreden wanneer er vanuit de omgeving van de kas direct zicht is op de lampen, objecten buiten de kas door het geproduceerde licht direct worden aangestraald of boven de kas een lichtgloed wordt veroorzaakt. De nadelige gevolgen voor het milieu kunnen bestaan uit overlast voor omwonenden, aantasting van de natuurlijke flora en fauna en schade aan gewassen die binnen de lichtinvloedssfeer geteeld worden. Teneinde de kennis en de inzichten hieromtrent te vergroten is onderzoek verricht. Voorts is een onderzoek verricht, dat betrekking had op de (technische) mogelijkheden ter reduktie van de uitstraling van het kunstlicht.
Vervolgens zal worden ingegaan op enkele resultaten van deze onderzoeken. Vooraf dient echter nog in meer algemene zin te worden opgemerkt dat men bij de vertaling van de resultaten in beleid en regelgeving op een reeks van vragen en kennishiaten stuit, die vervolgonderzoek noodzakelijk maken.
– Onderzoek naar de visuele hinder die omwonenden van assimilatiebelichting kunnen ondervinden, is uitgevoerd door middel van een enquête onder 400 omwonenden op afstanden variërend van 20 m tot 1500 m van verlichte kassen. Er is geen eenduidige (dosis-effect-)relatie gevonden tussen de mate van ondervonden hinder enerzijds en de lichtsterkte anderzijds. Wat betreft de vorm van ondervonden hinder, bleek dat in situaties waarin kaslicht direct op huis en tuin valt, 13% van de betrokkenen dit een beetje hinderlijk vindt en 5% erg tot heel erg hinderlijk (van het totaal aantal omwonenden dat werd ondervraagd, is dit ca. 5%, respectievelijk 2%). Van degenen die direct zicht op verlichte kassen hebben, vindt 24% dit een beetje hinderlijk en 6% erg of heel erg hinderlijk (van het totaal is dit ca. 10%, respectievelijk 2,5%). 26% Van de ondervraagden vindt de gloed boven (een) verlichte kas(sen) een beetje hinderlijk en 9% erg of heel erg hinderlijk.
Invloed op de gezondheid van omwonenden is in het onderzoek niet aangetoond.
Op de vraag naar negatieve invloeden op de woonomgeving noemt 2% van de ondervraagden kasverlichting als eerste punt. Van alle punten, die een negatieve invloed hebben op de woonomgeving, komt kasverlichting in het onderzoek op de twaalfde plaats.
Uit het onderzoek kan geen monotoon stijgende of dalende dosis-effect relatie kon worden vastgesteld tussen de verlichtingssterkte en het percentage omwonenden dat daarvan hinder ondervindt. Op grond van deze kennis kunnen dan ook geen maximaal toelaatbare lichtniveaus worden vastgesteld die zijn gekoppeld aan een bepaalde mate van hinder, die beleidsmatig kan worden geaccepteerd, zoals bijvoorbeeld wèl mogelijk is gebleken met betrekking tot geluid- en stankhinder.
– Onderzoek naar de mogelijke effecten op de natuurlijke flora en fauna is uitgevoerd in de vorm van een literatuurstudie.
De effecten blijken zich te beperken tot (delen van) bepaalde planten in de zeer nabije omgeving van de lichtbron (enkele meters). Ook wat betreft eventuele effecten op de fauna is geen duidelijk beeld verkregen. Nadere studie en onderzoek zullen dit beeld moeten verduidelijken.
– De invloed van een verlichte kas op het reeds aanwezige achtergrondniveau kan niet goed worden gemeten, onder meer als gevolg van het feit dat de weersomstandigheden en andere in de omgeving aanwezige bronnen zorgdragen voor een wisselend lichtniveau op een bepaalde locatie. Uit metingen blijkt dat het lichtniveau op een bepaald meetpunt bij gelijkblijvende lichtbronnen binnen korte meetperioden sterk kan wisselen. Het is daarom momenteel niet goed mogelijk om voorschriften aangaande het afschermen van zijgevels en bovendek te koppelen aan het lichtachtergrondniveau of aan bepaalde gebieden, los van het feit dat een dergelijke aanpak tot grote verschillen binnen de sector zou leiden.
– In 1989 heeft het Landbouwschap een verordening vastgesteld ter beperking van schade aan gewassen, die worden belicht door kunstlicht in nabuurkassen. Deze Verordening Belichtingstoepassingen (verder: de verordening) houdt in dat gevelafscherming dient te worden toegepast indien op de erfgrens de lichtsterkte van 4 lux wordt overschreden, tenzij de nabuurtuinder een «verklaring van geen bezwaar» heeft ondertekend. Lichtuitstraling via het bovendek is in de verordening niet geregeld. Nader onderzoek op het Proefstation voor de Bloemisterij te Aalsmeer geeft aan dat het zeer moeilijk is om uit een oogpunt van het voorkomen van schade aan nabuurgewassen een bepaalde maat aan te geven voor een maximaal toelaatbare lichtsterkte. De eventuele schade is afhankelijk van het soort gewas, het groeistadium, de voorgeschiedenis van de plant, het kasklimaat, de voeding en watergift, maar ook van de sterkte van het van buitenaf ingestraalde licht. De lichtsterkte hangt af van factoren die bepalend zijn voor de lichtweerkaatsing, zoals de aard van het wolkendek, de hoogte waarop dit zich bevindt en de luchtvochtigheid (met name de aanwezigheid van druppeltjes in de lucht). Uit simulatieproeven is op te maken dat sommige gewassen onder omstandigheden bij lage lichtregimes reeds effect kunnen ondervinden. Het is echter nog de vraag of dit tot een vast te stellen schade leidt. Verder doen zich nog aanzienlijke moeilijkheden voor bij het betrouwbaar vaststellen van de lichtsterkte zoals die door het menselijk oog wordt waargenomen (type apparatuur, methode van meten, standaardisatie, weersinvloeden, invloed van andere lichtbronnen, zoals straatverlichting).
– Inmiddels is onderzoek gestart naar de mogelijkheid om in de kas bovenafschermvoorzieningen aan te brengen, waardoor geen of nauwelijks licht via het bovendek wordt uitgestraald en geen lichtgloed boven de kas meer optreedt. Daarbij wordt tevens bezien hoe kan worden voorkomen dat door het aanbrengen van dergelijke voorzieningen de klimaatbeheersing in de kas wordt verstoord. Dit punt wordt in de praktijk, naast de hoge investeringskosten, als een belangrijk knelpunt beschouwd bij het aanbrengen van bovenafscherming.
Inmiddels heeft de Afdeling Geschillen voor bestuur van de Raad van State in een aantal beroepszaken betreffende de toepassing van assimilatiebelichting uitspraak gedaan. Het betreft de uitspraken van 6 mei 1992, no. B05.91.1113 (Maassluis), 22 januari 1993, no. G 05.91.1177 (Lisse), 26 februari 1993, no. G 05.89.1428 (Venlo), 26 februari 1993 , no. G 05.90.0679 (Maasbree) en 30 september 1993, no. G 05.90.1298 (Aalsmeer). Blijkens deze uitspraken is de afdeling van mening dat assimilatiebelichting niet kan worden toegestaan zonder dat in de kas voorzieningen zijn aangebracht om de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken. Gevelafscherming ter voorkoming van direkte hinder dient zonder meer te worden aangebracht. Wat betreft bovenafscherming kan de plaatselijke situatie van belang zijn, zoals enerzijds de verstoring van het dag-nachtritme (aantasting donker landschap) en anderzijds de aanwezigheid van straatverlichting, waartegen uitgestraald assimilatielicht wegvalt.
Tenslotte zij hier verwezen naar de toelichting op de voorschriften 9.1 tot en met 9.6, die zijn opgenomen in bijlage I bij dit besluit en betrekking hebben op assimilatiebelichting.
In dit besluit zijn voorschriften opgenomen voor het brengen van bedrijfsafvalwater in een openbaar riool of in een andere – niet-gemeentelijke – voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Dit houdt verband met de inwerkingtreding op 1 maart 1996 van de wet van 2 november 1994, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 798). De voorschriften houden verband met:
– de brief van 14 mei 1991 van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat (kamerstukken II 1990/91, 21 087, nr. 17) en
– richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135).
Voor uitvoeriger toelichting kan verwezen worden naar het algemene gedeelte van de nota van toelichting bij het Besluit houdende het opnemen van voorschriften in enkele algemene maatregelen van bestuur gebaseerd op artikel 8.40 Wet milieubeheer met betrekking tot het brengen van bedrijfsafvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, hierna te noemen: Besluit lozingsvoorschriften artikel 8.40 Wm.
In artikel 2 van het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw zijn glastuinbouwbedrijven aangewezen als soort van inrichtingen in de zin van artikel 1, tweede lid, en artikel 31, vierde lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Onder glastuinbouwbedrijf wordt in het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw verstaan een inrichting waarbinnen in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf onder een permanente opstand van glas of van kunststof het telen plaatsvindt van gewassen, niet zijnde eetbare paddestoelen of witlof. Artikel 20 van het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw bepaalt, dat het hele besluit (en dus ook bovenbedoelde aanwijzing in artikel 2) tot 1 januari 2000 niet van toepassing is op een glastuinbouwbedrijf waaraan voor 1 november 1994 een vergunning is verleend krachtens artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Het bovenstaande leidt er toe dat voor glastuinbedrijven in de zin van het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw waaraan voor 1 november 1994 geen vergunning is verleend op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren de bescherming van de zuiveringstechnische werken en het oppervlaktewater bij lozingen op het openbaar riool is geregeld in het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw. Voor overige tuinbouwbedrijven met bedekte teelt is dat niet het geval, en gelden ook ten aanzien van die aspecten de voorschriften van dit besluit.
Voor een toelichting op de verhouding tussen voorschrift 6.6 en de overige voorschriften uit dit besluit die betrekking hebben op het brengen van bedrijfsafvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, wordt hier verwezen naar paragraaf 2.1.1. van het Besluit lozingsvoorschriften artikel 8.40 Wm.
Hoewel in de praktijk wordt gewerkt met concrete voorschriften in verband met de bescherming van het oppervlaktewater en de zuiveringstechnische werken, is er in dit besluit voor gekozen om dat niet te doen. Voor de inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw, heeft deze concretisering plaatsgevonden in dat besluit. Bij bedrijven die niet onder het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw vallen, kunnen aan de betrokken lozing voorschriften worden verbonden in de vorm van nadere eisen. Dit is bepaald in voorschrift 6.6, opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I.
Voor glastuinbouwbedrijven in de zin van artikel 1, eerste lid, onder f, van het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw, is dat besluit zoals hierboven reeds is aangegeven niet van toepassing tot 1 januari 2000. Voor de voorschriften te verbinden aan de nadere eis ingevolge voorschrift 6.6, zullen de voorschriften van dat besluit en het rapport afvalwaterproblematiek glastuinbouw van de Coördinatiecommissie Wet verontreiniging oppervlaktewateren (CUWVO) (maart 1993) een aanknopingspunt bieden. Voor andere inrichtingen zijn dat de CUWVO aanbevelingen met betrekking tot agrarische bedrijven en bestrijdingsmiddelen (1990) en champignonteeltbedrijven (1985 en 1989).
In het voorgaande is reeds opgemerkt dat in het onderhavige besluit algemene regels worden gesteld, die gelden voor het merendeel van de tuinbouwbedrijven met bedekte teelt. Voor deze sector is een beoordeling van de milieugevolgen voor elk bedrijf afzonderlijk niet meer nodig. Er behoeft voor de bedrijven waarop de amvb van toepassing is, dan ook geen vergunningplicht meer te gelden. Volstaan kan worden met voor alle bedrijven geldende algemene regels. Daarom is artikel 8.40 van de Wet milieubeheer als wettelijke basis voor dit besluit gekozen. Ingevolge artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt voor inrichtingen die krachtens artikel 8.40 zijn aangewezen, namelijk geen vergunningplicht. Dit brengt mee dat het bevoegd gezag de in deze amvb gestelde voorschriften niet kan aanscherpen of aanvullen met eigen voorschriften. Wel kan het bevoegd gezag op grond van artikel 8.42 van de Wet milieubeheer nadere eisen stellen in gevallen waarin die mogelijkheid in dit besluit is geopend. Indien de amvb op een bedrijf van toepassing wordt, vervalt een eerder voor dat bedrijf verleende vergunning van rechtswege.
In het voorgaande is eveneens uiteengezet dat er redenen bestaan om voor een (relatief klein) aantal bedrijven de in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer gestelde vergunningplicht te handhaven omdat voor een dergelijk bedrijf in verband met een bijzondere situatie die zich daarin voordoet, een afzonderlijke beoordeling van de milieugevolgen noodzakelijk is in het kader van een vergunningprocedure. Deze bedrijven zijn in artikel 1 van het onderhavige besluit van de werkingssfeer van het besluit uitgezonderd. Burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is gelegen, zijn voor deze inrichtingen (in het algemeen) het bevoegde gezag.
Anders dan de inmiddels ingetrokken Hinderwet (artikel 3, eerste lid), bevat de Wet milieubeheer niet de mogelijkheid dat gemeenten algemene regels ter zake van inrichtingen vaststellen in een verordening. Aangezien met de onderhavige amvb is beoogd om een uitputtende regeling te geven, kunnen gemeenten met betrekking tot tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, waarop dit besluit van toepassing is, evenmin een autonome verordening vaststellen op basis van artikel 149 van de Gemeentewet, voor zover deze tot doel heeft om de nadelige gevolgen voor het milieu tegen te gaan, die door deze bedrijven (kunnen) worden veroorzaakt.
In het verleden zijn door een aantal gemeenten in concentratiegebieden van glastuinbouwbedrijven verordeningen vastgesteld op basis van artikel 3, derde lid, van de Hinderwet. Voor glastuinbouwbedrijven waarop een dergelijke verordening van toepassing is, bevat artikel XXII, zesde lid, onder b, van de Wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wetten (vergunningen en algemene regels voor inrichtingen; procedures voor vergunningen en ontheffingen; handhaving) (Stb. 1992, 414) een overgangsregeling. Deze regeling houdt in dat voor glastuinbouwbedrijven, waarvoor de vergunningplicht ingevolge een gemeentelijke verordening op basis van artikel 3, eerste lid, van de Hinderwet is opgeheven, de voorschriften van de verordening van kracht blijven tot het van toepassing worden van het onderhavige besluit. Artikel 5, eerste lid, van dit besluit bevat voor dergelijke bedrijven een overgangsregeling. Voor een toelichting op dat artikel zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.
Dit besluit vloeit voort uit de conclusie in het actieprogramma deregulering ruimtelijke ordening en milieubeheer (kamerstukken II 1982/83, 17 931, nr. 4), inhoudende dat voor aangewezen categorieën van inrichtingen dient te worden bevorderd dat op basis van de Hinderwet (thans: Wet milieubeheer) algemene regels worden vastgesteld met gelijktijdige opheffing van de vergunningplicht voor afzonderlijke inrichtingen. Als gevolg hiervan zal enige centralisatie optreden, aangezien de voorschriften die tot dusverre door het bevoegd gezag, veelal het gemeentebestuur, aan de vergunning werden verbonden, thans door de centrale overheid worden gesteld.
