Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatsblad 1995, 88 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatsblad 1995, 88 | AMvB |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Beschikken bij dit besluit ter zake van het bezwaarschrift van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 27 september 1994, nr. SO.ROV.W en W/53199, nader gemotiveerd bij schrijven van 9 november 1994, nr. SO.ROV.W en W/58093, tegen het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94.0064761, waarbij het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland, van 6 juli 1994, nr. RG94.24165, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het hanteren van een zogenoemde koopprijsgrens van f 250 000,– voor het stedelijk gebied in de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Apeldoorn, is vernietigd.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw A. G. M van de Vondervoort, van 16 januari 1995, DBD 12195014, Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting, Bestuursdienst.
Bij besluit van 6 juli 1994, nr. RG94.24165, hebben gedeputeerde staten van Gelderland onder andere goedkeuring verleend aan het hanteren van een zogenoemde koopprijsgrens van f 250 000,– voor het stedelijk gebied in de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Apeldoorn.
Op grond van artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet kunnen, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, in een huisvestingsverordening woonruimten met een hogere dan de in het derde lid van voornoemd artikel vastgestelde koopprijs worden aangewezen en daarmee onder het vergunningstelsel worden gebracht, «voor zover zodanige aanwijzing in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of in een of meer kernen, behorende tot die gemeente».
Bij het koninklijk besluit van 18 augustus 1994, nr. 94 006476, is het desbetreffende deel in genoemd besluit van gedeputeerde staten van Gelderland wegens strijd met het recht vernietigd. In dat koninklijk besluit is – kort samengevat – het volgende overwogen.
Gebleken is dat (het stedelijk gebied van) Apeldoorn een regionale opvangfunctie vervult en in verband daarmee een relatief hoge groei van de woningvoorraad kent. Om die reden is aan het desbetreffend criterium in de Huisvestingswet niet voldaan in welk geval gedeputeerde staten van Gelderland in strijd daarmee goedkeuring hebben verleend aan het hanteren van een koopprijsgrens van f 250 000,– in de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Apeldoorn.
Tegen genoemd koninklijk besluit hebben burgemeester en wethouders van Apeldoorn bij schrijven van 27 september 1994, nr. SO.ROV.W en W/53199, nader gemotiveerd bij schrijven van 9 november 1994, nr SO.ROV.W en W/58093, een bezwaarschrift ingediend op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht.
Tegen genoemd koninklijk besluit is overigens ook door gedeputeerde staten van Gelderland een bezwaarschrift ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht is daarop reeds beslist en wel tot ongegrondverklaring van de bezwaren, bij koninklijk besluit van 9 december 1994, nr. 94.006476.2
Artikel 274a van de Provinciewet juncto artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht geeft een belanghebbende de mogelijkheid tegen een koninklijk besluit tot vernietiging een bezwaarschrift in te dienen. Burgemeester en wethouders van Apeldoorn zijn in deze belanghebbende. Zij hebben tijdig bezwaar gemaakt tegen het genoemde vernietigingsbesluit. Burgemeester en wethouders van Apeldoorn zijn derhalve ontvankelijk in hun bezwaar.
Burgemeester en wethouders van Apeldoorn hebben hun bezwaar doen steunen op de volgende motiveringen:
– dat bij de beslissing tot vernietiging van het onderhavige besluit van gedeputeerde staten van Gelderland geen rekening is gehouden met de ruimtelijke beperkingen die de Veluwe kent;
– dat immers, zoals vastgelegd in het streekplan 1987, voor de Veluwe als geheel een restrictief bouwbeleid geldt, waarbij het binnenlandse migratiesaldo taakstellend op nul is gesteld, hetgeen betekent dat slechts ruimte wordt geboden voor woningzoekenden met een binding aan de Veluwe;
– dat Apeldoorn als concentratiegemeente binnen de Veluwe weliswaar extra woningbouwmogelijkheden heeft ten opzichte van de eigen behoefte, maar deze aanvullende woningbouw uitsluitend bedoeld is om samen met Ede en Harderwijk de vestigingsdruk van personen met een binding aan de Veluwe te reguleren;
