Besluit van 29 november 1995 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit belasting zware motorrijtuigen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 6 februari 1995, nr. WV95/67 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;

Gelet op artikel 115 van de Wet belasting zware motorrijtuigen;

De Raad van State gehoord (advies van 13 maart 1995, nr. W06.95.0055);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 24 november 1995, nr. WV95/178 U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK I. INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Dit besluit geeft uitvoering aan artikel 15 van de Wet belasting zware motorrijtuigen.

Artikel 2

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: Wet belasting zware motorrijtuigen;

b. belasting: belasting zware motorrijtuigen als bedoeld in artikel 2 van de wet;

c. motorrijtuig: zwaar motorrijtuig als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van de wet.

HOOFDSTUK II. VRIJSTELLINGEN

Artikel 3

Vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door defensie, indien voor die motorrijtuigen de artikelen 4, eerste lid, onderdeel a, en 37, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing zijn.

Artikel 4

  • 1. Vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door de politie en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn, indien:

    a. het motorrijtuig is geregistreerd op naam van een politie-instantie;

    b. het motorrijtuig is voorzien van:

    – een tweetonige hoorn;

    – een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht; en

    – ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk zichtbare afbeeldingen van het politielogo, bedoeld in de Regeling politielogo; en

    c. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door politie-ambtenaren voor de uitoefening van hun politietaak.

  • 2. Vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door de brandweer en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn indien:

    a. het motorrijtuig is geregistreerd op naam van een brandweer-instantie;

    b. het motorrijtuig is voorzien van:

    – een tweetonige hoorn;

    – een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht; en

    – ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk zichtbare afbeeldingen van een brandweerembleem dan wel in voorkomend geval van een gemeentewapen, welke afbeeldingen alle een oppervlakte hebben van ten minste 314 cm2; en

    c. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door brandweerlieden voor de uitoefening van hun brandweertaak.

  • 3. Onder brandweerinstantie wordt mede begrepen een bedrijf dat beschikt over een eigen bedrijfsbrandweer.

Artikel 5

Vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die behoren tot een bedrijfsvoorraad als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, mits met die motorrijtuigen slechts van de autosnelweg gebruik wordt gemaakt met een ten behoeve van die motorrijtuigen opgegeven kenteken als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en met die motorrijtuigen niet bedrijfsmatig goederen worden vervoerd.

Artikel 6

Vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die zijn ingericht ten behoeve van en uitsluitend worden gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen indien de houder van het motorrijtuig zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van wegen.

Artikel 7

  • 1. Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen waarmee gewoonlijk slechts over een geringe afstand gebruik van de autosnelweg wordt gemaakt, wordt op verzoek verleend, indien:

    a. het gebruik van de autosnelweg zich beperkt tot een op aanwijzingen van de houder door de inspecteur vastgesteld gebied dat is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de plaatsen waar het motorrijtuig, elders dan op de weg, wordt gebruikt; en

    b. de houder van het motorrijtuig bij het verzoek een afschrift van het kentekenbewijs overlegt, alsmede een verklaring dat het vervoer van goederen geen hoofdactiviteit van de houder is, dat met het motorrijtuig uitsluitend gebruik van de autosnelweg wordt gemaakt overeenkomstig onderdeel a en dat indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en omstandigheden voor de vrijstelling een opgaaf daarvan zal worden gedaan aan de inspecteur.

  • 2. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. De vrijstelling werkt niet verder terug dan tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend.

  • 3. Indien de voorwaarden en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid zich niet langer voordoen, trekt de inspecteur de vrijstelling in. De intrekking geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 4. Indien degene aan wie de vrijstelling is verleend niet voldoet aan de verplichting een opgaaf te doen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt de vrijstelling geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde voorwaarden en omstandigheden zich niet meer voordoen.

Artikel 8

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden wordt verleend indien de motorrijtuigen worden gehouden door een kermis- of circusexploitant.

HOOFDSTUK III. SLOTBEPALINGEN

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de wet in werking treedt.