Een ander gevolg van deze amvb zal zijn dat de bestuurlijke lasten welke thans zijn gemoeid met de vergunningverlening, in de toekomst zullen verschuiven in de richting van de handhaving van de bij of krachtens de amvb gestelde regels. Dit geldt met name voor een aantal gemeenten in concentratiegebieden van glastuinbouwbedrijven. Die gemeenten zouden zich in verband met de opgelopen achterstanden in de vergunningverlening anders voor een grote inspanning zien geplaatst teneinde de achterstanden binnen afzienbare termijn weg te werken.
De lasten die voortvloeien uit de handhaving van de amvb, zullen vooral op de gemeenten drukken. Ten opzichte van de huidige situatie treedt echter nauwelijks verandering op, aangezien de gemeenten ook al waren belast met de handhaving van de door hen afgegeven vergunningen. Te verwachten valt dat de bestuurlijke lasten in de administratieve sfeer dankzij de onderhavige amvb zullen verminderen doordat na de inwerkingtreding van de amvb geen vergunningen meer behoeven te worden opgesteld en geen (inspraak- en beroeps)procedures meer behoeven te worden doorlopen.
Aangenomen wordt dat de personele consequenties van invoering van de amvb neutraal zullen zijn. De huidige milieudiensten van de gemeenten zullen meer ruimte krijgen om zich met de handhaving van de voorschriften bezig te houden. Onoverkomelijke problemen zullen zich daarbij naar verwachting niet voordoen. De handhaving wordt van rijkswege bevorderd doordat voor de gemeenten een checklist zal worden opgesteld, waarin de ingevolge dit besluit voor tuinbouwbedrijven met bedekte teelt geldende regels worden vertaald in aandachtspunten bij het uitvoeren van een eerste controle en latere periodieke controles en bij de afhandeling van klachten. Voorts zullen speciale brochures worden uitgegeven, die zijn gericht tot de met de uitvoering en handhaving van dit besluit belaste ambtenaren.
De strafrechtelijke handhaving van dit besluit is geregeld in de Wet milieubeheer. Dit betekent dat een overtreding wordt aangemerkt als een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten.
Tegen de voorschriften die in dit besluit zijn opgenomen, kan geen beroep worden aangetekend. Indien op grond van het besluit nadere eisen worden gesteld, kan daartegen wèl in beroep worden gegaan. Bij het opstellen van het besluit is er van uitgegaan dat nadere eisen slechts incidenteel zullen behoeven te worden gesteld. Als gevolg hiervan zal het aantal beroepen dat tegen milieu-voorschriften ter zake van tuinbouwbedrijven met bedekte teelt wordt ingesteld, waarschijnlijk afnemen. Het beslag dat de handhaving van deze voorschriften op het justitiële apparaat legt, zal naar verwachting echter niet verminderen. Daarop kan zelfs een zwaarder accent komen te liggen.
In het actieprogramma deregulering ruimtelijke ordening en milieubeheer is aangegeven dat de voordelen van amvb's als de onderhavige evident zijn: «meer zekerheid omtrent de inhoud van de regelgeving, géén procedures, dus geen vertraging, ruimte voor de lagere overheden om de achterstand bij de uitvoering van de Hinderwet snel in te halen en daarbij aandacht te schenken aan die bedrijven die werkelijk problemen veroorzaken».
Dit zijn uiteraard ook voordelen die voor de onder dit besluit vallende afzonderlijke bedrijven gelden. Over de gevolgen die de amvb voor de sector heeft, kan voorts het volgende worden opgemerkt.
De amvb heeft betrekking op zowel bestaande bedrijven als nieuwvestigingen. Bestaande bedrijven hebben de afgelopen periode van 10 tot 15 jaar met grote veranderingen te maken gehad. In het bijzonder is er sprake van verdergaande intensivering en mechanisatie. Door het telen op substraatmateriaal is het gebruik van grondontsmettingsmiddelen afgenomen. De toepassing van biologische bestrijding daarentegen vertoont een stijgende lijn. De met substraatteelt samenhangende afvalwaterproblematiek is geregeld in het Lozingenbesluit bodembescherming (van kracht sinds 1 juli 1992) en in het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw (van kracht sinds 1 november 1994).
In het onderhavige besluit worden uniforme regels gesteld, die gelden voor elk bedrijf waarop het besluit van toepassing is. Deze regels vervangen de vergunningplicht. Met het besluit wordt beoogd eenzelfde beschermingsniveau te bieden als met de vergunningplicht werd beoogd, met dien verstande dat daarvan een betere naleving en handhaving van de voorschriften wordt verwacht, hetgeen zal moeten leiden tot een verbetering van de toestand van het milieu. Op het terrein van de bescherming van het milieu zijn op het ogenblik een aantal ontwikkelingen gaande, die ook voor bestaande bedrijven op afzienbare termijn (hierbij kan worden gedacht aan een periode van drie jaar) tot een uitbreiding van het voorschriftenpakket zullen leiden. Deze ontwikkelingen betreffen vooral het energieverbruik, het ontstaan, hergebruiken en verwerken van afvalstoffen, de toepassing van assimilatiebelichting en het bestrijdingsmiddelengebruik.
Bedrijven die worden opgericht na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en binnen de werkingssfeer van het besluit vallen, zullen onmiddellijk aan de voorschriften, die in dit besluit zijn opgenomen, moeten voldoen. Voor andere bedrijven geldt, zoals reeds eerder werd opgemerkt, een overgangsregeling. Het gaat niet alleen om de bedrijven die reeds zijn opgericht op het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit en waarop het besluit onmiddellijk van toepassing is, maar ook om bedrijven die eerst later onder het besluit komen te vallen. Dit kunnen ook bedrijven zijn die zijn opgericht na het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit en die eerst vergunnigplichtig zijn geweest.
Wat betreft de financiële en economische gevolgen die dit besluit naar verwachting voor de sector zal hebben, dient allereerst te worden opgemerkt dat deze ook reeds voortvloeien uit de huidige vergunningplicht. Meer in het bijzonder kan worden opgemerkt dat bedrijven die assimilatiebelichting toepassen (ca. 6% van de glastuinbouwbedrijven) en nog geen lichtafschermende voorzieningen hebben getroffen, kosten zullen moeten maken voor het lichtdicht maken van de zijgevels. Voor bestaande bedrijven geldt een overgangstermijn. Voorts krijgen bestaande bedrijven bij beëindiging te maken met de in artikel 4, derde lid, van het besluit gestelde verplichting om een verkennend bodemonderzoek te laten uitvoeren. De kosten hiervan zullen eenmalig gemiddeld circa 3000 gulden bedragen, afhankelijk van de stoffen die in het bedrijf zijn opgeslagen. Deze kosten zullen moeten worden gemaakt binnen drie jaar nadat dit besluit van kracht is geworden. Dit staat in artikel 5, vierde lid, van het besluit. Voor nieuwe bedrijven zal het verkennende bodemonderzoek kunnen worden gekoppeld aan het bodemonderzoek dat plaatsvindt ten behoeve van de bouwvergunning.
Paragraaf 4. Verhouding tot andere regelgeving
Op tuinbouwbedrijven met bedekte teelt kan naast de onderhavige amvb nog een aantal andere regelingen van toepassing zijn, die (mede) de bescherming van het milieu tot doel hebben. Genoemd kunnen worden de amvb's op grond van de Wet bodembescherming, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en de Wet milieubeheer.
In afwijking van eerdere besluiten op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, komen in bijlage I bij dit besluit alleen voorschriften voor, die niet reeds in andere besluiten zijn opgenomen. Er wordt ook niet meer naar andere van toepassing zijnde regelgeving verwezen, zoals eerder naar het Bestrijdingsmiddelenbesluit. Aanleiding hiervoor was een opmerking in het advies van de Raad van State, dat dergelijke verwijzingen onbedoeld tot verwarring aanleiding kunnen geven doordat tegelijkertijd twee regelingen met een verschillende wettelijke basis van toepassing zijn, waarin hetzelfde wordt geregeld, terwijl ook zonder verwijzing aan de andere regeling dient te worden voldaan. Deze regelingen kunnen onderling verschillen vertonen in doelstelling, instrumentarium en bevoegd gezag.
Als voorbeeld kan worden genoemd de mogelijkheid die in het Lozingenbesluit is opgenomen, om een ontheffing te verlenen van het ingevolge dat besluit geldende verbod om in de bodem te lozen. Indien in het onderhavige besluit het Lozingenbesluit bodembescherming op lozingen in de bodem van overeenkomstige toepassing zou worden verklaard, zou zich het probleem voordoen dat de Wet milieubeheer in tegenstelling tot de Wet bodembescherming het instrument ontheffing niet kent, terwijl aan de mogelijkheid van ontheffing in de praktijk wèl behoefte bestaat.
In het navolgende wordt een overzicht gegeven van regelgeving die op tuinbouwbedrijven met bedekte teelt van toepassing kan zijn en die (mede) strekt ter bescherming van het milieu.
4.1. Verhouding tot de Wet bodembescherming
Anders dan in de ingetrokken Hinderwet (artikel 38c) het geval was, is in de Wet milieubeheer de verhouding tot de Wet bodembescherming niet geregeld. De Wet milieubeheer bevat het ruime criterium dat regels kunnen worden gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu, waarvan ook de bodem deel uitmaakt. In bijlage I bij het onderhavige besluit zijn onder meer enkele voorschriften ter bescherming van de bodem opgenomen. Zo wordt in enkele voorschriften een vloeistofdichte vloer vereist. Dit laat onverlet dat de Wet bodembescherming eveneens op de inrichting van toepassing is. In het bijzonder kan worden gewezen op de zorgplicht in artikel 13 van die wet, en in hoofdstuk IV, Algemene bepalingen in geval van verontreiniging van de bodem. Daarnaast kunnen ook amvb's van toepassing zijn, die zijn vastgesteld krachtens de artikelen 6–12. Genoemd kunnen worden het Lozingenbesluit bodembescherming en het Besluit opslaan in ondergrondse tanks.
4.1.2. Lozingenbesluit bodembescherming
Ingevolge dit besluit is het verboden om zonder ontheffing vloeistoffen definitief in de bodem te brengen. Het in de bodem brengen van drainwater, de voor substraatteelt noodzakelijke overdosis aan gietwater, valt ook onder dit verbod. Gezien de ontwikkelingen om te komen tot toepassing van gesloten systemen met drainwaterrecirculatie en gezien de overgangsproblematiek en de samenloop met het Lozingenbesluit WVO, is er niet voor gekozen deze materie in het onderhavige besluit te regelen. Wel zijn in dit besluit voorschriften opgenomen, die verplichten tot het aanbrengen van een vloeistofdichte afdichting onder opslagen van mest- en afvalstoffen. Met deze voorschriften wordt beoogd om te voorkomen dat dergelijke stoffen in contact kunnen komen met de bodem, waardoor deze verontreinigd kan geraken. Het Lozingenbesluit bodembescherming is in geval van opslag niet van toepassing, aangezien niet wordt voldaan aan het vereiste voor een lozing in de zin van dat besluit, inhoudende dat het oogmerk bestaat om afvalstoffen definitief in de bodem te brengen.
Het Lozingenbesluit bodembescherming is evenmin van toepassing in situaties die voorkomen in een aantal bedrijven met substraatteelt, waarin overtollig drainwater via een systeem van onderbemaling, dus via de bodem, wordt gerecirculeerd, en tevens wordt voldaan aan een aantal voorschriften. In een dergelijk geval is geen sprake van een lozing in de bodem, als bedoeld in het Lozingenbesluit bodembescherming. In dit systeem laat men het overtollige drainwater gelijkmatig over de teeltoppervlakte van de bodem uitstromen, waarna het water via drainkokers wordt opgevangen en naar een centrale put wordt afgevoerd. Daarvandaan wordt het via een drainpomp verder afgevoerd naar een opslagsilo. Na eventuele ontsmetting of zuivering kan het water met de daarin aanwezige voedingsstoffen worden hergebruikt. Indien deze vorm van recirculatie aan bepaalde voorschriften voldoet, kan worden gesproken van een vrijwel gesloten systeem. Deze voorschriften zijn in de bij dit besluit behorende bijlage I opgenomen als de voorschriften 7.2 tot en met 7.6.
4.1.3. Besluit opslaan in ondergrondse tanks
Het Besluit opslaan in ondergrondse tanks bevat regels met betrekking tot het opslaan in ondergrondse tanks van vloeibare brandstoffen, afgewerkte olie en huishoudelijk afvalwater. De regels hebben betrekking op zowel oude als nieuwe tanks, die zowel van staal als van kunststof vervaardigd kunnen zijn. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat voor de bovengrondse opslag van genoemde vloeistoffen produkten (nog) geen amvb bestaat. Wel is er een ontwerp van een CPR-richtlijn. In het onderhavige besluit wordt naar deze ontwerp-richtlijn verwezen.
4.2. Verhouding tot de Bestrijdingsmiddelenwet 1962
De afstemming tussen de Wet milieubeheer en de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is niet wettelijk geregeld. Beide wetten zijn in beginsel naast elkaar van toepassing. Het ruime criterium bescherming van het milieu in de Wet milieubeheer biedt voldoende basis om in aanvulling op de regels die zijn gesteld in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, in het onderhavige besluit regels te stellen met betrekking tot het bewaren en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen. Het gaat met name om de voorschriften die zijn opgenomen in paragraaf II, onder 1, van bijlage I bij het besluit betreffende het opslaan, aanmaken en gebruiken van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast is in artikel 1 de reikwijdte van het besluit beperkt om redenen die met de toepassing van bestrijdingsmiddelen verband houden. Zo is het besluit niet van toepassing indien niet is voldaan aan de afstandseisen tot omliggende bebouwing rondom een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, die in het tweede lid van artikel 1 zijn gesteld. Het besluit is ook niet van toepassing indien in het bedrijf meer dan 400 kg bestrijdingsmiddelen wordt bewaard. Dit is bepaald in artikel 1, eerste lid, onder a, 14°. In beide gevallen is het desbetreffende bedrijf vergunningplichtig ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Op het bewaren van bestrijdingsmiddelen in hoeveelheden van minder dan 400 kg zijn de artikelen 8–12 van het Bestrijdingsmiddelenbesluit van toepassing. De aanvullende voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk II, paragraaf 1, van bijlage I bij het onderhavige besluit, hadden op zichzelf ook in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 kunnen worden gesteld. Hiervan is afgezien omdat het toezicht op de naleving van deze voorschriften tot dusver door gemeente-ambtenaren werd uitgeoefend en de wens bestaat om het toezicht op deze wijze te laten voortbestaan. Omdat gemeente-ambtenaren tot dusver niet zijn aangewezen als toezichthoudende ambtenaren in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, zijn de voorschriften vooralsnog opgenomen in dit besluit op basis van de Wet milieubeheer.