– dat geplaatst in de context als hiervoor is aangegeven Apeldoorn wel degelijk te maken heeft met een beperking van uitbreiding van de woningvoorraad;
– dat bij de beslissing tot vernietiging van het onderhavige bezwaarschrift ook geen rekening is gehouden met de vestigingsdruk in de regio Oost-Veluwe;
– dat uit het provinciaal woningbehoefte onderzoek (1990) is gebleken dat het aantal woningzoekenden op de Veluwe als totaal de afgelopen 4 jaar met ruim 20% is toegenomen;
– dat geconstateerd moet worden dat de druk op de woningvoorraad in het stedelijk gebied van Apeldoorn ook onverminderd groot is, resulterend in een grote schaarste aan betaalbare/goedkope woningen in de huur- en koopsector;
– dat uit een onlangs gehouden woningmarktonderzoek blijkt dat de minder draagkrachtigen, i.c. de doelgroep van beleid, meer huishoudens (61%) omvat dan er goedkope woningen zijn (49%);
– dat er in 33% van de goedkope woningvoorraad sprake is van scheve bewoning in welk geval de gemeente ook regulerende maatregelen in de middeldure koopsector moet kunnen treffen voor de huisvesting van de doelgroep;
– dat het aantal ingeschreven woningzoekenden voor een huurwoning en een sociale koopwoning per 1-1-1994 9597, respectievelijk 2048 bedroeg, waarvan 70% tot de doelgroep en 30% tot de midden inkomensgroepen behoort;
– dat als gevolg van de spanning tussen vraag en aanbod van huurwoningen er sprake is van lange wachttijden voor de woningzoekenden, terwijl de gemiddelde inschrijvingsduur van starters en doorstromers een stijgende tendens vertoont, hetgeen een goede indicatie is van de druk op de woningmarkt;
– dat als gevolg van schaarste de gemiddelde verkoopprijs van koopwoningen van f 245 000,– aanmerkelijk hoger ligt dan die in omliggende steden;
– dat bij de beslissing tot vernietiging van het onderhavige besluit van gedeputeerde staten van Gelderland eveneens geen rekening is gehouden met verdringingsverschijnselen op de woningmarkt ten koste van de doelgroep van beleid;
– dat immers het niet hanteren van een hogere koopprijsgrens een ongewenste vergroting van de vestigingsdruk op het stedelijk gebied van Apeldoorn betekent, doordat ongebonden vestigers dan woonruimte kunnen betrekken die anders beschikbaar zou zijn voor het vrijmaken van schaarse goedkope woonruimte ten behoeve van de doelgroep van beleid;
– dat een situatie als hiervoor bedoeld niet alleen op gespannen voet staat met het provinciaal ruimtelijk beleid maar ook een regionaal afgestemde aanpak frustreert, zulks met alle gevolgen van dien voor de regio-gemeenten die ten aanzien van hun woningzoekenden op de opvangmogelijkheid in Apeldoorn zijn aangewezen;
– dat ten onrechte ook geen rekening is gehouden met het belang en de functie van de middeldure koopsector tot f 250 000,– voor de plaatselijke en regionale doorstroming in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte met het oog op de doelgroep;
– dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat Apeldoorn slechts een regionale en geen landelijke opvangtaak vervult.
Naar aanleiding van het vorenstaande overwegen Wij het volgende.
De Huisvestingswet gaat in beginsel uit van de eigen verantwoordelijkheid van de burgers voor hun woonsituatie. Voorop staat derhalve de zelfredzaamheid van de woningzoekenden en het vertrouwen in de werking van de woningmarkt. Nochtans maakt de Huisvestingswet het mogelijk om in een gemeentelijke huisvestingsverordening regelen te stellen inzake het in gebruik nemen van woonruimte voor bewoning. Blijkens de wetsgeschiedenis, de wettekst alsmede de circulaire van de Staatssecretaris van VROM inzake inwerkingtreding Huisvestingswet en Huisvestingsbesluit van 13 mei 1993 (MG 93–18) zijn evenwel voor overheidsbemoeienis met de verdeling van woonruimte in de vorenbedoelde zin vanuit verschillende invalshoeken grenzen in acht te nemen.
In de eerste plaats geldt het uitgangspunt, dat ten grondslag ligt aan de Huisvestingswet en het daarop gebaseerde Huisvestingsbesluit, dat het ingrijpen van de overheid nooit zover mag gaan dat het in diverse internationale verdragen erkende recht van de eigenaar om vrijelijk over zijn eigendom te beschikken en het recht van de burger om zich vrij te vestigen wordt aangetast, zonder dat de noodzaak daartoe is gebleken.
