Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 1996, 125Wet

Wet van 26 januari 1996, houdende wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (bestuursorganisatie van en medezeggenschap in hogescholen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestuursorganisatie van en de medezeggenschap in hogescholen te versterken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De >Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek1 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1.10 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «met uitzondering van artikel 10.8» vervangen door: met uitzondering van de artikelen 10.8 en 10.33.

2. In het tweede lid wordt tussen «betreft,» en «voorwaarden voor bekostiging» ingevoegd: en artikel 10.33,.

B

Artikel 4.7, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. In onderdeel c vervalt «of».

2. In onderdeel d wordt de punt vervangen door: , of.

3. Aan dit lid wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

e. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband.

C

In artikel 7.13, tweede lid, wordt onderdeel d vervangen door:

d. de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden,

d1. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden,.

D

Het opschrift van hoofdstuk 10, titel 1, paragraaf 1, wordt vervangen door:

Paragraaf 1. Het bestuur en de inrichting van de hogeschool.

E

Artikel 10.3 komt te luiden als volgt:

Artikel 10.3. Delegatie taken en bevoegdheden

  • 1. Het instellingsbestuur van een hogeschool als bedoeld in artikel 10.2, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan een alsdan in de plaats van de centrale directie in te stellen college van bestuur.

  • 2. Het college van bestuur van een hogeschool als bedoeld in artikel 10.2, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen of door het instellingsbestuur overgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan het bestuur van een faculteit of het bestuur van een andere organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 10.3a.

F

Na artikel 10.3 worden de artikelen 10.3a tot en met 10.3c ingevoegd, luidende:

Artikel 10.3a. Faculteiten en andere organisatorische eenheden

Het instellingsbestuur kan bij bestuursreglement een of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden instellen.

Artikel 10.3b. Bestuursreglement

  • 1. Het instellingsbestuur stelt een bestuursreglement vast. In het bestuursreglement wordt ten minste vastgesteld:

    a. de taken en bevoegdheden welke het instellingsbestuur overdraagt aan het college van bestuur, indien het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3, eerste lid,

    b. de richtlijnen voor de uitoefening van de aan het college van bestuur overgedragen taken en bevoegdheden,

    c. nadere regels met betrekking tot het sluiten van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk 8, en

    d. indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat:

    1°. welke bevoegdheden het college van bestuur heeft overgedragen aan het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid, indien het college van bestuur toepassing heeft gegeven aan artikel 10.3, tweede lid,

    2°. de verhouding van het bestuur van de desbetreffende eenheid tot het instellingsbestuur, het college van bestuur of de centrale directie,

    3°. welke faculteiten of andere organisatorische eenheden de desbetreffende hogeschool omvat,

    4°. welke opleidingen in die faculteiten of organisatorische eenheden zijn ingesteld.

  • 2. Indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat, worden bij of krachtens het bestuursreglement de samenstelling en de werkwijze van het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid vastgesteld.

  • 3. Het instellingsbestuur zendt het bestuursreglement, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk aan Onze minister.

Artikel 10.3c. Opleidingscommissies

  • 1. Voor elke opleiding wordt een opleidingscommissie ingesteld, behoudens het bepaalde in het vierde lid. De commissie heeft tot taak:

    a. advies uit te brengen over de onderwijs- en examenregeling alvorens het instellingsbestuur de regeling vaststelt,

    b. het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling, en

    c. het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan de deelraad, bedoeld in artikel 10.25, en het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, aan het instellingsbestuur, over alle andere aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding.

    De commissie zendt de adviezen, bedoeld onder a en c, ter kennisneming aan de medezeggenschapsraad.

  • 2. Voor zover bij de vaststelling, nadere regeling of uitvoering van de onderwijs- en examenregeling het advies van de desbetreffende commissie niet wordt gevolgd, wordt het desbetreffende besluit met redenen omkleed.

  • 3. In het bestuursreglement wordt de wijze van benoemen en samenstellen van de commissie geregeld, met dien verstande dat de helft van het totaal aantal leden van de commissie voortkomt uit de voor de desbetreffende opleiding ingeschreven studenten.

