Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 1995, 601Wet

Wet van 6 december 1995, houdende wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met de oprichting van het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de activiteiten van de Rijksbrandweeracademie en de Stichting Brandweeropleiding in Nederland in één zelfstandig nationaal instituut voor brandweer en rampenbestrijding onder te brengen en dat het in verband daarmee noodzakelijk is de Brandweerwet 1985 te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

In de >Brandweerwet 19851 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

De aanhef van artikel 14, eerste lid, komt als volgt te luiden:

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor het personeel van de gemeentelijke brandweer, de regionale brandweer en het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, regels worden gegeven ten aanzien van: .

B

In artikel 15 vervallen het tweede lid en de aanduiding 1. voor de tekst van het eerste lid.

C

In artikel 16 wordt «artikel 15, eerste lid,» vervangen door: artikel 15.

D

Paragraaf 5a komt te luiden:

PARAGRAAF 5A. NEDERLANDS INSTITUUT VOOR BRANDWEER EN RAMPENBESTRIJDING

Artikel 18a
  • 1. Er is een Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding. Het instituut bezit rechtspersoonlijkheid.

  • 2. Het instituut heeft de volgende taken:

    a. het verzorgen van de officiersopleidingen voor de brandweer die met een rijksexamen als bedoeld in artikel 15 worden afgesloten,

    b. het verzorgen van de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen andere opleidingen die met een rijksexamen als bedoeld in artikel 15 worden afgesloten,

    c. het werven en selecteren van kandidaten voor opleidingen, bedoeld onder a en b, en

    d. het ontwikkelen van leerstof en instructiemethoden en -middelen voor de opleidingen, bedoeld onder a en b.

  • 3. Het instituut kan andere werkzaamheden verrichten dan die welke uit de in het tweede lid genoemde taken voortvloeien, voor zover het betreft:

    a. het verzorgen van andere opleidingen op het gebied van de brandweerzorg en de rampenbestrijding dan die welke in het tweede lid, onder a en b zijn bedoeld, en van oefeningen op dat gebied,

    b. het werven en selecteren van kandidaten voor opleidingen en oefeningen, bedoeld onder a,

    c. het ontwikkelen van leerstof en instructiemethoden en -middelen voor andere opleidingen dan die welke in het tweede lid, onder a en b, zijn bedoeld,

    d. het vaststellen van examenreglementen voor opleidingen die niet met een rijksexamen als bedoeld in artikel 15 worden afgesloten,

    e. het ontwikkelen, in stand houden en beschikbaar stellen van expertise met betrekking tot de brandweerzorg en rampenbestrijding en

    f. het verrichten van andere activiteiten die de deskundigheid van personen op het gebied van de brandweerzorg en rampenbestrijding of het functioneren van de organisaties waarvoor zij werkzaam zijn, bevorderen.

  • 4. De in het derde lid genoemde werkzaamheden mogen niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van vergelijkbare diensten en worden tegen kostendekkende tarieven verricht.

  • 5. De inkomsten van het instituut bestaan uit:

    a. de kosten die het instituut bij de uitvoering van de in het tweede lid bedoelde taken en de in het derde lid bedoelde werkzaamheden bij derden in rekening brengt,

    b. de bijdragen, bedoeld in artikel 18e, eerste lid, en

    c. andere baten.

  • 6. Het instituut trekt geen gelden aan die dagelijks of op termijn opvorderbaar zijn. In afwijking van de eerste volzin is het het instituut toegestaan ter overbrugging van tijdelijke kastekorten bij een kredietinstelling tijdelijke kredieten in rekening-courant op te nemen.

Artikel 18b
  • 1. Het instituut heeft een bestuur dat uit vijf leden bestaat, waaronder de voorzitter.

  • 2. De voorzitter en de overige leden van het bestuur worden bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. De Raad, bedoeld in artikel 18c, zevende lid, kan een aanbeveling doen voor de voordracht voor het koninklijk besluit tot benoeming.

  • 3. De leden van het bestuur hebben, behoudens tussentijds ontslag, zitting voor vier jaren. Zij kunnen ten hoogste eenmaal worden herbenoemd.

