Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 1995, 662Wet

Wet van 13 december 1995 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de invoering van een regulerende energiebelasting

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een regulerende energiebelasting in te voeren met het oog op het verminderen van de uitstoot van kooldioxide en het bevorderen van energiebesparing;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

In de >Wet belastingen op milieugrondslag1 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A. Aan artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een nieuw onderdeel e toegevoegd, luidende:

e. een regulerende energiebelasting.

B. Na hoofdstuk V wordt een nieuw hoofdstuk Va ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK VA. REGULERENDE ENERGIEBELASTING

AFDELING 1. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 36a
  • 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas: hetgeen ingevolge de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns onder deze begrippen wordt verstaan;

    b. L: een liter bij een temperatuur van 15°C;

    c. weg, motorrijtuig en pleziervaartuig: hetgeen ingevolge artikel 27, vijfde lid, van de Wet op de accijns onder deze begrippen wordt verstaan;

    d. invoer: invoer in de zin van de Wet op de accijns;

    e. uitslag: uitslag in de zin van de Wet op de accijns;

    f. aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met d, van de Wet waardering onroerende zaken op het Nederlandse distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd; een aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten;

    g. kleinverbruiker: de verbruiker van elektriciteit die beschikt over een aansluiting met een maximale doorlaatwaarde van 3x80 Ampère;

    h. installatie voor warmtekrachtkoppeling: een installatie waarin aardgas wordt verstookt voor de gecombineerde opwekking van warmte en kracht met een totaal rendement van minimaal 75%, gebaseerd op de calorische onderwaarde van het aardgas;

    i. installatie voor blokverwarming: een gemeenschappelijke voorziening, niet zijnde een installatie voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in onderdeel h, voor de verwarming van meer dan een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken;

    j. kleinschalige waterkracht: een waterkrachtcentrale voor de opwekking van elektriciteit met een vermogen van minder dan 15 megawatt.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de herleiding van feitelijke hoeveelheden van halfzware olie en gasolie tot hoeveelheden bij een temperatuur van 15°C.

AFDELING 2. GRONDSLAG EN BELASTINGPLICHT

Artikel 36b

Onder de naam regulerende energiebelasting wordt een belasting geheven op:

a. halfzware olie;

b. gasolie;

c. vloeibaar gemaakt petroleumgas;

d. aardgas; en

e. elektriciteit.

Artikel 36c
  • 1. Met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, wordt de belasting geheven ter zake van de uitslag en van de invoer, als was de belasting een accijns, met dien verstande dat artikel 2, vierde lid, van de Wet op de accijns en de daarop berustende bepalingen geen toepassing vinden. Ter zake van het verbruik van halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas als brandstof voor het vervaardigen van minerale oliën in een accijnsgoederenplaats, wordt de belasting geheven over maximaal de in artikel 36l, eerste lid, genoemde hoeveelheden per kalenderjaar.

  • 2. Met betrekking tot aardgas wordt de belasting geheven ter zake van de levering via een aansluiting aan de verbruiker, met dien verstande dat de belasting wordt geheven over een hoeveelheid van maximaal 170 000 m3 per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting. Bij het in aanmerking nemen van vorengenoemde maximale hoeveelheid wordt geen rekening gehouden met leveringen als bedoeld in het vijfde lid.

  • 3. Met betrekking tot elektriciteit wordt de belasting geheven ter zake van de levering via een aansluiting aan een kleinverbruiker, met dien verstande dat de belasting wordt geheven over een hoeveelheid van maximaal 50 000 kWh per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting. Bij het in aanmerking nemen van vorengenoemde maximale hoeveelheid wordt geen rekening gehouden met leveringen als bedoeld in het vijfde lid.

  • 4. Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan 12 maanden worden de in het tweede en derde lid genoemde hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

  • 5. Als een levering als bedoeld in het tweede en derde lid wordt mede aangemerkt het verbruik van aardgas en elektriciteit, indien het aardgas en de elektriciteit op andere wijze zijn verkregen dan door een levering als bedoeld in het tweede en derde lid.

