Besluit van 3 februari 1995, houdende regels met betrekking tot bijdragen voor milieugerichte technologie (Bijdragenbesluit milieugerichte technologie)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 april 1994, nr. MJZ25494008, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;

Gelet op artikel 15.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 9 november 1994, nr. W08.94.0258);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 januari 1995, nr. MJZ 30195031, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Definities

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. aanvrager: natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet behorende tot de rijksoverheid, die een bijdrage op grond van dit besluit aanvraagt of heeft aangevraagd;

b. programmabeheerder: Onze Minister dan wel, voor zover een orgaan of rechtspersoon krachtens artikel 2, zevende lid, met de uitvoering van dit besluit is belast, dat orgaan of die rechtspersoon;

c. groep: economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect:

– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

– volledig aansprakelijk vennoot is van, of

– overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en

2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

d. project: een haalbaarheidsproject, een onderzoeks- of ontwikkelingsproject, een praktijkexperiment, een kennisoverdrachtproject, een demonstratieproject, een marktintroduktieproject of een toepassingsproject;

e. haalbaarheidsproject: samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden om een produkt, apparaat, systeem of techniek te ontwikkelen of in de praktijk toe te passen;

f. onderzoeks- of ontwikkelingsproject: samenhangend geheel van activiteiten, gericht op:

1°. het vermeerderen van technisch of wetenschappelijk inzicht ten aanzien van een produkt, apparaat, systeem of techniek,

2°. het geschikt maken van een produkt, apparaat, systeem of techniek voor toepassing in de praktijk, niet zijnde een praktijkexperiment, of

3°. het verbeteren van het ontwerp van een produkt, apparaat, systeem of techniek;

g. praktijkexperiment: samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit het treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, voor zover geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van inzicht in de geschiktheid voor toepassing in de praktijk van een produkt, apparaat, systeem of techniek, alsmede de daarmee samenhangende activiteiten, geheel of nagenoeg geheel gericht op het verbeteren van die geschiktheid;

h. kennisoverdrachtproject: samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het overdragen van kennis en informatie over de toepassing van milieutechnologie aan een bepaalde doelgroep;

i. demonstratieproject: samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden, bestaande uit het treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, met behulp van:

1°. voor Nederland nieuwe produkten, apparaten, systemen of technieken, of

2°. een voor Nederland nieuwe toepassing van produkten, apparaten, systemen of technieken, alsmede de daarmee samenhangende activiteiten bestemd voor het demonstreren van voorzieningen en de daarmee behaalde resultaten, met inbegrip van het verstrekken van gegevens aan de programmabeheerder ten behoeve van de verspreiding van kennis omtrent de aard en resultaten van de voorzieningen;

j. marktintroduktieproject: samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit het in Nederland treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, met behulp van produkten, apparaten, systemen of technieken die:

1°. reeds eerder zijn gedemonstreerd maar die in Nederland nog niet gebruikelijk zijn, en

2°. die een verdergaande bescherming van het milieu bieden dan zou worden bereikt wanneer uitsluitend zou worden voldaan aan de terzake geldende wettelijke voorschriften;

k. toepassingsproject: het ten behoeve van het toepassen in de praktijk investeren in een reeds tot ontwikkeling gebracht produkt, apparaat, systeem of techniek, waarvan stimulering van de toepassing op grote schaal wegens de milieuverdienste gewenst is;

l. programma:

1°. door Onze Minister vast te stellen samenhangend geheel van doelstellingen en soorten projecten, ten behoeve van een bepaalde nader omschreven milieuverdienste, in het kader waarvan krachtens dit besluit een bijdrage kan worden verstrekt, of

2°. door Onze Minister aan te wijzen categorie van objecten ten aanzien waarvan in de kosten van aanschaf en ingebruikneming krachtens dit besluit een bijdrage kan worden verstrekt;

m. milieuverdienste: belang van een project voor de vermindering van de milieubelasting;

n. ondernemer:

1°. een natuurlijk persoon voor wiens rekening een onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt gedreven of

2°. een belastingplichtige in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Bekendmakingen in de Staatscourant

Artikel 2

  • 1. Onze Minister maakt ieder kalenderjaar in de Staatscourant bekend:

    a. het totale bedrag dat in dat jaar beschikbaar is voor bijdragen op grond van dit besluit;

    b. een uitsplitsing van het totale bedrag in bedragen die in dat jaar beschikbaar zijn voor verlening van bijdragen op grond van dit besluit, per programma of onderdeel daarvan;

    c. programma's, of de zakelijke inhoud daarvan, in het kader waarvan met toepassing van dit besluit een bijdrage kan worden verleend.

  • 2. Bij de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden in elk geval de volgende gegevens vermeld:

    a. een aanduiding van het programma;

    b. een omschrijving van het doel van het programma en van de doelgroep;

    c. de plaats waar de tekst van het programma kan worden opgevraagd, indien uitsluitend de zakelijke inhoud van het programma wordt bekendgemaakt;

    d. een omschrijving van de activiteit;

    e. de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een bijdrage;

    f. de beoordelingsaspecten;

    g. de aanvraagprocedure en de termijn waarbinnen de aanvragen moeten worden ingediend;.

    h. de kosten die in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de bijdrage;

    i. het maximale bedrag van de bijdrage of de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

  • 3. Onze Minister kan gedurende een kalenderjaar in de Staatscourant bekendmaken dat voor dat jaar een aanvullend bedrag ter beschikking wordt gesteld voor bijdragen op grond van dit besluit. Het eerste lid, onder b, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Onze Minister kan jaarlijks vóór 1 november, mits blijvend binnen het totale bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder a, in de Staatscourant bekendmaken dat de in dat lid, onder b, bedoelde, dan wel de overeenkomstig het derde lid aangevulde, respectievelijk de overeenkomstig het zesde lid verlaagde bedragen worden gewijzigd in verband met uitputting of onderbesteding van één of meer van die bedragen. Deze bekendmaking heeft geen gevolgen voor aanvragen die op het tijdstip van de bekendmaking waren ingediend.

  • 5. Indien het bedrag dat voor enig kalenderjaar voor een programma beschikbaar is gesteld in dat jaar is uitgeput, maakt Onze Minister onverwijld in de Staatscourant bekend dat voor het desbetreffende kalenderjaar geen aanvragen meer op grond van dat programma kunnen worden ingediend.

  • 6. Onze Minister kan in bijzondere gevallen gedurende een kalenderjaar in de Staatscourant bekendmaken dat het voor dat jaar beschikbaar gestelde bedrag wordt verlaagd. Het eerste lid, onder b, is van overeenkomstige toepassing. Deze bekendmaking heeft geen gevolgen voor aanvragen die op het tijdstip van de bekendmaking waren ingediend.

  • 7. Onze Minister kan de uitvoering van dit besluit geheel of gedeeltelijk opdragen aan een door hem aan te wijzen orgaan of rechtspersoon. In dat geval geeft Onze Minister aan of dat orgaan of die rechtspersoon als programmabeheerder dit besluit namens Onze Minister uitvoert. Onze Minister maakt de aanwijzing bekend in de Staatscourant. De aanwijzing, bedoeld in de eerste volzin, kan geen betrekking hebben op de vaststelling van programma's, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, op de bekendmakingen, bedoeld in dit artikel of op het stellen van nadere regels, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, en artikel 13, tweede lid.

Bijdragen voor projecten

Artikel 3

  • 1. Op een overeenkomstig dit besluit ingediende aanvraag kan een bijdrage worden verstrekt, indien de aanvrager in hoofdzaak in Nederland een project uitvoert dat past binnen een programma en dat, mede gelet op de in het tweede lid genoemde aspecten, voor zover deze van toepassing zijn, naar het oordeel van de programmabeheerder bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma.

  • 2. De aspecten, bedoeld in het eerste lid, zijn tenminste:

    a. de milieuverdienste van het project;

    b. de kosten van het project;

    c. de oorspronkelijkheid van het project;

    d. de slaagkans van het project;

    e. de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

    f. de doelmatigheid waarmee door middel van het project kennis kan worden verspreid;

    g. de toepassingsmogelijkheden van produkten, apparaten, systemen of technieken waarop het project betrekking heeft en de markt daarvoor;

    h. het belang van het project voor andere gepubliceerde doelstellingen van overheidsbeleid.

Hoogte van de bijdrage

Artikel 4

  • 1. De hoogte van de te verlenen bijdrage wordt bepaald met inachtneming van:

    a. de mate waarin de aanvrager een eigen belang heeft bij de resultaten van het project en

    b. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het programma.

  • 2. De bijdrage bedraagt ten hoogste:

    a. in geval van een haalbaarheidsproject: 90% van de projectkosten, maar niet meer dan f 200 000,–;

    b. in geval van een onderzoeks-of ontwikkelingsproject: 50% van de projectkosten, maar niet meer dan f 1 000 000,–, met dien verstande dat indien:

    1°. de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor het midden- en kleinbedrijf van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1992 (PbEG C 213), of

    2°. de aanvrager geen ondernemer is,

    een bijdrage kan worden verstrekt tot ten hoogste 60% van de projectkosten, maar niet meer dan f 1 000 000,–;

    c. in geval van een praktijkexperiment: 50% van de projectkosten, maar niet meer dan f 2 000 000,–, met dien verstande dat indien:

    1°. de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor het midden- en kleinbedrijf van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1992 (PbEG C 213), of

    2°. de aanvrager geen ondernemer is,

    een bijdrage kan worden verstrekt tot ten hoogste 60% van de projectkosten, maar niet meer dan f 2 000 000,–;

    d. in geval van een kennisoverdrachtproject: 90% van de projectkosten maar niet meer dan f 200 000,–;

    e. in geval van een demonstratieproject: 35% van de projectkosten voor zover deze niet meer bedragen dan f 1 000 000,– en 25% van de projectkosten voor zover deze meer bedragen dan f 1 000 000,–, met dien verstande dat de totale bijdrage niet meer bedraagt dan f 5 000 000,–;

    f. in geval van een marktintroduktieproject: 25% van de projectkosten maar niet meer dan f 5 000 000,–;

    g. in geval van een toepassingsproject: 15% van de projectkosten maar niet meer dan f 500 000,–.

  • 3. In een programma kunnen lagere maximum percentages en lagere maximum bedragen per projectsoort worden vastgesteld.

  • 4. Indien terzake van de projectkosten onderscheidenlijk een deel daarvan reeds uit anderen hoofde vanwege het Rijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen een bijdrage is verleend dan wel anderszins een financiële tegemoetkoming is gegeven, wordt slechts een zodanige bijdrage verleend dat het totale bedrag aan bijdragen niet meer bedraagt dan de ingevolge het tweede of derde lid maximaal geldende percentages voor de desbetreffende projectsoort.