Ook het op basis van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 vastgestelde Beschikking verwijdering dompelvloeistof bloembollen en -knollen kan voor tuinbouwbedrijven met bedekte teelt van belang zijn. In dat besluit wordt het lozen van restanten van dompelbaden waarin bestrijdingsmiddelen zijn toegepast, geregeld.
In het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen (Stbl 1993, 225) en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling grondontsmettingsmiddelen zijn regels gesteld ten aanzien van de toegelaten middelen, die ten minste dichloorpropeen, cischloorpropeen of metamnatrium bevatten. Op grond hiervan is het voorhanden hebben en het gebruik van deze middelen voor de teelt onder glas alleen toegestaan met vergunning. Met name wordt gewezen op de artikelen 2, 3 en 5 van het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen en op de artikelen 2 en volgende van de Uitvoeringsregeling grondontsmetting.
Voor een toelichting op enkele andere relevante regelingen op basis van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, zij verwezen naar paragraaf 2.2.3, Bestrijdingsmiddelen.
4.3. Verhouding tot enkele andere regelingen
– Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B
In het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B (verder: Bees B) worden eisen gesteld met betrekking tot de emissie van zwaveldioxide, stikstofoxide en stof vanuit kolen-, olie- en gasgestookte installaties. Tevens is daarin aangegeven hoe genoemde stoffen worden gemeten. Het Bees-B heeft betrekking op stookinstallaties met een thermisch vermogen van 2,5 MW en meer, berekend op de bovenste verbrandingswaarde per ketel. Voor installaties onder de 2,5 MW zijn nog geen emissie-eisen gesteld. In het onderhavige besluit zijn voor tuinbouwbedrijven met bedekte teelt met betrekking tot stooktoestellen en stookinstallaties aanvullende eisen gesteld, zoals constructie-, installatie-, gebruiks- en keuringseisen.
In artikel 6 van het onderhavige besluit is een bijzondere regeling getroffen voor stookinstallaties in tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, waarop dit besluit van toepassing is. Deze installaties zijn in tegenstelling tot de andere installaties waarop het BEES-B van toepassing is, niet vergunningplichtig. Daarom is in artikel 6 bepaald dat voor de toepassing van het BEES-B op installaties in vorenbedoelde tuinbouwbedrijven niet de datum van vergunningverlening voor die installatie beslissend is maar de datum van oprichting van de installatie. Dit geldt ook voor installaties die op het tijdstip van inwerkingtreding van het onderhavige besluit reeds waren opgericht. Weliswaar waren die bedrijven, met inbegrip van de zich daarin bevindende installaties, vóór dat tijdstip vergunningplichtig en zou de in het BEES-B voor die installaties getroffen regeling op zichzelf met enige aanpassing naar de geest wèl kunnen worden toegepast, toch zijn er redenen om ook voor die installaties een van het BEES-B afwijkende regeling te treffen. Een reden is dat in de sector van de glastuinbouw, zoals reeds eerder in deze nota van toelichting uiteen is gezet, grote achterstanden in de vergunningverlening zijn ontstaan. Een andere reden is dat in een aantal gemeenten in concentratiegebieden van glastuinbouwbedrijven een verordening op grond van artikel 3, eerste lid, van de Hinderwet, is vastgesteld, waarin voor glastuinbouwbedrijven de ingevolge de Wet milieubeheer (voorheen: de Hinderwet) geldende vergunningplicht is opgeheven. Voor die bedrijven zou vorenbedoelde uitzondering op het BEES-B toch al moeten worden gemaakt. Het zou tot ongewenste rechtsongelijkheid leiden indien deze uitzondering niet zou worden gemaakt voor de andere bedrijven waarop het onderhavige besluit van toepassing is.
In artikel 6 van dit besluit is voorts bepaald dat voor installaties in bedrijven waarop dit besluit van toepassing is, hoofdstuk 8B van de bijlage bij het BEES-B niet geldt. Ingevolge dat hoofdstuk is het mogelijk om in een vergunning emissie-eisen te stellen, die afwijken van de in het BEES-B gestelde algemene emissie-eisen. Deze mogelijkheid is gekoppeld aan de vergunningplicht en kan niet worden toegepast indien het bedrijven betreft, die niet vergunningplichtig zijn, zoals de tuinbouwbedrijven met bedekte teelt waarop het onderhavige besluit van toepassing is.
– Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw
Dit besluit heeft betrekking op het lozen in oppervlaktewater van afvalstoffen. Hierbij kan het ook gaan om verontreinigende of schadelijke stoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, die voorkomen in (afval)waterstromen, die vanuit glastuinbouwbedrijven in het oppervlaktewater worden geloosd. Het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw is alleen van toepassing op bedrijven waarin in permanente opstanden van glas of kunststof groenten, fruit of siergewassen worden geteeld. Het geldt derhalve bijvoorbeeld niet voor lozingen vanuit bedrijven waarin eetbare paddestoelen worden geteeld.
Met het Lozingenbesluit Wvo glastuinbouw wordt beoogd het gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen in glastuinbouwbedrijven te beperken, hergebruik van deze stoffen te bevorderen en restlozingen te saneren.
– Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten
Het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten legt het produceren, verhandelen en toepassen van bepaalde chloorfluorkoolstofverbindingen en halonen (stoffen die de ozonlaag aantasten) aan banden, onder meer waar het gaat om het gebruik als koudemiddel in koel- en airconditioningsinstallaties en als blusmiddel. Op grond van artikel 12, derde lid, van het besluit is een ministeriële regeling opgesteld (Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties, Stcrt. 1993, 52). Daarnaast is in het besluit bepaald dat installatie en onderhoud van koelinstallaties dienen te worden verricht door een erkende installateur.
– Stoombesluit
Het Stoombesluit, dat is vastgesteld op grond van de Stoomwet, bevat regels voor onder meer de constructieve veiligheid en de beveiliging tijdens het gebruik van stoomketels. Stoomketels boven bepaalde grenzen, die worden genoemd in artikel 10, eerste lid, van het besluit (onder meer een werkdruk hoger dan 50 kPa), mogen alleen in werking worden gebracht indien daarvoor door de Dienst voor het Stoomwezen een vergunning is verleend. Dergelijke ketels worden iedere twee jaar onderworpen aan een onderzoek, dat zich ook tot het inwendige van de ketels uitstrekt.
– Bouwbesluit
Het Bouwbesluit is vastgesteld op grond van de Woningwet. In dit besluit worden regels gesteld, die onder meer betrekking hebben op de constructieve veiligheid, de brandveiligheid en de elektriciteitsvoorzieningen van woningen, niet tot bewoning bestemde gebouwen alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voorschriften die ter zake waren opgenomen in eerdere besluiten op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, zijn in het onderhavige besluit weggelaten.
– Arbeidsomstandighedenwet
De voorschriften in bijlage I laten onverlet hetgeen bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald. Dit betekent dat op het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt naast het onderhavige besluit ook regels van toepassing kunnen zijn, die in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet zijn of worden getroffen met het oog op de arbeidsomstandigheden. Ook de bevoegdheid van het districtshoofd van de Arbeidsinspectie om met het oog op de arbeidsomstandigheden op grond van de wetgeving inzake de arbeidsbescherming aanvullende of verder gaande eisen te stellen, wordt onverlet gelaten.
HOOFDSTUK 2. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING (BESLUIT)
De amvb beperkt zich tot tuinbouwbedrijven met bedekte teelt. Dit zijn bedrijven waarin in opstallen gewassen worden geteeld. Het gaat vooral om glastuinbouwbedrijven, bedrijven voor de teelt van eetbare paddestoelen en de groentetrekbedrijven. De amvb is niet van toepassing op tuinbouwbedrijven waarin in de volle grond gewassen worden geteeld. Die bedrijven vallen in het algemeen binnen de werkingssfeer van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, dat eveneens op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer is gebaseerd en per 1 april 1994 van kracht is geworden.
Indien in een bedrijf waarin zowel bedekte teelt als volle grondsteelt plaatsvindt, meer dan 1000 m2 glasopstand aanwezig is, valt dat bedrijf niet onder het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, zo is bepaald in artikel 1, eerste lid, onder a, 11°, van dat besluit. Het onderhavige besluit kan wèl op een dergelijke bedrijf van toepassing zijn, mits is voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in artikel 1.
Het onderhavige besluit is niet van toepassing op tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, waarin zich een bijzondere omstandigheid voordoet, als omschreven in het hier besproken onderdeel a. Alvorens de in dit onder- deel opgenomen beperkingen worden toegelicht, zij het volgende opgemerkt.
Het besluit is alleen van toepassing indien het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt kan worden aangemerkt als een inrichting, behorende tot een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Voorts moet het bedrijf in hoofdzaak zijn bestemd voor bedekte teelt. Het gaat in dit besluit alleen om produktiebedrijven, dat wil zeggen tuinderijen en kwekerijen, en niet om aanverwante bedrijven, waarin tuinbouwprodukten worden behandeld dan wel op of overgeslagen. Indien sprake is van een inrichting waarin verschillende van deze activiteiten tegelijk plaatsvinden, is het bedrijf niet in hoofdzaak voor bedekte teelt bestemd en valt de inrichting derhalve niet onder deze amvb.
Open land dat is gelegen rondom de tot het bedrijf behorende gebouwen, wordt, uitzonderingen daargelaten, niet tot de inrichting gerekend. Het bedrijfsgedeelte dat als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer kan worden aangemerkt, bestaat in de meeste gevallen uitsluitend uit de grond waarop zich de gebouwen bevinden, met name kassen, gebouwen of andere omhulsels waarin groenten, fruit, siergewassen, potplanten of eetbare paddestoelen worden geteelt dan wel grond-, hulp-, brand- of voedingsstoffen worden opgeslagen, de ketelinstallatie en het waterbassin, alsmede het bijbehorende erf. Of sprake is van een uitzondering, waarin ook het open land van de inrichting deel uitmaakt, wordt beoordeeld aan de hand van de algemene criteria die zijn opgenomen in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. De jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is ter zake van landbouwbedrijven op dit moment nog niet volledig uitgekristalliseerd. Gewezen kan worden op de uitspraken van de (voorzitter van de) Afdeling bestuursrechtspraak van 6 juni 1994, no. G05.92 0820 (Oudenbosch, gepubliceerd in de Gemeentestem, 7004, no. 9, en in Milieu en Recht, 1994, 9, nr. 80K), 9 januari 1995, no. G05.92 2523 (Maarheeze), 6 april 1995, nr. F03.94 1198 (gepubliceerd in Milieu en Recht 1995, 7/8, jurisprudentiekatern nr. 85) en van 1 december 1995, nr. E03.94.0495 (Niedorp) (gepubliceerd in ABkort, 27 januari 1996, nr. 23). Bij tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, waarop het onderhavige besluit van toepassing is, gaat het wat betreft de verhouding tussen de gebouwen en de daaromheen gelegen grond veelal om een vergelijkbare situatie als zich voordeed in de uitspraak van 6 april 1995. In het algemeen wordt de volle grond extensief gebruikt en is het gedeelte van de inrichting waarin de bedekte teelt plaatsvindt, in zijn functioneren niet afhankelijk van de activiteiten die daar plaatsvinden. In een dergelijke situatie kan worden geconcludeerd dat tussen gebouwen en grond niet zodanige bindingen bestaan, als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, dat zij tezamen als één inrichting dienen te worden beschouwd. In gevallen waarin wèl van één inrichting sprake is, wordt veelal niet voldaan aan het vereiste dat een bedrijf in hoofdzaak voor bedekte teelt is bestemd, zodat het onderhavige besluit daarop niet van toepassing is. In verband met het voorgaande zijn in dit besluit geen voorschriften opgenomen, die betrekking hebben op rondom de bedrijfsgebouwen gelegen grond, met uitzondering van het erf, dat, zoals gezegd, wel tot de inrichting wordt gerekend. Hierbij zij aangetekend dat dit uiteraard niet wegneemt dat ook daar activiteiten aan regels kunnen zijn gebonden. Als regelgeving waarmee rekening dient te worden gehouden, kunnen bijvoorbeeld worden genoemd de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en de daarop gebaseerde regelingen, het Besluit gebruik dierlijke meststoffen, het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen en het Lozingenbesluit bodembescherming.
Tenslotte zij opgemerkt dat ook de eigen woning, de moestuin en de siertuin niet tot de inrichting worden gerekend. Dit besluit is daar dan ook niet op van toepassing.
In het voorgaande werd reeds opgemerkt dat deze amvb niet van toepassing is op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, waarin zich een bijzondere omstandigheid voordoet, als omschreven in het hier besproken onderdeel a, 1° tot en met 22°. Het gaat in deze bepaling om een limitatieve opsomming van omstandigheden. De aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid maakt een afzonderlijke beoordeling van het bedrijf in een vergunningprocedure noodzakelijk. Het gaat dan namelijk niet om een bedrijf dat in de sector waarop deze amvb van toepassing is, als een standaardbedrijf kan worden beschouwd, waarop zonder meer de in de amvb gestelde standaardregels van toepassing kunnen worden verklaard. Indien zich in de inrichting een bijzondere omstandigheid voordoet, dient een vergunning te worden aangevraagd, die op de gehele inrichting betrekking heeft. Dit besluit is alleen van toepassing op inrichtingen die geheel voldoen aan alle vereisten die in artikel 1 zijn gesteld. Zo dient een vergunning te worden aangevraagd voor een kassencomplex dat deel uitmaakt van een instituut voor agrarisch beroepsonderwijs, aangezien die inrichting niet uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor bedekte teelt. De vergunningplicht geldt ook indien het kassencomplex overigens geheel voldoet aan de vereisten van artikel 1 en zich binnen het complex geen omstandigheid voordoet als bedoeld in de hierna te bespreken punten 1 tot en met 22.
In de punten 1 tot en met 4 worden de in de sector gebruikelijke verwarmingsinstallaties omschreven. De levering van CO2-houdend gas, al dan niet gecombineerd met de levering van warm water, zoals door energie-bedrijven wordt verzorgd, en de aanwezigheid van de daarvoor benodigde installaties vormen geen belemmering voor de toepasselijkheid van het besluit op de desbetreffende inrichting.
Onder punt 5 wordt een uitzondering gemaakt voor bedrijven waarin wordt gewerkt met genetisch gemodificeerde organismen. Een afzonderlijke beoordeling van een dergelijk inrichting is noodzakelijk indien de inrichting behoort tot de categorie van inrichtingen, die als categorie 21 is opgenomen in de bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, dan wel in de inrichting kassen aanwezig zijn, die voor het ontwikkelen en beproeven van genetisch gemodificeerde organismen zijn bestemd. Er dient dan te worden voldaan aan de Regeling ingeperkt gebruik genetisch gemodificeerde organismen, terwijl er tevens een individuele beoordeling van de inrichting dient plaats te vinden in het kader van een vergunningprocedure ingevolge artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Indien het een «gewone» kas betreft, waarin genetisch gemodificeerde organismen worden toegepast, die niet zijn vrijgesteld van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1993, 435), dient daarvoor een vergunning te worden aangevraagd als in dat besluit bedoeld, en kunnen aanvullende voorschriften worden gesteld. In de circulaire van 29 maart 1994 van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer (Stcrt. 1994, 68) is een toelichting gegeven op de achtergrond en de consequenties van het genoemde besluit en de genoemde regeling.
