Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatsblad 1996, 158 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatsblad 1996, 158 | AMvB |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 februari 1995, nr. MJZ 01295057, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op artikel 15.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 31 juli 1995, nr. W08.95.0050);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 februari 1996, nr. MJZ 96010285, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. programma: door Onze Minister vast te stellen samenhangend geheel van doelstellingen en soorten activiteiten in het kader waarvan krachtens dit besluit een bijdrage kan worden verstrekt;
b. aanvrager: natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet behorende tot een overheid, die een bijdrage op grond van dit besluit aanvraagt of heeft aangevraagd;
c. kennisoverdracht: verwerving of vergroting van de kennis op het gebied van het milieu en vergroting van het bewustzijn op dit gebied en niet liggend op het gebied van milieutechnologie.
Bijdragen worden slechts verleend nadat is komen vast te staan dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen de desbetreffende bijdragen niet onverenigbaar acht met de gemeenschappelijke markt.
1. Onze Minister maakt ieder kalenderjaar uiterlijk op 1 maart in de Staatscourant bekend:
a. het totale bedrag dat in dat jaar beschikbaar is voor verlening van bijdragen op grond van dit besluit;
b. een uitsplitsing van het totale bedrag in bedragen die in dat jaar beschikbaar zijn voor verlening van bijdragen op grond van dit besluit, per programma of onderdeel daarvan;
c. programma's of de zakelijke inhoud daarvan, in het kader waarvan met toepassing van dit besluit een bijdrage kan worden verleend.
2. Bij de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden in elk geval de volgende gegevens vermeld:
a. een aanduiding van het programma;
b. een omschrijving van het doel van het programma;
c. het postadres waar aanvragen moeten worden ingediend;
d. de aanvraagprocedure en de termijn waarbinnen de aanvragen ingediend moeten worden.
3. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde bedragen jaarlijks voor 1 november wijzigen. Zodanige wijziging wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. Deze bekendmaking heeft geen gevolgen voor aanvragen die op het tijdstip van de bekendmaking waren ingediend.
4. Indien het bedrag dat voor enig kalenderjaar voor een programma beschikbaar is gesteld in dat jaar is uitgeput, maakt Onze Minister onverwijld in de Staatscourant bekend dat voor het desbetreffende kalenderjaar geen aanvragen meer op grond van dat programma kunnen worden ingediend.
Voor een bijdrage komen niet in aanmerking de kosten waarvoor uit anderen hoofde vanwege de Staat of een ander openbaar lichaam of de Commissie van de Europese Gemeenschappen een bijdrage kan worden verleend.
1. Onze Minister kan aan een aanvrager een bijdrage verlenen voor activiteiten, die betrekking hebben op de internationale samenwerking op het gebied van het milieubeheer.
2. Voor een bijdrage als bedoeld in het eerste lid kunnen onder meer in aanmerking komen:
a. activiteiten, die een bijdrage leveren aan:
1°. het in de Notitie inzake het beleid met betrekking tot de milieusamenwerking met Centraal- en Oost-Europa (Kamerstukken II 1990/91, 21 800 XI, nr. 39) geformuleerde beleid;
2°. de doelstellingen van het bilaterale samenwerkingsbeleid;
3°. het mondiale milieubeleid;
4°. het beleid op het terrein van de Europese Unie;
5°. het beleid op het terrein van de Organisatie van Europese Samenwerking en Ontwikkeling; of
6°. het internationale waterbeleid;
b. reis- en verblijfskosten ;
c. activiteiten van internationale organisaties.
1. Onze Minister kan aan een aanvrager een bijdrage verlenen voor activiteiten met als doel kennisoverdracht.
2. Voor een bijdrage als bedoeld in het eerste lid kunnen onder meer in aanmerking komen:
a. congressen, symposia en workshops;
b. cursussen;
c. voorlichtingsbijeenkomsten;
d. publikaties;
e. uitwisselingsprojecten.
1. Onze Minister kan aan een aanvrager een bijdrage verlenen voor activiteiten, die de uitvoering van het in het Tweede Nationaal Milieubeleidsplan (Kamerstukken II 1993/94, 23 560, nr. 2) neergelegde beleid ten aanzien van de onderscheiden doelgroepen en de samenwerking met deze doelgroepen naar zijn oordeel in belangrijke mate bevorderen.
2. De bijdragen op grond van het eerste lid kunnen slechts ten goede komen van organisaties die een algemeen of collectief belang vertegenwoordigen.
Onze Minister kan aan een aanvrager een bijdrage verlenen voor activiteiten die het door hem gevoerde afvalstoffenbeleid ondersteunen.
1. De aanvraag om een bijdrage wordt ingediend voor het tijdstip waarop de activiteiten zullen aanvangen.
2. Aan degene die de aanvraag heeft ingediend wordt onverwijld een bericht van ontvangst toegezonden, waarin de datum van ontvangst wordt vermeld.