In de tweede plaats geldt het in de considerans en diverse bepalingen van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit neergelegde uitgangspunt dat de bemoeienis van de overheid met de woonruimteverdeling nooit zover mag gaan dat de vrije werking van de woningmarkt, anders dan met het oog op de bevordering van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte nodig is, wordt aangetast. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat overheidsbemoeienis met de woningmarkt niet een vanzelfsprekende zaak is, doch beperkt dient te blijven tot gevallen waarin een zodanig tekort bestaat of dreigt te ontstaan dat dit zonder overheidsingrijpen tot onaanvaardbare situaties zal leiden voor de woningzoekenden. Overheidsbemoeienis veronderstelt dat er in elk geval sprake is van een zodanige situatie op de markt van goedkopere woningen waardoor de evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in het gedrang komt en derhalve regulering van de schaarse goedkopere woningen geboden is. De Huisvestingswet heeft hierbij in het bijzonder het oog op bepaalde groepen van woningzoekenden met een verhoudingsgewijs zwakke financiële positie op de woningmarkt, i.c. de doelgroep van beleid, wier huisvesting als gevolg van schaarste zonder overheidsbemoeienis, in gevaar komt. Alleen schaarste of dreigende schaarste aan woonruimte in de vorengenoemde zin kan een rechtvaardiging vormen voor door de overheid te nemen maatregelen die een beperking opleggen aan de vrije marktwerking en aan het recht van de burgers zich vrij te vestigen.
In de derde plaats is de reikwijdte van de Huisvestingswet door middel van maximale huur- en koopprijsgrenzen afgebakend. Deze grenzen geven aan welk deel van de voorraad aan woningen met behulp van het instrumentarium van de Huisvestingswet voor een belangrijk deel voor de doelgroep van beleid kan worden afgeschermd. Deze grenzen zijn afgestemd op de voor de doelgroep van beleid betaalbare woningvoorraad.
In het tweede lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is bepaald dat huur- en koopwoningen in beginsel alleen onder het vergunningstelsel van de wet gebracht kunnen worden, indien de huur- dan wel koopprijs daarvan onder de wettelijk vastgestelde huurprijsgrens respectievelijk de koopprijsgrens ligt. Deze grenzen zijn, na aanvaarding van een daartoe strekkend amendement tijdens de mondelinge behandeling van het voorstel voor de Huisvestingswet in de Tweede Kamer, in het derde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet voor wat betreft de koopprijsgrens gelijkgesteld aan de in de betrokken gemeente geldende maximale koopsom van een woonruimte, voor het in eigendom verkrijgen waarvan aan de eigenaar-bewoner krachtens wettelijk voorschrift, i.c. het Besluit woninggebonden subsidies, een van diens inkomen afhankelijke rijksbijdrage kan worden verstrekt. Op grond daarvan gold in 1994 een koopprijsgrens van f 146 000,– voor de provincie Gelderland.
De wetgever heeft met het systeem van de maximale prijsgrenzen duidelijk tot uitdrukking gebracht dat de voorraad van duurdere (koop)woningen, waar de huishoudens met hogere inkomens op zijn aangewezen, in beginsel buiten de regulering door de gemeentelijke overheid dient te worden gehouden en wat de verdeling van deze koopwoningen betreft te vertrouwen op de werking van de markt. Verdergaande inperking van de vrije marktwerking, het gebruik van eigendom en de vrijheid van vestiging via hantering van hogere prijsgrenzen past derhalve in beginsel niet in de opzet van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit.
Krachtens het vierde lid van artikel 6 van de Huisvestingswet is, bij wijze van uitzondering, aanwijzing als distributiewoonruimte van onder andere koopwoningen met een koopprijs boven de in artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet gestelde koopprijsgrens, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, mogelijk, echter uitsluitend voor de gemeenten die in de in dat artikellid nauw omschreven uitzonderlijke situatie verkeren. Blijkens artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet, kunnen gedeputeerde staten aan de aanwijzing door gemeenten van duurdere koopwoningen als distributiewoonruimte namelijk alleen goedkeuring verlenen, indien zodanige aanwijzing «in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of in één of meer kernen, behorend tot die gemeente». Voor het aanwijzen van woonruimte boven de koopprijsgrens ingevolge genoemd artikellid dient derhalve in de eerste plaats vast te staan dat er geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente zijn, die voortvloeien uit het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid (eerste criteriumonderdeel). Indien dit het geval is, moet vervolgens de vraag worden beantwoord of het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte een hogere koopprijsgrens noodzakelijk maakt (tweede criteriumonderdeel).