Onder genetisch gemodificeerde organismen worden verstaan: organismen waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting of recombinatie en die het vermogen bezitten dat genetisch materiaal te vermenigvuldigen of over te dragen. Het gaat hier onder meer om de toepassing van de recombinant DNA-techniek, micro-injectie, organel-transplantatie en protoplast-fusie. Het enkel toepassen van weefselkweek is geen modificatie van organismen.
Punt 6 bevat een uitzondering die geldt voor bedrijven waarin voor derden in een specifiek daartoe ingerichte begassingsruimte door middel van begassing met bestrijdingsmiddelen bollen en knollen worden behandeld.
Indien in de inrichting meer dan 16 000 liter zuivere CO2 wordt opgeslagen, is dit besluit op die inrichting niet van toepassing (punt 7).
Punt 8 heeft betrekking op nitraathoudende kunstmeststoffen. Bedrijven waarin kunstmeststoffen worden bewaard, die kunnen detoneren (klasse A) of deflageren (klasse B), vallen buiten dit besluit. Deze stoffen zijn normaliter niet op een tuinbouwbedrijf aanwezig. Voor kunstmeststoffen van klasse C, die niet kunnen detoneren of deflageren, behoeft geen uitzondering op de reikwijdte van het besluit te worden gemaakt.
Het gestelde in punt 9 brengt mee dat een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, waarin een windmolen of windturbine (met een rotordiameter groter dan 2m) is geïnstalleerd, vergunningplichtig blijft (zie bijlage I, categorie 20, Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer).
De aanwezigheid van een op benzine of dieselolie te stoken noodstroomaggregaat kan daarentegen worden toegestaan zonder dat een individuele beoordeling in het kader van een vergunningprocedure nodig is.
In punt 10 worden bedrijven uitgezonderd, waarin meer dan 50 000 liter gasolie of lichte stookolie wordt bewaard. Indien in een tuinbouwbedrijf gasolie of lichte stookolie wordt opgeslagen in een ondergrondse tank, die niet is vervaardigd van staal of van kunststof, valt het bedrijf ook niet onder dit besluit.
Het besluit is evenmin van toepassing indien in de inrichting K1- of K2-vloeistoffen worden bewaard, met uitzondering van de K2-vloeistof petroleum, voor zover ten behoeve van ruimteverwarming niet meer dan 2500 kg van die vloeistof wordt bewaard (punt 11).
Indien in een inrichting afgewerkte olie wordt bewaard, valt zij alleen onder dit besluit indien de olie in bovengrondse tanks wordt bewaard en de totale inhoud van die tanks niet meer bedraagt dan 1500 liter (punt 12).
Inrichtingen waarin propaan of butaan wordt bewaard op andere wijze dan in gasflessen of spuitbussen, vallen ingevolge punt 13 alleen onder dit besluit indien daarop het Besluit opslag propaan milieubeheer van toepassing is.
Tuinbouwbedrijven waarin bloemen of siergewassen worden geverfd, zijn buiten de werkingssfeer van dit besluit gehouden (punt 18). Bij deze activiteit worden namelijk middelen gebruikt, die bodem, water en lucht kunnen verontreinigen.
Indien in de inrichting bedrijfsmatig dieren worden gehouden, is geen sprake van een standaard-bedrijf. In punt 19 worden dergelijke bedrijven buiten de werkingssfeer van dit besluit geplaatst.
In punt 20 worden bedrijven uitgezonderd, waarin voor de teelt van eetbare paddestoelen gebruik wordt gemaakt van andere dan geënte of doorgegroeide compost. Het gaat vooral om bedrijven waarin verse compost wordt gepasteuriseerd ten behoeve van de produktie van champignons. Hierbij komt ca. 500 gram ammoniak per ton gepasteuriseerde compost vrij. Op een produktie van ca. 800 000 ton compost per jaar is dit een aanzienlijke emissie. Punt 21 heeft eveneens betrekking op bedrijven voor de teelt van eetbare paddestoelen. Indien een dergelijk bedrijf een grote omvang heeft aangenomen, is een afzonderlijke beoordeling noodzakelijk in verband met de aanwezigheid van grote hoeveelheden champignon-compost en champost en extra aanvoer-, afvoer-, laad- en losactiviteiten. Als maatstaf geldt de omvang van de teeltoppervlakte van de cellen, (niet meer dan 4000 m2).
Tenslotte is in punt 22 een uitzondering gemaakt voor bedrijven met koelinstallaties die werken op ammoniak of een brandbaar koudemiddel in een hoeveelheid van meer dan 100 kg.
Voor een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, waarop deze amvb betrekking heeft, is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het bedrijf geheel of in hoofdzaak is gelegen, in de regel het bevoegd gezag.
In een aantal glastuinbouwbedrijven wordt ter aanvulling van het daglicht gebruik gemaakt van kunstlicht. Hierdoor wordt de groei van de gewassen gestimuleerd, hetgeen zich uit in een kortere produktiecyclus en sterkere en gezondere planten. Het gebruik van kunstlicht wordt doorgaans aangeduid als assimilatiebelichting, aangezien dit gebruik is gericht op het beïnvloeden van het proces van opnemen en verwerken van voedingsstoffen, de assimilatie.
Voor een nadere toelichting kan worden verwezen naar paragraaf 2.5, Assimilatiebelichting, en naar de toelichting op de voorschriften 9.1 t/m 9.6, die zijn opgenomen in bijlage I bij dit besluit.
Glastuinbouwbedrijven komen in hoofdzaak voor in een aantal concentratiegebieden. Binnen die gebieden is er sprake van een mengeling van wonen en werken, waarbij de woningen veelal gekoppeld zijn aan het bedrijf. Dit betekent dat de bewoners in de concentratiegebieden vaak direct worden geconfronteerd met de aanwezigheid van glastuinbouwbedrijven in de directe omgeving, met alle nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van dien. Omdat deze situatie reeds jaren lang bestaat, wordt zij echter in het algemeen geaccepteerd. Het is dan ook alleszins redelijk om bij de beoordeling van de nadelige gevolgen die in die gebieden gelegen glastuinbouwbedrijven kunnen veroorzaken, andere acceptatieniveaus aan te houden voor nabuurtuinderswoningen dan voor de bebouwde kom of andere als meer gevoelig te beschouwen objecten. Voor een vergelijkbare aanpak is gekozen in de geluidnormering met betrekking tot woningen op een industrieterrein en de stanknormering met betrekking tot woningen in het agrarische buitengebied.
Met de omschrijving woning van derden, (niet) behorend tot een agrarisch bedrijf, wordt onderscheid gemaakt tussen woningen met de bestemming agrarische bedrijfswoning enerzijds en woningen die deze bestemming niet (meer) hebben anderzijds. Eerstbedoelde woningen worden aangemerkt als objecten categorie III, laatstbedoelde woningen als objecten categorie II. Woningen van categorie II genieten op enkele punten extra bescherming, zoals blijkt uit de voorschriften met afstandeisen, die betrekking hebben op de teelt van eetbare paddestoelen (de voorschriften 23.1 tot en met 23.6, opgenomen in bijlage I bij het besluit). In artikel 1, derde en vierde lid, waarin eveneens afstandseisen zijn gesteld, wordt tussen objecten categorie II en objecten categorie III geen onderscheid gemaakt.
Woningen met de bestemming «agrarisch gebruik» worden aangemerkt als objecten categorie III. Hiertoe behoren ook de woning van een zogenoemde «rustende agrariër». Hiermee wordt bedoeld de voormalige eigenaar van het bedrijf, die in familierelatie staat tot de huidige eigenaar.
Met betrekking tot brandbare vloeistoffen wordt onderscheid gemaakt tussen K0-, K1-, K2- en K3-vloeistoffen. Deze vloeistoffen bezitten een verschillend vlampunt. Het vlampunt is een maat voor de ontvlambaarheid van een vloeistof.
Tot de K0-klasse (zeer licht ontvlambare vloeistoffen) behoren bijvoorbeeld ethyleenoxide en cyaanwaterstof. Ook tot vloeistof verdichte gassen behoren tot de K0-klasse. Het tot vloeistof verdichten van gassen kan onder druk en door koude plaatsvinden. Een voorbeeld hiervan is tot vloeistof verdicht koolzuurgas (CO2). Een dergelijke stof wordt op tuinbouwbedrijven toegepast als voedingsstof ter bevordering van de koolstofassimilatie. Op de opslag van CO2 zijn de voorschriften 18.1 tot en met 18.32, opgenomen in bijlage I bij dit besluit, van toepassing. Tot de klasse K1 (licht ontvlambare vloeistoffen) behoren bijvoorbeeld benzine en aceton. Als K2-vloeistoffen (ontvlambare vloeistoffen) kunnen worden onder meer petroleum, terpentine en thinner worden genoemd. Bij K3-vloeistoffen (brandbare vloeistoffen) kan worden gedacht aan gasolie en dieselolie.
Tot welke klasse brandbare vloeistoffen behoren kan worden afgelezen op de emballage. De volgende aanduidingen worden gebruikt:
K1 : oranje vierkant met daarin een zwarte vlam en de tekst «licht ontvlambaar»
K2 : de tekst «ontvlambaar»
Voor K3-vloeistoffen is geen aanduiding verplicht.
Ook brandbare verven kunnen een K1-, K2- of K3-vloeistof zijn; zij kunnen aan dan dezelfde aanduidingen worden herkend. In het algemeen behoren brandbare, uitstrijkbare verven tot de klasse K2.
Het gaat om het totaal aan teeltoppervlakte, dat op het bedrijf ten behoeve van de teelt van eetbare paddestoelen aanwezig is. Het aantal malen dat de cellen worden gevuld is in dit verband niet van belang, aangezien dat een maat voor de produktie-capaciteit is en niet voor de teeltoppervlakte. Cellen die enige tijd leeg staan maar nog niet definitief uit produktie zijn genomen, worden tot de teeltoppervlakte van de cellen gerekend.
In het tweede lid van artikel 1 is bepaald dat het onderhavige besluit niet van toepassing is op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt dat is opgericht na de datum van inwerkingtreding van dit besluit en dat is gelegen in een gebied dat krachtens artikel 1.2, tweede lid, onder a of b, van de Wet milieubeheer bij een provinciale milieuverordening is aangewezen of dat anderszins bij een zodanige verordening is aangewezen als gebied waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft en waarvoor bij die verordening regels zijn gesteld, die die bescherming beogen.
Voor een dergelijk bedrijf dient derhalve een vergunning te worden aangevraagd op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De reden voor de uitzondering van de werkingssfeer van dit besluit is dat in een afzonderlijke procedure moet kunnen worden beoordeeld of en in welke vorm een bedrijf in een milieubeschermingsgebied kan worden toegestaan, gelet op het provinciale beleid dat in het gebied wordt gevoerd, zoals dit in de provinciale milieuverordening is neergelegd. In een dergelijke verordening kunnen met betrekking tot inrichtingen, waartoe ook tuinbouwbedrijven met bedekte teelt kunnen behoren, regels worden gesteld, waarin dit beleid zijn vertaling vindt en die door het bevoegde gezag bij de beoordeling van een vergunningaanvraag in acht dienen te worden genomen.
Artikel 1, derde en vierde lid
Een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt kan nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken door onder meer de fysieke aanwezigheid van opstallen en bedrijfsgebouwen, de opslag en het gebruik van chemicaliën, zoals gewasbeschermingsmiddelen, het gebruik van toestellen en installaties, verwarmingsinstallaties, de toepassing van kunstlicht, intern transport en aan- en afrijdend verkeer. Die gevolgen zijn slechts gedeeltelijk door het treffen van technische voorzieningen en organisatorische maatregelen te ondervangen. Ook zonering ten opzichte van gevoelige en te beschermen objecten kan een bijdrage leveren aan het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving. Indien tussen het bedrijf en het dichtstbijgelegen object ten minste de in het derde en vierde lid van artikel 1 aangegeven afstanden worden aangehouden, en overigens aan de in dit besluit gestelde voorschriften wordt voldaan, biedt het besluit voldoende bescherming tegen de nadelige gevolgen. De toepassing van bestrijdingsmiddelen is bij het stellen van bedoelde afstandseisen een belangrijk aandachtspunt geweest. Daarom zal in het hiernavolgende uitvoeriger op dit aspect worden ingegaan. Indien niet aan de afstandseisen wordt voldaan, dient in een vergunningprocedure voor het desbetreffende bedrijf afzonderlijk te worden nagegaan of de nadelige gevolgen die door het bedrijf kunnen worden veroorzaakt, door het treffen van andere maatregelen te voorkomen zijn.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwe bedrijven (derde lid) en bestaande bedrijven (vierde lid). Voor nieuwe bedrijven gelden strengere afstandseisen dan voor bestaande bedrijven. Onder nieuwe bedrijven worden hier verstaan bedrijven die na het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit zijn of worden opgericht. Bestaande bedrijven zijn bedrijven die vóór dat tijdstip zijn opgericht. Beslissend hierbij is de feitelijke oprichting van een bedrijf en niet de omstandigheid of voor het bedrijf al dan niet een vergunning geldt. Onder oprichting van een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt wordt nieuwvestiging van een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt verstaan. Als er wordt overgegaan van een akkerbouwbedrijf, veehouderij of bedrijf met opengrondsteelt op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, is er eveneens sprake van oprichting van een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt. Een dergelijk bedrijf zal dus moeten voldoen aan de eisen die in dit besluit zijn gesteld voor nieuwe bedrijven. In geval van uitbreiding van een bestaand tuinbouwbedrijf met bedekte teelt is er geen sprake van oprichting; een dergelijk bedrijf moet dus niet worden gezien als een nieuw bedrijf, ook niet wat betreft de uitbreiding.
Voor nieuwe bedrijven geldt een afstandseis van 50 meter tot een object categorie I (aaneengesloten woonbebouwing, gevoelig object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van dit besluit) en van 25 meter tot een object categorie II of een object categorie III (losstaande woning). Voor bestaande bedrijven geldt een eis van 25 meter, onderscheidenlijk 10 meter.
Met betrekking tot de afstandseisen voor bestaande bedrijven kan het volgende worden opgemerkt. Uit onderzoek in met name de concentratiegebieden van tuinbouwbedrijven en uit overleg met de betrokken overheden in die gebieden is niet gebleken dat zich bij de gestelde afstanden ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen indien de in bijlage I bij dit besluit opgenomen voorschriften worden nageleefd, alsmede de voorschriften die gelden ingevolge de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. In dergelijke situaties bestaat tevens een goed evenwicht tussen het milieubelang enerzijds en de belangen van de reeds gevestigde bedrijven anderzijds. Aan een beoordeling van elk bedrijf afzonderlijk bestaat onder deze omstandigheden geen behoefte meer. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat de effectiviteit en het milieurendement van een vergunningprocedure in dergelijke situaties gering zouden zijn. Evenmin bestaat er behoefte aan de mogelijkheid om aanvullende voorschriften te stellen.