  • 5. In een programma kan worden bepaald dat een project niet voor een bijdrage in het kader van dat programma in aanmerking komt indien voor dat project een bijdrage is verleend in het kader van dit besluit of van een andere met name te noemen regeling van rijkswege.

  • 6. In een programma kan worden bepaald dat een project niet voor een bijdrage in het kader van dat programma in aanmerking komt indien de projectkosten blijven beneden een bepaald, daarbij aangegeven, bedrag.

Projectkosten

Artikel 5

  • 1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:

    a. de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de aanvrager gemaakte en betaalde kosten:

    1°. kosten van de aanschaf, uitsluitend ten behoeve van het project, van machines en apparatuur;

    2°. loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van de betrokken medewerkers, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon berekend op basis van het jaarloon bij een volledige betrekking, gedeeld door 1600;

    3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;

    4°. een evenredig deel van de kosten van afschrijving van machines en apparatuur die niet uitsluitend ten behoeve van het project zijn aangeschaft, berekend op basis van de historische aanschafwaarde, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van 5 jaar;

    5°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van door hen verleende diensten en ter zake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van de bescherming van die rechten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;

    6°. reis- en verblijfkosten alsmede kosten van deelneming aan wetenschappelijke symposia, tot ten hoogste 10% van de projectkosten;

    b. een opslag voor algemene kosten, groot 40% van de loonkosten, bedoeld in onderdeel a, onder 2°.

  • 2. Tenzij het programma anders bepaalt worden projectkosten die zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag niet in aanmerking genomen.

  • 3. In een programma kunnen bepaalde van de in het eerste lid bedoelde kostencategorieën worden uitgesloten.

  • 4. Indien het programma dit bepaalt kan de berekening van het uurloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel, in afwijking van het eerste lid geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de aanvrager geldende en controleerbare methodiek.

  • 5. Kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de aanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen.

  • 6. Ingeval van een demonstratieproject, een marktintroductieproject of een toepassingsproject worden uitsluitend kosten van die machines, apparatuur, materialen en hulpmiddelen in aanmerking genomen welke rechtstreeks van belang zijn voor de bescherming van het milieu.

Bijdragen ten behoeve van bepaalde objecten

Artikel 6

  • 1. In een programma kan worden bepaald dat een bijdrage kan worden verstrekt voor de betaalde kosten van aanschaf en ingebruikneming van bepaalde, in dat programma aangewezen objecten, indien deze objecten in hoofdzaak bestemd zijn voor daadwerkelijk gebruik in Nederland.

  • 2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt voorafgaand aan de beschikking houdende vaststelling van de bijdrage geen beschikking tot verlening van de bijdrage gegeven.

  • 3. Met betrekking tot de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde bijdrage is het in de artikelen 7, 8, tweede tot en met vijfde lid, 9, aanhef en onder a, c en d, 11, tweede en derde lid, 12, aanhef en onder b tot en met f, met betrekking tot de verlening van de bijdrage bepaalde van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Het programma, bedoeld in het eerste lid, vermeldt de hoogte van de bijdrage, met dien verstande dat deze bijdrage niet meer kan bedragen dan 25% van de aanschafkosten met een maximum van f 25 000,– per object.

  • 5. Indien ter zake van de in het eerste lid bedoelde kosten of een deel van de kosten uit andere hoofde van rijkswege of in het kader van het steunbeleid van de Europese Unie een bijdrage is verleend dan wel anderszins een financiële tegemoetkoming is gegeven, wordt slechts een zodanige bijdrage verleend dat het totale bedrag aan bijdragen niet meer bedraagt dan 40% van die kosten onderscheidenlijk dan 40% van het desbetreffende deel.

HOOFDSTUK 2. DE INDIENING VAN DE AANVRAAG EN DE BESCHIKKING DAAROP

Indiening aanvraag en gegevens

Artikel 7

  • 1. De aanvraag om een bijdrage wordt ingediend bij de programmabeheerder.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gegevens die bij de aanvraag moeten worden verstrekt.

  • 3. Aanvragen worden niet ingediend per telefax.

  • 4. Aan degene die de aanvraag heeft ingediend wordt onverwijld een bericht van ontvangst toegezonden, waarin de datum van ontvangst wordt vermeld.

Beslistermijn

Artikel 8

  • 1. Tenzij het programma anders bepaalt geeft de programmabeheerder een beschikking binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt de programmabeheerder de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde termijn wordt opgeschort gedurende de periode dat de beslissing op de aanvraag moet worden aangehouden op grond van artikel 15.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

  • 3. Indien de verlening van een bijdrage naar aanleiding van een aanvraag tot gevolg kan hebben dat op grond van artikel 9, aanhef en onder d, afwijzend moet worden beslist op een andere aanvraag, die eerder voldeed aan de daarvoor geldende wettelijke voorschriften, geeft de programmabeheerder geen beschikking totdat op die eerdere aanvraag is beslist.

  • 4. Indien het bedrag, dat voor het betrokken kalenderjaar overeenkomstig artikel 2 beschikbaar is gesteld, door de verlening van de gevraagde bijdrage zou worden overschreden, kan de programmabeheerder bepalen dat de aanvragen waarop op dat moment nog niet is beslist, in afwijking van het eerste lid, worden aangehouden tot 1 maart van het daarop volgende kalenderjaar. Diegenen die reeds een aanvraag hebben ingediend worden van de aanhouding in kennis gesteld. Het bepaalde in de eerste en tweede volzin geldt niet voor aanvragen die zijn ingediend na de bekendmaking, bedoeld in artikel 2, vijfde lid.

  • 5. De programmabeheerder kan, alvorens op een aanvraag te beslissen, advies van derden inwinnen.

Afwijzingsgronden

Artikel 9

De programmabeheerder beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

a. indien een gegronde reden bestaat aan te nemen dat de aanvrager zal handelen in strijd met ingevolge dit besluit geldende verplichtingen of met artikel 15.17 van de Wet milieubeheer;

b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager in staat zal zijn het project volledig uit te voeren;

c. indien de aanvrager in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een andere beslissing op de aanvraag zou hebben geleid;

d. voor zover het bedrag dat in het betrokken kalenderjaar overeenkomstig artikel 2 beschikbaar is gesteld, door het totaal van de reeds verleende bijdragen met betrekking tot eerder ingediende aanvragen is uitgeput dan wel dat bedrag door verlening van de gevraagde bijdrage zou worden overschreden, en artikel 8, vierde lid, niet wordt toegepast.

Tender

Artikel 10

  • 1. Een programma kan voorzien in een gelijktijdige beslissing op aanvragen met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van het programma.

  • 2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, is het bepaalde in dit besluit van toepassing, met dien verstande dat:

    a. de beslistermijn, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanvangt op de eerste dag na de afloop van de termijn waarbinnen de aanvragen moeten zijn ingediend;

    b. artikel 8, derde lid, niet van toepassing is, en

    c. in afwijking van het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder d, aanvragen moeten worden afgewezen, indien het voor verlening van bijdragen met betrekking tot de betreffende bijdrage beschikbare bedrag is uitgeput door verlening van bijdragen met betrekking tot geschikter bevonden projecten.

Inhoud beschikking

Artikel 11

  • 1. De beschikking tot verlening van een bijdrage vermeldt in ieder geval:

    a. een raming van de projectkosten;

    b. het maximale bedrag van de bijdrage;

    c. de periode waarin het project moet worden uitgevoerd.

  • 2. De programmabeheerder kan aan een beschikking tot verlening van een bijdrage voorschriften verbinden.

  • 3. De programmabeheerder kan aan een beschikking tot verlening van een bijdrage voorwaarden verbinden, bij het niet vervuld worden waarvan de beschikking geen werking verkrijgt dan wel geheel of gedeeltelijk vervalt.

HOOFDSTUK 3. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN IN VERBAND MET DE BIJDRAGEVERLENING

Verplichtingen van de aanvrager

Artikel 12

De aanvrager dient:

a. het project uit te voeren overeenkomstig de bij de aanvraag verstrekte gegevens, tenzij de programmabeheerder voorafgaand schriftelijk toestemming heeft gegeven daarvan af te wijken;

b. bij de uitvoering van het project te beschikken over de daarvoor nodige vergunningen en ontheffingen;

c. een administratie te voeren die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de projectkosten kunnen worden afgelezen;

d. onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank is ingediend, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de programmabeheerder;

e. op verzoek van de programmabeheerder medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van het project, met uitzondering van vertrouwelijke bedrijfsgegevens;

f. alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door of vanwege Onze Minister ter zake van de toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld evaluatie-onderzoek.

HOOFDSTUK 4. VASTSTELLING DEFINITIEF BEDRAG VAN DE BIJDRAGE

Verzoek tot vaststelling

Artikel 13

  • 1. De aanvrager zendt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden na afloop van de in artikel 11, eerste lid, onder c, bedoelde periode aan de programmabeheerder een verzoek tot vaststelling van het definitieve bedrag van de bijdrage, te zamen met:

    a. een schriftelijk verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van het project;

    b. tenzij door de programmabeheerder anders wordt bepaald, een financieel verslag omtrent de realisatie van de projectkosten, welk verslag vergezeld gaat van een goedkeurende verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, afgegeven na een toetsing van de realisatie van het project in verhouding tot de projectkosten.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verslagen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, en ten aanzien van de toetsing, bedoeld in het eerste lid, onder b.

  • 3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op bijdragen als bedoeld in artikel 6.

Beslistermijn en ambtshalve toekenning verzoek

Artikel 14

  • 1. Binnen dertien weken na ontvangst van het in artikel 13 bedoelde verzoek te zamen met de in dat artikel bedoelde verslagen stelt de programmabeheerder de bijdrage vast.

  • 2. Indien de aanvrager niet of niet geheel heeft voldaan aan artikel 13 stelt de programmabeheerder hem in de gelegenheid binnen een door de programmabeheerder te stellen termijn een verzoek tot vaststelling van het definitieve bedrag van de bijdrage onderscheidenlijk een aanvulling van dat verzoek in te dienen.

  • 3. Indien na afloop van de in het tweede lid bedoelde termijn geen verzoek is ingediend, stelt de programmabeheerder het definitieve bedrag van de bijdrage ambtshalve vast.

Vaststelling van de bijdrage

Artikel 15

  • 1. Onverminderd de in het tweede en derde lid bedoelde gevallen, stelt de programmabeheerder de bijdrage vast overeenkomstig hetgeen is bepaald bij de beschikking tot verlening van de bijdrage.