1. De aanvraag van een bijdrage gaat in ieder geval vergezeld van:
a. een begroting van kosten en financiering van de activiteiten waarvoor een aanvraag wordt ingediend;
b. een beschrijving van de activiteiten waarbij in het bijzonder wordt aangegeven in hoeverre deze een passende stimulans vormen voor het gevoerde milieubeleid, en een tijdsplanning daarvoor.
2. Onze Minister kan nadere regelen stellen omtrent de gegevens die bij de aanvraag dienen te worden verstrekt. Deze regelen kunnen betrekking hebben op één of meer programma's of onderdelen daarvan.
1. Onze Minister geeft de beschikking op de aanvraag om een bijdrage binnen vier maanden nadat de aanvraag is ontvangen.
2. De in het eerste lid bedoelde termijn wordt opgeschort gedurende de periode dat de beslissing op de aanvraag moet worden aangehouden op grond van artikel 15.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
1. De beschikking tot verlening van een bijdrage vermeldt het bedrag van de bijdrage en de wijze waarop de hoogte van dit bedrag is bepaald.
2. Aan een beschikking tot verlening van een bijdrage worden de in de artikelen 14 tot en met 16 genoemde voorschriften verbonden en kunnen voorts andere voorschriften worden verbonden.
Onze Minister weigert de bijdrage indien:
a. het bedrag dat in het betreffende kalenderjaar voor de programma's of onderdelen daarvan beschikbaar is door het totaal van de voorafgaande bijdrageverleningen is overschreden, dan wel dat bedrag door verlening van de gevraagde bijdrage zou worden overschreden;
b. indien de aanvrager in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een andere beslissing op de aanvraag zou hebben geleid;
c. niet wordt gehandeld in overeenstemming met artikel 15.17 van de Wet milieubeheer;
d. gegronde reden bestaat aan te nemen dat de aanvrager niet zal voldoen aan de voorschriften, bedoeld in artikel 12, tweede lid;
e. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager in staat zal zijn de activiteiten volledig uit te voeren.
De aanvrager dient:
a. de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de door hem verstrekte gegevens, tenzij Onze Minister voorafgaand schriftelijk toestemming heeft gegeven daarvan af te wijken;
b. een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige wijze de kosten en de financieringswijze van de activiteiten waarvoor een bijdrage is verleend, kunnen worden afgelezen en
c. indien de activiteiten zich over meer dan één kalenderjaar uitstrekken, éénmaal per kalenderjaar aan Onze Minister een schriftelijk verslag over te leggen omtrent de voortgang van de activiteiten waarvoor een bijdrage is verleend.
De aanvrager stelt Onze Minister onverwijld schriftelijk in kennis indien:
a. een verzoek als bedoeld in artikel 15.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt ingediend;
b. de activiteiten definitief zijn stopgezet of niet worden aangevangen.
1. De aanvrager zendt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop de activiteiten zijn voltooid, aan Onze Minister:
a. een schriftelijk verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteiten waarvoor de bijdrage is verleend;
b. een financieel verslag omtrent de wijze waarop de verleende bijdrage is besteed.
2. Indien het maximum bedrag van een bijdrage meer bedraagt dan f 100 000,– (exclusief BTW) gaat het financieel verslag vergezeld van een verklaring, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, afgegeven na een toetsing van de wijze van besteding van de bijdrage aan dit besluit.
Binnen dertien weken na ontvangst van de in artikel 16, eerste lid, genoemde verslagen stelt Onze Minister de bijdrage vast met inachtneming van hetgeen bij de beschikking op de aanvraag om de bijdrage of bij een beschikking houdende gedeeltelijke intrekking van die beschikking is bepaald.
1. De beschikking houdende vaststelling van een bijdrage vermeldt het bedrag van de bijdrage.
2. De beschikking vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen het bedrag van de bijdrage wordt betaald.
1. Indien een beschikking op de aanvraag om een bijdrage geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken voordat de bijdrage is vastgesteld, werkt deze intrekking terug tot en met het tijdstip waarop de bijdrage is verleend, tenzij bij de intrekking anders is bepaald.
2. Onze Minister kan een beschikking houdende vaststelling van een bijdrage intrekken of ten nadele van de aanvrager wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de bijdragevaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de bijdrage lager dan overeenkomstig de bijdrageverlening zou zijn vastgesteld;
b. indien de bijdragevaststelling onjuist was en de aanvrager dit wist of behoorde te weten, of
c. indien de aanvrager na de bijdragevaststelling in strijd handelt met ingevolge dit besluit geldende verplichtingen of niet handelt in overeenstemming met artikel 15.17 van de Wet milieubeheer.
3. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de bijdrage is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
4. De bijdragevaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de aanvrager worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.
1. Op verzoek van de aanvrager kan Onze Minister op basis van declaraties van voor de activiteiten gemaakte kosten, voorschotten verstrekken tot ten hoogste 80% van de verleende bijdrage. Het verzoek kan deel uitmaken van de aanvraag om een bijdrage.
