Besluit van 8 december 1995, houdende bijzondere regelen inzake de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf van vut-gerechtigden (Besluit bijzondere regelen anticumulatie vut-uitkering)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 7 september 1995, nr. AB95/U1175, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen;

Gelet op artikel 7, achtste lid, van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden;

De Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 1995, No. W04.95.0552.);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 1 december 1995, nr. AB95/1459, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de Wet: de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden;

b. groep van belanghebbenden: de belanghebbenden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet van 28 september 1989, houdende bijzondere regelen met betrekking tot het recht op uitkering als bedoeld in de Wet (Stb. 478);

c. bezoldiging: de bezoldiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet.

Artikel 2

Indien degene die behoort tot de groep van belanghebbenden inkomsten geniet als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet, wordt de uitkering verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, een bedrag van maximaal 80% van de bezoldiging overschrijdt.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 1993.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijzondere regelen anticumulatie vut-uitkering.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 8 december 1995

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Uitgegeven de achtentwintigste december 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Ingevolge de Centrale Overeenkomst arbeidsvoorwaardenbeleid overheidspersoneel 1 april 1992 – 31 maart 1993 is de uitkering ingevolge de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden verlaagd van 80% naar 75% van de bezoldiging. Deze maatregel is per 1 mei 1993 van kracht geworden bij Wet van 21 april 1993 (Stb. 237).

Ten aanzien van genoemde overeenkomst is tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van overheidspersoneel in de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken van 27 mei 1992 de aanvullende afspraak gemaakt om te bezien of het wenselijk is de anticumulatie-regeling te laten werken vanaf het oude uitkeringsniveau. Dit met name in verband met de rol van de vut-regeling in het sociaal beleid bij reorganisaties. Uit dat oogpunt is met de Wet van 21 april 1993 (Stb. 237) aan artikel 7 van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden een achtste lid toegevoegd, waarmee de mogelijkheid wordt geschapen om ten gunste van belanghebbenden of groepen van belanghebbenden af te wijken van de stringente anticumulatiebepaling in het eerste lid van dat artikel. Dit eerste lid bepaalt dat inkomsten van belanghebbenden uit of in verband met arbeid of bedrijf op de uitkering in mindering worden gebracht (anticumulatie). Daar de regeling van vrijwillig vervroegd uittreden aanvankelijk de bedoeling had om met name een bijdrage te leveren aan de werkloosheidsbestrijding lag een dergelijke stringente bepaling voor de hand. Inmiddels zijn de inzichten hieromtrent enigszins gewijzigd en zou niet op voorhand moeten worden uitgesloten dat in bepaalde situaties niet alle inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf op de uitkering in mindering worden gebracht.

In dit besluit wordt gebruik gemaakt van de in artikel 7, achtste lid, van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden geopende mogelijkheid ten aanzien van de wachtgelders op wie de Vut-wet van toepassing blijft ingevolge de Wet van 28 september 1989, houdende bijzondere regelen met betrekking tot het recht op uitkering als bedoeld in de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (Stb. 478), de wachtgeld-vut-regeling. Aan hen die van de wachtgeld-vut-regeling gebruik maken is in verschillende gevallen door de werkgever – voor de verlaging van het uitkeringspercentage – bij het ontslag de garantie gegeven dat na ommekomst van de wachtgeldperiode recht zal bestaan op een vut-uitkering op het niveau van het moment van ontslag (wachtgeld-vut-garantie). Voorzover dit ontslag na 1 mei 1993 heeft plaatsgevonden dragen de betreffende werkgevers zelf de lasten van hetgeen boven het wettelijk niveau aan vut-uitkering is gegarandeerd. Voor wat betreft degenen aan wie door de werkgever geen wachtgeld-vut-garantie is verleend werd het onredelijk geacht om hen niet in staat te stellen eventuele neveninkomsten ter grootte van het verschil tussen het oude en het nieuwe niveau van de vut-uitkering te behouden.

Tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van overheidspersoneel is op 16 september 1992 afgesproken dat voor de groep belanghebbenden in de zin van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden, die recht op een vut-uitkering heeft verkregen op grond van de wachtgeld-vut-regeling, de anticumulatie van die uitkering zal plaatsvinden vanaf 80% van de bezoldiging waarvan de uitkering is afgeleid. Dit besluit is de vertaling van die afspraak. De bijzondere anticumulatieregeling geldt met ingang van de verlaging van het uitkeringspercentage, per 1 mei 1993. De Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken is over het besluit gehoord en kan zich daarmee verenigen. Daar het wegens capaciteitsproblemen enige tijd heeft geduurd voordat de formele regeling tot stand heeft kunnen komen is aan dit besluit een terugwerkende kracht van een uitzonderlijke duur verbonden. Materieel heeft een en ander echter geen gevolgen, daar – na de gemaakte afspraak – aan het Algemeen burgerlijk pensioenfonds is gevraagd om, vooruitlopend op de totstandkoming van de formele regelgeving, aan de maatregel reeds uitvoering te geven.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, vijfde lid jo. vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

Naar boven