  • 2. De programmabeheerder kan de bijdrage op een lager bedrag of op nihil vaststellen indien:

    a. de activiteiten waarvoor de bijdrage is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

    b. de aanvrager niet of niet geheel heeft voldaan aan de voor hem ingevolge dit besluit geldende verplichtingen of aan artikel 15.17 van de Wet milieubeheer;

    c. de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een andere beslissing op de aanvraag tot verlening van de bijdrage zou hebben geleid;

    d. de beschikking tot verlening van de bijdrage anderszins onjuist was en de aanvrager dit wist of behoorde te weten.

  • 3. In het geval, bedoeld in artikel 17, eerste lid, stelt de programmabeheerder de bijdrage vast overeenkomstig hetgeen is bepaald in de beschikking tot intrekking.

Inhoud beschikking tot vaststelling en betaling van de bijdrage

Artikel 16

  • 1. De beschikking houdende vaststelling van een bijdrage vermeldt het bedrag van de bijdrage.

  • 2. De beschikking vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen het bedrag van de bijdrage wordt betaald.

  • 3. De bijdrage wordt betaald overeenkomstig de beschikking houdende vaststelling van de bijdrage, onder verrekening van betaalde voorschotten.

Gevolgen van intrekking beschikking tot verlening

Artikel 17

  • 1. Indien een beschikking op de aanvraag om een bijdrage geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken voordat de bijdrage is vastgesteld, werkt deze intrekking terug tot en met het tijdstip waarop de bijdrage is verleend, tenzij bij de intrekking anders is bepaald.

  • 2. Indien een beschikking op de aanvraag om een bijdrage geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken nadat de bijdrage is vastgesteld, vervalt de beschikking houdende vaststelling van de bijdrage geheel, onderscheidenlijk voor het ingetrokken gedeelte.

HOOFDSTUK 5. BEVOORSCHOTTING

Voorschotverlening

Artikel 18

  • 1. De programmabeheerder kan op verzoek van de aanvrager tot ten hoogste een keer per kalenderkwartaal voorschotten verstrekken ter zake van de verleende bijdrage.

  • 2. Voorschotten worden berekend over de gemaakte en betaalde projectkosten en bedragen te zamen ten hoogste 80% van de verleende bijdrage.

  • 3. De programmabeheerder kan aan de beschikking tot verstrekking van een voorschot voorschriften verbinden.

Beslistermijn

Artikel 19

De programmabeheerder geeft binnen acht weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 18, een beschikking. Indien de beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt de programmabeheerder de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Afwijzing, opschorting en stopzetting van de bevoorschotting

Artikel 20

  • 1. De programmabeheerder beslist afwijzend op een verzoek als bedoeld in artikel 18, indien de aanvrager in strijd handelt met ingevolge dit besluit geldende verplichtingen of met artikel 15.17 van de Wet milieubeheer.

  • 2. Op een verzoek wordt geen beslissing genomen, indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend, totdat op dat verzoek is beslist, dan wel indien surséance van betaling wordt verleend, totdat een maand na de beëindiging van de surséance van betaling is verstreken.

  • 3. De programmabeheerder kan het verstrekken van een voorschot opschorten dan wel stopzetten indien een aanvrager in strijd handelt met ingevolge dit besluit geldende verplichtingen of met artikel 15.17 van de Wet milieubeheer.

  • 4. De programmabeheerder kan het verstrekken van een voorschot opschorten, indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend, totdat op dat verzoek is beslist, dan wel indien surséance van betaling wordt verleend, totdat een maand na de beëindiging van de surséance van betaling is verstreken.

Intrekking bevoorschotting wegens onjuiste gegevens

Artikel 21

  • 1. De programmabeheerder kan een beschikking inhoudende een verstrekking van een voorschot intrekken, indien de beschikking ten gevolge van een aan de aanvrager te wijten onjuistheid of onvolledigheid van de verstrekte gegevens anders luidde dan het geval zou zijn geweest indien de gegevens juist en volledig zouden zijn verstrekt.

  • 2. De bedragen die op grond van een ingetrokken beschikking zijn uitbetaald, zijn terstond opeisbaar.

HOOFDSTUK 6. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Intrekking bestaande regelingen

Artikel 22

  • 1. De Stimuleringsregeling milieutechnologie 1994 en de Bijdragenregeling Nox-arme gasmotoren/WK worden ingetrokken. Paragraaf 3 van de Regeling diverse bijdragen milieubeheer vervalt.

  • 2. De in het eerste lid genoemde regelingen en paragraaf blijven van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

  • 3. Milieutechnologieprogramma's die voor het kalenderjaar 1995 zijn vastgesteld op grond van artikel 2 van de Stimuleringsregeling milieutechnologie 1994 worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met programma's, welke zijn vastgesteld op grond van dit besluit.

Inwerkingtreding

Artikel 23

Dit besluit treedt in werking vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Citeertitel

Artikel 24

Dit besluit wordt aangehaald als: Bijdragenbesluit milieugerichte technologie.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 3 februari 1995

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Margaretha de Boer

Uitgegeven de eenentwintigste februari 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

§ 1. Inleiding

Op 1 juli 1992 is een gewijzigd hoofdstuk Financiële bepalingen van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Stb. 1992, 254) in werking getreden. Hiermee is een wettelijke grondslag geschapen voor de verlening van bijdragen op het gebied van het milieubeheer ten laste van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het eerdergenoemde hoofdstuk is – voor zover hier van belang – zonder wijzigingen in de Wet milieubeheer (Stb. 1992, 551), die op 1 maart 1993 in werking is getreden, overgenomen. Wel zijn de artikelen uit de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne vernummerd. De desbetreffende bepalingen zijn in de Wet milieubeheer ondergebracht in Titel 15.3 Voorschriften omtrent het verlenen van bijdragen, in de artikelen 15.12 tot en met 15.19.

Artikel 15.15 van de Wet milieubeheer bepaalt dat in beginsel slechts bijdragen worden verleend aan niet-overheden op basis van een algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 15.12. Het onderhavige besluit is gebaseerd op laatstgenoemd artikel.

Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer is de Raad voor het milieubeheer in de gelegenheid gesteld van advies te dienen. De Raad voor het milieubeheer heeft met schrijven van 8 februari 1994 bericht geen advies uit te brengen gezien zijn gewijzigde taakstelling en gezien het feit dat hij nog niet in de definitieve samenstelling bijeen is geweest.

Tevens is het ontwerp-besluit aan de Staten-Generaal overgelegd zoals voorgeschreven in artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer en in de Staatscourant van 21 januari 1994, nr 21, gepubliceerd. Naar aanleiding van deze publikatie zijn geen reacties binnen gekomen.

§ 2. Het wettelijk kader (de systematiek van het hoofdstuk Financiële bepalingen in de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht)

Het onderhavige besluit dient te worden gelezen in samenhang met de wettelijke bepalingen waarop het is gebaseerd. Eén van de gevolgen van de totstandkoming van de speciale Titel over de bijdrageverlening in het gewijzigde hoofdstuk Financiële bepalingen in de Wet milieubeheer is namelijk dat niet langer alle bepalingen die van toepassing zijn op de bijdrageverlening in de algemene maatregel van bestuur zelf zijn opgenomen.

Naast de algemene maatregel van bestuur bevatten ook de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht regels over de bijdrageverlening.

De Wet milieubeheer bevat in de eerste plaats een aantal delegatiebepalingen die aanduiden welke onderwerpen in ieder geval bij algemene maatregel van bestuur dienen te worden geregeld. Deze onderwerpen zijn uitgewerkt in het onderhavige besluit.

Daarnaast geeft de Wet milieubeheer echter ook een aantal voorschriften die rechtstreeks gelden voor iedere bijdrageverlening die onder de reikwijdte van de wet valt.

Deze bepalingen zijn in dit besluit niet opgenomen omdat dit een overbodige doublure met de wet zou opleveren.

In dat verband zijn de volgende bepalingen van belang.

Artikel 15.17, eerste lid, verleent toezichthoudende ambtenaren de bevoegdheid zich toegang te verschaffen tot plaatsen, die door de belanghebbende worden gebruikt, en inzage te verkrijgen in boeken en andere zakelijke bescheiden. De belanghebbende is op grond van het tweede lid van dat artikel verplicht hieraan medewerking te verlenen.

Artikel 15.18 regelt het geval waarin een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de belanghebbende bij de rechtbank is ingediend, voordat een beslissing op de aanvraag om een bijdrage is genomen.

Tenslotte geeft artikel 15.19, eerste lid, een opsomming van de gevallen waarin een beslissing op de aanvraag om een bijdrage kan worden ingetrokken. Dit is onder meer het geval indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen, gelet op artikel 93 van het EG-Verdrag, een bijdrageregeling heeft aangemerkt als een steunmaatregel die niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of waarvan misbruik wordt gemaakt.

Ten aanzien van het onderhavige Bijdragenbesluit heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen met schrijven van 6 juli 1994 medegedeeld tegen de staatssteun ingevolge dit besluit geen bezwaar te maken.

Voorts is nog van belang de (gefaseerde) totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht. Bij wet van 4 juni 1992 (Stb. 1992, 315) is de eerste tranche van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen. Deze wet is op 1 januari 1994 in werking getreden en gepubliceerd in Staatsblad 1994, 1. In die wet worden zaken geregeld als besluiten en beschikkingen, aanvragen en aanvragers, ontvankelijkheidsvragen, termijnen, besluitvormingsprocedure, bezwaar en beroep. Sinds de inwerkingtreding van die wet gelden de desbetreffende bepalingen rechtstreeks op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Die bepalingen behoeven derhalve niet in dit besluit te worden opgenomen. Dit geldt ook voor de tweede tranche van de Algemene wet bestuursrecht, waarin onder meer bepalingen inzake bezwaar en beroep zijn opgenomen, en die ook op 1 januari 1994 in werking is getreden (Stb. 1993, 650). Elders in deze toelichting (zie § 6) zal op deze bepalingen worden ingegaan.

De derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan het voorstel van wet op 5 juli 1994 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 1993/94, 23 780, nrs 1 en 2), voorziet in een titel over subsidies. Op een aantal plaatsen is in het onderhavige besluit bij dit wetsvoorstel aangesloten.

Uit het voorafgaande is duidelijk geworden dat zowel de aanvrager van een beschikking op grond van dit besluit als de programmabeheerder, die met de uitvoering van dit besluit is belast, met dit besluit nog niet het volledige instrumentarium in handen hebben om in concrete gevallen een beslissing te nemen. Zo kan het zijn dat op een aanvraag om een bijdrage een beslissing wordt genomen gebaseerd op vier regelingen.

Samengevat zijn dit, oplopend van algemeen naar meer concreet, de volgende regelingen:

Allereerst de Algemene wet bestuursrecht, waarin het algemene kader voor de besluiten van overheidsorganen wordt gegeven.

Ten tweede de Wet milieubeheer, met name de bepalingen inzake de financiële verstrekkingen (Titel 15.3).