2. In afwijking van het eerste lid, kan Onze Minister voorschotten verstrekken anders dan op basis van in dat lid bedoelde declaraties, tot ten hoogste 100% van de verleende bijdrage:
a. aan intergouvernementele organisaties;
b. indien dat noodzakelijk is voor de financiering van de activiteiten.
3. Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, gaat vergezeld van een prognose van de liquiditeitsbehoefte, welke een kwartaalsgewijze indeling bevat.
4. Een beschikking tot verstrekking van voorschotten vermeldt de termijnen waarbinnen de voorschotten worden uitbetaald. Aan de beschikking kunnen voorschriften worden verbonden.
5. Onze Minister kan het verstrekken van voorschotten opschorten dan wel stopzetten, indien een aanvrager handelt in strijd met ingevolge dit besluit geldende verplichtingen of niet handelt in overeenstemming met artikel 15.17 van de Wet milieubeheer.
Voorschotten als bedoeld in artikel 20 worden niet verstrekt:
a. indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend, totdat op dat verzoek is beslist, dan wel indien surséance van betaling wordt verleend, totdat een maand na de beëindiging van de surséance van betaling is verstreken;
b. vanaf het tijdstip waarop een mededeling is ontvangen als bedoeld in artikel 15, aanhef en onderdeel b, dan wel anderszins bekend is dat de activiteiten definitief zijn stopgezet of niet worden aangevangen.
De bijdrage wordt betaald overeenkomstig de beschikking houdende vaststelling van de bijdrage onder verrekening van reeds betaalde voorschotten.
Indien het bedrag van de betaalde voorschotten het bedrag van de vastgestelde bijdrage te boven gaat wordt het saldo teruggevorderd.
De Regeling diverse bijdragen milieubeheer 1995 wordt ingetrokken behoudens met betrekking tot voor de inwerkingtreding van dit besluit ingediende aanvragen om een bijdrage, waarop nog niet onherroepelijk is beslist.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnootDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer
Uitgegeven de veertiende maart 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Wettelijke basis voor bijdragen
Op 1 juli 1992 is een gewijzigd Hoofdstuk financiële bepalingen van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne in werking getreden. Hiermee is een wettelijke grondslag geschapen voor de verlening van bijdragen op het gebied van het milieubeheer ten laste van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het gaat hierbij, na inwerkingtreding van de Wet milieubeheer, die de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne heeft vervangen, om de artikelen 15.12 tot en met 15.19 van die wet. Artikel 15.15 bepaalt dat slechts bijdragen worden verleend aan niet-overheden op basis van een algemene maatregel van bestuur of in bepaalde gevallen op basis van een ministeriële regeling. Het onderhavige besluit is gebaseerd op artikel 15.12, eerste lid, en schept een wettelijke grondslag voor een aantal bijdragen op het gebied van het milieubeheer, waarvoor tot 1 juli 1992 een artikelonderdeel in de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de enige grondslag vormde. Sinds 1 juli 1992 worden deze bijdragen verleend op basis van de Regeling diverse bijdragen milieubeheer. Overeenkomstig artikel 15.12, derde lid, van de Wet milieubeheer vervangt het besluit deze regeling, met uitzondering van paragraaf 2 van de regeling, die betrekking heeft op milieutechnologie. De in die paragraaf bedoelde bijdragen zijn opgenomen in het Bijdragenbesluit milieugerichte technologie.
Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer zoals dat tot 1 januari 1995 luidde, is de Raad voor het milieubeheer in de gelegenheid gesteld van advies te dienen. De Raad voor het milieubeheer heeft bericht geen advies uit te brengen gezien zijn met ingang van genoemde datum gewijzigde taakstelling (Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer van 13 oktober 1994, Stb. 766).
Tevens is het ontwerp-besluit aan de Staten-Generaal overgelegd, zoals voorgeschreven in artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer, en in de Staatscourant van 22 september 1994, nr. 182, gepubliceerd.
Hierop is één reactie met aanbevelingen van taalkundige aard ontvangen.
Het besluit heeft betrekking op een viertal categorieën bijdragen.
De eerste categorie ziet op bijdragen in het kader van de internationale samenwerking op milieugebied. Binnen deze categorie kan een aantal soorten bijdragen worden onderscheiden, zoals de bijdrageverlening die plaatsvindt in het kader van bijvoorbeeld de samenwerking op het gebied van het milieubeheer met landen in Centraal- en Oost-Europa. De begunstigde van de bijdrageverlening is in dit voorbeeld een Nederlandse onderneming of organisatie of een partner in één van deze landen zelf. Ook reis- en verblijfskosten van deskundigen en functionarissen kunnen op basis van dit artikel worden vergoed, voor zover het niet gaat om medewerkers van de departementen.
De tweede categorie behelst bijdragen met als doel kennisoverdracht. Het gaat hierbij veelal om kleinere bijdragen voor activiteiten als congressen, symposia, cursussen en voorlichtingsbijeenkomsten, terwijl voorts bijvoorbeeld publikaties op het gebied van het milieu worden ondersteund.