Voor nieuwe bedrijven ligt dit in zoverre anders dat het bij de vestiging van een bedrijf eenvoudiger is om een bepaalde afstand tot bestaande bebouwing aan te houden en met dat vereiste bij voorbaat rekening te houden. Dit heeft ertoe geleid dat voor een dergelijk bedrijf in dit besluit strengere afstandseisen zijn gesteld. Indien niet aan deze eisen wordt voldaan, betekent dit niet zonder meer dat het bedrijf niet kan worden toegestaan, maar dat een beoordeling in een afzonderlijke vergunningprocedure ingevolge artikel 8.1 van de Wet milieubeheer noodzakelijk is. Aldus kan worden voorkomen dat op grote schaal nieuwe situaties ontstaan, waarin tuinbouwbedrijven en woningen pal op elkaar liggen. Hierbij dient te worden aangetekend dat veranderingen van de woonomgeving door de vestiging van nieuwe bedrijven anders wordt ervaren dan de continuering van bestaande, bekende of vertrouwde, situaties, waarin tuinbouwbedrijven in de nabijheid van woningen zijn gelegen, die met name in concentratiegebieden van glastuinbouwbedrijven veelvuldig voorkomen. Daarom is het redelijk voor nieuwe bedrijven strengere eisen te stellen dan voor bestaande bedrijven. Ter voorkoming van misverstanden zij er nog eens op gewezen dat de in artikel 1, derde en vierde lid, aangegeven afstanden niet alleen in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen zijn opgenomen, maar zijn gesteld met het oog op de nadelige gevolgen voor het milieu, die een tuinbouwbedrijf in totaal voor de directe omgeving kan veroorzaken. De in artikel 1, derde lid, opgenomen regeling stelt gemeenten in staat om het verder oprukken van tuinbouwbedrijven in de richting van woningen beter in de hand te houden. De aangegeven afstanden kunnen tevens worden gebruikt als handreiking voor het opstellen van bestemmingsplannen, waarin is voorzien in de vestiging van nieuwe tuinbouwbedrijven in de nabijheid van woningen, de uitbreiding van bestaande tuinbouwbedrijven in de richting van woningen of de bouw van woningen nabij bestaande tuinbouwbedrijven.
Zoals in het voorgaande reeds werd aangekondigd, zal in het hiernavolgende nader worden ingegaan op de nadelige gevolgen voor het milieu, die in de omgeving van met name glastuinbouwbedrijven kunnen optreden als gevolg van de toepassing van bestrijdingsmiddelen. Het gaat met name om gezondheidsrisico's voor omliggende woningen.
De in artikel 1, derde en vierde lid, opgenomen afstanden zijn mede gebaseerd op onderzoeken van zowel het TNO als het RIVM. Het onderzoek van TNO had tot doel inzicht te krijgen in de emissie van gewasbeschermingsmiddelen bij de toepassing van deze middelen in kassen. Dit onderzoek maakt het mogelijk concentratieprofielen in de lucht te berekenen. Deze geven inzicht in de concentraties waarin bestrijdingsmiddelen tijdens en na de toepassing in de nabijheid van de kas voorkomen.
Gebleken is dat binnen de lijwervel van de kas, dat wil zeggen binnen een afstand van ongeveer 7 maal de kashoogte, een vrijwel gelijkmatige concentratie heerst en dat deze concentratie wordt bepaald door de dampspanning van het desbetreffende middel en de toedieningstechniek. Het concentratieverloop kan in vier fasen worden ingedeeld, namelijk:
* de concentratie in het eerste uur na de toediening,
* de concentratie in het tweede uur na de toediening tot het moment van ventileren,
* de concentratie tijdens het ventileren, en
* de concentratie na het ventileren.
In de uren na de toediening en voor het ventileren is de concentratie van het middel in de lijwervel het hoogst.
Verder is gebleken dat het middel met de hoogste dampspanning de hoogste concentratie geeft, onafhankelijk van de toedieningstechniek. Van zes, in de glastuinbouw veel toegepaste, middelen met een relatief hoge toxiciteit, waaronder het middel met de hoogste dampspanning, is nagegaan of de door het RIVM berekende gezondheidskundige grenswaarde voor acute blootstelling (uurgemiddelde) wordt overschreden.
Bij eenmalige toepassing van de onderzochte middelen is ook voor de middelen met de hoogste toxiteit geen overschrijding van deze waarden gevonden. Omdat er binnen het totale volume van de lijwervel, dat wil zeggen op elke afstand tot de kas, een gelijke concentratie heerst, is er bij de in artikel 1, derde en vierde lid, aangegeven afstanden op grond van de huidige kennis en inzichten geen aanleiding voor aanvullende regels of beperkingen met betrekking tot de toepassing van bestrijdingsmiddelen in een kas. Vervolgonderzoek is echter noodzakelijk, omdat in vorenbedoeld onderzoek werd uitgegaan van een eenmalige toediening van een bestrijdingsmiddel. In de praktijk worden middelen echter met een zekere frequentie toegepast. Bovendien is specifiek vervolgonderzoek nodig naar de situatie in glastuinbouwgebieden. Bedoelde onderzoeken kunnen leiden tot nieuwe inzichten met betrekking tot risico's ten gevolge van de emissie van bestrijdingsmiddelen. Dit kan er toe leiden dat in dit besluit alsnog aanvullende voorschriften ter zake van het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden opgenomen.
In de toelichting op artikel 1, eerste lid, is uiteengezet wat in het kader van de Wet milieubeheer onder een inrichting wordt verstaan. Bij tuinbouwbedrijven met bedekte teelt gaat het in beginsel om de gebouwen en het daaromheen gelegen erf.
Bij het bepalen van de in het derde en vierde lid van artikel 1 bedoelde afstanden wordt uitgegaan van het onderdeel van de inrichting, dat zich het dichtst bij het te beschermen object bevindt. Daarbij worden het waterbassin, de (warm)wateropslagtank en het open erf buiten beschouwing gelaten. Hetzelfde geldt voor schuurtjes, garages, bergingen en dergelijke, die behoren tot het te beschermen object. Dit laatste volgt uit de omschrijving van het begrip woning in artikel 1, eerste lid, onder d. Alleen de woon-, verblijf- en slaapruimten genieten ingevolge dit besluit bescherming.
Artikel 2, eerste lid en tweede lid
De in bijlage I bij dit besluit opgenomen voorschriften zijn gesteld teneinde de nadelige gevolgen voor het milieu, die een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt kan veroorzaken, te voorkomen, dan wel, voor zover deze gevolgen niet kunnen worden voorkomen, daartegen de grootst mogelijk bescherming te bieden, voor zover dat redelijkerwijs van het bedrijf kan worden gevergd. Hiermee is uitvoering gegeven aan artikel 8.40, derde lid, van de Wet milieubeheer juncto artikel 8.11, derde lid, van deze wet.
De voorschriften gelden met onmiddellijke ingang voor bedrijven die worden opgericht na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en binnen de werkingssfeer daarvan vallen. Voor andere bedrijven waarop het onderhavige besluit van toepassing wordt, is een overgangsregeling opgenomen in artikel 5 van dit besluit. Voor een toelichting zij verwezen naar de toelichting op dat artikel.
Andersom is het ook mogelijk dat een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, waarop het onderhavige besluit van toepassing is, door een verandering van omstandigheden buiten de werkingssfeer van het besluit komt te vallen en voor het bedrijf een vergunning dient te worden aangevraagd op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Artikel 8.1, tweede lid, van deze wet is dan namelijk niet van toepassing. Voor dergelijke bedrijven is een overgangsregeling getroffen in artikel 8.21 van de Wet milieubeheer. Deze houdt in dat de inrichting in afwijking van artikel 8.1, eerste lid, zonder vergunning in werking kan worden gehouden gedurende de in artikel 8.21 aangegeven termijn. Ingevolge artikel 8.21, derde lid, blijven voor het bedrijf gedurende die termijn de in bijlage I bij het onderhavige besluit opgenomen voorschriften gelden. Indien de vergunningplicht ontstaat ten gevolge van een voorgenomen verandering van de inrichting of van de werking daarvan, mag de verandering pas worden verwezenlijkt nadat de vergunning is verleend. Dit is bepaald in het tweede lid van artikel 8.21.
Voor de toepassing van artikel 8.21 van de Wet milieubeheer maakt het niet uit of eerder voor de inrichting een vergunning is verleend, omdat die vergunning door het in werking treden van de amvb is komen te vervallen.
In een aantal voorschriften is de mogelijkheid geopend dat het bevoegd gezag met betrekking tot de in die voorschriften geregelde onderwerpen nadere eisen stelt. In andere gevallen, die niet uitdrukkelijk in de voorschriften zijn aangegeven, kan het bevoegd gezag geen nadere eisen stellen. De mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen is zo veel mogelijk beperkt. Het gaat met name om de voorschriften die betrekking hebben op geluid- en lichthinder. Het kader waarbinnen nadere eisen kunnen worden gesteld, is in de desbetreffende voorschriften aangegeven.
Het instrument nadere eisen maakt het mogelijk om binnen de grenzen die zijn aangegeven in het desbetreffende voorschrift, tot een op de concrete situatie toegesneden, doelmatige oplossing te komen. Nadere eisen mogen alleen gesteld worden indien de lokale situatie dit noodzakelijk maakt en moeten redelijkerwijs kunnen worden gevergd (zie ook de toelichting op de desbetreffende voorschriften). Daarbij dient te worden voldaan aan de vereisten die ter zake van het geven van beschikkingen zijn gesteld in de Algemene wet bestuursrecht, met name in hoofdstuk 4, titel 4.1 (Beschikkingen). Vooral van belang zijn de bepalingen die betrekking hebben op de voorbereidingsprocedure, de beslistermijn en de motivering. De bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, die in de afdelingen 3.4 en 3.5 van die wet zijn opgenomen en die betrekking hebben op de openbare voorbereidingsprocedure, zijn niet van toepassing op het geven van een beschikking waarin nadere eisen zijn gesteld.
Voor een goede gang van zaken is het ook van belang dat eventuele nadere eisen zo spoedig mogelijk nadat een melding is binnengekomen, worden gesteld, vooral wanneer die nadere eisen betrekking hebben op de bouw van de inrichting.
Van een beschikking waarbij nadere eisen worden gesteld, wordt kennis gegeven door publicatie in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Dit is bepaald in artikel 2, tweede lid.
Deze bepaling strekt ter uitvoering van artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel 3, eerste, tweede en derde lid
Degene die voornemens is een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt op te richten, waarop dit besluit van toepassing is, dient dit voornemen te melden aan het bevoegd gezag en aan de inspecteur (eerste lid). De melding dient ten minste vier weken voordat de inrichting wordt opgericht, te worden gedaan. Een melding behoeft niet plaats te vinden indien voor het betrokken bedrijf vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is verleend. Dit is bepaald in artikel 5, derde lid. De melding kan in dat geval achterwege blijven omdat het bevoegd gezag al van de aanwezigheid van het bedrijf op de hoogte is.
Ingevolge het tweede lid is ook degene die voornemens is een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt te veranderen dan wel de werking daarvan te veranderen, verplicht dit te melden. In bepaalde gevallen, die zijn omschreven in het derde lid, behoeft echter geen melding plaats te vinden. Een melding is niet vereist indien de verandering of verandering van werkwijze niet leidt tot een wijziging van de gegevens waarover het bevoegd gezag reeds beschikt op grond van een eerdere melding of een voor het bedrijf geldende vergunning.
Degene die een melding doet als bedoeld in het eerste of tweede lid, moet daarbij het tijdstip vermelden, waarin het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht of de verandering van de werking van het bedrijf zal zijn verwezenlijkt. De melding stelt het bevoegd gezag in staat voor aanvang van deze periode te controleren of aan de in het besluit opgenomen voorschriften wordt voldaan. Het bevoegd gezag is overigens niet verplicht een dergelijke controle uit te voeren. Het uitvoeren van een controle is in veel gevallen echter wèl raadzaam. Indien een controle wordt uitgevoerd, zijn daarvoor geen leges verschuldigd. Het bevoegd gezag is evenmin verplicht op andere wijze op de melding te reageren. Met name wordt van het bevoegd gezag niet verwacht dat een schriftelijke verklaring wordt afgegeven of terecht is gemeld dan wel een vergunning dient te worden aangevraagd. De Wet milieubeheer voorziet niet in een dergelijke reactie, die door de rechter als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan worden opgevat. Dit kan tot een procedure leiden, die niet door de wetgever is beoogd. Het is verstandig dat degene die de inrichting drijft, voorafgaand aan of direct na de melding met het bevoegd gezag contact opneemt teneinde na te gaan welke voorzieningen eventueel nog aangebracht moeten worden om aan de voorschriften te voldoen en of een noodzaak voor het stellen van nadere eisen bestaat. Uiteraard kan het bevoegd gezag ook zelf contact opnemen met degene die de melding heeft gedaan, om een afspraak te maken ten behoeve van een controle. Op deze wijze kan worden gewaarborgd dat de voornemens ten uitvoer worden gebracht in overeenstemming met de voorschriften.
Aan een controle door het bevoegd gezag zijn geen directe gevolgen verbonden. Een negatief controleresultaat of het achterwege blijven van een controle staat op zichzelf niet in de weg aan het in werking brengen van het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt of het veranderen daarvan, noch aan de verwezenlijking van het veranderen van de werking van het bedrijf. Wordt bij een controle geconstateerd dat niet aan de voorschriften is voldaan, dan kan het bevoegd gezag tegen die overtreding optreden met de normale sanctiemiddelen van de Wet milieubeheer. Daarnaast blijft het uiteraard nodig periodiek om te controleren of het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt nog aan de voorschriften voldoet.
Bij het doen van een melding dient men gebruik te maken van een meldingsformulier dat is vastgesteld door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Het kan voorkomen dat na het indienen van het meldingsformulier bij het bevoegd gezag het voorgenomen tijdstip waarop de inrichting zal worden opgericht of veranderd dan wel de werking van het bedrijf zal worden veranderd, verschuift doordat een verandering is opgetreden in de planning. Artikel 3, vijfde lid, verplicht degene die de inrichting drijft, om het bevoegd gezag hiervan tijdig op de hoogte te stellen. In die gevallen kan volstaan worden met het op andere wijze doorgeven van de nieuwe datum, bijvoorbeeld per telefoon. Op basis hiervan kan een nieuwe afspraak worden gemaakt. Het is dus niet nodig om met vermelding van de nieuwe datum opnieuw een meldingenformulier bij het bevoegd gezag in te dienen.
Artikel 4 verplicht tot het verrichten van nulsituatie-onderzoek en eindonderzoek naar de kwaliteit van de bodem binnen de inrichting.
Het nulsituatie-onderzoek heeft als functie het bepalen van de referentie voor eventueel later optredende verontreiniging. Indien bij het eindonderzoek geen of dezelfde verontreiniging wordt geconstateerd, geven de metingen geen aanleiding tot bodemsanering. Indien de verontreiniging echter blijkt te zijn toegenomen, zal de bodem ten minste moeten worden gebracht in de staat ten tijde van het nulsituatie-onderzoek.