Ten derde dit besluit, waarin de bijdragen op het gebied van milieutechnologie worden uitgewerkt, dat een raamwerk biedt voor diverse bijdrageprogramma's.

Naast deze wettelijke voorschriften, zijn ten slotte van belang de programma's op basis van dit besluit, waarin wordt aangegeven voor welke concrete projecten in het betreffende kalenderjaar een bijdrage kan worden verstrekt.

§ 3. Doel, type projecten en doelgroepen

Doel

Het besluit biedt een algemeen raamwerk voor diverse bijdrageprogramma's, welke vallen onder het beleidsterrein van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor het stimuleren van milieugerichte technologie.

Het besluit vormt de basis voor het verlenen van bijdragen ter stimulering van de ontwikkeling en maatschappelijke implementatie van milieugerichte technologie.

Door dit besluit wordt voor alle belanghebbenden de duidelijkheid ten aanzien van procedures en subsidiepercentages, wijze van uitvoering en beheer vergroot. Tevens bevordert dit de herkenbaarheid, toegankelijkheid en de efficiency voor de overheid door de integratie van diverse bestaande regelingen op het gebied van de milieutechnologie.

Het uiteindelijke doel is het stimuleren van toepassingen van milieugerichte technologie, mede door openbaarmaking van de onderzoeksresultaten. De programmabeheerder kan door middel van de rapportages van en zo nodig intensieve contacten met de aanvragers bewerkstelligen dat deze doelen worden gerealiseerd en uitgedragen. Met name is in dit verband van belang het kiezen van de juiste aard en inhoud van de te stimuleren projecten.

Met dit besluit kan aldus een waardevol instrument tot stand komen om het beleid ten aanzien van vermindering van de milieubelasting te ondersteunen.

Type projecten

In het innovatie- en implementatietraject van nieuwe technologieën worden verschillende fasen onderscheiden. Veelal wordt gestart met een (verkennende) haalbaarheidsstudie naar een bepaalde technologische optie, alvorens over te gaan tot het (toegepaste) onderzoeks- en ontwikkelingswerk. Sluitstuk van deze fase is soms een praktijkexperiment waarin de nieuwe techniek onder praktijkomstandigheden getest en zonodig aangepast wordt. Het kan aanbeveling verdienen om een technische optie, die gereed is om op de markt te brengen, onder de aandacht van toekomstige gebruikers te brengen via een demonstratieproject bij een eerste gebruiker. Verdere stimulering van de implementatie kan geschieden via (op meer beperkte schaal) marktintroduktieprojecten of (op ruimere schaal) toepassingsprojecten. Tevens voorziet het besluit in de mogelijkheid om kennisoverdracht met betrekking tot nieuwe technologieën financieel te ondersteunen. Hoewel bij het innovatie- en implementatietraject uiteraard lang niet altijd elke fase zal worden doorlopen, worden in artikel 1 van het besluit alle genoemde fasen als aparte projectcategorie gedefinieerd.

Doelgroepen

Gezien de doelstelling van het besluit kunnen, indien een programma daarin voorziet, zowel degenen die betrokken zijn bij de «aanbodzijde» (onderzoekers en fabrikanten) als degenen die behoren tot de «vraagzijde» (gebruikers van nieuwe technologieën) voor een bijdrage in aanmerking komen. In beginsel behoren alle belanghebbenden, met uitzondering van de rijksoverheid, tot de doelgroep van het besluit: te denken valt onder meer aan onderzoeksinstellingen en universiteiten, ingenieursbureau's, bedrijven (als fabrikant of als gebruiker van een technologie), belangenorganisaties en particuliere huishoudens. In een programma kunnen de doelgroepen nader gespecificeerd worden.

§ 4. Functies van het programma

Algemeen

De kaderregeling bevat de door de wet vereiste basis voor het verlenen van bijdragen op het terrein van de milieutechnologie. In artikel 1 staan de categorieën van projecten welke voor een bijdrage op grond van dit besluit in aanmerking komen. Welke activiteiten in concreto voor een bijdrageverlening in aanmerking komen, wordt, in navolging van onder meer de uitvoering van de Stimuleringsregeling milieutechnologie 1991, aangegeven in de verschillende programma's.

In een programma worden gelijksoortige of thematisch samenhangende projecten, gericht op specifieke milieuverdiensten, bij elkaar gebracht.

Hierdoor vindt er een structurering plaats in overzichtelijke clusters.

Ieder jaar zullen door de minister de programma's of de zakelijke inhoud van de programma's in het kader waarvan een bijdrage wordt verleend in de Staatscourant worden aangekondigd. Tevens wordt, indien uitsluitend de zakelijke inhoud wordt weergegeven, in de Staatscourant vermeld waar de tekst van de betreffende programma's kan worden opgevraagd.

In een programma worden in ieder geval de volgende gegevens vermeld:

– naam programma

– specifiek programmadoel

– specifieke doelgroep(en)

– welke activiteiten voor een bijdrage in aanmerking komen

– beoordelingsaspecten

– aanvraagprocedure (b.v. tender, data, termijnen)

– adres programmabeheerder

– hoogte van (max.) bijdrage (% en/of hfl.)

– hoogte van het budget.

Differentiatiemogelijkheden per programma

Het spreekt vanzelf dat een op grond van een bepaald programma ingediende aanvraag moet passen binnen de in dat programma omschreven doelstelling. Dit geldt als eerste eis, wil een project in aanmerking komen. Daarnaast dient ook de doelgroep uiteraard te worden omschreven.

Behalve deze, voor ieder programma verplichte onderwerpen, die hiervoor al werden opgesomd, zijn er nog een aantal andere onderwerpen die in het programma kunnen worden geregeld om de bijdrageverlening toe te spitsen op het betreffende programma.

Een van die onderwerpen is de systematiek van behandeling van de aanvragen. Indien geen bijzondere regels in het programma zijn opgenomen vindt de beslissing op de aanvraag in volgorde van binnenkomst plaats.

Daarnaast bestaat er de mogelijkheid, indien het betreffende programma zulks uitdrukkelijk bepaalt, dat wordt gekozen voor het zogenoemde tendersysteem (artikel 10). Dit systeem voorziet in een gelijktijdige beslissing op meerdere aanvragen. De normale beoordelingscriteria, die staan vermeld in artikel 3, gelden ook hier. De aanvraag met het hoogste kwaliteitsgehalte (de meeste punten naar aanleiding van de beoordeling) deelt het eerste uit het budget, vervolgens de aanvraag met het op een na hoogste kwaliteitsgehalte, en zo verder. Ter voorkoming van misverstand zij hier benadrukt dat in dit stelsel geenszins besloten ligt dat het budget geheel moet worden uitgeput. Het gegeven dat de tender-methode meebrengt dat de beste aanvragen met voorrang worden gehonoreerd, laat uiteraard de bevoegdheid van de programmabeheerder onverlet, om aanvragen voor projecten die een «onvoldoende» scoren, af te wijzen, ook al zou het budget nog toereikend zijn om de aanvraag toe te wijzen. Noch de tender-methode, noch enig ander systeem van behandeling van aanvragen kan er immers toe leiden dat overheidsgelden worden besteed aan projecten die kwalitatief niet aan de eisen voldoen.

Voor wat betreft de activiteit waarvoor een bijdrage wordt verleend, kan worden gesteld dat dit in het algemeen een in de toekomst te ondernemen activiteit is. Het besluit is echter niet beperkt tot deze vorm, aangezien in het kader van de milieutechnologie thans ook andere vormen voorkomen en hieraan ook behoefte zal blijven bestaan. Daarom is de mogelijkheid opgenomen van het verstrekken van een bijdrage ter zake van de (reeds gepleegde) aanschaf en ingebruikneming van een bepaald object (artikel 6). De categorieën van objecten die voor een bijdrage in aanmerking kunnen komen worden in een programma aangewezen. Omdat de kosten in dat geval reeds bekend zijn, wordt slechts een beschikking tot vaststelling van de bijdrage genomen zonder voorafgaande beschikking tot verlening van de bijdrage. Andere, belangrijke differentiatiemogelijkheden van het programma liggen op het terrein van de projektkosten. Hierop wordt in de toelichting bij artikel 5 nader ingegaan.

§ 5. Beoordelingsaspecten

In artikel 3 worden die aspecten, die bij de beoordeling van een aanvraag een rol mogen spelen, limitatief opgesomd. Andere aspecten mogen geen rol spelen. Omgekeerd betekent dit niet dat al deze aspecten altijd een rol moeten spelen. Mede afhankelijk van de inhoud van een programma zullen bepaalde aspecten zwaarder wegen dan andere. De milieuverdienste zal uiteraard altijd een belangrijk criterium zijn. Daarnaast zullen in de programma's veelal de voor dat programma bij uitstek geldende specifieke aspecten worden aangegeven.

Hieronder worden enkele van de in artikel 3 genoemde aspecten nader toegelicht.

Milieuverdienste (artikel 3, tweede lid, onder a)

De milieuverdienste wordt in de eerste plaats beoordeeld naar de mate waarin het betrokken produkt (apparaat, systeem of techniek) de milieubelasting vermindert ten opzichte van de in Nederland gangbare alternatieven.

Projecten op het gebied van kennisoverdracht of voorlichting met betrekking tot milieugerichte technologie worden beoordeeld naar de mate waarin deze direct of indirect een bijdrage leveren aan de vermindering van de milieubelasting in het algemeen.

Bij de beoordeling van de milieuverdienste van een projectvoorstel wordt in algemene zin getoetst aan het voldoen aan de beginselen van duurzame ontwikkeling en integraal ketenbeheer, zoals deze zijn omschreven in het Tweede Nationaal Milieubeleidsplan (Kamerstukken II 1993/94, 23 560, nr. 2 blz. 50 en verder, blz. 104 en verder). Bij de beoordeling worden in dat verband de navolgende factoren in beschouwing genomen (voor zover deze van toepassing zijn):

– het voorkomen van milieuverontreiniging heeft de voorkeur boven toegevoegde voorzieningen waarbij de verontreiniging na het ontstaan wordt bestreden;

– voorzieningen waarbij geen of zo weinig mogelijk verschuiving van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere op zullen treden, hebben de voorkeur;

– de mate van besparing op energiegebruik c.q. herwinbaarheid van energie;

– de mate van besparing op uitputbare grondstoffen;

– de mate van gebruik van secundaire grondstoffen;

– de mate van emissiereductie;

– de mogelijkheden van hergebruik in het afvalstadium.

Oorspronkelijkheid (artikel 3, tweede lid, onder c)

Bij de uitvoering van het besluit neemt het begrip nieuwheid een belangrijke plaats in. Voor haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, alsmede voor praktijkexperimenten en demonstratieprojecten wordt gedacht aan zaken die grensverleggend voor Nederland genoemd kunnen worden. Marktintroductieprojecten en toepassingsprojecten zijn gericht op zaken die in Nederland nog niet gebruikelijk of gemeengoed zijn.