Een derde categorie bijdragen is opgenomen voor doelgroep-activiteiten in het kader van het doelgroepenbeleid. Het betreft hier activiteiten ter uitvoering van het milieubeleid door doelgroepen. Een en ander is neergelegd het Tweede Nationaal Milieubeleidsplan (Kamerstukken II 1993/94, 23 560 (NMP-2)), waarnaar in artikel 7 van het besluit ook wordt verwezen.
Voorts kent het besluit nog een vierde categorie bijdragen namelijk op het gebied van het afvalstoffenbeleid. De bijdragen op dat terrein vinden tot nu toe hun basis veelal elders (begroting, andere categorie van dit besluit of andere regelingen). Echter, mede gezien de snelle ontwikkelingen op dit gebied, is te verwachten dat niet alle toekomstige bijdragen op dit terrein nog hierop kunnen worden gebaseerd. Daarom is alsnog een aparte categorie bijdragen in dit besluit opgenomen.
Het besluit schept een kader voor de subsidieverlening door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en bevat dan ook geen dwingende overheidsinterventie. Het besluit is noodzakelijk, gelet op het bepaalde in de Wet milieubeheer en het belang om het subsidie-instrument te kunnen gebruiken als instrument voor gedragsbeïnvloeding op een aantal onderdelen van het milieubeheer. Uit het besluit vloeien geen nieuwe uitvoerings- en handhavingslasten voort. Ook thans reeds worden de bijdragen verstrekt en dient controle hierop plaats te vinden. De lasten voor de overheid zullen naar verwachting niet toenemen, aangezien het besluit slechts betrekking heeft op de formalisering van het tot 1 juli 1992 bestaande – buitenwettelijke – stelsel van subsidieverlening. Het besluit kan aanleiding geven tot conflicten, doch verwacht wordt dat op grond van het besluit niet meer dan enkele beroepsprocedures per jaar zullen worden aangespannen. Deze verwachting vloeit voort uit de ervaringen, die zijn opgedaan met de Regeling diverse bijdragen milieubeheer.
§ 2. De systematiek van het besluit
Het onderhavige besluit dient te worden gelezen in samenhang met de wettelijke bepalingen waarop het is gebaseerd. Eén van de gevolgen van het Hoofdstuk financiële bepalingen van de Wet milieubeheer is namelijk dat niet langer alle bepalingen die relevant zijn voor de bijdrageverlening in één regeling zijn opgenomen.
Het hoofdstuk kent een aantal delegatiebepalingen die aanduiden welke onderwerpen in ieder geval bij algemene maatregel van bestuur dienen te worden geregeld. Daarnaast geeft de wet zelf een aantal voorschriften die gelden voor iedere bijdrageverlening die onder de reikwijdte van de wet valt.
Artikel 15.17 verleent toezichthoudende ambtenaren de bevoegdheid zich toegang te verschaffen tot plaatsen, die door de belanghebbende worden gebruikt, en inzage te verkrijgen in boeken en andere zakelijke bescheiden. De belanghebbende is verplicht hieraan medewerking te verlenen. Artikel 15.18 regelt het geval waarin een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de belanghebbende bij de rechtbank is ingediend, voordat een beslissing op de aanvraag om een bijdrage is genomen. Tenslotte geeft artikel 15.19 een opsomming van de gevallen waarin een beslissing op de aanvraag om een bijdrage vervalt of kan worden ingetrokken.
Voorts is nog van belang de Algemene wet bestuursrecht. Hierin is onder meer een titel betreffende beschikkingen opgenomen die algemene regels geeft voor de aanvraag tot en met de beslissing op de aanvraag.
In § 5 van deze nota wordt nader ingegaan op deze bepalingen.
De derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan het voorstel van wet op 5 juli 1994 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 1993/94, 23 780, nrs. 1 en 2), voorziet in een titel over subsidies. Op een aantal plaatsen is in het onderhavige besluit bij dit voorstel aangesloten.
§ 3. De reikwijdte van het besluit
Het besluit heeft geen betrekking op bijdragen, die alleen voor lagere overheden zijn bestemd. Deze bijdragen, die strekken ter vergoeding van het door de lagere overheden te voeren milieubeleid, worden verleend op basis van het Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer. Voorts ziet het besluit niet op bijdragen op het gebied van het milieubeheer, die volledig ten laste komen van de begroting van een ander ministerie dan het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Alle uitgaven met een min of meer algemene strekking worden onder de werking van dit besluit gebracht. Daarnaast zijn afzonderlijke algemene maatregelen van bestuur opgesteld voor meer specifieke bijdrageverleningen, die zich vanwege dit specifieke karakter niet lenen voor opname in dit besluit. Hierbij wordt gedacht aan bijdragen, die een beperkte reikwijdte hebben, zowel wat betreft de kring van begunstigden als wat betreft de te subsidiëren activiteit of maatregel. Als voorbeeld moge dienen de stimulering van de aanschaf van laagzwavelige dieselolie, opgenomen in de Bijdragenregeling laagzwavelige dieselolie.