Het eerste criteriumonderdeel (geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woningvoorraad voortvloeiend uit het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid) bevat de basisvoorwaarde in verband met de verhoging van de (koop)prijsgrens. Blijkens deze voorwaarde heeft de wetgever alleen een mogelijkheid tot verhoging van onder andere de koopprijsgrens willen geven indien er voor een gemeente, op grond van bovengemeentelijk ruimtelijk beleid (blijkend uit het streekplan) geringe mogelijkheden zijn tot uitbreiding van de reeds bestaande woningvoorraad. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest dat er voor de invulling van dit begrip een relatie wordt gelegd met de plaatselijke, regionale dan wel landelijke behoefte aan woningen en met de omvang en de aard van de schaarste in de betreffende gemeente. Met het woord «geringe» heeft de wetgever een maat gegeven. De desbetreffende gemeente moet, wil haar aanwijzing van ook duurdere woonruimte door gedeputeerde staten goedgekeurd kunnen worden, in absolute zin, dus losstaand van de omvang en oorzaak van de vraag naar woonruimte, bijna geen nieuwbouw mogen plegen. De enige relatie die voor de invulling van de maat van de uitbreidingsmogelijkheid, welke is uitgedrukt door het woord «geringe», mag worden gelegd, is die met de reeds bestaande voorraad.
Het tweede criteriumonderdeel (noodzakelijk in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte) bevat de voorwaarde waaraan dient te zijn voldaan om überhaupt een vergunningstelsel in het leven te mogen roepen. Deze voorwaarde impliceert dat er sprake moet zijn van schaarste. Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarin door een tekort aan in het bijzonder goedkope woonruimte bepaalde groepen van woningzoekenden, die om geldelijke of maatschappelijke redenen een verhoudingsgewijs zwakke positie op de woningmarkt innemen, i.c. de doelgroep van het volkshuisvestingsbeleid, niet meer of moeilijk zelf in adequate huisvesting kunnen voorzien. In tegenstelling tot het eerste criteriumonderdeel kan hier wel een verband worden gelegd met de omvang van de woningproduktie afgezet tegen de vestigingsdruk, i.c. in de regio Oost-Veluwe in het algemeen en in Apeldoorn in het bijzonder, de scheve bewoning in de bestaande woningvoorraad, de aard en omvang van de woningvoorraad alsmede de aard (b.v. de primaire doelgroep) en de omvang van de (aantallen ingeschreven) woningzoekenden en met de wenselijkheid van het vergunningstelsel vanuit gemeentelijk of regionaal huisvestingsbeleid gezien; bijvoorbeeld omdat de primaire doelgroep alleen adequaat kan worden gehuisvest indien ook de doorstroming van de huur- naar de koopsector zoveel mogelijk kan worden gereguleerd.
Gezien de wetsgeschiedenis heeft de wetgever deze uitzondering op de algemene regel van artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet, voor de bepaling van het distributiebestand uitsluitend gemaakt voor de gemeenten die op grond van het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid waaraan zij zijn onderworpen zodanig stringent en knellend in de groei van de woonruimtevoorraad zijn beperkt dat zij feitelijk op de bestaande woonruimtevoorraad zijn en blijven aangewezen. Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt heeft de wetgever hiermee beoogd de onder de vorengenoemde omstandigheden verkerende gemeenten een instrument ter beschikking te stellen ter bescherming van de aan die gemeenten economisch en sociaal gebondenen, tegen verdringing op de bestaande woningvoorraad door andere vestigers van elders. Met uitsluiting van de andere gemeenten dienen deze gemeenten de mogelijkheid te hebben om de toch al schaars vrijkomende woningen in de bestaande voorraad bij voorrang aan de plaatsgebonden woningzoekenden toe te wijzen.
In dit verband wordt er verder met nadruk op gewezen dat in genoemd artikellid alleen over gemeenten en kernen van gemeenten wordt gesproken, zodat het derhalve nimmer kan gaan om een regio waarbinnen, in het belang van de regionale afstemming van maatregelen, uniform hogere (koop)prijsgrenzen zouden moeten worden gehanteerd, tenzij de regio uitsluitend zou bestaan uit gemeenten waarop het artikellid van toepassing is. Gedeputeerde staten zullen bij verzoeken van regio's tot verhoging van (koop)prijsgrenzen steeds moeten beoordelen op de vraag of er in de bij een zodanig verzoek betrokken gemeenten, elk afzonderlijk, sprake is van geringe uitbreidingsmogelijkheden van de woningvoorraad als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet, zoals dat hiervoor nader is uiteengezet.
Vanuit de ruimtelijke ordening wordt aangegeven in welke gebieden een uitbreiding van de woningvoorraad mogelijk is en voor welke gebieden op dat punt restricties gelden. Voor wat betreft de volkshuisvesting wordt in streekplannen aangegeven of een gemeente wel of geen geringe mogelijkheden heeft tot uitbreiding van de woningvoorraad. Voor het antwoord op de vraag of er in een gemeente sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet geldt het streekplan als belangrijkste toetsingskader.