Overige beoordelingsaspecten en afwijzingsgronden

De onder h genoemde grond is opgenomen om ook niet milieu-aspecten te kunnen meewegen bij de beoordeling van de aanvraag. Soms kan het gaan om belangen die een versterking vormen van de milieukwaliteiten van het aangevraagde project, omdat zij ook goed passen in ander overheidsbeleid. Echter, het is ook denkbaar dat een bepaald project, hoewel uitsluitend vanuit het milieuaspect beschouwd, zeer positief, haaks staat op andere doelstellingen van overheidsbeleid, bijvoorbeeld op het gebied van de ruimtelijke ordening. In zulke gevallen moet ook dit aspect een rol kunnen spelen bij het eindoordeel over de betrokken aanvraag.

Voorts is in dit verband ook van belang artikel 9, waarin de verplichte afwijzingsgronden zijn opgenomen.

§ 6. Procedure

Algemene wet bestuursrecht

In Hoofdstuk 2 van het besluit zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot aanvragen op grond van het besluit en met betrekking tot de beslissing daarop. Deze voorschriften hebben betrekking op alle aanvragen, onverschillig ten behoeve van welk project die aanvraag wordt ingediend.

Zoals in § 2 al werd aangestipt, moeten deze bepalingen in samenhang worden gelezen met de Algemene wet bestuursrecht.

Het gaat hierbij met name om Titel 4.1 Beschikkingen.

Deze titel bevat een regeling over onder meer het indienen van de aanvraag, de gevolgen van een onvolledige aanvraag en de mogelijkheid die in dat geval aan de aanvrager moet worden gegeven om de aanvraag aan te vullen. Deze bepalingen gelden algemeen en dus ook voor beschikkingen op grond van het onderhavige besluit.

In verband daarmee zijn uitsluitend bepalingen opgenomen ter aanvulling van de genoemde regeling in de Algemene wet bestuursrecht. Aan een dergelijke opzet kleven uit een oogpunt van leesbaarheid bepaalde bezwaren; het inzicht in alle finesses van de procedure is niet in één oogopslag te verkrijgen.

Om aan dit bezwaar tegemoet te komen volgt hieronder een korte beschrijving van de procedure, waarbij de relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet milieubeheer steeds worden genoemd in samenhang met de bepalingen van dit besluit.

Aanvrager en aanvraag

In artikel 1, onder a, wordt de aanvrager gedefinieerd. Per programma wordt nader aangegeven wie voor het programma een aanvraag kan indienen.

Aanvragen op grond van dit besluit dienen te worden ingediend bij de programmabeheerder. Aan de indiener wordt een bericht van ontvangst toegezonden.

Indien de aanvraag niet volledig is, dient de aanvrager op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht altijd de gelegenheid te krijgen, de aanvraag aan te vullen. De programmabeheerder moet hem hiertoe een termijn stellen. Is na het verstrijken van die termijn de aanvraag nog niet of niet voldoende aangevuld, dan kan de programmabeheerder besluiten de aanvraag niet te behandelen, op grond van eerdergenoemd artikel 4:5, eerste lid.

Beslistermijn en afwijzingsgronden

De beslistermijn is op grond van artikel 8 vier maanden, tenzij in het programma anders is bepaald.

De beslistermijn wordt ingevolge artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht opgeschort gedurende de termijn dat de aanvraag nog moet worden aangevuld.

Op grond van artikel 15.18 van de Wet milieubeheer moet de aanvraag worden aangehouden wanneer een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend, totdat op dat verzoek is beslist, dan wel, indien surséance van betaling wordt verleend, totdat een maand na beëindiging van de surséance is verstreken. In aansluiting hierop is in artikel 8, tweede lid, bepaald dat de beslistermijn gedurende die tijd is opgeschort.

De verplichte afwijzingsgronden zijn opgenomen in artikel 9 van het besluit. Een aanvraag moet, behalve op gronden die zijn gelegen in de aanvraag of de aanvrager (onderdelen a, b en c), ook worden afgewezen wanneer honorering zou leiden tot overschrijding van het beschikbaar gestelde budget (onderdeel d). Indien er evenwel uitzicht op bestaat dat het budget voor het betreffende programma zal worden verhoogd (hetzij door een verschuiving tussen de programma's dan wel door een aanvulling van het totale budget), kan de aanvraag op grond van artikel 8, vierde lid, worden aangehouden tot 1 maart van het volgende jaar. Ter voorkoming van misverstand wordt opgemerkt dat artikel 9 slechts een opsomming geeft van zgn. verplichte afwijzingsgronden, en dat daarnaast een aanvraag uiteraard kan worden afgewezen wanneer zij niet (voldoende) voldoet aan de doelstellingen van het programma, of aan de beoordelingsaspecten genoemd in artikel 3.

Verplichtingen voor de aanvrager

De verplichtingen voor de aanvrager zijn geregeld in artikel 11, tweede lid, en in artikel 12 van het besluit.

Volledigheidshalve zij nog gewezen op artikel 15.17 van de Wet milieubeheer, waarin is vastgelegd dat de aanvrager moet medewerken aan onder meer inzage van boeken. Ook dit zijn verplichtingen waaraan de aanvrager moet voldoen.

Op grond van afdeling 4.1.4 van de Algemene wet bestuursrecht moet de beschikking worden gemotiveerd.

Een sanctie op het niet naleven van de verplichtingen, die aan de beschikking zijn verbonden is dat de beschikking tot verlening kan worden ingetrokken. Dit geldt, op grond van artikel 15.19, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer, zowel voor de verplichtingen die door de programmabeheerder aan de beschikking zijn verbonden, als voor de verplichtingen die in artikel 12 van het besluit zijn opgesomd. Ook het niet voldoen aan de verplichtingen die zijn opgesomd in het eerdergenoemde artikel 15.17 van de Wet milieubeheer, kan aanleiding zijn om de beschikking in te trekken, op grond van artikel 15.19, eerst lid, onder c van de wet. Daarnaast is het ook mogelijk om in sommige van dergelijke gevallen de bijdrage op een lager bedrag, en eventueel op nihil, vast te stellen.

Vaststelling van de bijdrage

De vaststelling van de bijdrage is geregeld in Hoofdstuk 4 van het besluit.

De beschikking tot vaststelling van de bijdrage moet worden onderscheiden van de beschikking tot verlening van de bijdrage, die daaraan in het algemeen vooraf gaat. De beschikking tot verlening schept voor de overheid een verplichting, waartegenover een recht van de aanvrager ontstaat. De beschikking tot verlening moet zoveel mogelijk duidelijkheid bieden over de wederzijdse rechten en verplichtingen. Het recht van de begunstigde heeft in deze fase in zoverre een voorlopig karakter, dat hij op de bijdrage kan rekenen, mits hij zich houdt aan de voor hem uit de beschikking tot verlening voortvloeiende verplichtingen. De vaststellingsbeschikking dient er vervolgens onder meer toe, vast te stellen of dat inderdaad is gebeurd. In die beschikking wordt het recht van de begunstigde als het ware geconcretiseerd tot een aanspraak op een bepaald bedrag. In normale gevallen, waarin alles naar behoren is verlopen, zal de vaststellingsbeschikking dan ook overeenkomen met het in de beschikking tot verlening in het vooruitzicht gestelde bedrag, uiteraard behoudens voor zover de gemaakte kosten lager zijn uitgevallen, en voor zover er geen redenen zijn om de bijdrage op een lager bedrag vast te stellen op grond van artikel 15 van het besluit.

Afwijkende procedure bij bijdrageverstrekking voor objecten

Zoals in § 4 reeds is opgemerkt wordt ten aanzien van objecten een afwijkende procedure gevolgd in die zin dat zonder voorafgaande beschikking tot verlening van de bijdrage alleen een beschikking tot vaststelling van de bijdrage wordt genomen.

De bepalingen die betrekking hebben op de aanvraag om een bijdrage en op de beschikking tot verlening van de bijdrage zijn daarbij wel zoveel mogelijk van toepassing. Te noemen valt een aantal verplichtingen van de aanvrager zoals de mededeling dat een verzoek om surséance van betaling of faillietverklaring is ingediend, een aantal weigeringsgronden, die geen betrekking hebben op een toekomstverwachting alsmede de mogelijkheid om aan de beschikking tot vaststelling van de bijdrage voorschriften of voorwaarden te verbinden.

Bezwaar- en beroepsmogelijkheid

De bezwaar- en beroepsmogelijkheid is grotendeels geregeld in de Algemene wet bestuursrecht en in de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 20.1 van de Wet milieubeheer kan tegen een beschikking op grond van dit besluit beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op de behandeling van het beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, op grond van artikel 36 van de Wet op de Raad van State.

Voorafgaand hieraan dient evenwel steeds eerst een bezwaarschrift te worden ingediend bij het orgaan dat de beschikking heeft gegeven, in casu de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Dit volgt uit artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. De procedure voor de indiening en afhandeling van dit bezwaarschrift is geregeld in de afdelingen 7.1 en 7.2 van die wet. De termijn voor het instellen van een bezwaar- of beroepschrift is, op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, zes weken.

Op grond van het aldus beschreven stelsel in de Algemene wet bestuursrecht is het niet nodig afzonderlijke bepalingen over bezwaar en beroep in dit besluit op te nemen.

§ 7. Uitvoering en beheer

Programmabeheerder

Artikel 1, onderdeel b, bevat een definitie van programmabeheerder. De programmabeheerder is de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer dan wel een (ander) administratief orgaan of een rechtspersoon die is belast met de uitvoering van dit besluit, en de op dit besluit gebaseerde programma's. De minister kan op grond van artikel 2, zevende lid, bepalen dat de programmabeheerder, voor zover hij dat niet zelf is, dit besluit en de betreffende programma's namens hem uitvoert. In dat geval verleent de minister mandaat aan de programmabeheerder. Een in mandaat genomen (uitvoerings-) beslissing geldt als een beslissing van de mandaatgever zelf. Consequentie is dat indien een belanghebbende bezwaar maakt tegen een in mandaat genomen beslissing, hij het bezwaarschrift dient te richten aan de minister, tenzij de minister expliciet ook de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar heeft gemandateerd. Indien dit het geval is vermeldt de programmabeheerder dit in zijn beschikkingen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat deze bevoegdheid niet aan een ambtenaar wordt gemandateerd, die krachtens mandaat de bestreden beslissing in eerste aanleg heeft genomen. Dit is in overeenstemming met de heersende jurisprudentie en de regeling van mandaat in de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht. Overigens geldt in het algemeen het beginsel, dat de functionaris die betrokken is geweest bij het nemen van het besluit in eerste aanleg, geen belangrijke en doorslaggevende rol mag spelen bij de beslissing op het bezwaarschrift. In beroep zal in dit geval de minister optreden als verwerend orgaan. Hij kan echter mandaat verlenen om namens hem verweer te voeren.