Verder wordt het niet zinvol geacht om de stimulering van de ontwikkeling en toepassing van milieuvriendelijke technologieën door het bedrijfsleven onder de werking van dit besluit te brengen. Voor deze categorie van bijdragen is separaat een algemene maatregel van bestuur, het Bijdragenbesluit milieugerichte technologie, in het leven geroepen.
§ 4. De inhoud van het besluit
De mogelijkheden van bijdrageverlening vinden hun beperking in het jaarlijks overeenkomstig artikel 3 beschikbaar gestelde bedrag, dat is gerelateerd aan een artikelonderdeel van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Voorts zijn van bijdrageverlening uitgesloten de kosten, waarvoor uit anderen hoofde vanwege het Rijk of andere openbare lichamen of de Europese Gemeenschappen een bijdrage kan worden verleend. Indien voor bepaalde activiteiten een specifieke bijdrageregeling openstaat gaat deze voor het onderhavige besluit, dat een algemene strekking heeft.
Voor de aanvrager is het belangrijk te weten welke activiteiten in concreto voor een bijdrage in aanmerking komen. Derhalve worden deze activiteiten in de vorm van een programma in de Staatscourant bekend gemaakt. Daarbij worden dan ook onder meer de voorwaarden gepubliceerd.
De groepen bijdragen worden hieronder afzonderlijk besproken.
a. Bijdragen voor internationale samenwerking (artikel 5)
De bijdragen, die in de categorie bijdragen voor internationale samenwerking zijn opgenomen, hebben als doel een goede internationale samenwerking op het gebied van het milieubeheer mogelijk te maken. Deze categorie voorziet in een groot aantal bijdragen. Niet alle bijdragen op het gebied van de internationale samenwerking zullen evenwel onder dit besluit worden gebracht. Zulks is namelijk niet nodig voor bijdragen die buiten de reikwijdte van artikel 15.15 van de Wet milieubeheer vallen doordat een verdrag of een artikel van een begrotingswet de basis vormt ofwel voor bijdragen aan particulieren die door een ander ministerie worden uitgekeerd. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval bij veel bijdragen, die verband houden met ontwikkelingssamenwerking.
Binnen deze categorie vallen allereerst reis- en verblijfskosten. Het komt voor dat van de kant van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer reis- en verblijfskosten worden betaald van buitenlandse deskundigen of functionarissen, die afkomstig zijn uit landen, die deze kosten niet of niet volledig zelf kunnen dragen. Daarnaast valt te denken aan de kosten voor buitenlandse reizen, die worden gemaakt bij de deelname aan conferenties door mensen van non-gouvernementele organisaties of andere organisaties en instellingen. Het belang van internationale uitwisseling brengt met zich mee dat in dit kader bijdragen moeten kunnen worden verleend. Derhalve is de basis van deze bijdragen eveneens in dit besluit opgenomen. Van een opname onder de categorie kennisoverdracht is afgezien, aangezien kennisoverdracht, zoals omschreven in artikel 1 van het besluit, niet steeds het doel is van een reis. Dit doel kan bijvoorbeeld ook liggen in het voeren van bilaterale of multilaterale onderhandelingen.
Voorts valt te denken aan internationale samenwerkingsprojekten of aan bijdragen aan internationale organisaties.
Bij de beoordeling van aanvragen voor een bijdrage wordt uitgegaan van het belang van een activiteit voor het milieubeleid van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De hoogte van de bijdrage zal naar de aard der zaak verschillen evenals het bijdragepercentage. Daarbij zij opgemerkt dat in het algemeen een eigen bijdrage zal worden verlangd, tenzij zulks onredelijke gevolgen zou hebben.
b. Bijdragen voor kennisoverdracht (artikel 6)
Onder kennisoverdracht verstaat het besluit de verwerving of de vergroting van de kennis en de vergroting van het bewustzijn op het gebied van het milieu. Hierbij kan gedacht worden aan
a. congressen, symposia en workshops;
b. cursussen;
c. voorlichtingsbijeenkomsten;
d. publikaties;
e. uitwisselingsprojecten.
De aanleiding om voor deze activiteiten bijdragen te verlenen is gelegen in de verwachting, dat de activiteiten zonder een financiële bijdrage van de zijde van de rijksoverheid niet of in aanzienlijk mindere mate van de grond zouden komen.
Voor een bijdrage komt een ieder in aanmerking. In de meeste gevallen zal de begunstigde evenwel een non profit-instelling zijn, waarbij valt te denken aan een onderwijsinstelling, een sociaal-culturele instelling of een vakbond.
De aanvragen zullen veelal in overleg met het Directoraat-Generaal Milieubeheer tot stand komen. Bij de beoordeling van de verschillende aanvragen wordt getoetst aan de vraag of een activiteit een passende stimulans vormt voor de vergroting van de kennis op het gebied van het milieubeheer. Daarbij kan een afweging plaatsvinden tussen de hoogte van de gevraagde bijdrage en het verwachte nuttig effect van de activiteit.
