Besluit van 24 november 1995, houdende instelling van een Voorlopige raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening (Besluit Voorlopige raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 1995, CDWJZ-U-95.2218;

§ 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

§ 2. Instelling en samenstelling

Artikel 2

  • 1. Er is een Voorlopige raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening.

  • 2. De Raad heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over de hoofdlijnen van het te voeren beleid op het gebied van de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening alsmede op andere gebieden, voor zover deze raakvlakken hebben met de volksgezondheid of de zorggerelateerde dienstverlening.

Artikel 3

  • 1. De Raad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste acht andere leden.

  • 2. De Raad kan uit zijn midden ondervoorzitters aanwijzen.

Artikel 4

De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit benoemd.

Artikel 5

  • 1. De leden van de Raad zijn onafhankelijk en worden benoemd op grond van hun deskundigheid.

  • 2. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een daaronder ressorterende instelling, dienst of bedrijf, worden niet benoemd tot lid van de Raad indien zij in verband met hun werkzaamheden zijn betrokken bij de onderwerpen waarover de Raad adviseert.

  • 3. Bij de samenstelling van de Raad wordt gestreefd naar evenredige deelneming aan de Raad van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheden.

Artikel 6

De leden van de Raad worden op eigen aanvraag door Onze Minister ontslagen. Zij kunnen voorts bij koninklijk besluit worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.

Artikel 7

  • 1. Onze Minister draagt zorg voor een secretariaat ter ondersteuning van de werkzaamheden van de Raad, bestaande uit een secretaris en onder deze werkzame personen.

  • 2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de Raad uitsluitend verantwoording schuldig aan de Raad.

  • 3. De secretaris en de onder deze werkzame personen zijn geen lid van de Raad.

Artikel 8

  • 1. De Raad kan uit zijn midden commissies instellen.

  • 2. Een commissie kan niet worden belast met het uitbrengen van een advies.

§ 3. Advisering en standpuntbepaling

Artikel 9

  • 1. De Raad adviseert op schriftelijk verzoek van Onze Minister of van de voorzitter van een van beide kamers der Staten-Generaal.

  • 2. In het adviesverzoek kan worden aangegeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn dat de Raad zijn taak niet naar behoren kan vervullen.

  • 3. De Raad kan Onze Minister uit eigen beweging adviseren. Van een voornemen daartoe stelt de Raad Onze Minister onverwijld in kennis.

Artikel 10

  • 1. De Raad kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren, alsmede tot instellingen en groeperingen buiten de overheid.

  • 2. De Raad kan zich doen bijstaan door andere personen, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 11

  • 1. De Raad beraadslaagt en besluit in vergadering over de uit te brengen adviezen.

  • 2. De adviezen worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de ter vergadering aanwezige leden, waarbij elk lid één stem heeft.

  • 3. Indien het nodig is over het besluit tot vaststelling van het advies bij wijze van stemming te beslissen, wordt dat besluit bij meerderheid van stemmen opgemaakt.

  • 4. Indien de stemmen staken, wordt de besluitvorming aangehouden tot de volgende vergadering, tenzij de advisering niet uitgesteld kan worden of de vergadering voltallig is. In deze gevallen beslist de stem van de voorzitter. Van die omstandigheid wordt in het advies melding gemaakt.

  • 5. De leden stemmen zonder last.

  • 6. Een lid dat ter vergadering een standpunt heeft ingebracht dat afwijkt van het gevoelen van de meerderheid, kan over dat standpunt een afzonderlijke nota bij het advies voegen.

Artikel 12

De Raad kan zijn werkwijze nader vaststellen in een reglement van orde.

Artikel 13

Indien een advies wordt uitgebracht aan één van de kamers der Staten-Generaal, zendt de Raad een afschrift van het advies aan Onze Minister.

Artikel 14

  • 1. Onze Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal binnen drie maanden na ontvangst in kennis van zijn standpunt over een door hem gevraagd en tijdig uitgebracht advies over een vast te stellen ministeriële regeling of over beleid.

  • 2. Indien de vaststelling van het standpunt niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt, stelt Onze Minister de beide kamers der Staten-Generaal hiervan in kennis.

Artikel 15

Desgevraagd informeert de Raad Onze Minister over al hetgeen de Raad betreft en verleent hem inzage van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover hij die voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.