Het onderzoek is in de vorm van een protocol omschreven in de publikatie «Bodemonderzoek milieuvergunning en BSB», uitgave SDU, oktober 1993. Deze publikatie is een gezamenlijk produkt is van het Directoraat-Generaal Milieubeheer, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Stichting Bodemsanering Bedrijfsterreinen (BSB). Zij is vooral bedoeld om de verschillende bodemonderzoeken die in het kader van de milieuvergunning en in besluiten als het onderhavige worden verlangd, op elkaar af te stemmen en te uniformeren. Het voornemen bestaat om dit protocol op te nemen in NEN 5740. Deze norm zal het verkennend onderzoek in bredere zin gaan regelen en de huidige NVN 5740 vervangen.
In de definitie van het begrip verkennend onderzoek in artikel 1, eerste lid, onder n, wordt verwezen naar de publikatie Bodemonderzoek milieuvergunning en BSB. In de definitie is voorzien in de mogelijkheid dat die verwijzing tezijnertijd wordt vervangen door een verwijzing naar de nog uit te brengen NEN 5740.
De plaatsen waar en de stoffen waarop het onderzoek zich moet richten volgen primair uit het bovengenoemde protocol. Artikel 4, vijfde lid, noemt een aantal plaatsen die in ieder geval voor onderzoek in aanmerking komen.
De analyse van het bodemmonster op bestrijdingsmiddelen kan in het kader van dit besluit beperkt blijven tot enkele middelen, die met regelmaat in voorraad zijn.
Tenslotte is in het zesde lid bepaald dat het glasareaal niet onderzocht hoeft te worden als dat uitsluitend voor de teelt van gewassen wordt gebruikt. Hiermee wordt afgeweken van de recente praktijk in enkele gemeenten om in de vergunning ook bemonstering van de kasgrond voor te schrijven. Op dit moment bestaat er nog onvoldoende inzicht in de voorwaarden waaronder een dergelijk onderzoek in de specifieke situatie van de glastuinbouw een voor het individuele bedrijf betrouwbare indicatie van de belasting van de bodem en van de te nemen maatregelen kan opleveren. Het is daarom nog te vroeg om dergelijk bodemonderzoek voor iedere individuele tuinder voor te schrijven. Nader onderzoek van deze problematiek kan er toe leiden dat dit bij een toekomstige wijziging van het besluit alsnog gebeurt.
Het «nulsituatie-onderzoek» kan zowel voor al bestaande als voor nieuwe inrichtingen de volgende neveneffecten hebben.
a. Bij het «nulsituatie-onderzoek» wordt geen of een lichte verontreiniging geconstateerd. Sanering is dan in het algemeen niet aan de orde.
b. Bij het «nulsituatie-onderzoek» wordt geconstateerd dat er een vermoeden is van ernstige bodemverontreiniging. In hoofdstuk IV van de Wet bodembescherming, algemene bepalingen ingeval van verontreiniging van de bodem, is aangegeven hoe in dat geval verder moet worden gehandeld. Indien uit vervolgonderzoek blijkt dat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging juist is, zal dit, al dan niet op termijn, tot een bodemsanering moeten leiden.
Vanaf het tijdstip waarop op een reeds opgericht tuinbouwbedrijf met bedekte teelt het besluit van toepassing wordt, is de vergunningplicht voor dat bedrijf opgeheven en vervalt een eerder verleende vergunning. Gedurende dat jaar geldt als overgangsregeling dat het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt nog niet hoeft te voldoen aan de voorschriften van de amvb. Formeel blijven gedurende dat jaar de aan een vergunning verbonden voorschriften gelden. Een soortgelijke bepaling geldt voor de voorschriften, die zijn verbonden aan een verordening op grond van artikel 3, eerste lid, van de Hinderwet. De overgangstermijn van een jaar is bedoeld om het bedrijf praktisch gezien in de gelegenheid te stellen over te gaan van de vergunningvoorschriften, onderscheidenlijk de verordeningsvoorschriften, op de amvb-voorschriften. Indien het voor bestaande bedrijven belastend zou zijn om na één jaar aan een nieuw voorschrift te moeten voldoen, zijn in het desbetreffende voorschrift langere overgangs-termijnen aangegeven.
Overigens zij opgemerkt dat in deze amvb met «opgericht» wordt bedoeld dat de inrichting feitelijk bestaat. Dit kan met of zonder vergunning het geval zijn.
Artikel 5, tweede, derde en vierde lid
Voor reeds opgerichte tuinbouwbedrijven met bedekte teelt waarop de amvb van toepassing wordt en waarvoor geen vergunningplicht meer geldt, is een afwijkende meldingsregeling opgenomen.
Die betreft in de eerste plaats alle bestaande tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, die binnen de werkingssfeer van de amvb komen te vallen op het tijdstip waarop de maatregel in werking treedt.
Daarnaast is het denkbaar dat in de loop van de tijd tuinbouwbedrijven met bedekte teelt door wijzigingen van externe of interne factoren onder de amvb komen te vallen. Hierbij kan worden gedacht wijzigingen in de omgeving van deze bedrijven of aan wijzigingen van de capaciteit van de bedrijven.
Indien een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt onder de amvb komt te vallen, dient degene die de inrichting drijft, binnen zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de amvb op het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt van toepassing wordt, aan het bevoegd gezag en aan de inspecteur te melden dat hij een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt in werking heeft. In andere amvb's op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer wordt standaard een termijn van drie maanden gehanteerd. In de onderhavige amvb is, in overeenstemming met de overige besluiten voor agrarische bedrijven, voor een langere termijn gekozen, aangezien het besluit betrekking heeft op een groot aantal bedrijven. Het bevoegd gezag kan de toestroom van meldingen dan zonder problemen verwerken. Bovendien wordt de landbouwvoorlichting zo de nodige tijd geboden om de invoering van het besluit in voldoende mate te ondersteunen.
Indien men beschikt over een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer kan de melding achterwege blijven. Dit is in het vierde lid van artikel 5 bepaald. Indien het tuinbouwbedrijf met bedekte teelt of de werking daarvan zodanig wordt veranderd dat daardoor een afwijking zal ontstaan van de in de vergunningbescheiden vastgelegde gegevens (zie artikel 3, derde lid), dient wel een melding plaats te vinden.
In tuinbouwbedrijven met bedekte teelt die reeds zijn opgericht op het tijdstip waarop het onderhavige besluit op de inrichting van toepassing wordt, dient een verkennend bodemonderzoek plaats te vinden binnen een termijn van drie jaar na dat tijdstip. Het is niet de bedoeling dat voor het uitvoeren van de bemonstering bestaande voorzieningen als een vloeistofdichte vloer in een bedrijfsruimte worden verwijderd of beschadigd.
Voor een toelichting op dit artikel zij verwezen naar paragraaf 4.3, Verhouding tot enkele andere regelingen.
HOOFDSTUK 3. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING (BIJLAGE I)
De definities van begrippen met betrekking tot geluid- en trillinghinder sluiten aan op die welke gebruikt worden in de Wet geluidhinder.
Met betrekking tot het begrip «ruimtebehandeling» kan het volgende worden opgemerkt. Voor de bepaling van de gemiddelde deeltjes- of druppelgrootte wordt gebruik gemaakt van de «volume mediaan diameter» (vmd). Dit is een karakterisering van de verdeling van de grootte van de deeltjes of druppeltjes, zoals die zich bij het verstuiven of versproeien voordoet. Het gezamenlijk volume van de deeltjes of druppeltjes, die groter zijn dan de vmd, is de helft van het totaal verspoten volume. Bij de begripsbepaling gaat het om de grootte van de deeltjes of druppeltjes, zoals ze de toedieningsapparatuur verlaten (initieel). Dit houdt tevens een karakterisering van de toedieningsapparatuur in. Bij ruimtebehandeling is de vmd ten hoogste 50 μm, zodat de deeltjes of druppeltjes in zwevende toestand kunnen geraken.
Ruimtebehandeling kan met de volgende technieken of apparatuur worden uitgevoerd:
– een poederverstuiver;
– een fog of straalmotorspuit;
– roken;
– een LVM-installatie.
Onder ruimtebehandeling wordt tevens verstaan een behandeling waarbij zich het middel in de totale ruimte van de kas, of een groot deel ervan, bevindt. Een beperkte, lokale behandeling, bijvoorbeeld met behulp van een spuitbuis, wordt in dit verband niet gezien als een ruimtebehandeling.
Niet alle voorschriften zijn op ieder tuinbouwbedrijf met bedekte teelt van toepassing. Een aantal voorschriften houdt verband met de aanwezigheid van bepaalde toestellen, apparaten of stoffen dan wel met het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden.
De inhoudsopgave van bijlage I geeft een overzicht van de verschillende onderdelen van het voorschriftenpakket.
1. De ruimten waarin bestrijdingsmiddelen worden bewaard en voor gebruik worden gereedgemaakt moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen verontreiniging van de bodem kan plaatsvinden, ook niet bij morsen of overvullen dan wel breuk of beschadiging van opslag- en mengvaten. Dit betekent onder meer dat zich in de ruimte geen opvang- of schrobputje mag bevinden, dat een directe aansluiting op de riolering of het oppervlaktewater heeft, of waardoor lozing in de bodem zou kunnen optreden. In dit verband kan voorts nog worden opgemerkt dat het opslaan van bestrijdingsmiddelen moet voldoen aan de artikelen 8 tot en met 12 van het Bestrijdingsmiddelenbesluit.
1.3. In de toelichting bij artikel 1, derde en vierde lid, is uiteengezet wat op grond van onderzoek van het TNO en het RIVM is te verwachten aan concentraties van bestrijdingsmiddelen nabij een kas tijdens en na gebruik van die middelen in die kas. Uit de toxicologische toets van een aantal middelen is geconcludeerd dat de gevonden concentraties vooralsnog geen aanleiding geven om in aanvulling op de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 op ruime schaal beperkingen en voorschriften ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het onderhavige besluit op te nemen.
De voorschriften 1.3.1 en 1.3.2 hebben betrekking op het gebruik van dompelbaden, waarin met bestrijdingsmiddelen wordt gewerkt. Dit kan bij lekkage en onzorgvuldig gebruik tot bodemverontreiniging leiden. De voorschriften zijn gesteld om dat te voorkomen.
In voorschrift 1.3.3 is bepaald dat in geval van ruimtebehandeling ramen, deuren en ventilatie-openingen gedurende de behandeling gesloten dienen te zijn en dit dienen te blijven tot twee uur na de behandeling. Voor een toelichting op het begrip ruimtebehandeling kan worden verwezen naar de toelichting op de begrippen, die onder I in de bijlage zijn opgenomen. Het voorschrift is niet van toepassing bij het toedienen van een bestrijdingsmiddel, waarbij de vmd kleiner is dan 50 μm, maar waarbij de toediening in een beperkt deel van de kas plaatsvindt, zoals bij het gebruik van een spuitbus. Dit volgt uit de definitie van het begrip ruimtebehandeling, die is opgenomen in de bij het besluit behorende Bijlage I, onder I.
2.1. In toenemende mate vindt de opslag van vloeibare meststoffen plaats in grote opslageenheden. De grootte van de opslagvaten is afhankelijk van de omvang van het bedrijf, de behoefte aan mestgift en de bevoorradingsfrequentie. Uit een oogpunt van veiligheid en het voorkomen van lucht- en bodemverontreiniging is het van belang dat voor de bevoorrading en de opslag van deze stoffen regels worden gesteld.
Voorkomen moet worden dat verschillende stoffen, die bij vermenging aanleiding kunnen geven tot ontwikkeling van dampen, een explosie of iets dergelijks, met elkaar in contact kunnen komen. Derhalve dienen de ontluchtingsleidingen van de tanks voor zuur produkt in de vrije buitenlucht uit te monden (voorschrift 2.1.4).
Voorts bepaalt voorschrift 2.1.11 dat in de opvangbak een scheiding moet zijn aangebracht tussen de vaten die zijn bestemd voor de opslag van zuren en basen, teneinde te voorkomen dat deze produkten bij lekkage, overvullen of morsen vermengd kunnen raken. Verder zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot een goede aanduiding van de vulleidingen en maatregelen ter voorkoming van verkeerde aansluiting bij het bevoorraden. De in de amvb opgenomen voorschriften sluiten nauw aan bij de «Richtlijnen voor gebruik water- en mestinstallaties» (eerste druk, 1993) van de Stuurgroep «Water- en mestinstallaties». Deze stuurgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van het tuinbouwbedrijfsleven, verzekeringsmaatschappijen en installatiebedrijven.
Ingevolge voorschrift 2.1.17 dient een vulpunt tegen mechanische beschadigingen te zijn beschermd. Een dergelijke beschadiging kan bijvoorbeeld het gevolg van een aanrijding zijn.
2.3. De in deze paragraaf opgenomen voorschriften hebben uitsluitend betrekking op vaste meststoffen van dierlijke oorsprong en andere organische meststoffen en niet op kunstmeststoffen.
Opslagen van vaste meststoffen, die reeds aanwezig waren op het tijdstip van inwerkingtreding van deze amvb, moeten drie jaar na dat tijdstip op 100 m afstand van een object categorie I of op 50 m afstand van een object categorie II of III zijn gelegen. Aan deze afstandseisen behoeft niet te worden voldaan indien verplaatsing van een bestaande opslag redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien verplaatsing van de opslag niet mogelijk is wegens ruimtegebrek binnen een inrichting dan wel de opslag uit zodanig omvangrijke bouwkundige constructies bestaat dat verplaatsing daarvan onredelijk hoge kosten mee zou brengen. In een dergelijk geval kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de omvang van de opslag, het afdekken ervan en de frequentie van afvoer. Een minimale afstand van 25 m tot objecten categorie I, II of III blijft echter verplicht.
3. De voorschriften 3.1 t/m 3.4 hebben betrekking op de veiligheid en het deugdelijk functioneren van zuigermotoren. De emissie-eisen die voor deze zuigermotoren gelden, zijn gesteld in het BEES-B. Voor een toelichting op de verhouding tot dat besluit zij verwezen naar paragraaf 4.3, Verhouding tot enkele andere regelingen.
3.2. Uit een oogpunt van veiligheid, milieu en rendement is het van belang dat zuigermotoren en verwarmingsinstallaties goed worden afgesteld, bediend en onderhouden. Op grond van voorschrift 3.2.1 dient dan ook ten minste eenmaal per jaar onderhoud en afstelling plaats te vinden. Voorts dient er op grond van voorschrift 3.2.2 eenmaal per periode van twee jaar een controle plaats te vinden. Voor het installeren, in gebruik nemen, onderhouden en controleren van verwarmingsinstallaties is een erkenningsregelgeving in voorbereiding. Deze regeling geeft aan welke bepalingen hierbij gelden en welke instanties deze werkzaamheden mogen uitvoeren. Voor kleine verwarmingstoestellen bestaat nu reeds de Waarborgregeling REG 94. In het besluit is voor de interimperiode tot het van kracht worden van de hiervoor genoemde algemene erkenningsregeling bij de Waarborgregeling aangesloten. Verwacht wordt dat die regeling in de praktijk gedurende de tussenperiode voldoende kwaliteitsbescherming biedt.