De hoogte van de bijdragen zal in het algemeen betrekkelijk beperkt zijn en in de orde van grote van enkele duizenden of enkele tienduizenden guldens op jaarbasis liggen. Niettemin is in het besluit geen maximum-bedrag opgenomen. Gelet op het feit dat het onderhavige besluit mede als sluitstuk dient voor de subsidieverlening op het gebied van het milieubeheer zou een stringent maximum-bedrag onnodig beperkend kunnen werken voor het gebruik van het subsidie-instrument op dit beleidsgebied. Evenmin is een maximum-percentage voor de bijdragen opgenomen. Veelal zal van de begunstigde een eigen bijdrage worden verwacht in de kosten van de activiteit. Er is echter afgezien van een verplichte eigen bijdrage. Het verplicht stellen van een eigen bijdrage zou een te grote beperking van de mogelijkheden van de bijdragenverlening inhouden.
c. Bijdragen voor doelgroep-activiteiten (artikel 7)
Artikel 7 bevat een regeling voor bijdragen voor doelgroepactiviteiten. In het kader van de uitvoering van het NMP 2 worden milieudoelstellingen vertaald naar milieutaakstellingen voor de verschillende doelgroepen. Met de term doelgroep wordt een groep van organisaties of personen aangeduid die vergelijkbare (voor het milieu schadelijke of in ieder geval relevante) activiteiten ontplooien (prioritaire doelgroepen) of een groep van organisaties die de mogelijkheid hebben om het gedrag van andere groepen te beïnvloeden (intermediaire kaders).
De activiteiten waarop dit artikel betrekking heeft zijn activiteiten in het kader van met de onderscheiden doelgroepen overeengekomen milieutaakstellingen. Het kan eventueel ook gaan om activiteiten die worden verricht in het kader van nog met de doelgroep overeen te komen milieutaakstellingen. De activiteiten moeten in ieder geval gericht zijn op het bevorderen van de implementatie van concrete milieumaatregelen door de doelgroep.
De uitvoering van die activiteiten en de verantwoordelijkheid daarvoor berust bij de belangenorganisaties die bij die implementatie direct zijn betrokken.
Hierbij is in de eerste plaats gedacht aan branche-verenigingen, vakbonden, consumentenorganisaties en andere non-profit-organisaties. Deze organisaties vertegenwoordigen de doelgroep of een deel daarvan. Daarnaast kan ook worden gedacht aan het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen. De laatstgenoemde organisaties kunnen met name als intermediaire kaders een belangrijke functie vervullen bij de bevordering van de implementatie van de prioritaire doelgroepen.
Een aanvraag op grond van dit artikel zal dan ook veelal door een organisatie worden ingediend, al is het niet bij voorbaat uitgesloten dat een activiteit waarvoor een bijdrage op grond van dit artikel kan worden verleend, door een natuurlijk persoon wordt verricht.
Bepalend is of het gaat om activiteiten die ertoe bijdragen dat de doelgroepen de milieutaakstellingen beter of sneller kunnen volbrengen.
Het is echter niet de bedoeling dat de bijdrage direct of indirect ertoe leidt dat financiële steun aan het bedrijfsleven wordt verleend. Dit effect zou zich met name bij bepaalde branche-organisaties kunnen voordoen.
Indien een bijdrage direct of indirect ten goede komt aan het bedrijfsleven, is voorafgaande melding aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen als steunmaatregel in de zin van de artikelen 92 en volgende van het EG-Verdrag vereist. Een bijdrage kan in die gevallen slechts worden verleend, indien de Commissie geen bezwaar maakt. Nu in het tweede lid uitdrukkelijk is bepaald dat de bijdrageverlening uitsluitend ten goede mag komen aan de organisatie zelf, houdt dat in dat de bijdrage niet op de een of andere wijze mag worden «doorgegeven» aan de bedrijven die deze organisatie vertegenwoordigt. Derhalve is hier geen sprake van een steunmaatregel, zodat de bijdrageverlening niet behoeft te worden gemeld.
De activiteiten die in het eerste lid worden bedoeld, kunnen in beginsel van velerlei aard zijn. In het besluit wordt echter in de paragrafen 2 tot en met 5 reeds voor verschillende typen activiteiten de mogelijkheid van een bijdrageverlening gegeven. Gezien de vrij algemene formulering van deze bepalingen kunnen hiertoe ook activiteiten behoren welke in het kader van het doelgroepenbeleid kunnen worden verricht. Dit betekent dat het bij het onderhavige artikel in het algemeen zal gaan om ondersteuning in de vorm van het financieren van (een deel van) het personeel van een organisatie dat speciaal wordt aangetrokken om het doelgroepenbeleid van die organisatie vorm te geven.
d. Bijdragen voor afvalstoffenbeleid (artikel 8)
In artikel 8 is de basis neergelegd voor bijdragen op het gebied van het afvalstoffenbeleid.