Op grond van artikel 2, zevende lid, kan de minister ook besluiten de uitvoering van dit besluit met bijbehorende programma's te delegeren aan een programmabeheerder. In dat geval wordt de programmabeheerder aangemerkt als bestuursorgaan. Beslissingen gelden als beslissingen van de programmabeheerder zelf. Bezwaren worden ingesteld bij hem en in beroep treedt hij op als verwerend orgaan.

Het vaststellen en afkondigen van programma's en budgetten kan de minister niet mandateren of delegeren. Het gaat hierbij immers om het beschikbaar stellen van budgetten voor beleidsdoeleinden en de keuze van het meest geschikte beleidsinstrument (de bijdrage) als middel om deze doeleinden te bereiken. Tevens wordt de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels uitgezonderd van een eventuele mandatering of delegatie. Het wordt voor een adequate uitvoering van het besluit niet nodig geacht dat deze bevoegdheid wordt gemandateerd of gedelegeerd. Het stellen van nadere regels zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, en in artikel 13, tweede lid, zal derhalve bij ministeriële regeling plaatsvinden.

Daar waar de uitvoering van dit besluit in mandaat plaatsvindt, heeft de minister zowel een algemene als een concrete aanwijzingsbevoegdheid; hij kan algemene voorschriften voor de uitvoering geven en kan tevens ingrijpen in individuele gevallen. Waar de uitvoering is gedelegeerd heeft de minister slechts een algemene aanwijzingsbevoegdheid.

Budgetten

De minister publiceert in de Staatscourant, zo mogelijk aan het begin van het kalenderjaar, het totale voor de uitvoering van dit besluit in dat jaar beschikbare bedrag en de budgetten die voor de uitvoering van bepaalde programma's beschikbaar zijn (artikel 2, eerste lid). Doel hiervan is de (potentieel) geïnteresseerden in de bijdrageverlening op de hoogte te stellen van de te verwachten mogelijkheden, zowel inhoudelijk (welk type programma's/ projecten) als financieel (hoeveel is er beschikbaar).

Gedurende het jaar kunnen zich evenwel verschillende nieuwe situaties voordoen, die ertoe nopen de eerdere bekendmakingen en voornemens bij te stellen. In artikel 2 worden hiervoor een aantal spelregels gegeven, die hieronder worden samengevat.

Gedurende het jaar kan, na publikatie, een budget worden opgehoogd (artikel 2, derde lid).

In bijzondere gevallen kan, mits dit geen invloed heeft op ingediende aanvragen, het budget worden verlaagd (artikel 2, zesde lid).

Indien voor de afloop van het jaar duidelijk wordt dat het budget voor de uitvoering van een bepaald programma te ruim is, terwijl ook reeds duidelijk is dat het budget dat beschikbaar was gesteld voor een ander programma ontoereikend is, kan de minister besluiten tot overheveling van een gedeelte van dit budget van het ene naar het andere programma. Hij maakt deze overheveling, inclusief de grootte daarvan, bekend in de Staatscourant. Een beslissing daartoe kan het gehele jaar worden genomen, maar moet altijd worden genomen voor 1 november van het desbetreffende jaar.

Indien een voor een programma beschikbaar budget gedurende het jaar uitgeput is, doet de minister daarvan mededeling in de Staatscourant en vermeldt daarbij dat geen aanvragen meer op grond van dat programma kunnen worden ingediend. Dit teneinde te voorkomen dat aanvragen worden ingediend waarvan bij voorbaat al vaststaat dat ze niet kunnen worden gehonoreerd. De reeds ingediende aanvragen, welke zouden leiden tot budgetoverschrijding, moeten op grond van artikel 9 immers worden afgewezen. Aanhouding van de aanvraag tot het volgende jaar is een oplossing wanneer men aan ziet komen dat er een aanvulling van het budget mogelijk zal zijn (zie artikel 8, vierde lid).

Tijdens het lopende jaar kunnen, indien het totale bedrag voor de uitvoering van dit besluit nog niet is uitgeput, in de Staatscourant nieuwe programma's met bijbehorende budgetten worden gepubliceerd door de minister.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1

Voor onderdeel b wordt verwezen naar § 7.

Onderdeel n is ontleend aan de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ. Deze definitie heeft met name betekenis in verband met artikel 4, tweede lid, onder b.

Artikel 3

Op dit artikel is al ingegaan in § 5 van deze nota.

Centraal staat dat het moet gaan om een project in de zin van dit besluit en dat dit project moet passen in een programma dat krachtens dit besluit is vastgesteld. Dit betekent dat de activiteiten moeten voldoen aan één van de in artikel 1 gedefinieerde projectcategorieën (haalbaarheidsproject, onderzoeks- of ontwikkelingsproject, praktijkexperiment, kennisoverdrachtproject, demonstratieproject, marktintroduktieproject of toepassingsproject), dat het project moet passen in de in een programma opgenomen beschrijving van doelstellingen en projecten en dat in het betreffende programma is voorzien in het verstrekken van een bijdrage aan de betrokken projectcategorie.

Artikel 4

In het tweede lid van dit artikel zijn per projectcategorie maximum percentages en maximum bedragen opgenomen.

Voor wat betreft onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die worden uitgevoerd door het midden- en kleinbedrijf is daarbij voorzien in een verwijzing naar de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor het midden- en kleinbedrijf van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (PbEG 1992, C213). Daarin wordt «kleine of middelgrote onderneming» gedefinieerd als een onderneming die:

– ten hoogste 250 werknemers heeft;

– een jaaromzet heeft van niet meer dan 20 miljoen ecu, of een balanstotaal heeft van niet meer dan 10 miljoen ecu, en

– waarvan niet meer dan 25% van het kapitaal in het bezit is van één of meerdere ondernemingen die niet aan deze definitie voldoen, met uitzondering van publieke investeringsmaatschappijen, participatiemaatschappijen of, mits geen controle wordt uitgeoefend, institutionele beleggers.

Een soortgelijke verwijzing komt ook voor in het Besluit subsidies energieprogramma's.

In een programma kunnen op grond van het derde lid per projectcategorie evenwel lagere percentages en/of maximum bedragen worden vastgesteld. Het vierde lid voorziet in een regeling bij samenloop met andere bijdragen van rijkswege en/of van de Europese Unie.

Daarbij moet gedacht worden aan elke financiële tegemoetkoming onder welke benaming dan ook. Zo is de mogelijkheid tot vermindering van af te dragen belasting in verband met speur- of ontwikkelingswerk, die de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk biedt, eveneens als een financiële tegemoetkoming in de zin van artikel 4, vierde lid, aan te merken.

Ditzelfde geldt voor de in de Wet Vreugdenhil en Vermeend (Stb. 1994, 610) opgenomen mogelijkheid van vervroegde afschrijving van aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen, die zijn aangewezen als bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bescherming van het milieu.

Daarnaast kan krachtens het vijfde lid in een programma een samenloop met bijdragen krachtens andere regelingen van rijkswege geheel worden uitgesloten. Het onderscheid tussen het vierde en het vijfde lid bestaat hierin dat de samenloop van het vierde lid wordt toegestaan tot het in dit besluit toegestane percentage. Indien echter gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid van het vijfde lid is het resultaat dat de aanvrager ook al heeft hij een veel kleiner percentage ontvangen op grond van de betreffende andere regeling, dan op grond van deze regeling mogelijk zou zijn, hij ook voor deze aanvulling niet in aanmerking komt op grond van het betreffende programma. Het staat de aanvrager uiteraard wel vrij om verschillende aanvragen op grond van verschillende programma's in te dienen. De bepaling verhindert echter dat deze aanvrager uiteindelijk twee bijdragen ontvang terzake van hetzelfde project. In de huidige praktijk worden dergelijke uitsluitingen ook reeds opgenomen in programma's. Een voorbeeld is het Programma Milieutechnologie 1994, waarin wordt bepaald dat niet in aanmerking komen projecten waarvoor een bijdrage is toegezegd of verstrekt krachtens de subsidieregeling Programmatische Bedrijfsgerichte Technologie Stimulering (PBTS).

Artikel 5

In dit artikel is een limitatieve omschrijving van de projectkosten opgenomen, die in aanmerking worden genomen bij de toepassing van artikel 4. Daarnaast is deze omschrijving onder meer van belang bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, onder b, en artikel 11, eerste lid, onder a. Bij de vraag welke kosten aan het project zijn toe te rekenen, zal de aard van het project mede een rol spelen. Zo zal bij een onderzoeks- of ontwikkelingsproject de aanschaf van apparatuur, die ook bruikbaar is voor andere doeleinden dan die van het project, niet of niet volledig tot de projectkosten gerekend kunnen worden (eerste lid onder a, 4°). Bij de bepaling van de loonkosten (eerste lid onder a, 2°) wordt uitgegaan van het fiscale loon, zoals dat moet worden ingevuld op de loonstaat, die door de werkgever moet worden bijgehouden ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964. Hierbij gaat het om het personeel dat rechtstreeks produktieve arbeid verricht ten behoeve van het project. De arbeidsuren van dit personeel dienen verantwoord te worden. Daartoe is het nodig een sluitende tijdschrijving bij te houden. Daarbij wordt uitgegaan van 1600 produktieve uren per jaar. Leidinggevend en toezichthoudend personeel wordt niet tot het direct betrokken personeel gerekend. Een vergoeding voor de daarmee samenhangende kosten is begrepen in de opslag voor algemene kosten, die forfaitair is vastgesteld op 40% van de loonkosten. Onder sociale lasten worden verstaan de werkgeverslasten terzake van sociale verzekering, VUT en pensioen.

In het vierde lid is bepaald dat een programma erin kan voorzien dat, in afwijking van het voorgaande, bij de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage kan worden aangesloten bij een voor de gehele organisatie van de aanvrager geldende controleerbare methodiek.

Onder verbruikte materialen worden stoffen verstaan, die bestemd zijn voor eenmalig gebruik ten behoeve van het project en die na be- of verwerking geen zelfstandige zaak meer zijn. Een prototype of pilotplant valt derhalve niet onder dit begrip verbruikt materiaal.

Bij de onder 5° bedoelde, aan derden verschuldigde kosten valt te denken aan kosten van adviesbureaus, onderzoeksinstituten en laboratoria, voorzover zij niet onder de eerder genoemde projectkosten vallen.