  • 6. Indien in een verbruiksperiode van 12 maanden zowel het tweede, onderscheidenlijk het derde lid, als het vijfde lid van toepassing is, wordt in totaal niet meer belasting geheven dan over maximaal de in het tweede, onderscheidenlijk het derde lid, genoemde hoeveelheden, met dien verstande dat de belasting primair is verschuldigd wegens de levering in de zin van het tweede, onderscheidenlijk het derde lid.

  • 7. Het vijfde lid is niet van toepassing met betrekking tot de verbruiker die:

    a. elektriciteit heeft opgewekt door middel van windenergie, zonne-energie, kleinschalige waterkracht of installaties waarin biomassa zonder enige bijstook of bijmenging van kunststoffen thermisch wordt verwerkt onder omzetting in elektriciteit;

    b. elektriciteit heeft opgewekt door middel van een noodinstallatie in geval van storingen bij de levering via het net;

    c. biomassa heeft omgezet en opgewerkt tot aardgas.

  • 8. Bij de levering van aardgas aan een verbruiker die dat gebruikt voor een installatie voor blokverwarming, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de belasting geheven over de totale hoeveelheid geleverd aardgas.

  • 9. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 36d

Als uitslag wordt mede aangemerkt het gebruik van halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen, voor andere doeleinden dan voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen.

Artikel 36e
  • 1. Met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, wordt de belasting geheven van degene die ter zake accijns verschuldigd is of zou zijn, indien van die brandstoffen accijns zou worden geheven.

  • 2. Met betrekking tot aardgas en elektriciteit wordt de belasting geheven van degene die de levering verricht.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt bij toepassing van artikel 36c, vijfde lid, de belasting geheven van de verbruiker.

Artikel 36f

In afwijking van artikel 36e, eerste lid, wordt de belasting bij toepassing van artikel 36d geheven van degene die de halfzware olie, de gasolie of het vloeibaar gemaakt petroleumgas gebruikt.

AFDELING 3. MAATSTAF VAN HEFFING EN VERSCHULDIGDHEID

Artikel 36g

De belasting wordt geheven per eenheid brandstof, uitgedrukt in L, kilogram of m3, en voor elektriciteit per eenheid energie-inhoud, uitgedrukt in kWh.

Artikel 36h
  • 1. De belasting met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de accijns ter zake van die brandstoffen verschuldigd wordt of zou worden indien van die brandstoffen accijns zou worden geheven.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 36d verschuldigd op het tijdstip waarop het gebruik plaatsvindt.

  • 3. De belasting met betrekking tot de levering van aardgas en de levering van elektriciteit wordt verschuldigd:

    a. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen:

    1°. op het tijdstip waarop een voorschotnota wordt uitgereikt onderscheidenlijk een voorschotbedrag wordt ontvangen; alsmede

    2°. op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over een verbruiksperiode;

    b. in andere gevallen op het tijdstip van de uitreiking van de factuur.

  • 4. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, onder 1°, in samenhang met artikel 36c, tweede en derde lid, worden de hoeveelheden aardgas en elektriciteit, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheden.

  • 5. Onder de in het derde lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde eindfactuur wordt verstaan de factuur die wordt opgemaakt na afloop van een verbruiksperiode en waarin verrekening plaatsvindt met de op deze verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotten.

  • 6. In afwijking van het derde lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 36c, vijfde lid, verschuldigd op het tijdstip waarop het verbruik plaatsvindt.

  • 7. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

AFDELING 4. TARIEF

Artikel 36i
  • 1. Het tarief bedraagt voor:

    a. halfzware olie, per 1000 L f  84,60;

    b. gasolie, per 1000 L f  85,30;

    c. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram f 100,90;

    d. aardgas, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule, per m3 f 0,0953;

    e. elektriciteit, per kWh f 0,0295.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedraagt het tarief voor halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen nihil.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedraagt het tarief voor halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in post a 32 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I, nihil, indien geen aansluiting aanwezig is voor aardgas.

  • 4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, bedraagt het tarief voor aardgas als bedoeld in post a 32 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I, nihil.