De soort activiteiten waarvoor bijdragen kunnen worden verleend, kan echter niet bij voorbaat worden aangegeven. Binnen het beleidsterrein afvalstoffen doet zich een aantal ontwikkelingen voor, waarop in een zo vroeg mogelijk stadium dient te worden ingespeeld. Te denken valt bijvoorbeeld aan activiteiten ten behoeve van afvalpreventie bij bedrijven. Het verlenen van bijdragen is een ondersteuning van dit beleid en moet derhalve ook daarop kunnen worden afgestemd.
Uiteraard geldt ook voor deze categorie bijdragen dat de verlening verenigbaar moet zijn met het EG-recht. In voorkomende gevallen zal melding aan de Europese Commissie noodzakelijk zijn.
In § 6 van het besluit zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot de indiening van aanvragen op grond van het besluit en met betrekking tot de beslissing daarop. Gekozen is voor een tamelijk lichte procedure, die uiteraard past binnen het kader van het Hoofdstuk financiële bepalingen van de Wet milieubeheer. Laatstgenoemd hoofdstuk bevat ook bepalingen die gelden voor de onderhavige bijdragen, hoewel zij niet in het besluit zelf zijn terug te vinden.
Zoals hierboven, in § 2, ook al werd aangestipt, moeten deze bepalingen tevens in samenhang worden gelezen met de Algemene wet bestuursrecht. Het gaat hierbij met name om Titel 4.1, Beschikkingen, van die wet. Deze titel bevat een regeling over onder meer het indienen van de aanvraag, de gevolgen van een onvolledige aanvraag en de mogelijkheid die in dat geval aan de aanvrager moet worden gegeven om de aanvraag aan te vullen. Deze bepalingen gelden algemeen en dus ook voor beschikkingen op grond van het onderhavige besluit. In verband daarmee zijn in het besluit uitsluitend bepalingen opgenomen die dienen ter aanvulling van de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht.
In de navolgende beschrijving van de procedure wordt daarom tevens ingegaan op de voor de bijdrageverlening relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet milieubeheer.
Aanvragen op grond van dit besluit dienen op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht te worden ingediend bij het bestuursorgaan dat beslist over de aanvraag, hetgeen in dit geval wil zeggen bij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De aanvraag dient op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk te worden ingediend en op grond van artikel 4:2 van die wet tenminste de naam, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd te bevatten. Een aanvraag om een bijdrage moet worden ingediend voor het tijdstip waarop de activiteiten zullen aanvangen. Een aanvraag moet op grond van artikel 10 van het besluit verder vergezeld gaan van een begroting, een inhoudelijke beschrijving van de activiteiten en een tijdsplanning indien de activiteiten ten tijde van het indienen van de aanvraag nog niet zijn voltooid. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gegevens, die bij de aanvraag dienen te worden overgelegd.
Indien de aanvraag niet volledig is, dient de aanvrager op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid te worden gesteld, binnen een bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen. Is na het verstrijken van die termijn de aanvraag nog niet of niet voldoende aangevuld, dan kan besloten worden de aanvraag niet te behandelen, op grond van eerder genoemd artikel van de Algemene wet bestuursrecht.
De beslistermijn is op grond van artikel 11 vier maanden.
Deze termijn wordt ingevolge artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht opgeschort gedurende de termijn dat de aanvraag nog moet worden aangevuld. Het tweede lid van artikel 11 hangt samen met artikel 15.18 van de Wet milieubeheer. Op grond van dat artikel moet de aanvraag worden aangehouden wanneer een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend, totdat op dat verzoek is beslist, dan wel, indien surséance van betaling wordt verleend, totdat een maand na beëindiging van de surséance is verstreken. De beslistermijn is op grond van artikel 11, tweede lid, gedurende die tijd opgeschort. Om een aanvraag om deze reden te kunnen aanhouden is het nodig dat bekend is, dat een verzoek tot verlening van surséance van betaling of tot faillietverklaring is gedaan. Derhalve is in artikel 15 de verplichting voor de aanvrager opgenomen hiervan mededeling te doen. Het spreekt voor zich dat de stopzetting van de activiteiten waarvoor een bijdrage is aangevraagd eveneens moet worden gemeld.
De beschikking moet op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht worden gemotiveerd, waarbij het wettelijk voorschrift krachtens welke zij wordt gegeven, wordt vermeld. Op grond van artikel 12 dient de beschikking verder onder meer het bedrag van de bijdrage en de wijze waarop de hoogte van dit bedrag is bepaald te vermelden. Hiertoe kan een verwijzing naar de aanvraag volstaan. Soms evenwel zal het noodzakelijk zijn in de beschikking te vermelden welke kosten (-soorten) wel en welke niet subsidiabel zijn.
De afwijzingsgronden zijn opgenomen in artikel 13.