Een bedrijf dat bij de regeling is aangesloten mag zowel het onderhoud als de controle van een toestel verrichten. Deze opzet is vergelijkbaar met die voor het onderhouden en keuren van auto's (apk).
4. De voorschriften onder 4.2 t/m 4.5 bevatten de eisen betreffende constructie, installatie, gebruik, controle en veiligheid van verwarmingsinstallaties en stookinstallaties met een gezamenlijke nominale belasting van meer dan 130 kW. De emissie-eisen zijn gesteld in BEES-B. Voor een toelichting op de verhouding tussen het onderhavige besluit en het BEES-B zij verwezen naar paragraaf 4.3, Verhouding tot enkele andere regelingen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het laatstgenoemde besluit niet geldt voor ketelinstallaties met een vermogen van minder dan 2,5 MW. Emissie-eisen voor stookinstallaties met een dergelijk klein vermogen zijn nog in voorbereiding. Het onderhavige besluit is niet van toepassing op tuinbouwbedrijven met bedekte teelt, waarin stookinstallaties worden gestookt met kolen of stookolie, met uitzondering van lichte stookolie. Dit is bepaald in artikel 1, eerste lid, onder a, 1° tot en met 3°, van het besluit. De controle van met aardgas te stoken toestellen is verplicht voor toestellen met een nominale belasting van 130 kW of meer (zie voorschrift 4.3). Verwezen zij naar de toelichting op voorschrift 3.2. Voorschrift 4.3.1 verplicht tot regelmatig onderhouden en afstellen van stooktoestellen. Op grond van voorschrift 4.4.1 moeten de wanden van de ruimte waarin een stooktoestel is geplaatst, aan de in de NEN aangegeven brandwerendheidseisen voldoen. Het komt voor dat een ketelinstallatie in een kas is geplaatst of dat een of meer wanden van de ketelruimte uit glas bestaan. Gelet op de afstanden tot omringende woningen, die bepalen of het bedrijf onder de amvb valt (artikel 1, derde en vierde lid), kan zo'n situatie worden geaccepteerd.
5.2. Veiligheidseisen voor stationaire opstelling van accumulatoren ten behoeve noodstroomvoorzieningen zijn opgenomen in zowel NEN 1010, uitgave 1962, als in NEN 1010, uitgave 1984. De eisen in NEN 1010, uitgave 1962, golden echter uitsluitend voor installaties met een gezamenlijke energie van meer dan 10 000 Vah. Voor installaties met een gezamenlijke energie van 10 000 Vah of minder was tot het verschijnen van NEN 1010, uitgave 1984, geen norm voorhanden. Daarom is in de onder 5.2 opgenomen voorschriften voor dergelijke kleinere installaties die zijn geplaatst vóór het van toepassing worden van NEN 1010, uitgave 1984, expliciet het doel voorgeschreven, namelijk het voorkomen van explosiegevaar.
6. De voorschriften in deze paragraaf zijn van toepassing op afvalstoffen, zoals bedrijfsafvalstoffen die naar aard en samenstelling overeenkomen met huishoudelijk afval, papierafval en leeg emballagemateriaal. Aan de voorschriften wordt voldaan indien afvalstoffen op normale wijze worden behandeld, bijvoorbeeld door opslag in vuilniszakken of containers en periodieke afvoer.
Op grond van artikel 10.27 van de Wet milieubeheer kan in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen bij provinciale verordening worden bepaald dat het verbranden van bedrijfsafvalstoffen, zoals snoeihout uit het eigen bedrijf, is verboden behoudens vergunning van gedeputeerde staten. Zolang echter bij provinciale verordening geen regels met betrekking tot het verbranden zijn gesteld, kan een gemeente bij verordening regels stellen met betrekking tot het verbranden van bedrijfsafvalstoffen die in de eigen inrichting zijn ontstaan.
Indien op grond van een gemeentelijke verordening de verbranding van bepaalde afvalstoffen, zoals snoeihout uit het eigen bedrijf, is toegestaan, staat het onderhavige besluit daaraan niet in de weg (voorschrift 6.1). Dit kan van belang zijn in gevallen waarin afvoer van met ziekten besmet materiaal van het bedrijf een probleem oplevert.
De regels die in de gemeentelijke verordening zijn gesteld, mogen niet in strijd zijn met hetgeen bij een provinciale verordening is bepaald. Derhalve kan aan een gemeentelijke verordening geen toestemming worden ontleend om afvalstoffen te verbranden, indien dit bij provinciale verordening is verboden.
In tuinbouwbedrijven met bedekte teelt kunnen afvalstoffen vrijkomen, die vallen onder het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen en die – gezien de hoeveelheid – worden aangeduid als klein chemisch afval. Dit afval dient gescheiden van andere afvalstoffen periodiek uit de inrichting te worden afgevoerd. Provincies hebben één of meer inzamelbedrijven aangewezen, die verplicht zijn het klein chemisch afval op afroep binnen redelijke termijn op te halen. Dikwijls zal er in de gemeente waarin het bedrijf is gelegen, een depot zijn, waarheen het klein chemisch afval kan worden gebracht. Voorschrift 6.2 is niet van toepassing op produkten die tijdens de teelt zijn toegepast op de bodem en na afloop van de teelt een geheel met de bodem vormen, zoals organische meststoffen.
7. Het onder bepaalde condities recirculeren van overtollig drainwater bij substraatteelt wordt niet beschouwd als een lozing in de bodem met het oog op het zich ontdoen van die waterstroom. Dit betekent dat het Lozingenbesluit bodembescherming daarop niet van toepassing is. Voor een toelichting op de verhouding van het onderhavige besluit tot het Lozingenbesluit bodembescherming zij verwezen naar paragraaf 4.1.2, Lozingenbesluit bodembescherming. Op het recirculeren van overtollig drainwater bij substraatteelt zijn wel de voorschriften 7.1 tot en met 7.6 van toepassing.
In voorschrift 7.4 is bepaald dat de hoeveelheid drainwater op een representatief aantal plaatsen moet worden gemeten. Het aantal meetplaatsen is afhankelijk van de oppervlakte die het bedrijf beslaat. Als richtlijn kan worden gehanteerd dat 1 meting wordt verricht per kwart hectare.
Het bewaren en composteren van afgedragen gewas en ander plantaardig afval alsmede het bewaren van vaste meststoffen (zowel dierlijke meststoffen als andere organische meststoffen) en van gebruikt substraatmateriaal dient plaats te vinden op een vloeistofdichte ondergrond, zodat mestvocht en verontreinigd percolatiewater niet in de bodem kan geraken, hetgeen op den duur kan leiden tot een lokale bodemverontreiniging. Voor de afvoer van het opgevangen vocht gelden de regels van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en het Lozingenbesluit bodembescherming. Indien met het oog daarop (tussentijdse) opslag nodig is, dient dit te geschieden in een vloeistofdichte opslagruimte.
Op het lozen in de bodem van afvalwater is het Lozingenbesluit bodembescherming van toepassing.
8.1. In dit voorschrift is bepaald dat het toelaatbare equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door vast opgestelde toestellen en installaties, niet meer mag bedragen dan het referentieniveau ter plaatsen. Indien het referentieniveau meer bedraagt dan 50 dB(A) gedurende de dagperiode, geldt voor die periode echter een maximaal toelaatbaar equivalente geluidsniveau van 50dB(A). Is het referentieniveau gedurende de dagperiode daarentegen lager dan 40dB(A) dan mag voor die periode het equivalente geluidsniveau ten hoogste 40dB(A) bedragen. Bepalingen van een zelfde strekking zijn vastgesteld voor de avond- en de nachtperiode. Een indicatie van de referentieniveaus, en daarmee van de toelaatbare equivalente geluidsniveaus, die in bepaalde omgevingen veelal aanwezig zijn, kan worden verkregen uit de onderstaande tabel.
Toelaatbare equivalente geluidsniveaus in de woonomgeving in dB(A)
| Aard van de woonomgeving | dag | avond | nacht |
|---|---|---|---|
| 1. Landelijke omgeving (herstellingsoorden, stille recreatie) | 40 | 35 | 30 |
| 2. Rustige woonwijk, weinig verkeer | 45 | 40 | 35 |
| 3. Woonwijk in de stad | 50 | 45 | 40 |
Onder woningen van derden worden ook huurwoningen verstaan, waarvan de eigenaar tevens degene is die de inrichting drijft.
Als geluidgevoelige bestemmingen kunnen onder meer worden aangemerkt: gebouwen ten behoeve van basis-, en voortgezet onderwijs (met uitzondering van gymnastieklokalen), bejaardenoorden, algemene, categoriale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, gebouwen voor sociaal-cultureel of maatschappelijk gebruik (met uitzondering van horeca-inrichtingen), algemene en categoriale psychiatrische ziekenhuizen, zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen voor zintuigelijk gehandicapten, medische kindertehuizen, medische kleuterdagverblijven en sanatoria.
8.2. Dit voorschrift geldt alleen voor inrichtingen die reeds zijn opgericht vóór de datum waarop dit besluit op die inrichtingen van toepassing wordt. Voorschrift 8.1 is in dat geval niet van toepassing. Voor bedoelde inrichtingen geldt in ieder geval een maximaal toelaatbaar equivalent geluidsniveau van 55 dB(A) gedurende de dagperiode, 50 dB(A) gedurende de avondperiode en 45 dB(A) gedurende de nachtperiode. In voorschrift 8.2 is een speciale regeling opgenomen met betrekking tot inrichtingen waarvoor in het verleden een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, waaraan ter beperking van geluidhinder voorschriften zijn verbonden die strenger zijn dan de in het voorgaande genoemde geluidsniveaus. De bedoeling van deze regeling is te voorkomen dat voorschrift 8.2 voor die inrichtingen een verruiming van het toegestane geluidsniveau zou meebrengen. De inrichtingen moeten blijven voldoen aan het equivalente geluidsniveau dat in de vergunning is vastgelegd of dat kan worden bereikt met de akoestische voorzieningen en gedragsregels, die in de vergunning zijn voorgeschreven. Gedragsregels als hier bedoeld, kunnen onder meer een verbod inhouden om gedurende de avond- en de nachtperiode bepaalde werkzaamheden uit te voeren of verplichten tot het gesloten houden van ramen en deuren.
Tenslotte geeft het voorschrift het bevoegd gezag de mogelijkheid om nadere eisen te stellen ten aanzien van het toelaatbare equivalente geluidsniveau. Hierdoor kan inhoud worden gegeven aan het streven om reeds opgerichte inrichtingen zoveel mogelijk te laten voldoen aan de huidige inzichten met betrekking tot het voorkomen van geluidhinder en daarmee aan de voorschriften die gelden voor inrichtingen die nog moeten worden opgericht. De bij nadere eis aangegeven toelaatbare geluidsniveaus moeten onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen geluidsoverlast en moeten redelijkerwijs kunnen worden gesteld.
8.3. In bedrijven waar niet het systeem van substraat-teelt wordt toegepast maar waar in de grond wordt geteeld, moet op gezette tijden ontsmetting van de grond plaatsvinden. Dit geschiedt door de grond te stomen. In een aantal gevallen gebeurt dat met behulp van de eigen ketelinstallatie. In gevallen waarin die installatie daar niet geschikt voor is, wordt het stomen uitgevoerd door specialistische grondstoombedrijven. Deze bedrijven plaatsen tijdelijk een mobiele installatie bij het tuinbouwbedrijf. Indien zich hierbij geluidproblemen voordoen kan de gemeente, met inachtneming van de tijdelijkheid van de werkzaamheden, nadere eisen stellen.
8.4. Deze voorschriften zijn zowel van toepassing op reeds opgerichte inrichtingen als op nog op te richten inrichtingen. De voorschriften zijn bedoeld als aanvulling op de voorschriften 8.1 en 8.2.
8.5. In de praktijk blijken bij het lossen overdag (tussen 06.00 en 19.00 uur) overschrijdingen van de piekwaarde niet tot hinder te leiden. Daarnaast is er een ontwikkeling dat produkten door specifiek daarvoor opgerichte vervoersbedrijven van het tuindersbedrijf naar de veilingen worden vervoerd. Deze ontwikkeling is mede op gang gebracht ter voorkoming van het grote aantal transportbewegingen, dat met name in de concentratiegebieden van glastuinbouwbedrijven tot grote problemen leidt. Door de afvoer gebundeld te doen plaatsvinden door specialistische vervoerders in plaats van door elke kweker zelf, neemt het aantal transportbewegingen af. Voor een deel vindt deze afvoer plaats in de avond- en nachturen, waardoor het overige verkeer wordt ontlast. Deze vorm van afvoer staat bekend onder de benaming groepsvervoer. De groepsvervoerder moet toestemming hebben om produkten van tuinders op de veiling af te leveren. Zodoende is er zicht en controle op het groepsvervoer. In zijn algemeenheid is dit in de concentratiegebieden een positieve ontwikkeling. Voorschrift 8.3 bepaalt dan ook dat de piekwaarden niet gelden voor het eenmalig laden en lossen in de avond- en nachturen ten behoeve van de afvoer van de veilingprodukten indien deze afvoer door middel van groepsvervoer plaatsvindt.
Indien gedurende de avond- en nachturen de in voorschrift 8.3 genoemde piekwaarden worden overschreden tengevolge van laden en lossen dat niet éénmaal per nacht plaatsvindt ten behoeve van groepsvervoer, en zich hierdoor overlast voor omwonenden voordoet, kan het bevoegd gezag met betrekking tot het laden en lossen nadere eisen stellen.
8.7. In dit voorschrift is aangegeven op welke wijze de controle of de berekening van de in de voorschriften 8.1, 8.2 en 8.3 vastgelegde geluidsniveaus moet plaatsvinden. Bij controle zal meestal kunnen worden volstaan met de methode van directe meting, waarbij met een eenvoudige geluidmeter snel een betrouwbare meting kan worden uitgevoerd. Deze methode voor metingen in de buitenlucht is in de genoemde handleiding aangeduid als meetmethode A1.
Muziekgeluid moet in principe worden gemeten volgens methode B1 van genoemde handleiding. In eenvoudige gevallen kan echter worden volstaan met methode A1. Dit geldt ook voor die situaties waarbij klachten het vermoeden rechtvaardigen dat de inrichting de toegestane geluidniveaus overschrijdt.
Overigens is het de eigen verantwoordelijkheid van degene die de inrichting drijft, om voorafgaande aan het oprichten en tijdens het in werking hebben van de inrichting geluidmetingen uit te voeren of te laten uitvoeren, teneinde voor zichzelf te kunnen nagaan of aan de in de voorschriften gestelde geluidsniveaus wordt voldaan. Uiteraard kan ook het bevoegd gezag bij het toezicht op de naleving van de voorschriften geluidmetingen uitvoeren en bij overtreding daarvan sancties opleggen.
8.8. In de praktijk kunnen situaties voorkomen, waarin het uitvoeren van een directe meting ter plaatse van woningen (het immissiepunt) niet mogelijk is.