  • 5. Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde lager of hoger dan 35,17 megajoule per m3 wordt het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde tarief naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

  • 6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van het derde en vierde lid.

AFDELING 5. VRIJSTELLINGEN

Artikel 36j
  • 1. Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van:

    a. 800 m3 aardgas per de in artikel 36c, tweede lid, bedoelde verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting, met dien verstande dat indien de geleverde hoeveelheid lager is dan 800 m3 de vrijgestelde hoeveelheid gelijk is aan de geleverde hoeveelheid;

    b. 800 kWh elektriciteit per de in artikel 36c, derde lid, bedoelde verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting, met dien verstande dat indien de geleverde hoeveelheid lager is dan 800 kWh de vrijgestelde hoeveelheid gelijk is aan de geleverde hoeveelheid.

  • 2. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter effectuering van de toepassing van het eerste lid. Daarbij worden tevens regels gesteld inzake administratieve verplichtingen alsmede strafbaarstelling van overtreding van het bij die regels gestelde.

  • 3. Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan 12 maanden worden de in het eerste lid genoemde hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

  • 4. Bij toepassing van artikel 36c, vijfde lid, zijn het eerste en het derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een installatie voor blokverwarming als één aansluiting aangemerkt, tenzij de exploitant van de installatie aan degene die het aardgas heeft geleverd een verklaring heeft overgelegd waarin een opgaaf wordt gedaan van het aantal onroerende zaken als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken, dat door de installatie wordt verwarmd.

  • 6. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.

  • 7. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 36k
  • 1. Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van aardgas dat wordt gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit of als brandstof voor een installatie voor warmtekrachtkoppeling.

  • 2. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

AFDELING 6. TERUGGAVEN

Artikel 36l
  • 1. Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, voor zover de hoeveelheid die door een verbruiker is betrokken hoger is dan 159 000 L halfzware olie, 153 000 L gasolie onderscheidenlijk 119 000 kilogram vloeibaar gemaakt petroleumgas per kalenderjaar.

  • 2. De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan degene die de brandstoffen voor eigen verbruik heeft betrokken.

  • 3. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.

  • 4. Artikel 28, derde, vijfde tot en met zevende, en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36m
  • 1. Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van leveringen van aardgas en elektriciteit, voor zover de door de belastingplichtige, bedoeld in artikel 36e, tweede lid, ter zake te ontvangen bedragen niet zijn en niet zullen worden ontvangen.

  • 2. Artikel 28, derde en vijfde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 7. VERPLICHTINGEN TEN DIENSTE VAN DE BELASTINGHEFFING

Artikel 36n
  • 1. De belastingplichtige, bedoeld in artikel 36e, tweede lid, is gehouden een administratie te voeren zodanig dat – voor zover dat voor de heffing van de belasting van belang kan zijn – daaruit te allen tijde duidelijk blijken:

    a. de gegevens betreffende de door hem verrichte leveringen;

    b. de gegevens betreffende de toepassing van de in artikel 36c, tweede en derde lid, bedoelde hoeveelheidsgrenzen;

    c. de gegevens betreffende het bij de levering van elektriciteit van toepassing zijnde onderscheid tussen kleinverbruikers en andere verbruikers.

  • 2. Bij toepassing van artikel 36c, vijfde lid, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen moet worden voldaan.

AFDELING 8. BIJZONDERE REGELING VOOR OP DUURZAME WIJZE GEPRODUCEERDE ENERGIE

Artikel 36o
  • 1. Op de belasting die is verschuldigd ter zake van de levering van elektriciteit en aardgas wordt een vermindering toegepast voor zover in die levering elektriciteit is begrepen die is opgewekt door middel van windenergie, zonne-energie, kleinschalige waterkracht of installaties waarin biomassa zonder bijstook of bijmenging van kunststoffen thermisch wordt verwerkt onder omzetting in elektriciteit, respectievelijk voor zover in die levering aardgas is begrepen dat afkomstig is uit de omzetting van biomassa.