  • 4. Indien een faculteit of een andere organisatorische eenheid slechts één opleiding omvat, kan het bestuursreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de deelraad, bedoeld in artikel 10.25.

G

Artikel 10.8 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede lid wordt vernummerd tot vierde lid.

2. Na het eerste lid worden twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien de statuten van de rechtspersoon waarvan de bijzondere hogeschool uitgaat, bepalen dat het college van bestuur optreedt als instellingsbestuur, wordt in de statuten tevens voorzien in het toezicht op het beleid door een bestuursraad door middel van de uitoefening van goedkeuringsrecht.

  • 3. De bevoegdheden van de bestuursraad zijn ten minste:

    a. het vaststellen en wijzigen van de statuten van de rechtspersoon,

    b. de benoeming, de schorsing en het ontslag van de leden van de bestuursraad en van het college van bestuur.

H

Na artikel 10.8 wordt ingevoegd artikel 10.8a, luidende:

Artikel 10.8a. Afwijking bestuursreglement

Indien de statuten van een bijzondere hogeschool de onderwerpen, bedoeld in artikel 10.3b, eerste lid, tweede volzin, onder a en b, regelen, kan het instellingsbestuur besluiten deze regeling niet op te nemen in het bestuursreglement.

I

In artikel 10.13 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift wordt voor «huisregels» ingevoegd: afwijkende bevoegdheidsverdeling,.

2. Voor de bestaande tekst wordt het cijfer 2 geplaatst. Toegevoegd wordt een nieuw eerste lid, luidende:

  • 1. De artikelen 10.3a tot en met 10.3c zijn van overeenkomstige toepassing op de hogeschool met rechtspersoonlijkheid.

J

In artikel 10.10 wordt de eerste volzin van het eerste lid vervangen door: Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waarvan er een wordt benoemd tot voorzitter.

K

De artikelen 10.17 tot en met 10.31 worden vervangen door de artikelen 10.17 tot en met 10.39, luidende:

Artikel 10.17. Medezeggenschapsraad

  • 1. Aan elke hogeschool is een medezeggenschapsraad verbonden. Indien een hogeschool één of meer faculteiten of organisatorische eenheden omvat is aan elke faculteit en aan elk van de desbetreffende eenheden een deelraad als bedoeld in artikel 10.25, verbonden.

  • 2. Het aantal leden van de raad bedraagt aan een hogeschool met minder dan 750 studenten ten hoogste tien leden, met 750 tot 1250 studenten ten hoogste veertien leden en met 1250 of meer studenten ten hoogste vierentwintig leden.

  • 3. De raad bestaat voor de helft uit leden die uit en door het personeel worden gekozen, en voor de helft uit leden die uit en door de studenten worden gekozen.

  • 4. Zij die deel uitmaken van het instellingsbestuur, het college van bestuur, de bestuursraad, de centrale directie dan wel het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid, kunnen niet tevens lid zijn van de raad.

  • 5. Kandidaten voor de verkiezingen van het deel van de raad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel.

  • 6. De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming. Stemming voor een geleding van de raad vindt slechts plaats, indien het aantal kandidaatleden van een geleding groter is dan het aantal zetels ten behoeve van die geleding.

  • 7. De raad stelt een reglement op voor de zaken van huishoudelijke aard en regelt tevens de wijze waarop door het instellingsbestuur beschikbaar gestelde middelen voor de raad en de eventuele deelraden en commissies als bedoeld in artikel 10.34, worden verdeeld.

Artikel 10.18. Voorzitter medezeggenschapsraad

De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

Artikel 10.19. Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en raadsleden

  • 1. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de hogeschool met hem te bespreken. Het instellingsbestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het instellingsbestuur, de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel of uit en door de studenten is gekozen.

  • 2. De raad is bevoegd over alle aangelegenheden, de hogeschool betreffende, aan het instellingsbestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het instellingsbestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het instellingsbestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.

  • 3. De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de hogeschool.

  • 4. De raad waakt voorts in de hogeschool in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen. Het medezeggenschapsreglement bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling. In dat geval is artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek.