Het zesde lid brengt tot uitdrukking dat alleen die investeringskosten in aanmerking komen die betrekking hebben op de extra investeringen die noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van de milieudoelstelling. Dit is een uitwerking van het algemene beginsel dat alleen de extra kosten van de milieuvoorziening in aanmerking komen. Uitsluitend bij de in het zesde lid genoemde categorieën van projecten kan het gaan om investeringen in produktiemiddelen. Mede met het oog op de Europese regelgeving voor Staatssteun, waarbij met name wordt gewezen op de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu, is hiervoor een expliciete beperking noodzakelijk geacht.

Artikel 6

In paragraaf 4 en 6 van het algemeen deel van de nota van toelichting is reeds ingegaan op de bijdrageverstrekking aan bepaalde aangewezen categorieën van objecten. Daarbij valt te denken aan bijdragen voor soortgelijke objecten als degene die voorheen op grond van de Bijdragenregeling schone en lawaai-arme vrachtwagens en bussen en de Bijdragenregeling Nox-arme gasmotoren/WK werden gesubsidieerd. Als voorbeeld kan worden genoemd een bijdrage voor de kosten van aanschaf van bepaalde c.v.-ketels, katalysatoren en dergelijke. In de desbetreffende programma's zal de categorie van objecten die in aanmerking komt voor een bijdrage worden aangewezen.

Het vereiste dat deze objecten in hoofdzaak bestemd dienen te zijn voor daadwerkelijk gebruik in Nederland is opgenomen ten einde een oneigenlijk gebruik van het besluit tegen te gaan.

De Bijdrageregeling schone en lawaai-arme vrachtwagens en bussen kende eveneens een dergelijke bepaling. Immers zonder deze bepaling zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn dat het object, waarvoor een bijdrage is toegekend, in gebruik is bij een buitenlandse vestiging van de onderneming waaraan een bijdrage is verstrekt. Zoals in het eerste lid van artikel 3 is bepaald, dat de aanvrager in hoofdzaak in Nederland een project uitvoert, is met betrekking tot objecten de eis van gebruik in Nederland gesteld.

Artikel 7

Op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de aanvraag in ieder geval de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de aanvraag. Op grond van het tweede lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld; deze bevoegdheid houdt onder meer in dat voor de aanvraag formulieren kunnen worden vastgesteld, waarvan het gebruik verplicht kan worden gesteld.

Opgemerkt kan nog worden dat op grond van artikel 2, tweede lid, onder g bekend gemaakt moet worden in welke periode een aanvraag kan worden ingediend. Dit houdt in dat bij de bekendmaking van het programma altijd duidelijk moet worden aangegeven of een bepaalde indieningstermijn van toepassing is en zo ja welke.

De achtergrond van het derde lid is een praktische. Gebleken is dat indien het indienen per fax wordt toegestaan, hierdoor congesties en technische problemen ontstaan bij degene bij wie de aanvragen moeten worden ingediend. Hiermee zijn de aanvragers niet gediend.

Artikel 8

Hoofdregel is, op grond van het eerste lid, dat de programmabeheerder binnen vier maanden nadat een aanvraag is ontvangen, een beslissing daarop geeft.

Wordt deze termijn niet gehaald, dan wordt de aanvrager daarvan in kennis gesteld en wordt hem een redelijke termijn medegedeeld waarbinnen wel een beslissing volgt. De bovengenoemde termijn wordt, zoals in § 4 al werd vermeld, op grond van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht, geschorst gedurende de tijd die de aanvrager nodig heeft om op verzoek van de programmabeheerder de aanvraag compleet te maken.

Het tweede lid betreft de situatie dat ten aanzien van de aanvrager een verzoek tot surséance van betaling of een faillissement loopt.

Het derde lid betreft de volgorde waarin de aanvragen worden behandeld. De volgorde waarin de aanvragen worden ingediend bepaalt in eerste instantie de volgorde waarin zij in behandeling worden genomen. Dit brengt echter nog niet mee dat ook de beslissingen op die aanvragen ook in deze volgorde worden gegeven. De aanvragen zullen immers – behalve bij de bijdragen genoemd in artikel 6, die vaak een standaardkarakter zullen hebben – veelal verschillen van aard en de behandeling ervan zal naar gelang van de ingewikkeldheid meer of minder tijd vergen. Daarom is in dit besluit ook niet voorgeschreven dat moet worden beslist in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen; het is immers heel goed denkbaar en ook niet bezwaarlijk om een later binnengekomen aanvraag eerder af te handelen dan een eerder binnengekomen aanvraag die ingewikkelder is en derhalve meer tijd vergt. Bij een voor honorering van alle aanvragen toereikend budget zal de volgorde van binnenkomst dus geen beslissende rol spelen. Die volgorde is echter van belang, omdat zij bij een niet toereikend budget wel doorslaggevend is bij de vraag welke van de in aanmerking komende aanvragen moet worden gehonoreerd. Dan geeft de volgorde van binnenkomst de doorslag. Deze regel is neergelegd in het derde lid. Daarbij is ook aangegeven dat een aanvraag pas gaat meetellen op het moment dat zij compleet is, dat wil zeggen «voldoet aan de daarvoor geldende wettelijke voorschriften». Dit is bepaald om te voorkomen dat «pro forma» ingediende aanvragen, die nog moeten worden aangevuld en verbeterd, bevoordeeld zouden worden boven aanvragen die later binnenkomen maar wel meteen aan alle vereisten voldoen.

In het vierde lid wordt voorzien in de mogelijkheid van het «meenemen» van aanvragen naar het volgende jaar.

Het praktische voordeel van deze mogelijkheid is dat de aanvragers, van wie de aanvraag als gevolg van uitputting van het voor dat jaar beschikbaar gestelde budget, in dat jaar zonder meer zou moeten worden afgewezen, niet genoodzaakt worden om in het volgende jaar hun aanvraag opnieuw in te dienen. Ook voor de programmabeheerder kan deze mogelijkheid een verlichting van administratieve lasten betekenen. Deze mogelijkheid ligt vooral voor de hand bij programma's die een aantal jaren doorlopen. De programmabeheerder kan, indien hij voor deze mogelijkheid kiest, volstaan met een mededeling aan de aanvragers, dat hun aanvraag wordt aangehouden. Een dergelijke handelwijze betekent uiteraard geenszins dat de aanvraag in het volgende jaar zal worden gehonoreerd. De mededeling houdt slechts in dat, in afwijking van de hoofdregel, die zou meebrengen dat de betreffende aanvragen automatisch zouden moeten worden afgewezen om budgettaire gronden, door de programmabeheerder besloten is om gebruik te maken van de mogelijkheid om de aanvragen mee te nemen naar het volgende jaar.

Bij de beoordeling van de projecten kan aan externe deskundigen advies worden gevraagd ten aanzien van de kwaliteit van het project (de beoordeling; de «ranking»). Het vijfde lid opent hiertoe de mogelijkheid.

Artikel 9

De afwijzingsgronden voor de beschikking zijn ontleend aan bestaande regelingen. Zo is de onder a genoemde afwijzingsgrond (het handelen in strijd met de geldende verplichtingen) ook vermeld in het Besluit tenders industriële energiebesparing, het Besluit subsidies informatietechnologie en het Besluit subsidies energieprogramma's. De Stimuleringsregeling milieutechnologie, het eerdergenoemde Besluit subsidies energieprogramma's en het Bijdragenbesluit Bedrijfsinterne milieuzorg kennen eveneens de onder b genoemde afwijzingsgrond. De onder c vermelde afwijzingsgrond komt tevens voor in het eerdergenoemde Besluit tenders industriële energiebesparing en het Besluit subsidies energieprogramma's, terwijl de onder d genoemde afwijzingsgrond in vele subsidieregelingen is opgenomen namelijk de Regeling diverse bijdragen milieubeheer, alsmede het eerdergenoemde Bijdragenbesluit bedrijfsinterne milieuzorg, het Besluit tenders industriële energiebesparing, het Besluit subsidies informatietechnologie en het Besluit subsidies energieprogramma's. De genoemde afwijzingsgronden zijn geformuleerd als verplichte afwijzingsgronden. Dat betekent dat als de aangegeven situatie zich voordoet, de aanvraag moet worden afgewezen.

Dit is onder meer het geval indien gegronde reden bestaat aan te nemen, dat de aanvrager zal handelen in strijd met de voorschriften die op grond van artikel 11 aan de beschikking zelf kunnen worden verbonden, maar ook indien hij zal handelen in strijd met de verplichtingen die voor hem gelden op grond van de Wet milieubeheer of op grond van artikel 12 van dit besluit.

Uit dit artikel volgt verder dat er voldoende vertrouwen dient te bestaan dat het project volledig zal worden uitgevoerd. Als dit vertrouwen er niet is, moet de aanvraag op grond van dit artikel, onder b, namelijk worden afgewezen. Redenen voor twijfels over de volledige uitvoering van het project kunnen onder meer gelegen zijn in:

– onzekerheid over de financiering van het project;

– onzekerheid over de continuïteit, of

– het ontbreken van de benodigde vergunningen of ontheffingen.

De opsomming van afwijzingsgronden is niet limitatief. De aanvraag kan uiteraard ook worden afgewezen indien zij niet voldoet aan de doelstellingen van het programma.

Artikel 10

Op het karakter van de tender is ook al ingegaan in § 4. Een tender is een bepaalde methode om de aanvragen te behandelen. De regels van dit besluit zijn hierop in beginsel gewoon van toepassing. Wel zijn er enkele bijzondere kenmerken van de tender, met het oog waarop artikel 10 enkele op deze figuur toegespitste voorschriften geeft.

Artikel 11

Kortheidshalve wordt bij het eerste lid verwezen naar § 6, waarin is gewezen op de noodzaak van motivering van de beschikking op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

Op grond van het tweede lid is de programmabeheerder bevoegd aan de beschikking verplichtingen te verbinden. Deze vormen dan een aanvulling op de verplichtingen die rechtstreeks gelden op grond van de Wet milieubeheer en op grond van artikel 12 van dit besluit.

In sommige gevallen is het wenselijk om de beschikking onder een bepaalde voorwaarde te geven. Het kan hierbij gaan om een opschortende of een ontbindende voorwaarde. Deze voorwaarde mag niet inhouden een handeling die volledig in de macht is van hetzij de aanvrager, hetzij de programmabeheerder. Er moet sprake zijn van een gebeurtenis waarvan het plaatsvinden dus niet uitsluitend afhangt van een van de betrokken «partijen». Dit beginsel is expliciet vastgelegd in artikel 4.2.3.5 van het wetsvoorstel Derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht. Een gedragsregel voor de aanvrager behoort bijvoorbeeld als voorschrift aan de beschikking tot verlening van de bijdrage te worden verbonden. Bij voorwaarden is te denken aan de situatie dat de aanvrager nog een bepaalde vergunning moet krijgen, nog een bepaalde financiering rond moet krijgen of een overeenkomst met een derde moet sluiten om het project te kunnen starten.