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit belasting zware motorrijtuigen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 29 november 1995

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

Uitgegeven de dertigste november 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

De Wet belasting zware motorrijtuigen – de wet – behelst de invoering van een nieuwe belasting voor zware motorrijtuigen. Daarmee is voor Nederland uitvoering gegeven aan het op 9 februari 1994 te Brussel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland en het Groothertogdom Luxemburg tot stand gekomen verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens (Trb. 1994, 69). Dit verdrag is gebaseerd op de richtlijn nr. 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (PbEG L 279) betreffende de toepassing door de lid-staten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten (hierna: de richtlijn). De belasting zal in beginsel gelden voor ieder zwaar motorrijtuig op de Nederlandse autosnelweg. In artikel 115 van de wet is een aantal vrijstellingen neergelegd met betrekking tot motorrijtuigen die worden gebruikt door defensie, politie of brandweer, motorrijtuigen die behoren tot een bedrijfsvoorraad, motorrijtuigen die worden gebruikt ten behoeve van de aanleg en het onderhoud van wegen, motorrijtuigen waarmee gewoonlijk slechts over geringe afstand van de autosnelweg gebruik wordt gemaakt en motorrijtuigen welke uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden. Dit besluit regelt de beperkingen en de voorwaarden die voor de vrijstellingen gelden.

De vrijstellingen gelden zowel voor Nederlandse motorrijtuigen als voor buitenlandse motorrijtuigen. Om deze reden is er in beginsel van afgezien om de vrijstellingen op verzoek te verlenen. De vrijstelling voor motorrijtuigen waarmee gewoonlijk slechts over geringe afstand gebruik van de autosnelweg wordt gemaakt, wordt evenwel op verzoek verleend. Dit houdt verband met het door de inspecteur nader vast te stellen gebied waarbinnen met behoud van de vrijstelling van de autosnelweg gebruik mag worden gemaakt.

De vrijstellingsvoorwaarden hebben deels betrekking op de uiterlijke herkenbaarheid van het motorrijtuig en deels op de persoon van de houder en het gebruik van het motorrijtuig. Overigens is met betrekking tot deze voorwaarden zoveel mogelijk aangesloten bij die welke ter zake zijn opgenomen in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel b, 13, 14, 19 en 21 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.

De nadere voorwaarden en beperkingen voor de vrijstellingen zijn opgenomen in de artikelen 3 tot en met 8.

Dit besluit strekt tot uitvoering van één delegatiebepaling van de wet en heeft geen zelfstandige gevolgen voor de Belastingdienst, het justitieel apparaat en het bedrijfsleven.

2. Toelichting op de artikelen

Artikel 1

In dit artikel is aangegeven aan welke delegatiebepaling van de wet dit besluit uitvoering geeft. Door het opnemen van een dergelijk artikel is het mogelijk in geval van een eventuele wijziging of toevoeging van een delegatiebepaling in de wet steeds aan te geven aan welke bepalingen het besluit uitvoering geeft.

Artikel 3

Dit artikel bevat de nadere regels voor de vrijstelling, opgenomen in artikel 15, onderdeel a, van de wet voor door defensie gebruikte motorrijtuigen. Voor toepassing van de vrijstelling voor deze motorrijtuigen is overeenkomstig artikel 13 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994, als voorwaarde gesteld dat het moet gaan om motorrijtuigen waarvoor de regelingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid en artikel 37, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994 gelden. Voor deze motorrijtuigen worden militaire kentekens opgegeven.

Artikel 4

Dit artikel stelt nadere voorwaarden en beperkingen aan de vrijstelling voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door politie en brandweer, zoals opgenomen in artikel 15, onderdeel b, van de wet. Deze voorwaarden komen overeen met die van artikel 14 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. De motorrijtuigen moeten zijn ingeschreven in het kentekenregister op naam van een politie-, dan wel van een brandweerinstantie. De overige voorwaarden betreffen de uiterlijke herkenbaarheid en het gebruik. Wat de visuele herkenbaarheid van politievoertuigen betreft is aansluiting gezocht bij de Regeling politielogo van 25 maart 1994, op basis waarvan de voertuigen in gebruik bij de politie op eenduidige wijze herkenbaar zijn.