  • 5. Het instellingsbestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur dan wel de centrale directie, de organisatie binnen de hogeschool, de taakverdeling tussen instellingsbestuur en centrale directie en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het instellingsbestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de hogeschool op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het plan, bedoeld in artikel 10.20, onder a. Voorts verschaft het instellingsbestuur de raad, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.

  • 6. Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad besluiten dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De raad besluit dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsheeft.

  • 7. De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de hogeschool betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agenda's en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het instellingsbestuur, aan de deelraden, aan de eventuele commissies en aan de eventuele gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de hogeschool ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de eventuele personeels- of studentencommissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.

  • 8. Het instellingsbestuur draagt er jegens de medezeggenschapsraad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de hogeschool. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaatleden en voormalige leden.

  • 9. De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de hogeschool werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.

Artikel 10.20. Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad

Het instellingsbestuur behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elk door het instellingsbestuur te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:

a. het instellingsplan,

b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin,

c. het studentenstatuut,

d. het bestuursreglement, alsmede indien artikel 10.8a van toepassing is, het desbetreffende deel van de statuten,

e. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen genoemd in het tweede lid, de onderdelen a tot en met d, en

f. regels op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn.

Artikel 10.21. Medezeggenschapsreglement

  • 1. Het instellingsbestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een medezeggenschapsreglement voor de hogeschool vast.

  • 2. Het instellingsbestuur legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor en stelt het niet vast dan voor zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.

Artikel 10.22. Inhoud medezeggenschapsreglement

In het medezeggenschapsreglement worden ten minste geregeld:

a. de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad, onverminderd artikel 10.20, instemmingsrecht heeft,

b. de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad adviesrecht heeft, met dien verstande dat de raad ten minste adviesrecht wordt toegekend inzake aangelegenheden die de doelstellingen, het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de hogeschool betreffen, de begroting, alsmede de keuze voor de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten,

c. het aantal leden van de medezeggenschapsraad,

d. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad,

e. de zittingsduur van de leden van de raad,

f. de wijze waarop het instellingsbestuur informatie verschaft aan de raad,

g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht,

h. de bevoegdheden die door de deelraden worden uitgeoefend,

i. de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in de hogeschool, bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit onderwijs, krachtens welke de ondernemingsraad:

1°. in de gelegenheid wordt gesteld zijn mening kenbaar te maken dan wel te worden gehoord,

2°. het recht heeft een verzoek om wetstoepassing te doen, of

3°. het recht heeft een bezwaarschrift in te dienen,

j. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, waarbij dan artikel 21, tweede lid, van genoemde wet van overeenkomstige toepassing is,

k. de toekenning aan de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in de hogeschool voor zover deze niet betreffen te nemen besluiten van het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 10.20, onder e, en

l. welke van de geschillen tussen het instellingsbestuur en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht, voor zover de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.

Artikel 10.23. Advies

Indien een te nemen besluit op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 10.22, onder b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat:

a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming,

b. de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht,

c. de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en

d. de raad, indien het instellingsbestuur het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen.

Artikel 10.24. Bijzondere bevoegdheden

  • 1. Het instellingsbestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het instellingsbestuur te nemen besluit met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de hogeschool.

  • 2. Indien het instellingsbestuur op grond van het eerste lid voor een te nemen besluit de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, behoeft, wordt het deel van de raad dat uit en door de studenten wordt gekozen, in de gelegenheid gesteld over het besluit advies uit te brengen.

  • 3. Het instemmingsrecht of adviesrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt niet uitgeoefend voor zover de desbetreffende aangelegenheid voor de hogeschool reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of een collectieve arbeidsovereenkomst.

Artikel 10.25. Deelraden

  • 1. Een deelraad oefent tegenover het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid het instemmingsrecht en het adviesrecht uit dat toekomt aan de medezeggenschapsraad, voor zover het aangelegenheden betreft die het desbetreffende deel van de hogeschool in het bijzonder aangaan, en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan het bestuur van die faculteit of andere organisatorische eenheid zijn toegekend.