§ 4 Begroting, programmering en verslaglegging

Artikel 16

  • 1. Onze Minister stelt, na overleg met de beoogde voorzitter van de Raad, een werkprogramma vast voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 1996.

  • 2. Onze Minister kan het werkprogramma wijzigen.

Artikel 17

De Raad houdt bij het vervullen van zijn taak rekening met het werkprogramma. Hij vervult zijn taak met de middelen die ingevolge de desbetreffende begrotingswet ter beschikking zijn gesteld.

§ 5 Slotbepalingen

Artikel 18

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit vervalt op 1 januari 1997.

Artikel 19

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Voorlopige raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening.

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 24 november 1995

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Uitgegeven de vijfde december 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Inleiding

De komende jaren zal het adviesstelsel van het Rijk geheel worden herzien. Uitgangspunt is om met ingang van 1 januari 1997 alle externe beleidsadviescolleges van het Rijk (in de zin van artikel 79 van de Grondwet) op te heffen, respectievelijk colleges die tevens zijn belast met andere taken, te ontheffen van hun beleidsadviestaak. Een hiertoe strekkend wetsvoorstel Herziening adviesstelsel ligt thans ter behandeling bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1994/95, 24 232, nrs. 1–3). Op eerdergenoemd tijdstip zal de herziening van het gehele adviesstelsel, inclusief de inrichting van het nieuwe stelsel, moeten zijn voltooid en zullen ter inrichting van het nieuwe stelsel afzonderlijke regelingen in werking moeten treden waarbij nieuwe «afgeslankte» adviescolleges per (groot) beleidsveld of cluster van beleidsvelden worden ingesteld. Deze adviescolleges richten zich op beleidsadvisering op hoofdlijnen in een vroege fase van de beleidscyclus; het gaat om de strategische beleidsadvisering (Kamerstukken II 1993/94, 23 725, nr. 1, blz. 20).

Zoals bij de Tweede Kamer is aangekondigd (Kamerstukken II 1994/95, 23 725, nr. 5) is tevens een wetsvoorstel voorbereid dat een juridisch kader voor het nieuwe adviesstelsel bevat (als voorontwerp Kaderwet adviescolleges gepubliceerd in Staatscourant nr. 55 en thans ter advisering aangeboden aan de Raad van State) en tegelijk met het eerdergenoemde voorstel van wet tot herziening van het adviesstelsel per 1 januari 1997 in werking moet treden. In het kader van de inrichting van het nieuwe adviesstelsel zal voor het beleidscluster volksgezondheid en zorggerelateerde dienstverlening met ingang van 1 januari 1997 de Raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening gaan functioneren. Het beheer van deze raad zal vallen onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De voorbereidingen voor een wettelijke regeling ter zake zijn thans in volle gang.

Zoals ook is medegedeeld in de brief van 12 juni 1995 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1994/95, 24 218, nr. 1, blz. 9) wordt voor de overgangsperiode tot 1 januari 1997 een voorziening getroffen.

Het onderhavige besluit is hier de neerslag van en strekt ertoe om, in afwachting van de bedoelde wettelijke regeling ter zake, de continuïteit in de advisering vanaf najaar 1995 tot 1 januari 1997 te waarborgen en die reeds zo veel mogelijk te plaatsen in het perspectief van de toekomstige adviesstructuur. Met het oog op die toekomstige adviesstructuur zijn de bepalingen van het onderhavige besluit zo veel mogelijk ontleend aan het voorontwerp Kaderwet adviescolleges en de beleidsbeslissing ten aanzien van advisering uit eigen beweging.

In dit kader is het van belang te vermelden dat de Nationale Raad voor de Volksgezondheid met ingang van 1 januari 1995 is belast met een financiële taakstelling; per 1 januari 1996 is die taakstelling nog verzwaard.

Een reorganisatie- en afslankingsproces is inmiddels in gang gezet. De (voorlopig) laatste vergadering van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid heeft op 6 juli 1995 plaatsgevonden. Daarnaast is van belang dat de verplichting tot het vragen van bepaalde beleidsadviezen aan de Nationale Raad met de inwerkingtreding van de Wet afschaffing adviesverplichtingen (Stb. 1995, 355) niet meer aanwezig is.

Taak en werkterrein

Advisering heeft een duidelijke eigen plaats in het beleidsvormingsproces.

De Raad adviseert over hoofdlijnen van beleid op het terrein van het beleidscluster volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening, alsmede op andere gebieden, voor zover deze raakvlakken hebben met de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening (het zogenaamde facetbeleid).