In dergelijke gevallen kan het praktisch zijn een voorwaarde op te nemen in de beschikking. Wanneer de voorwaarde dan niet vervuld wordt, krijgt de beschikking geen werking (hetgeen iets anders is dan in werking treden) of – bij een ontbindende voorwaarde – vervalt zij van rechtswege. Een voordeel is dat betrokkenen van elkaar af zijn en dat geen intrekking van de beschikking behoeft plaats te vinden.

Artikel 12

In dit artikel worden verplichtingen van de aanvrager opgesomd die rechtstreeks op grond van dit besluit gelden. In onderdeel b is verplicht gesteld dat de aanvrager over de voor de uitvoering van het project benodigde vergunningen en ontheffingen dient te beschikken. Gedacht moet onder meer worden aan vergunningen en ontheffingen op grond van de Wet milieubeheer, de bouwvergunning.

Ten aanzien van de verplichting, in onderdeel e genoemd, namelijk de verplichting om mee te werken aan openbaarmaking, kan opgemerkt worden, dat deze verplichting niet zo ver gaat, dat ook vertrouwelijke bedrijfsgegevens openbaar dienen te worden gemaakt.

Artikelen 13 en 14

Na de beslissing tot verlening van de bijdrage dient de aanvrager binnen zes maanden na afloop van de het project een verzoek tot vaststelling van de definitieve bijdrage bij de programmabeheerder in te dienen. Binnen dertien weken na ontvangst wordt op dit verzoek beslist. Indien geen verzoek tot vaststelling wordt gedaan door de aanvrager, stelt de programmabeheerder hem een termijn waarbinnen zulks dient te worden gedaan. Indien na deze termijn nog geen volledig verzoek is gedaan beslist de programmabeheerder ambtshalve. De bevoegdheid om nadere regels te stellen op grond van het tweede lid omvat onder meer de bevoegdheid om een formulier vast te stellen voor de verslaglegging, en het gebruik daarvan verplicht te stellen, of een controleprotocol vast te stellen voor de toetsing door de accountant.

Artikel 15

Zoals in § 6 al werd opgemerkt wordt de aanspraak van de aanvrager op een bijdrage definitief bij de vaststelling van de bijdrage. De vaststelling geschiedt in beginsel op basis van de beschikking tot verlening. In het geval van een bijdrageverstrekking ten behoeve van bepaalde objecten wordt een afwijkende procedure gevolgd. Aan de beschikking tot vaststelling van de bijdrage gaat geen beschikking tot verlening van de bijdrage vooraf. Ook zal de procedure tot vaststelling van de bijdrage niet op dezelfde wijze als bij projecten plaatsvinden. Zo is overlegging van een verslag omtrent het verloop van het project en een financieel verslag omtrent de realisatie van de projectkosten hier niet aan de orde.

Voorts kunnen zich omstandigheden voordoen dat het onjuist zou zijn de bijdrage vast te stellen op basis van de beschikking tot verlening en moet de bijdrage op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld. Hiervoor biedt artikel 15 een regeling. Dit artikel bepaalt in welke gevallen een bijdrage lager mag worden vastgesteld.

De gronden genoemd onder a en b spreken voor zichzelf.

Bij de onder c genoemde grond kan worden opgemerkt dat hiervoor een verwijtbaarheid van de betrokkene niet nodig is. Het gaat hier om de onjuistheid van de gegevens die tot een andere beschikking tot verlening zouden hebben geleid, doch die pas later aan het licht komen. De beschikking tot verlening is achteraf gezien op onjuiste informatie gebaseerd en daarom moet alsnog een neerwaartse aanpassing kunnen plaatsvinden om de bijdrage af te stemmen op de juiste gegevens.

De onder d bedoelde grond heeft betrekking op de situatie dat de beschikking los van de gegevens die de aanvrager heeft verstrekt onjuist is. Te denken is aan typefouten in de bedragen of andere, evidente vergissingen. Hiervoor is uiteraard wel vereist dat de aanvrager deze fout kende of behoorde te kennen, aangezien hij normaliter, dat wil zeggen als hij te goeder trouw is, mag rekenen op de juistheid van hetgeen in de beschikking is bepaald.

Artikel 16

In § 6 werd al vermeld dat uit de Algemene wet bestuursrecht de motiveringseis van beschikkingen voortvloeit.

In de vaststellingsbeschikking wordt daarnaast op grond van het eerste lid het bedrag van de bijdrage vermeld, waarop de aanvrager recht heeft. Dit bedrag wordt vastgesteld naar aanleiding van de toetsing, waarvoor artikel 13 regels geeft. Het bedrag kan nooit hoger zijn dan de gemaakte kosten. Deze vaststelling moet los worden gezien van de eventuele bevoorschotting, die in veel gevallen dan inmiddels al heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan de begunstigde reeds een deel van het in de vaststellingsbeschikking vermelde bedrag heeft ontvangen. Die bevoorschotting beïnvloedt immers niet de hoogte waarop de betrokkene krachtens de vaststellingsbeschikking recht heeft, maar uitsluitend de hoogte van het bedrag dat hem feitelijk nog moet worden uitbetaald. Met het oog daarop wordt in het derde lid bepaald dat dergelijke voorschotten worden verrekend bij de uitbetaling van de bijdrage.

Artikel 17

Intrekking van de beschikking tot verlening van een bijdrage is mogelijk op de gronden, vermeld in artikel 15.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Dat artikel vermeldt niet wat de gevolgen zijn van een intrekking. Daarvoor geeft het onderhavige artikel een regeling.

Het eerste lid heeft betrekking op de situatie dat de intrekking plaatsvindt voordat de vaststelling heeft plaatsgevonden. De intrekking werkt in de regel «ex tunc», dat wil zeggen tot en met het moment van de beschikking tot verlening van de bijdrage. Hieruit volgt dat eventuele reeds verrichte betalingen onverschuldigd zijn betaald en uit dien hoofde teruggevorderd kunnen worden. Op grond van artikel 15.19, derde lid, van de Wet milieubeheer zijn dergelijke betalingen terstond opeisbaar. Een ander gevolg van deze regel is dat geen verplichting meer bestaat om een vaststellingsbeschikking te nemen; de grondslag hiervoor is vervallen. Er kunnen echter in bepaalde omstandigheden goede redenen zijn om van deze hoofdregel af te wijken. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de redenen voor de intrekking een dergelijke rigoureuze ingreep niet rechtvaardigen en een intrekking «ex nunc», of vanaf het moment dat bijvoorbeeld verplichtingen niet meer werden nageleefd, meer op haar plaats is. Daarom is in dit artikel bepaald dat bij de intrekkingsbeschikking van de hoofdregel kan worden afgeweken. Het is van belang dat in de intrekkingsbeschikking over de omvang van de intrekking en de eventuele resterende verplichtingen duidelijkheid wordt verschaft. Dit geldt vooral als sprake is van een gedeeltelijke intrekking. In dat laatste geval is er immers vaak nog een financiële verplichting van de overheid jegens de aanvrager. In het geval van gehele of gedeeltelijke intrekking moet de vaststelling van de bijdrage geschieden met inachtneming van hetgeen is bepaald in de intrekkingsbeschikking. Dit is bepaald in artikel 15, derde lid.

Het tweede lid betreft de situatie dat de vaststelling van de beschikking al heeft plaatsgevonden. Intrekking in deze fase zal een hoge uitzondering zijn, maar kan niet geheel worden uitgesloten. Het gevolg is dat de vaststellingsbeschikking vervalt voor het ingetrokken gedeelte en dat eventuele betalingen kunnen worden teruggevorderd uit onverschuldigde betaling.

Artikelen 18 en 19

Indien een bijdrage is verleend kan aan de aanvrager een voorschot worden verstrekt tot ten hoogste 80% van de verleende bijdrage. Onder «voorschot» wordt in dit besluit verstaan elke betaling die vooruitloopt op de beschikking tot vaststelling, en waarbij reeds door de aanvrager gemaakte kosten worden betaald. Het gaat derhalve niet om vooruitbetalingen van kosten die de aanvrager nog moet maken; dergelijke betalingen kunnen op grond van het onderhavige besluit niet worden gedaan. De programmabeheerder beslist binnen acht weken na het verzoek daartoe. Dit verzoek zal veelal worden gedaan in de vorm van een declaratie van de kosten. De programmabeheerder beslist dan hetzij positief, veelal in de vorm van het verrichten van uitbetaling, hetzij negatief, door een afwijzende beschikking.

Artikelen 20 en 21

In het eerste lid van artikel 20 worden de gronden voor afwijzing van een verzoek om voorschotverlening vermeld. Het tweede lid bepaalt dat een beslissing op een verzoek wordt aangehouden, indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of een faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend.

Daarnaast kan de programmabeheerder, nadat positief op een verzoek om voorschotverlening is beslist deze alsnog opschorten of stopzetten, indien de aanvrager handelt in strijd met de voor hem geldende verplichtingen.

Behalve in het geval dat de aanvrager niet voldoet aan de voor hem geldende verplichtingen worden eveneens geen voorschotten meer betaald indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of een faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend. Deze bepaling kan beschouwd worden als een aanvulling op hetgeen reeds in de Wet milieubeheer is bepaald over de gevolgen van surséance van betaling en faillissement. Op grond van artikel 15.18, tweede lid, van die wet moet een aanvraag om een bijdrage worden afgewezen wanneer de aanvrager failliet is verklaard. Artikel 15.19, tweede lid, van die wet bepaalt, dat de beschikking op de aanvraag om een bijdrage vervalt zodra de aanvrager failliet is verklaard, wanneer dit gebeurt voor de betaling van het definitief vastgestelde bedrag. De onderhavige bepaling heeft het oog op de daaraan voorafgaande situatie, waarin de beschikking nog niet is vervallen en waarin een verzoek tot voorschotverlening is gedaan.

Tenslotte kan de beschikking tot voorschotverlening worden ingetrokken in het geval dat de aanvrager onjuiste gegevens heeft verstrekt of heeft nagelaten bepaalde gegevens te verstrekken.

Artikel 22

In het eerste lid worden de regelingen genoemd die zullen worden ingetrokken; ten aanzien van reeds ingediende aanvragen blijven deze regelingen echter van toepassing.

De voorziening in het derde lid strekt ertoe te bewerkstelligen dat programma's die – veelal in het begin van het jaar – zijn vastgesteld, als gevolg van de inwerkingtreding van dit besluit in het lopende jaar zouden moeten worden aangepast. Dat zou een onnodige werklast meebrengen. Uiteraard moeten programma's die na de inwerkingtreding van het besluit worden vastgesteld, wel gebaseerd worden op dit besluit.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Margaretha de Boer


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 14 maart 1995, nr. 52.

Naar boven