  • 2. De vermindering bedraagt de ter zake van de levering van op duurzame wijze geproduceerde energie, bedoeld in het eerste lid, verschuldigde belasting en is slechts van toepassing voor zover wordt aangetoond dat het bedrag van de vermindering wordt doorgegeven aan degene die de elektriciteit op de in het eerste lid bedoelde wijze heeft opgewekt respectievelijk aan degene die biomassa heeft omgezet en opgewerkt tot aardgas.

  • 3. Bij de toepassing van de vermindering wordt de levering van op duurzame wijze geproduceerde energie, bedoeld in het eerste lid, zoveel als mogelijk is, toegerekend aan belaste leveringen. Voor zover de totale hoeveelheid geleverde op duurzame wijze geproduceerde energie de totale belaste hoeveelheid geleverde energie overtreft, vindt geen vermindering plaats.

  • 4. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vermindering bedoeld in dit artikel wordt verleend.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

  • 6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nieuwe vormen van duurzame energie onder de werking van het eerste lid van dit artikel worden gebracht.

AFDELING 9. AANVULLENDE REGELINGEN

Artikel 36p

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de artikelen 36a, 36c en 36n worden gewijzigd, teneinde de ingevolge artikel 36c, derde lid, bij de heffing van belasting van elektriciteit van toepassing zijnde beperking tot de levering aan een kleinverbruiker te doen vervallen.

AFDELING 10. BIJZONDERE TERUGGAAFREGELING

Artikel 36q

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden voorzien in een regeling op grond waarvan, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, op verzoek geheel of gedeeltelijke teruggaaf van de belasting wordt verleend aan verbruikers, die in het kader van met Onze Ministers gemaakte afspraken verplichtingen op zich hebben genomen ter verbetering van de energie-efficiency.

C. In artikel 37 wordt, onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Bij toepassing van artikel 36h, tweede lid, dient in afwijking in zoverre van het tweede lid en van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de belasting uiterlijk op de dag na het in artikel 36h, tweede lid, bedoelde tijdstip op aangifte te worden voldaan.

ARTIKEL II

  • 1. De in artikel 36c, tweede en derde lid, alsmede de in artikel 36j, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde hoeveelheidsgrenzen worden naar evenredigheid verlaagd indien de periode gelegen tussen het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en het einde van de voor een verbruiker geldende verbruiksperiode korter is dan 12 maanden.

  • 2. De in artikel 36l, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde hoeveelheidsgrenzen worden naar evenredigheid verlaagd indien de periode gelegen tussen het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en het einde van het jaar waarin deze wet in werking is getreden korter is dan 12 maanden.

ARTIKEL III

  • 1. In afwijking van artikel 36i, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag bedraagt het tarief van 1 januari 1996 tot 1 januari 1997 voor:

    a. halfzware olie, per 1000 L f 28,20;

    b. gasolie, per 1000 L f 28,40;

    c. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram f 33,60;

    d. aardgas, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule, per m3 f 0,032.

  • 2. In afwijking van artikel 36i, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag bedraagt het tarief van 1 januari 1997 tot 1 januari 1998 voor:

    a. halfzware olie, per 1000 L f 56,40;

    b. gasolie, per 1000 L f 56,80;

    c. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram f 67,20;

    d. aardgas, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule, per m3 f 0,064.

ARTIKEL IV

  • 1. Ter zake van het bij het ingaan van 1 januari 1996 voorhanden hebben in een opslagplaats van halfzware olie, gasolie of vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in artikel 36b, onderdelen a, b en c, van de Wet belastingen op milieugrondslag, wordt regulerende energiebelasting geheven, die voor halfzware olie en gasolie per 1000 L gelijk is aan f 28,20 respectievelijk f 28,40 en voor vloeibaar gemaakt petroleumgas per 1000 kilogram gelijk is aan f 33,60.

    Onder het voorhanden hebben wordt mede begrepen het vervoer naar een opslagplaats.