  • 2. Artikel 10.17, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.26. Commissie voor geschillen

  • 1. Elke hogeschool is aangesloten bij een commissie voor geschillen. Een commissie als bedoeld in de vorige volzin, strekt haar werkkring uit over ten minste twintig hogescholen. Onze minister kan het in de vorige volzin bedoelde aantal hogescholen lager stellen.

  • 2. Een commissie voor geschillen bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden, waarvan een lid en een plaatsvervangend lid worden gekozen door de instellingsbesturen en een lid en een plaatsvervangend lid door de medezeggenschapsraden van de in het eerste lid bedoelde hogescholen. Deze twee leden kiezen het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.

  • 3. De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel uitmaken van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad van een hogeschool waarover de commissie haar werkkring uitstrekt.

Artikel 10.27. Competentie commissie voor geschillen

  • 1. Een commissie voor geschillen neemt kennis van geschillen in de volgende gevallen:

    a. op verzoek van het instellingsbestuur, indien het instellingsbestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge de artikelen 10.20 en 10.22, onder a, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het instellingsbestuur zijn voorstel wenst te handhaven,

    b. op verzoek van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur ten aanzien van de inhoud van het medezeggenschapsreglement voor zover aangegeven in artikel 10.22, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming heeft verworven,

    c. op verzoek van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur een besluit heeft genomen waarover ingevolge de toepassing van artikel 10.22, onder b, advies door de raad is uitgebracht, het instellingsbestuur daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel volgt en de raad van oordeel is dat daardoor de belangen van de hogeschool of de belangen van de raad ernstig worden geschaad, en

    d. op verzoek van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur en de raad van mening verschillen over de interpretatie van het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement.

  • 2. De commissie kan in haar reglement bepalen dat zij kennis neemt van andere geschillen tussen het instellingsbestuur en de raad, dan bedoeld in het eerste lid. Artikel 10.28, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien er een geschil is tussen het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid en een deelraad, meldt het bestuur dan wel de deelraad dit geschil aan bij het instellingsbestuur dan wel bij de medezeggenschapsraad van de hogeschool. Het instellingsbestuur dan wel de medezeggenschapsraad legt het geschil voor aan de commissie voor de geschillen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de medezeggenschapsraad van mening is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van de geschillencommissie.

  • 4. Een uitspraak van een commissie voor geschillen van openbare hogescholen wordt voor de toepassing van afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een uitspraak in administratief beroep.

Artikel 10.28. Geschil instemmingsbevoegdheid

  • 1. Indien aan een te nemen besluit van het instellingsbestuur instemming, vereist ingevolge artikel 10.20 of het medezeggenschapsreglement, is onthouden, deelt het instellingsbestuur binnen drie maanden aan de medezeggenschapsraad mede of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.

  • 2. Het instellingsbestuur doet een verzoek als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder a, onder overlegging van de door het instellingsbestuur gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het instellingsbestuur onderscheidenlijk de raad of het betrokken deel daarvan aan de orde zijn. De commissie stelt de raad of het betrokken deel daarvan in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen.

  • 3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het instellingsbestuur en de raad voor te leggen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de raad of het betrokken deel daarvan te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het instellingsbestuur alsmede de instemming van de raad of het betrokken deel daarvan, beoordeelt de commissie of het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De uitspraak van de commissie is bindend voor het instellingsbestuur en de raad.

Artikel 10.29. Geschil inhoud medezeggenschapsreglement

  • 1. Voor zover aan een voorstel van het instellingsbestuur tot vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsreglement, wat betreft onderwerpen als bedoeld in artikel 10.22, de instemming die is vereist ingevolge artikel 10.21, tweede lid, is onthouden, deelt het instellingsbestuur aan de medezeggenschapsraad dan wel de raad aan het instellingsbestuur binnen drie maanden mede, of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.

  • 2. Indien het instellingsbestuur een verzoek doet als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder b, is artikel 10.28, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien de raad een verzoek doet als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder b, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het instellingsbestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.