Het bevoegd gezag kan door middel van het stellen van nadere eisen een ander punt (het referentiepunt) aanwijzen waar de meting moet worden uitgevoerd. Uit de resultaten van deze meting kan door middel van bijvoorbeeld extrapolatie het niveau op het immissiepunt worden berekend. Deze methode is beschreven in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai». Andersom kan, uitgaande van de niveaus bij het immissiepunt, berekend worden welke waarden bij het referentiepunt niet mogen worden overschreden. Bij het stellen van nadere eisen kan het bevoegd gezag tevens de bij het referentiepunt toegestane niveaus vastleggen.
8.9. De op grond van dit voorschrift te stellen nadere eisen maken het voor het bevoegd gezag mogelijk om het treffen van akoestische voorzieningen verplicht te stellen en gedragsregels op te leggen, die nodig zijn om aan de voorschriften 8.1 tot en met 8.4 en 8.6 te voldoen. Voor het stellen van zodanige nadere eisen is alleen in uitzonderingsgevallen aanleiding indien de lokale situatie dat noodzakelijk maakt. Indien degene die de inrichting drijft, in overleg met het bevoegd gezag nagaat op welke wijze het beste aan de voorschriften kan worden voldaan, is het niet noodzakelijk de resultaten van dit overleg te formaliseren door het stellen van nadere eisen. Het stellen van nadere eisen kan met name uitkomst bieden indien de inrichting regelmatig geluidsoverlast blijkt te veroorzaken. Door deze nadere eisen kunnen de in de voorschriften voorgeschreven maximale geluidsniveaus worden vertaald in concrete middelen waarmee aan de voorschriften wordt voldaan. Het achterwege laten van nadere eisen laat uiteraard onverlet dat degene die de inrichting drijft, moet voldoen aan de voorschriften.
Het aangeven van de toe te passen middelen kan tevens de controle van de voorschriften eenvoudiger te maken, in het bijzonder indien relatief eenvoudige middelen moeten worden toegepast om aan de voorschriften te voldoen. Een controle op het niet juist functioneren van akoestische voorzieningen of op het niet in acht nemen van bepaalde gedragsregels kan doelmatiger zijn dan het uitvoeren van geluidmetingen.
9. Voor een algemene toelichting op de onder 9 opgenomen voorschriften zij verwezen naar paragraaf 2.5, Assimilatiebelichting
9.1. Voorschrift 9.1 houdt in dat aan de gevel of binnen 10 meter van de gevel van een verlichte kas een zodanige voorziening dient te zijn aangebracht dan wel aanwezig dient te zijn, dat 95 % van de horizontale lichtuitstraling via die gevel wordt gereduceerd en vanuit de omgeving geen direct zicht op de belichtingslampen bestaat. Op deze wijze kan de ondernemer kiezen uit de verschillende technische mogelijkheden die voorhanden zijn, en is ruimte gelaten voor nieuwe ontwikkelingen op dit punt. In de meeste gevallen wordt lichtuitstraling via de zijgevel afgeschermd door het aanbrengen van een gevelscherm. Voorschrift 9.1 schrijft dit echter niet voor. Een andere wijze van afscherming binnen een afstand van tien meter tot de gevel is ook toegestaan. Hierdoor wordt vermeden dat ook een gevelscherm moet worden aangebracht indien reeds een andere afscherming aanwezig is die voldoende lichtreductie teweegbrengt, zoals een blinde muur of een dichte bomenrij. Evenmin behoeft een gevelscherm te worden aangebracht indien op korte afstand van een gevel van een belichte kas een andere al of niet belichte kas aanwezig is, waardoor verdere lichtuitstraling naar de omgeving zodanig wordt belemmerd dat aan het gestelde reductievereiste van 95% wordt voldaan. Indien hiervan naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen, inhoudende dat de gevel niet of slechts gedeeltelijk behoeft te worden afgeschermd. Indien het bevoegd gezag van mening is dat de alternatieve afscherming onvoldoende is, kan door het opleggen van nadere eisen afscherming aan de gevel worden voorgeschreven. Voor de kwaliteitsborging en standaard-meetmethoden van schermmaterialen wordt verwezen naar de Nationale Beoordelingsrichtlijn (uitgave van Intron, Houten, 1994).
Een standaardmeetmethode voor de beoordeling van de effectiviteit van de in voorschrift 9.1 bedoelde voorziening, met inbegrip van de constructie, de wijze van aanbrengen, eventuele kieren e.d., is (nog) niet voorhanden. Het gaat in dit verband om het vaststellen van het relatieve effect van een zijgevelafscherming, d.w.z. de hoeveelheid licht die de kas via de zijgevel verlaat in de situatie waarin de zijgevelafscherming functioneert, in verhouding tot de hoeveelheid licht die de zijgevel verlaat zonder dat een dergelijke voorziening in functie is. De meting met en zonder scherm dient dus met dezelfde lichtcel op dezelfde plaats te geschieden. Om invloeden van andere bronnen zoveel mogelijk te voorkomen dient het meetvlak van de lichtcel verticaal, gericht naar de gevel te worden geplaatst. Afhankelijk van de plaatselijke situatie wordt geadviseerd te meten op een positie tussen 1 en 10 meter van de gevel, met dien verstande dat de metingen in beide situaties, d.w.z. met en zonder functionerend scherm, op dezelfde positie moeten worden verricht. Over de lengte van de gevel dient op een representatief aantal plekken te worden gemeten, waarbij ook wordt gekeken naar de aard en de omvang van kieren in het scherm. Op grond van de huidige inzichten kan worden aangenomen dat van een effectief scherm sprake is als het gemiddelde van de metingen op 95% lichtreductie uitkomt en geen waarden onder de 90% worden gemeten.
9.3. Voorschrift 9.3 houdt in dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen ten aanzien van de (methode van) gevelafscherming indien in een kas bij de inwerkingtreding van dit besluit reeds assimilatiebelichting wordt toegepast. In een dergelijke situatie kan het bijvoorbeeld voorkomen dat aan de gevel verwarmingspijpen zijn aangebracht, zodat afschermvoorzieningen niet (zonder meer) kunnen worden aangebracht. De nadere eisen kunnen dan inhouden dat bepaalde voorzieningen aan de buitenzijde van de kas worden aangebracht. Indien dergelijke mogelijkheden niet voorhanden of toepasbaar zijn, dient, door het aanbrengen van zijafscherming mogelijk te worden gemaakt door bouwkundige aanpassing van de kas. Indien ook dit niet mogelijk is of achterwege blijft, is het toepassen van kunstlicht in de desbetreffende kas na afloop van een periode van drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit niet meer toegestaan.
9.5. Voorschrift 9.5 bepaalt dat de zijgevelafscherming moet functioneren gedurende de periode van zonsondergang tot zonsopkomst. In een aantal bijzondere situaties kan het voorkomen dat hinder wordt ondervonden gedurende andere uren van de dag, waarop de lampen branden. Het kan hierbij gaan om gevallen waarin een of meer woningen op korte afstand van de kas zijn gelegen. Voor die gevallen kan de gemeente door middel van het stellen van nadere eisen verplichten dat de zijgevelafscherming tijdens het in bedrijf zijn van de assimilatiebelichting in werking moet zijn.
9.6. Het aanbrengen van afschermvoorzieningen aan de bovenzijde van de kas is een veel complexere zaak.
Zoals eerder is aangegeven draagt het licht dat via het bovendek uittreedt, bij aan de lichtsterkte die in de omgeving wordt waargenomen (en die mede wordt beïnvloed door andere lichtbronnen en door de weersomstandigheden). Dit via het bovendek uittredende licht kan oorzaak zijn van een op afstand boven die kas waar te nemen lichtgloed. Uit onderzoek van het TNO blijkt dat hinder die wordt veroorzaakt door via het bovendek uitgestraald licht, bestaat uit het tegen een donkere hemel waarnemen van een lichtgloed. Dit is een andere vorm van hinder dan directe hinder in en nabij een woning, die wordt veroorzaakt door een op korte afstand van de woning gelegen lichtbron waardoor die woning direct wordt aangestraald.
Daarnaast doen zich bij het aanbrengen van bovenafscherming in een van assimilatiebelichting voorziene kas verschillende problemen voor. Het aanbrengen van bovenafscherming is in technische zin aanzienlijk ingewikkelder dan het aanbrengen van zijafscherming, doordat de aan te brengen voorziening gedurende de daguren volledig moet kunnen worden weggeschoven om het daglicht met zo min mogelijke schaduwwerking in de kas toe te laten. Voorts moet er in de bovenzijde van de kas, boven de belichtingslampen, ruimte aanwezig zijn om afschermvoorzieningen aan te brengen. In een bestaande kas kan dit tot problemen leiden. Voorts is een constante vocht- en temperatuurregulatie in de kas voor de meeste gewassen uit teelttechnische overwegingen van vitaal belang. Om een afdoende reductie van de lichtuitstraling te realiseren is een afscherming van, naar schatting, ten minste 95% noodzakelijk. Bij een dergelijke afsluiting kunnen zich bij bepaalde gewassen min of meer ernstige groeiproblemen voordoen. Nader onderzoek naar dit verschijnsel is inmiddels gestart. Hierbij wordt onder meer nagegaan of er afschermvoorzieningen en methodieken zijn, die onder verschillende omstandigheden voldoende ventilatie waarborgen. Nadat dit onderzoek de benodigde duidelijkheid heeft verschaft, kan er nadere besluitvorming omtrent de bovenafscherming plaatsvinden. Een ander bezwaar van bovenafdichting is dat met het aanbrengen daarvan hoge kosten zijn gemoeid. Voordat tot definitieve besluitvorming inzake de wenselijkheid van regulering kan worden overgegaan, is nader onderzoek en overleg nodig. Uitgangspunt bij de besluitvorming is dat evenwicht wordt bereikt tussen enerzijds de milieu- en natuurbelangen en anderzijds de tuindersbelangen, waarbij de technische, teelttechnische en economische aspecten van verticale lichtuitstraling uit de kassen bijzondere aandacht verdienen. Normstelling en meetmethodiek zullen hierbij een belangrijke rol spelen.
In voorschrift 9.6 is als algemene eis gesteld dat in de periode van 1 september tot 1 mei tussen 20.00 en 24.00 uur geen assimilatiebelichting mag worden toegepast (donkerperiode). Dit betekent een aanzienlijke verbetering gedurende de meest kwetsbare periode van de avond en de nacht, waarin de invloed op het woon- en leefklimaat het grootst is. Verstoring van de nachtrust, tengevolge van bedoelde indirecte verticale lichtuitstraling, is bij het hinderonderzoek niet aangetoond. Evenmin is er gezondheidsschade aangetoond. Daarom is het verbod om assimilatiebelichting toe te passen beperkt tot 24 uur.
In bepaalde situaties kan een uniforme donkerperiode problemen opleveren. Dit kan het geval zijn voor planten-opkweekbedrijven, waar een 24-uurs belichting noodzakelijk is. Dit kan ook het geval zijn bij bedrijven waar de warmte-krachtkoppelingsinstallatie een zodanige capaciteit heeft dat de verschillende onderdelen van het bedrijf opeenvolgend belicht worden, zodat gedurende de gehele avond en nacht in het bedrijf belichting plaatsvindt. Ook aansluitcontracten met het energiebedrijf kunnen belemmerend zijn voor flexibiliteit. Voorschrift 9.6 geeft het bevoegd gezag voor dergelijke gevallen de bevoegdheid op de situatie afgestemde nadere eisen te stellen. Voor bestaande situaties kan in de beschikking waarin nadere eisen zijn gesteld, een termijn worden opgenomen, waarna aan de eisen moet zijn voldaan.
10.4. Bij het laden van accumulatorenbatterijen komen waterstofgas en zuurstof vrij (het zogenaamde knalgas). Om een ruimte-explosie te voorkomen, moet ventilatie aanwezig zijn en mogen er geen potentiële ontstekingsbronnen zijn.
12.1. In dit voorschrift worden de Model Aansluitvoorwaarden Gas 1994 van de Vereniging van Energiedistributiebedrijven in Nederland (EnergieNed) van toepassing verklaard.
Indien het plaatselijke gasleveringsbedrijf hiervan afwijkende bepalingen hanteert, kunnen deze bepalingen in het kader van de Wet milieubeheer niet worden toegepast. Er zij op gewezen dat op grond van de Model Aansluitvoorwaarden Gas 1994 gasdrukregel- en meetinstallaties moeten voldoen aan de Richtlijnen gasdrukregelen meetstations, uitgegeven door het Directoraat-Generaal van de Arbeid.
13.2. Onder «ongewenste insekten» worden uiteraard geen insekten verstaan insekten die ter bestrijding van ongedierte worden ingezet.
16. Er is van chemicaliën sprake indien op de verpakking van de stoffen een gevaarsaanduiding verplicht is. Voor bestrijdingsmiddelen geldt overigens een apart regime, waarin ook een gevaarsaanduiding verplicht wordt gesteld.
18. De opslag van zuivere, vloeibare CO2 dient uit een oogpunt van veiligheid te voldoen aan een aantal voorschriften. Voorkomen moet worden dat bij de bevoorrading, de bewaring en het gebruik onbedoeld en ongecontroleerd CO2 in de lucht kan vrijkomen of dat zich door verhoging van de druk een explosie kan voordoen. De in het besluit opgenomen voorschriften zijn gelijk aan de eisen die erkende leveranciers van CO2 en CO2-installaties hanteren.
Bij de deugdelijke meetapparatuur die wordt bedoeld in voorschrift 18.17, kan worden gedacht aan een vloeistofstandaanwijzer, weeginrichting, vloeistofkolommeting middels drukverschil of een maximum vulafsluiter.
19. Voor het bewaren van gasolie, lichte stookolie, dieselolie en andere K-3 produkten is een richtlijn van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR) in ontwikkeling. De totstandkomingsprocedure van deze richtlijn is ver gevorderd en de inhoud van het meest recente concept wordt algemeen onderschreven. Daarom kan in het onderhavige besluit reeds naar dat concept worden verwezen. Ook dubbelwandige tanks met een inhoud van ten hoogste 10 000 liter kunnen worden toegestaan, mits aan bepaalde voorschriften is voldaan. Gezien de geringe hoeveelheid petroleum waarop dit besluit van toepassing is, worden de voorschriften uit de richtlijn CPR 9–6 voor de bewaring hiervan voldoende geacht, ook al is er sprake van een K-2 produkt.
20.3. Bij een schok als in dit voorschrift bedoeld, kan worden gedacht aan een schok ten gevolge van vallen.
22. Bij het toepassen van CFK's, HCFK's en HFK's als koel- of vriesmedium dient te worden voldaan aan het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten. Verwezen zij naar paragraaf 4.3, Verhouding tot enkele andere regelingen. Op het gebruik van ammoniak als koelmedium is de richtlijn CPR-13 van overeenkomstige toepassing.
23. Voor de teelt van eetbare paddestoelen gelden, naast de relevante voorschriften 1 tot en met 22, enkele specifieke voorschriften, die zijn vermeld onder 23.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer
Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 april 1996, nr. 69.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-168.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.