  • 2. Aan de regulerende energiebelasting, bedoeld in het eerste lid, zijn niet onderworpen halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas:

    a. waarvoor het tijdstip waarop de regulerende energiebelasting, bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdelen a, b en c, verschuldigd wordt, is gelegen op of na het in het eerste lid bedoelde tijdstip;

    b. waarvoor een vrijstelling van accijns geldt.

  • 3. Onder opslagplaats wordt verstaan elk gebouw of terrein waar minerale oliën als bedoeld in het eerste lid voor commerciële doeleinden voorhanden zijn. Opslagplaatsen in gebruik bij een zelfde persoon worden te zamen als één opslagplaats beschouwd.

  • 4. De regulerende energiebelasting, bedoeld in het eerste lid, wordt geheven van de eigenaar van de in een opslagplaats voorhanden zijnde minerale oliën en moet op aangifte worden voldaan.

  • 5. In afwijking van artikel 10, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, wordt uiterlijk de vijfde werkdag na de in het eerste lid genoemde datum aangifte gedaan van de hoeveelheden van de aan de regulerende energiebelasting, bedoeld in het eerste lid, onderworpen onderscheiden minerale oliën.

  • 6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aangifte.

  • 7. De heffing van de regulerende energiebelasting, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien de te heffen belasting niet meer bedraagt dan f 200.

ARTIKEL V

Artikel IV is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de verhoging van de regulerende energiebelasting met ingang van 1 januari 1997.

ARTIKEL VI

Artikel IV is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de verhoging van de regulerende energiebelasting met ingang van 1 januari 1998, met dien verstande dat van gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in artikel 36b, onderdelen b en c, van de Wet belastingen op milieugrondslag, regulerende energiebelasting wordt geheven, die gelijk is aan f 28,50 per 1000 L, respectievelijk f 33,70 per 1000 kilogram.

ARTIKEL VII

In artikel 30a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen2 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

1. In de aanhef van het tweede lid wordt «en de belasting op uranium-235» vervangen door: , de belasting op uranium-235 en de regulerende energiebelasting.

2. In het derde lid, onderdeel d, wordt «en de belasting op uranium-235» vervangen door: , de belasting op uranium-235 en de regulerende energiebelasting.

ARTIKEL VIII

In de Invorderingswet 19903 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A. In artikel 22, derde lid, wordt in onderdeel e «en de belasting op uranium-235» vervangen door: , de belasting op uranium-235 en de regulerende energiebelasting.

B. In artikel 36 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

B.1. In het eerste lid wordt «en de belasting op uranium-235» vervangen door: , de belasting op uranium-235 en de regulerende energiebelasting.

B.2. In het tweede lid wordt «of belasting op uranium-235» vervangen door: , belasting op uranium-235 of regulerende energiebelasting.

ARTIKEL IX

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1996, mits het bij koninklijke boodschap van 14 september 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting in verband met de invoering van een regulerende energiebelasting (Kamerstukken II 1994/95, 24 344) (Stb. 1995, 664) tot wet wordt verheven en met ingang van 1 januari 1996 in werking treedt alsmede het bij koninklijke boodschap van 23 augustus 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen (Kamerstukken II 1994/95, 24 285) (Stb. 1995, 566) tot wet wordt verheven en het in dat wetsvoorstel opgenomen artikel III, onderdeel B, en de daarin genoemde algemene maatregel van bestuur eveneens met ingang van 1 januari 1996 in werking treden.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 13 december 1995

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Margaretha de Boer

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

Uitgegeven de achtentwintigste december 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1994, 923, laatstelijk gewijzigd bij wet van 6 december 1995, Stb. 588.

XNoot
2

Stb. 1959, 301, laatstelijk gewijzigd bij wet van 18 december 1995, Stb. 659.

XNoot
3

Stb. 221, laatstelijk gewijzigd bij wet van 18 december 1995, Stb. 660.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1994/95, 1995/96, 24 250 (40, 40a t/m 40h).

Handelingen II 1995/96, blz. 599–652; 683–745; 778–781; 838–846.

Kamerstukken I 1995/96, 24 250 (40, 40a t/m 40h).

Handelingen I 1995/96, zie vergadering 4 en 5 december 1995.