Het bovengemeentelijk ruimtelijk beleid ten aanzien van de Veluwe, vastgelegd in het streekplan Veluwe 1987, kan als volgt worden samengevat.
Voor de Veluwe als geheel gelden beperkende voorwaarden om uitbreiding van de woningvoorraad te realiseren, onder andere tot uitdrukking komend in een taakstellend binnenlands migratiesaldo van nul. Binnen de Veluwe is Apeldoorn als concentratiegemeente aangewezen. In deze hoedanigheid heeft Apeldoorn extra woningbouwmogelijkheden ten opzichte van de eigen behoefte met dien verstande dat hun aanvullende woningbouw slechts er op gericht mag zijn de vestigingsdruk van aan de Veluwe gebonden woningzoekenden te reguleren. Het gaat hierbij echter nadrukkelijk om een regionale opvangtaak en geen landelijke opvangtaak.
Wij constateren dat niet is aangetoond dat er ten gevolge van bovengemeentelijk ruimtelijk beleid zodanige beperkende voorwaarden zijn verbonden aan de mogelijkheden voor Apeldoorn voor uitbreiding van de woningvoorraad dat gesproken kan worden van geringe uitbreidingsmogelijkheden van de woningvoorraad als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet. Integendeel. Gegeven het feit dat Apeldoorn een regionale opvangfunctie vervult kent deze gemeente daarom reeds een relatief hoge groei van de woningvoorraad. De door burgemeester en wethouders van Apeldoorn overigens aangevoerde argumenten waarmee het belang van een hogere koopprijsgrens, i.c. van f 250 000,–, in Apeldoorn wordt onderstreept, missen, zoals hiervoor is aangegeven, ook een basis in de Huisvestingswet. Slechts is betoogd dat er in Apeldoorn voldaan wordt aan de (ook voor het mogen invoeren van een «normaal» vergunningstelsel gestelde) voorwaarde dat er sprake moet zijn van schaarste als gevolg van spanning tussen vraag en aanbod van woningen en dat een gemeentelijke bemoeienis met het oog op de bevordering van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de schaarse woonruimte nodig is. Wij merken in dit verband op dat, zoals ook uit de wetsgeschiedenis blijkt, de wetgever met artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet uitdrukkelijk niet heeft beoogd de gemeenten een instrument ter beschikking te stellen ter algemene regulering van de instroom van woningzoekenden en ter bevordering van de doorstroming. Op basis van de door burgemeester en wethouders van Apeldoorn in hun bezwaarschrift aangevoerde argumenten kan derhalve geen goedkeuring worden verleend voor het hanteren van een hogere koopprijsgrens dan uit artikel 6, derde lid, van de Huisvestingswet volgt.
Gelet op artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient het bestuursorgaan de belanghebbende te horen voordat op het bezwaarschrift wordt beslist. Zowel de indiener van het bezwaarschrift als eventuele andere belanghebbenden dienen in de gelegenheid te worden gesteld hun standpunt (nader) toe te lichten.
Ter voldoening aan het bepaalde in eerdergenoemd artikel 7:2 van de Awb is belanghebbende gehoord op donderdag 15 december 1994, conform artikel 7:5, eerste lid, onder b, van de Awb. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld zonodig wijzigingen aan te geven alvorens het verslag definitief werd vastgesteld. Belanghebbende heeft het definitieve verslag toegezonden gekregen.
Het horen van belanghebbende heeft geen nieuwe feiten, argumenten en andere gezichtspunten opgeleverd, dan die welke in het bezwaarschrift reeds naar voren zijn gebracht.
Alles overziende zijn Wij van oordeel dat de gemeente Apeldoorn niet voldoet aan het criterium vervat in artikel 6, vierde lid, van de Huisvestingswet. Wij blijven derhalve van oordeel dat gedeputeerde staten van Gelderland geen goedkeuring konden hechten aan het met toepassing van dit artikellid in de Huisvestingsverordening 1994 van deze gemeente vaststellen van een hogere koopprijsgrens dan voortvloeit uit artikel 6, tweede en derde lid, van de Huisvestingswet.
Gelet op artikel 274a van de Provinciewet en de Algemene wet bestuursrecht,
Hebben Wij goedgevonden en verstaan:
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
D. K. J. Tommel
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
A. G. M. van de Vondervoort
Uitgegeven de drieëntwintigste februari 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1995-88.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.