Hoofdlijn van beleid betekent in ieder geval dat het te beadviseren onderwerp betrekking moet hebben op de middellange termijn (dit sluit niet uit dat zulks ook implicaties kan hebben voor de lange termijn), alsmede relevant moet zijn voor de politieke besluitvorming. De eis van de relevantie van het advies impliceert dat de minister in de adviesaanvraag kan aangeven waarvoor het advies zal worden gebruikt, wat eventueel de bandbreedte is waarbinnen het uit te brengen advies zich bij voorkeur heeft te begeven en in welke context de adviesaanvraag te plaatsen valt.

Wetenschappelijk of evaluatief advies zal niet worden gevraagd: andere instanties, zoals de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid of het Sociaal cultureel planbureau, moeten het beleidsvormingsproces van dergelijke inbreng voorzien.

Voor zover over onderwerpen al een concreet politiek besluit is genomen (bijvoorbeeld in het regeerakkoord) wordt daarover in de regel evenmin (beleids)advies gevraagd. In dit geval heeft de besluitvorming over het beleid immers al plaatsgevonden.

In het verlengde van het primaat van de politiek ligt logischerwijs het uitgangspunt dat op een uitgebracht advies een beleidsmatige of politieke stellingname volgt en niet een nieuwe adviesaanvraag.

De volksgezondheid behoort in zijn volle breedte en in alle aspecten tot het domein van de Raad: preventie, gezondheidsbescherming en zorg, alsmede de instrumenten zoals verzekering, planning, financiering en opleidingen.

Tot het domein van de Raad behoort voorts de zorggerelateerde dienstverlening. Hiermee wordt gedoeld op dienstverlenende activiteiten waarbij het zorgelement een belangrijke rol speelt. Ook het facetbeleid speelt een rol. Het facetbeleid betreft het raakvlak tussen de volksgezondheid of de zorggerelateerde dienstverlening en andere beleidsterreinen waarbinnen zich determinanten van gezondheid bevinden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de wisselwerking tussen gezondheidstoestand en zorgvoorzieningen enerzijds en omstandigheden als voeding, arbeid of werkloosheid, veiligheid en onderwijs anderzijds.

Financiële gevolgen

De Raad voorziet in de behoefte van de rijksoverheid aan advies. De uitgaven die worden gedaan in verband met de taakuitoefening door adviescolleges die, zoals de Raad, geen rechtspersoonlijkheid bezitten, betreffen de normale begrotingsuitvoering en komen ten aanzien van de Raad ten laste van de begroting van het (beherende) Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Voor 1996 komt voor de Raad een bedrag van 3,2 miljoen gulden beschikbaar. Voor 1995 is op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geen geld gereserveerd voor de oprichting van de Raad. De Raad zal in het najaar van 1995 gaan functioneren en dus over de laatste maanden van 1995 kosten genereren. Voor een deel kunnen deze kosten worden gefinancierd uit de begroting van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid voor 1995. Dit zal echter niet voor alle kosten kunnen gelden: het budget van de Nationale Raad is voor 1995 immers teruggebracht (met f 3,2 miljoen gulden) en in de begroting van de Nationale Raad voor 1995 is geen rekening gehouden met de oprichtingskosten van de Raad. Het desbetreffende bedrag, begroot op ± f 0,5 miljoen gulden, zal incidenteel worden gefinancierd.

Artikelsgewijs

Artikel 2, eerste lid

In de naamgeving van de Raad is tot uitdrukking gebracht dat de Raad de voorloper is van de definitieve raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening, die naar verwachting op 1 januari 1997 bij de inwerkingtreding van de wettelijke regeling dienaangaande, zal gaan functioneren.

Artikel 3

Het eerste lid bepaalt dat de Raad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste acht andere leden. De woorden «ten hoogste» zijn enerzijds gebruikt om het aantal leden aan een maximum te binden en anderzijds geven zij aan dat de Raad kan beginnen met minder dan het maximale aantal leden. Voor de gevallen waarin de voorzitter afwezig is, kan de Raad ingevolge het tweede lid uit zijn midden een of meer ondervoorzitters aanwijzen. Uit het artikel volgt dat de Raad geen plaatsvervangende leden heeft. De noodzaak hiertoe is (in het toekomstige nieuwe adviesstelsel) niet aanwezig. Een dergelijke rechtsfiguur is veeleer aangewezen bij overlegorganen, omdat daarbij de vertegenwoordiging van bepaalde groepen of belangen voorop staat. Bij langdurige verhindering of ziekte van een van de leden kan de Raad desgewenst ad hoc in specifieke deskundigheid voorzien door het inschakelen van een externe deskundige.