Brandweerauto's dienen onder meer herkenbaar te zijn aan een aan weerszijden van het voertuig aangebracht brandweerembleem. In voorkomende gevallen kan echter ook worden volstaan met een afbeelding van het gemeentewapen, mits ook dit een oppervlakte heeft van ten minste 314 cm2 en voldoende zichtbaar op het voertuig is aangebracht. Op grond van het derde lid kan ook voor brandweerauto's van een bedrijfsbrandweer vrijstelling worden verleend.

Artikel 5

In dit artikel wordt de vrijstelling voor motorrijtuigen bedoeld in artikel 15, onderdeel c, van de wet nader geregeld. Het gaat hierbij om motorrijtuigen die behoren tot een bedrijfsvoorraad als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Dit betekent dat de vrijstelling slechts geldt voor motorrijtuigen die zijn opgenomen in de bedrijfsvoorraad van ingevolge de Erkenningsregeling bedrijfsvoorraad van de Wegenverkeerswet erkende bedrijven. De erkenningsregeling is met name bedoeld voor handelaren en slopers.

Voorts mag met de motorrijtuigen slechts gebruik van de autosnelweg worden gemaakt indien die motorrijtuigen zijn voorzien van de zogenoemde handelskentekenplaten. Met die motorrijtuigen mag evenwel geen bedrijfsmatig goederenvervoer worden verricht.

Artikel 6

Dit artikel bevat de nadere regels voor de vrijstelling van artikel 15, onderdeel d, van de wet, voor motorrijtuigen die zijn ingericht en worden gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen. Bij deze motorrijtuigen moet bij voorbeeld worden gedacht aan voertuigen met een teersproei-installatie. Vrachtwagens ingericht voor het aan- en afvoeren van bouwmateriaal en dergelijke vallen niet onder de vrijstelling. Ook de voorwaarden voor deze vrijstelling sluiten aan bij die welke in artikel 19 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 zijn opgenomen ter zake van de overeenkomstige vrijstelling voor die belasting.

Artikel 7

Artikel 7 betreft de vrijstelling van artikel 15, onderdeel e, van de wet voor motorrijtuigen waarmee gewoonlijk slechts over een geringe afstand van de autosnelweg gebruik wordt gemaakt. De vrijstelling, waarvoor de voorwaarden in grote lijnen overeenkomen met die welke ingevolge artikel 21 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 voor de vrijstelling van die belasting van toepassing zijn, wordt op verzoek verleend. De inspecteur zal aan de hand van de omstandigheden per geval bepalen tot welk gebied of tot welke route het gebruik van het motorrijtuig beperkt dient te zijn. Bij deze vrijstelling valt te denken aan het met een motorrijtuig over de autosnelweg verplaatsen van goederen van het ene fabrieks- of havencomplex naar het naburige andere. De vrijstelling wordt niet verleend als het goederenvervoer de hoofdactiviteit van de houder van het motorrijtuig is. Deze voorwaarde vloeit voort uit artikel 6, derde lid, tweede streepje, van de richtlijn. Omtrent het voldoen aan de voorwaarden van het gebruik en de hoofdactiviteit van de houder, dient de houder een verklaring te verstrekken. Tevens dient hij te verklaren een opgaaf aan de inspecteur te zullen doen, indien niet langer wordt voldaan aan de voor de vrijstelling geldende voorwaarden en omstandigheden. Voorts dient bij het verzoek een afschrift van het kentekenbewijs te worden overgelegd.

Indien wordt geconstateerd dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de vrijstelling is verleend, trekt de inspecteur de vrijstelling bij beschikking in.

Artikel 8

Artikel 8 geeft nadere uitwerking aan de vrijstelling van artikel 15, onderdeel f, van de wet, voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden. Deze motorrijtuigen behoeven niet voorzien te zijn van uiterlijke kenmerken die er op duiden dat het gaat om motorrijtuigen die behoren bij een kermis of circus. Van belang is alleen dat de betreffende motorrijtuigen worden gehouden door een kermis- of circusexploitant.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Financiën.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 12 december 1995, nr. 241.

Naar boven