Artikel 18c
  • 1. Het bestuur heeft de algemene leiding over het instituut.

  • 2. Het bestuur benoemt een directeur, die de dagelijkse leiding over het instituut heeft.

  • 3. Het bestuur stelt bij reglement regels over de inrichting en werkwijze van het instituut en nadere regels over de taken en bevoegdheden van de directeur vast.

  • 4. Het bestuur stelt jaarlijks een begroting van de inkomsten en uitgaven voor het daarop volgende kalenderjaar, een meerjarenraming van de inkomsten en uitgaven voor de daarop volgende vier kalenderjaren en de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven van het daaraan voorafgaande kalenderjaar vast. Deze behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

  • 5. Het bestuur verstrekt desgevraagd aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

  • 6. Het bestuur stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • 7. Het bestuur stelt bij reglement een Raad voor het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding in, waarin vertegenwoordigers zitting hebben uit de kring van openbare lichamen en organisaties die een taak vervullen op het terrein van de brandweerzorg en rampenbestrijding. Het bestuur voert overleg met de Raad over aangelegenheden die betrekking hebben op het instituut in het algemeen en de opleidingen in het bijzonder. In het reglement, bedoeld in het derde lid, worden regels gegeven over de samenstelling, taak en werkwijze van de Raad alsmede over de wijze van benoeming van de leden van de Raad.

Artikel 18d
  • 1. Het personeel van het instituut is ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet.

  • 2. De regels die op grond van artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet zijn vastgesteld voor de ambtenaren die bij een ministerie anders dan het Ministerie van Defensie zijn aangesteld, zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren die in dienst van het instituut zijn. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden vastgesteld.

  • 3. In afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven voor de ambtenaren die bij het instituut zijn aangesteld voor de duur van een opleiding als bedoeld in artikel 15, voor zover dit in verband met hun bijzondere positie noodzakelijk is.

Artikel 18e
  • 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken verstrekt het instituut jaarlijks uit 's Rijks kas een bijdrage met het oog op de kosten van de uitvoering van de in artikel 18a, tweede lid, bedoelde taken. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan het instituut een tijdelijke bijdrage voor een bijzonder doel verstrekken.

  • 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan aan het bestuur aanwijzingen van algemene aard geven, indien hij dit met het oog op de goede uitvoering van de taken van het instituut nodig acht.

Artikel 18f
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over:

    a. de taken en bevoegdheden van het bestuur,

    b. de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuur, en

    c. de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de bijdragen, bedoeld in artikel 18e, eerste lid, worden verstrekt.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de controle op de rechtmatigheid van het gevoerde financiële beheer en de verantwoording daarover en op de doelmatigheid van het beheer, de organisatie en het gevoerde beleid van het bestuur.

E

Artikel 15a wordt vernummerd tot artikel 18g. In het tweede en vijfde lid van dat artikel wordt «artikel 15, eerste lid» vervangen door: artikel 15.

F

Boven artikel 18g wordt het volgende opschrift geplaatst:

PARAGRAAF 5B. NEDERLANDS BUREAU BRANDWEEREXAMENS

G

Artikel 18g wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde tot en met elfde lid tot het vijfde tot en met dertiende lid, worden een nieuw derde en vierde lid ingevoegd, die als volgt luiden:

  • 3. Het bureau kan andere werkzaamheden verrichten dan die welke uit het tweede lid voortvloeien, voor zover het betreft:

    a. het zorgen voor de ontwikkeling, de uitvoering, de organisatie en de afneming van andere examens op het gebied van de brandweerzorg en de rampenbestrijding dan die welke in het tweede lid, onder a, zijn bedoeld, alsmede het afgeven van vrijstellingen, certificaten en diploma's;

    b. het ontwikkelen, het in stand houden en het beschikbaar stellen van expertise met betrekking tot de examinering van opleidingen op het gebied van de brandweerzorg en de rampenbestrijding.

  • 4. De in het derde lid genoemde werkzaamheden mogen niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van vergelijkbare diensten en worden tegen kostendekkende tarieven verricht.