  • 3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het instellingsbestuur en de raad voor te leggen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het instellingsbestuur alsmede de instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel had kunnen komen. De commissie geeft, voor zover zij van oordeel is dat het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen, in haar uitspraak aan hoe het voorstel dient te worden gewijzigd. Na de uitspraak van de commissie stelt het instellingsbestuur het medezeggenschapsreglement vast overeenkomstig de uitspraak van de commissie.

Artikel 10.30. Geschil adviesbevoegdheid

  • 1. Indien het instellingsbestuur een besluit neemt waarbij het een advies van de medezeggenschapsraad, vereist ingevolge artikel 10.22, onder b, niet of niet geheel volgt, wordt de uitvoering van het besluit opgeschort met vier weken, tenzij de raad tegen onmiddellijke uitvoering van het besluit geen bedenkingen heeft.

  • 2. De medezeggenschapsraad doet een verzoek als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder c, binnen vier weken nadat het betrokken besluit door het instellingsbestuur is genomen, onder overlegging van de argumenten voor zijn advies en de argumenten voor zijn oordeel dat door het niet of niet geheel volgen van het advies de belangen van de instelling of van de raad ernstig worden geschaad. De commissie stelt het instellingsbestuur in de gelegenheid om zijn argumenten voor het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad bij de commissie naar voren te brengen. De behandeling van het verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in het eerste lid, niet.

  • 3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het instellingsbestuur en de raad voor te leggen, tenzij het instellingsbestuur dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het instellingsbestuur en van de raad, beoordeelt de commissie of het instellingsbestuur bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad

    a. gehandeld heeft in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet of het medezeggenschapsreglement,

    b. onvoldoende gemotiveerd heeft waarom is afgeweken van het advies van de raad,

    c. onzorgvuldig gehandeld heeft ten opzichte van de raad, of

    d. bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit had kunnen komen.

  • 4. De commissie doet vervolgens de bindende uitspraak of het betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven.

Artikel 10.31. Geschil interpretatie

Op een verzoek als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder d, doet de commissie de bindende uitspraak welke interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement dient te worden gegeven.

Artikel 10.32. Nadere geschillen

Indien in het medezeggenschapsreglement ingevolge de toepassing van artikel 10.22, onder l, geschillen worden aangegeven en indien het reglement van de commissie voor geschillen daarvoor de mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het medezeggenschapsreglement.

Artikel 10.33. Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad

  • 1. De medezeggenschapsraad kan in rechte optreden indien de vordering strekt tot naleving door het instellingsbestuur van de verplichtingen jegens de raad, voortvloeiend uit deze wet.

  • 2. Indien de burgerlijke rechter bevoegd is, neemt de kantonrechter kennis van de vordering.

  • 3. In afwijking van artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de raad niet in de proceskosten worden veroordeeld.

  • 4. De raad treedt op verzoek van een commissie als bedoeld in artikel 10.34, op indien de rechten van die commissie specifiek aan de orde zijn.

Artikel 10.34. Commissies

  • 1. Het instellingsbestuur stelt het personeel en de studenten in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelscommissie dan wel afzonderlijke commissies voor onderscheiden personeelscategorieën of -groeperingen, en een studentencommissie in te stellen. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad over die aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan.

  • 2. Op verzoek van een commissie stelt de medezeggenschapsraad het instellingsbestuur in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid. Artikel 10.19, tweede lid, derde volzin, is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.35. Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

  • 1. Indien meer hogescholen door hetzelfde instellingsbestuur in stand worden gehouden, stelt het instellingsbestuur een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in voor alle of een aantal van deze hogescholen.

  • 2. De leden van de gemeenschappelijke raad worden gekozen uit en door de leden van de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden en wel zodanig dat de aantallen leden, gekozen uit het personeel onderscheidenlijk uit de studenten, elk de helft van het aantal leden van de raad bedragen. Het aantal leden van de raad bedraagt ten hoogste vierentwintig leden.

  • 3. Het instellingsbestuur stelt voor elke gemeenschappelijke raad een reglement vast. In het reglement wordt ten minste geregeld uit hoeveel leden de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bestaat, de wijze waarop de verkiezing door de betrokken medezeggenschapsraden geschiedt, en de onderwerpen, bedoeld in artikel 10.22, onder d tot en met g.