Artikel 4

Dit artikel, waarin wordt bepaald dat de benoeming van de voorzitter en de andere leden geschiedt bij koninklijk besluit, is in lijn met het voorontwerp Kaderwet adviescolleges, waarin voor de wijze van benoeming van adviescolleges een algemene regel wordt gegeven. De leden van de Raad zullen worden benoemd tot en met 31 december 1996.

Artikel 5

De in het eerste lid bedoelde deskundigheid ziet uiteraard op de deskundigheid in verband met de adviestaak van de Raad. Bij de benoeming zal ingevolge deze bepaling derhalve in beginsel uitsluitend aandacht worden geschonken aan de deskundigheid op de terreinen waarvoor de Raad is ingesteld. Het woord «onafhankelijk» ziet op de onafhankelijkheid ten opzichte van de regering en belangengroepen.

Het tweede lid bepaalt dat ambtenaren, werkzaam bij de ministeries of de daaronder ressorterende diensten, instellingen of bedrijven, die in verband met hun werk betrokken zijn bij de onderwerpen waarover de Raad tot taak heeft te adviseren, geen lid van de Raad kunnen zijn. De benoeming van dergelijke ambtenaren tot lid van de Raad zou afbreuk doen aan de onafhankelijkheid van de advisering van de Raad en zou kunnen leiden tot een «verambtelijking» van de Raad. Bovendien zou dat kunnen leiden tot een ongewenste vermenging van taken en verantwoordelijkheden van de ambtenaar. Een ambtenaar als hier bedoeld kan wel desgevraagd de Raad met informatie terzijde staan en op uitnodiging van de Raad aanwezig zijn bij vergaderingen of als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen van de Raad.

In het derde lid wordt een algemene regel gegeven voor de bevordering van de evenredige deelneming van vrouwen of minderheden aan de Raad, waarbij uiteraard rekening wordt gehouden met de grenzen die volgen uit de (Grond)wet, internationale verdragen en gemeenschapsrecht. Gelet op de ondervertegenwoordiging van vrouwen en minderheden in adviescolleges kan in algemene zin worden opgemerkt dat de strekking van het derde lid in overeenstemming is met de artikelen 1 en 3 van de Grondwet, de daarmee overeenkomende bepalingen in internationale verdragen en artikel 2, derde lid, van de Algemene wet gelijke behandeling.

Artikel 6

Ten aanzien van de toepassing van de tweede volzin zal het van de aard en de duur van de omstandigheden afhangen of het lid wordt geschorst dan wel ontslagen. Bij de toepassing van het criterium «andere zwaarwegende gronden» kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval waarin het lid een betrekking aanvaardt die afbreuk doet aan de onafhankelijke positie van het lid in de praktijk.

Artikel 7

Uitgangspunt is dat de advisering dient te geschieden door onafhankelijke deskundigen die gezamenlijk de breedte van de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening in voldoende mate overzien. Zij moeten evenwel een beroep kunnen doen op een deskundig secretariaat. De ondersteuning vanuit het secretariaat is dus meer dan technisch/administratief. Met name de secretaris van de Raad speelt hierbij een belangrijke rol.

De bedoeling is dat het secretariaat zal bestaan uit personeel van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid, dat hiertoe bij de Raad zal worden tewerkgesteld.

Artikel 8

Dit artikel heeft betrekking op de werkwijze bij de voorbereiding van de adviezen. Met het oog op de toekomstige adviesstructuur wordt niet voorzien in de bevoegdheid van de Raad om commissies in te stellen die zelfstandig kunnen adviseren. Uitgangspunt van het nieuwe adviesstelsel is immers dat adviescolleges bestaan uit een beperkt aantal onafhankelijke deskundigen (zie punt 5 uit de conclusies en aanbevelingen in het rapport «Raad op Maat»); voor een adviescollege met een beperkt aantal leden, zoals de Raad, bestaat geen noodzaak voor het instellen van zelfstandig opererende (vaste) commissies. De Raad heeft wel de bevoegdheid om voor het voorbereiden van een bepaald advies een (tijdelijke) commissie in te stellen. De bevoegdheid tot het vaststellen van het advies en de overige taken en bevoegdheden van de Raad blijven echter bij de Raad zelf berusten. Overigens is de mogelijkheid om commissies in te stellen begrensd door de in het eerste lid neergelegde eis dat de commissies «uit zijn midden» worden ingesteld. Dit betekent dat de Raad zijn samenstelling en omvang niet door het instellen van commissies kan vergroten. Zulks laat evenwel onverlet de in artikel 10, tweede lid, geboden mogelijkheid om externen te betrekken bij de werkzaamheden van een dergelijke commissie.