2. Het achtste lid komt als volgt te luiden:

  • 8. Het bestuur verstrekt desgevraagd aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

3. In het tiende lid vervalt na «Ambtenarenwet» het cijfer 1929.

4. In het elfde lid wordt na de zinsnede «bedoeld in het tweede lid,» ingevoegd: en de werkzaamheden, bedoeld in het derde lid,.

5. Een nieuw lid wordt toegevoegd, dat als volgt luidt:

  • 14. Het bureau stelt jaarlijks een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

H

In artikel 20 wordt «artikel 19, tweede lid» telkens vervangen door: artikel 19, tweede en derde lid.

ARTIKEL II

In artikel II van de wet van 11 november 1993, houdende wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met de oprichting van het Nederlands bureau brandweerexamens (Stb. 1994, 15) wordt in de onderdelen A en C «artikel 15a» telkens vervangen door: artikel 18g.

ARTIKEL III

A

In dit artikel wordt onder het instituut verstaan: het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Brandweerwet 1985.

B

1. De vermogensbestanddelen van de Staat die worden toegerekend aan de Rijksbrandweeracademie, gaan onder algemene titel over op het instituut.

2. Van de overgang, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgezonderd de vermogensrechtelijke verplichtingen en vorderingen van de Staat ten aanzien van het personeel die verband houden met een voor de overgangsdatum beëindigd dienstverband.

3. Indien op grond van het eerste lid registergoederen overgaan, doet Onze Minister van Financiën de overgang van die registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

4. Ter zake van de verkrijging door het instituut van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, blijft de heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

5. Het instituut kan slechts tot vervreemding of bezwaring van de registergoederen, bedoeld in het derde lid, overgaan na toestemming van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Financiën en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

6. Bij liquidatie van het instituut gaan de vermogensbestanddelen onder algemene titel over op de Staat.

C

De personen die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet als voorzitter of als lid zitting hadden in het voorlopig bestuur van het instituut, bedoeld in het besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 9 september 1992, EB92/2123 (Stcrt. 200), worden op de datum waarop deze wet in werking treedt, in die hoedanigheid in het bestuur van het instituut benoemd.

D

1. De personen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet in dienst zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en werkzaam zijn bij de Rijksbrandweeracademie dan wel in dienst zijn van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en werkzaam zijn bij de Stichting Brandweeropleiding in Nederland, zijn met ingang van die datum van rechtswege eervol ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van het instituut, mits hun naam is vermeld op een lijst die is vastgesteld door Onze Minister van Binnenlandse Zaken, de directie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het voorlopig bestuur van het instituut, bedoeld in het besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 9 september 1992, EB92/2123 (Stcrt. 200), in overeenstemming met het bestuur van de Stichting Brandweeropleiding in Nederland.

2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personen vindt plaats met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken dan wel de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

3. Op de overgang, bedoeld in het eerste lid, is het Sociaal Statuut NIBRA van toepassing. De verplichtingen die voortvloeien uit dit statuut, gaan over op het instituut.

E

1. De personen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet in dienst zijn van het Ministerie van Binnenlandse Zaken om de opleiding, bedoeld in artikel 1, onder a, onderdeel 6, van het Besluit rijksexamen brandweeropleidingen, te volgen, zijn met ingang van die datum van rechtswege eervol ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van het instituut, voor de resterende duur van de opleiding.

2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personen vindt plaats met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor hen gold bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

F

Wettelijke procedures en rechtsgedingen door of tegen de Staat waarbij de Rijksbrandweeracademie is betrokken, worden voortgezet door of tegen het instituut.

ARTIKEL IV

Onze Minister van Binnenlandse Zaken zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding en het Nederlands bureau brandweerexamens.

ARTIKEL V

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 6 december 1995

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Uitgegeven de veertiende december 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1985, 87, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 juli 1995, Stb. 431.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1994/95, 24 029.

Handelingen II 1994/95, blz. 6017–6032; 6147–6148.

Kamerstukken I 1995/96, 24 029 (7, 7a, 7b, 7c)

Handelingen I 1995/96, zie vergadering d.d. 4 december 1995.