  • 4. Artikel 10.20 is van overeenkomstige toepassing. In het reglement wordt vastgelegd met betrekking tot welke in dat artikel geregelde onderwerpen de instemming van de gemeenschappelijke raad is vereist.

  • 5. Artikel 10.21, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het reglement behalve voor wat betreft de bevoegdheden die ingevolge het vierde lid zijn overgedragen.

  • 6. De artikelen 10.17 en 10.27 tot en met 10.33 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.36. Gemeenschappelijke commissies

Indien meer hogescholen door hetzelfde instellingsbestuur in stand worden gehouden, geeft het instellingsbestuur gelegenheid tot het instellen van een gemeenschappelijke commissie als bedoeld in artikel 10.34. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of uit eigen beweging advies uit te brengen aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dan wel de afzonderlijke medezeggenschapsraden van de desbetreffende hogescholen over aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn en de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan.

Artikel 10.37. Afwijking bij bijzondere omstandigheden

Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer onderdelen van deze titel in een hogeschool of in een aantal hogescholen die door hetzelfde instellingsbestuur in stand worden gehouden, in de weg staan, kan Onze minister, de Onderwijsraad gehoord, op verzoek van het instellingsbestuur toestaan, dat wat betreft een of meer onderdelen op de door hem aangewezen wijze wordt afgeweken van deze titel.

Artikel 10.38. Ontheffing in verband met godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging

  • 1. Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, die aan de hogeschool ten grondslag ligt, kan Onze minister, de Onderwijsraad gehoord, op verzoek van het instellingsbestuur van een bijzondere hogeschool ontheffing verlenen van de voorschriften van deze titel. Het instellingsbestuur toont bij zijn verzoek aan dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de hogeschool als van de bij de hogeschool betrokken studenten.

  • 2. Onze minister verklaart de ontheffing vervallen, indien de gronden waarop zij berustte, niet meer aanwezig zijn dan wel indien zij niet meer wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden van elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën.

  • 3. Het instellingsbestuur doet elke vijf jaren aan Onze minister mededeling omtrent de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de ontheffing en de ondersteuning ervan.

Artikel 10.39. Voorzieningen en scholing

  • 1. Het instellingsbestuur staat de medezeggenschapsraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, en die de raad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid zoveel mogelijk tijdens werktijd te vergaderen.

  • 2. Het instellingsbestuur stelt de leden van de medezeggenschapsraad in de gelegenheid om gedurende een door het instellingsbestuur en de raad gezamenlijk vast te stellen hoeveelheid tijd de scholing te ontvangen die de leden van de raad voor de vervulling van hun taak nodig hebben. Het personeel van de hogeschool wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de raden, bedoeld in artikel 10.35.

L

De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van hoofdstuk 10, titel 1, paragraaf 1, wordt vervangen door:

Paragraaf 1. Het bestuur en de inrichting van de hogeschool.

2. Het opschrift van artikel 10.3 wordt vervangen door:

Artikel 10.3. Delegatie taken en bevoegdheden.

3. Na artikel 10.3. wordt ingevoegd:

Artikel 10.3a. Faculteiten en andere organisatorische eenheden

Artikel 10.3b. Bestuursreglement

Artikel 10.3c. Opleidingscommissies.

4. Na artikel 10.8. wordt ingevoegd:

Artikel 10.8a. Afwijking bestuursreglement

5. Het opschrift van artikel 10.13. komt te luiden:

Artikel 10.13. Van overeenkomstige toepassingverklaring afwijkende bevoegdheidsverdeling, huisregels, ordemaatregelen en geschillenregeling.