Het tweede lid is noodzakelijk om te voorkomen dat een commissie uit de Raad zich als een zelfstandig adviescollege gaat ontwikkelen.

Artikel 9

In het eerste lid en het tweede lid wordt bepaald dat de Raad adviseert op schriftelijk verzoek van de regering of een van de beide kamers der Staten-Generaal. De hiermee geïntroduceerde bevoegdheid van de beide kamers om rechtstreeks advies te vragen aan de Raad is ontleend aan artikel 13 van het voorontwerp Kaderwet adviescolleges, in welk artikel uitvoering wordt gegeven aan punt 14 van de conclusies en aanbevelingen in het rapport «Raad op maat» (Kamerstukken II 1992/93, 21 427, nr. 29).

Bij het vragen om een advies, alsook nadien, kan worden aangegeven binnen welke termijn het advies wordt verwacht. De eventueel gestelde termijn moet worden afgestemd op de termijn die de Raad, gelet op diens taak en de omstandigheden waaronder die taak moet worden vervuld, nodig heeft.

Ingevolge het derde lid kan de Raad ook uit eigen beweging een advies uitbrengen; van een dergelijk voornemen moet de minister tevoren in kennis worden gesteld. In het kader van het aan de vaststelling van het werkprogramma voorafgaande overleg met de beoogde voorzitter van de Raad zal zulks uiteraard aan de orde komen.

Artikel 10

Dit artikel geeft aan de Raad de bevoegdheid zich ten behoeve van de advisering te laten voorlichten door ambtenaren of – indien de gewenste bijstand niet door ambtenaren kan worden geleverd – externe deskundigen. De minister kan ter bevordering van een goede voorlichting van de Raad in zijn adviesverzoek aangeven welke ambtenaren beschikbaar zijn voor het geven van inlichtingen over het onderwerp van het advies.

Voorts zal de Raad in beginsel binnen de grenzen van het desbetreffende begrotingsartikel voor de Raad externe deskundigen kunnen inschakelen, onverminderd de verantwoordelijkheid van de (beherende) minister ten aanzien van de begroting. Het inschakelen van deskundigen kan bij voorbeeld zinvol zijn ter compensatie van de kennis of ervaring van een lid dat verhinderd is de vergaderingen bij te wonen of om op een zeer specifiek deelterrein nadere informatie te verkrijgen of een onderzoek te laten uitvoeren.

Bij de begrotingsvoorbereiding wordt rekening gehouden met de uitgaven in verband met het inhuren van externe deskundigen ten behoeve van de Raad.

Artikel 11

Dit artikel geeft een regeling van de besluitvorming door de Raad.

In het tweede lid is bepaald dat voor de vaststelling van adviezen een gewone meerderheid is vereist en dat elk lid, inclusief de voorzitter, bij een stemming één stem heeft. Hierdoor wordt de gelijkwaardigheid van de leden tot uitdrukking gebracht. Het vierde lid geeft een regeling voor de situatie dat de stemmen staken. Teneinde een voortdurende impasse te voorkomen, is bepaald dat in een zodanig geval de stem van de voorzitter beslissend is.

Het vijfde lid geeft aan dat de leden stemmen zonder last. Hoewel het lastverbod letterlijk genomen slechts betrekking heeft op het stemrecht van de leden, wordt hiermee aangegeven dat de leden in hun hoedanigheid als lid van de Raad zelfstandig en onafhankelijk zijn.

Artikel 12

De Raad kan zijn werkwijze nader in een reglement van orde vastleggen. In dat reglement kan ook een regeling worden opgenomen over de toelating van toehoorders tot de vergaderingen en de gang van zaken tijdens de vergaderingen voor zover het de toehoorders betreft. De openbaarheid van de vergaderingen wordt aldus, binnen het kader van de opgedragen adviestaak, aan de Raad overgelaten.