In § 7 is een aantal verplichtingen voor de gesubsidieerde opgesomd. Gewezen zij hier slechts op de verplichting om bij langlopende activiteiten een jaarlijks voortgangsverslag aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over te leggen. Naast de in artikel 14 opgesomde verplichtingen kunnen in een beschikking tot verlening van een bijdrage nadere verplichtingen worden opgenomen (artikel 12, tweede lid).
De sanctie op het niet naleven van de voorschriften is dat de beschikking tot verlening kan worden ingetrokken. Dit volgt uit artikel 15.19, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer.
Aan de hand van een inhoudelijk en een financieel verslag na afloop van de activiteit wordt een beschikking houdende vaststelling van de bijdrage genomen. Bij kleinere bijdragen kan de verslaglegging een summier karakter hebben. Bij grotere bijdragen wordt een uitvoeriger verslag verlangd, dat bij een bedrag dat boven de f 100 000,– ligt, wordt vergezeld van een accountantsverklaring.
De bijdrage wordt vastgesteld binnen dertien weken nadat de verslagen zijn ontvangen.
Hierboven is reeds de intrekking van de beschikking tot verlening van de bijdrage aan de orde gekomen. Deze intrekking is gebaseerd op artikel 15.19 van de Wet milieubeheer.
Na de vaststelling van de bijdrage heeft intrekking van de eerste beschikking geen zin meer, omdat de op de vaststelling gebaseerde aanspraak op financiële middelen niet wordt aangetast.
Desondanks bestaat in bepaalde gevallen de behoefte aan de mogelijkheid van intrekking van de beschikking tot vaststelling van de bijdrage. De gronden daarvoor, die in artikel 19 zijn opgenomen, zijn ontleend aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht. Daarin is ook de termijn van vijf jaren opgenomen.
§ 9 bevat enige voorschriften omtrent de bevoorschotting en de betaling. Omdat de verplichting tot betaling pas ontstaat bij de vaststelling van de bijdrage is voorzien in de mogelijkheid dat voorschotten worden verstrekt vooruitlopende op de vaststelling van de bijdrage. Immers vaak is de aanvrager niet in staat de activiteit te verrichten, indien hem geen geld beschikbaar wordt gesteld. Het begrip voorschot wordt hier gebruikt in de zin van voorschot op nog te maken kosten alsmede in de zin van een vooruitbetaling, namelijk vooruitlopende op de subsidievaststelling, van reeds door de aanvrager gemaakte kosten.
Het verdient aanbeveling een verzoek om voorschot tegelijk met de aanvraag om een bijdrage in te dienen, zodat een en ander tegelijkertijd kan worden behandeld. Aan de beschikking tot verlening van een voorschot kunnen voorschriften worden verbonden.
Te denken valt bijvoorbeeld aan het voorschrift dat tussentijds financiële verantwoording dient te worden afgelegd of dat ten behoeve van voorschotverlening met betrekking tot reeds gemaakte kosten betaalbewijzen dienen te worden overgelegd. Voorschotten kunnen op verzoek van de aanvrager op basis van declaraties worden verstrekt, echter niet tot een hoger bedrag dan 80% van de verleende bijdrage.
Een uitzondering hierop is mogelijk in de in het tweede lid van artikel 20 omschreven gevallen.
Ingevolge het eerste lid van artikel 21 worden geen voorschotten betaald indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend. Deze bepaling kan beschouwd worden als een aanvulling op hetgeen reeds in de Wet milieubeheer is bepaald over de gevolgen van surséance van betaling en faillissement. Op grond van artikel 15.18, tweede lid, van die wet moet een aanvraag worden afgewezen wanneer de aanvrager failliet is verklaard. Artikel 15.19, tweede lid, van die wet bepaalt, dat de beschikking vervalt zodra de aanvrager failliet is verklaard, wanneer dit gebeurt voor de betaling van het definitief vastgestelde bedrag. De onderhavige bepaling heeft het oog op de daaraan voorafgaande situatie, waarin de beschikking nog niet is vervallen; in die fase moeten op grond van dit artikel lopende betalingen worden stopgezet. Is de beschikking eenmaal vervallen, dan volgt uit artikel 15.19, derde lid, van de Wet milieubeheer dat de reeds betaalde bedragen terstond opeisbaar zijn.
De bezwaar- en beroepsmogelijkheid is geregeld in de Wet milieubeheer en in de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 20.1 van de Wet milieubeheer kan tegen een beschikking op grond van dit besluit beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voorafgaand hieraan dient evenwel steeds eerst een bezwaarschrift te worden ingediend bij het orgaan dat de beschikking heeft gegeven, in casu de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Dit volgt uit artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. De procedure voor de indiening en afhandeling van dit bezwaarschrift is geregeld in de afdelingen 7.1 en 7.2 van die wet.
Op grond van het aldus beschreven stelsel is het niet nodig afzonderlijke bepalingen over bezwaar en beroep in dit besluit op te nemen.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer
Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 april 1996, nr. 69.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1996-158.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.