6. Het opschrift van de artikelen 10.17. tot en met 10.31. wordt vervangen door:

Artikel 10.17. Medezeggenschapsraad

Artikel 10.18. Voorzitter medezeggenschapsraad

Artikel 10.19. Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en raadsleden

Artikel 10.20. Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad

Artikel 10.21. Medezeggenschapsreglement

Artikel 10.22. Inhoud medezeggenschapsreglement

Artikel 10.23. Advies

Artikel 10.24. Bijzondere bevoegdheden

Artikel 10.25. Deelraden

Artikel 10.26. Commissie voor geschillen

Artikel 10.27. Competentie commissie voor geschillen

Artikel 10.28. Geschil instemmingsbevoegdheid

Artikel 10.29. Geschil inhoud medezeggenschapsreglement

Artikel 10.30. Geschil adviesbevoegdheid

Artikel 10.31. Geschil interpretatie

Artikel 10.32. Nadere geschillen

Artikel 10.33. Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad

Artikel 10.34. Commissies

Artikel 10.35. Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

Artikel 10.36. Gemeenschappelijke commissies

Artikel 10.37. Afwijking bij bijzondere omstandigheden

Artikel 10.38. Ontheffing in verband met godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging

Artikel 10.39. Voorzieningen en scholing.

ARTIKEL II

Het instellingsbestuur stelt uiterlijk 1 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het bestuursreglement vast.

ARTIKEL III

  • 1. Het instellingsbestuur draagt zorg dat uiterlijk 1 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet verkiezingen voor de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 10.17 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, plaatsvinden.

  • 2. Totdat de medezeggenschapsraad overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen, treden de leden van de bij inwerkingtreding van deze wet bestaande medezeggenschapsraad op als leden van de medezeggenschapsraad in de zin van artikel 10.17 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zoals dat artikel luidt na de inwerkingtreding van deze wet.

  • 3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op deelraden en gemeenschappelijke medezeggenschapsraden.

ARTIKEL IV

  • 1. Het instellingsbestuur legt uiterlijk vier maanden na het tijdstip waarop de verkiezingen ingevolge artikel III, eerste lid, hebben plaatsgevonden, een ontwerp van het medezeggenschapsreglement voor aan de medezeggenschapsraad. De raad spreekt zich binnen vier maanden uit over het voorstel. Het instellingsbestuur stelt het reglement slechts vast voor zover het, na overleg al dan niet gewijzigde, voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.

  • 2. Het medezeggenschapsreglement, bedoeld in artikel 10.17 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, vervalt op het tijdstip waarop het instellingsbestuur het medezeggenschapsreglement, bedoeld in het eerste lid, vaststelt, tenzij het instellingsbestuur met instemming van de raad bepaalt dat het geheel of gedeeltelijk op een eerder tijdstip vervalt.

ARTIKEL V

Ten aanzien van geschillen die voor de inwerkingtreding van deze wet door het instellingsbestuur zijn voorgelegd aan een commissie voor geschillen als bedoeld in artikel 10.23 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals het gold voor de inwerkingtreding van deze wet van toepassing.

ARTIKEL VI

In de artikelen 2.49, eerste lid eerste volzin, en 2.57, eerste lid eerste volzin, van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs2 wordt telkens na «omvang van de betrekking» ingevoegd: , tot de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband.

ARTIKEL VII

De Wet medezeggenschap onderwijs 19923 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 6, onderdeel f, wordt «de gezondheid en de veiligheid» vervangen door: de veiligheid, de gezondheid en het welzijn.

B

Artikel 15 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid, onderdeel c, wordt «de veiligheid en de gezondheid» vervangen door: de veiligheid, de gezondheid en het welzijn.

2. In de aanhef van het zesde lid vervalt «(Stb. 1990, 94)» en «(Stb. 1991, 494)».

ARTIKEL VIII

Artikel I onderdeel A van de wet van 21 december 1994 (Stb. 942) vervalt.

ARTIKEL IX

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 26 januari 1996

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

Uitgegeven de negenentwintigste februari 1996

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1992, 593, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 november 1995, Stb. 598.

XNoot
2

Stb. 1992, 337, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 november 1995, Stb. 612.

XNoot
3

Stb. 1992, 663, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 november 1995, Stb. 612.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1994/95, 23 944.

Handelingen II 1994/95, blz. 4588–4606; 4718–4719.

Kamerstukken I 1994/95, 23 944 (272, 272a); 1995/96, 23 944 (18, 18a, 18b, 18c).

Handelingen I 1995/96, blz. 813–815.