Artikel 13

Ingevolge dit artikel wordt, indien het adviesverzoek vanwege een van beide kamers der Staten-Generaal is gedaan, het advies tevens aan de minister toegezonden. Het advies is overigens in dat geval direct na het uitbrengen openbaar. In de andere gevallen geldt artikel 9 van de Wet openbaarheid van bestuur.

Artikel 14

Dit artikel betreft een uitwerking van punt 11 van de conclusies en aanbevelingen in het rapport «Raad op Maat». Het beoogt te bevorderen dat de vaststelling van een regeringsstandpunt ten aanzien van een advies spoedig gebeurt. Indien het vaststellen van een standpunt lang op zich laat wachten, kan dit de indruk wekken dat het bestuur niet slagvaardig is en kan onnodige onzekerheid met zich brengen. Dit is ook de strekking van punt 11 van de conclusies en aanbevelingen in het rapport «Raad op Maat».

De verplichting een standpunt vast te stellen, geldt ingevolge de onderhavige bepaling niet ten aanzien van adviezen over formele wetgeving of algemene maatregelen van bestuur, de door de Staten-Generaal gevraagde adviezen en te laat uitgebrachte adviezen. Het begrip «tijdig» in het eerste lid heeft dezelfde betekenis als dat begrip in artikel 3:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Wat de advisering over wetgeving betreft, zij opgemerkt dat de standpuntbepaling over zo'n advies plaatsvindt in het kader van het wetsvoorstel of het ontwerp-besluit. Het standpunt zal alsdan in de memorie van toelichting of nota van toelichting worden neergelegd. Het wetgevingsproces heeft een eigen orde en dynamiek. Het voorschrift dat het standpunt binnen een bepaalde termijn aan de Tweede Kamer wordt toegezonden zou het wetgevingsproces verstoren. In dit artikel wordt er overigens van uitgegaan dat het aan de Staten-Generaal is om te beoordelen of het in de gevallen die buiten de reikwijdte van dit artikel vallen, wenselijk is dat de vaststelling van een (afzonderlijk) standpunt plaats vindt. Indien de regering in die gevallen niet uit eigen beweging een standpunt vaststelt, kunnen de kamers de betrokken minister daarom verzoeken.

Artikel 15

De Raad dient de minister(s) van de nodige informatie te voorzien. Vooral de feitelijke gegevens die aan de adviezen ten grondslag liggen, zijn in dat verband van belang. Dit artikel strekt ertoe een informatieplicht voor de Raad ten opzichte van de minister(s) vast te leggen.

Artikel 16

In het eerste lid wordt bepaald dat de minister, na overleg met de beoogde voorzitter van de Raad, het werkprogramma vaststelt. In principe zijn de adviesbehoefte van de regering en het beschikbare budget bepalend voor de aard en de omvang van de werkzaamheden van de Raad. Het opstellen van het werkprogramma geschiedt dan ook op initiatief van de minister. Niettemin moet er ook enige ruimte zijn voor advisering op initiatief van de Raad. Zulks zal in het aan de vaststelling van het werkprogramma voorafgaande overleg met de beoogde voorzitter van de Raad uiteraard aan de orde komen.

Het werkprogramma bevat een beschrijving van de te verwachten werkzaamheden van de Raad voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 1996.

Ingevolge het tweede lid kan de minister het werkprogramma wijzigen. Dit kan bijvoorbeeld in verband met een wijziging van de beschikbare middelen ingevolge de desbetreffende begrotingswet. Voorts kan naar aanleiding van de begrotingsbehandeling blijken van wensen van de Staten-Generaal ten aanzien van het werkprogramma. Hiermee wordt enerzijds tegemoet gekomen aan de wens van de Tweede Kamer om bij de vaststelling van het werkprogramma betrokken te zijn. Anderzijds laat de voorgestelde regeling de normale verhouding tussen regering en Staten-Generaal onverlet.

Artikel 17

Dit artikel bepaalt dat de Raad zich bij zijn taakvervulling houdt aan het werkprogramma en tevens de grenzen van de toegekende middelen in acht neemt.

Artikel 18

Het onderhavige besluit vervalt op 1 januari 1997. Zoals reeds eerder is opgemerkt, is het de bedoeling dat op dat tijdstip de wettelijke regeling, houdende de instelling van een raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening, in werking zal treden.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Naar boven