Besluit van 3 oktober 1995, houdende de instelling van een adviescommissie genoemd in artikel 5a, vierde lid, onder b van het Algemeen militair ambtenarenreglement

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 19 september 1995, nr. PAV3068/95013123;

Gelet op artikel 5a, vierde lid onder b van het Algemeen militair ambtenarenreglement;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Er is een Adviescommissie inzake veiligheidsbezwaren adspirant-militairen.

Artikel 2

De Adviescommissie inzake veiligheidsbezwaren adspirant-militairen heeft tot taak Onze Minister van Defensie van advies te dienen over de vraag of aan de bedenkingen op grond van het veiligheidsonderzoek, bedoeld in artikel 5a van het Algemeen militair ambtenarenreglement, die daaruit bestaan dat betwijfeld moet worden of de gegadigde zijn plicht als militair onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen, bezwaar moet worden ontleend tegen de aanstelling van de gegadigde als militair.

Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 3 oktober 1995

Beatrix

De Staatssecretaris van Defensie,

J. C. Gmelich Meijling

Uitgegeven de zestiende november 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Artikel 5a, vierde lid, onder b van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), schrijft voor dat in geval van bedenkingen op grond van een veiligheidsonderzoek genoemd in dat artikel, die daaruit bestaan dat betwijfeld moet worden of een adspirant-militair zijn plicht als militair onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen, de Minister van Defensie advies hierover moet inwinnen van een bij koninklijk besluit ingestelde commissie. Dit besluit voorziet in de (tijdelijke) instelling van die commissie. Tijdelijk omdat met betrekking tot onder meer de ontwikkelingen ten aanzien van de grondrechten voor militairen een zelfde procedure wordt beoogd als voor burgerambtenaren, zoals is geschied op basis van onder andere het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR). Mede met het oog op het beperken van het aantal adviescolleges is het streven daarbij er in ieder geval op gericht wat de ook voor defensie benodigde adviescommissie betreft te komen tot een personele unie met de op basis van onder andere het ARAR ingestelde Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren.

In artikel 5, vierde lid, onder b van het AMAR wordt ook bepaald dat de Minister van Defensie regels stelt omtrent de samenstelling en de werkwijze van de commissie. Wat de samenstelling van de voorgestelde commissie betreft wordt, wederom met het oog op het beperken van het aantal adviescolleges, ook hierbij gestreefd naar een personele unie met de genoemde Adviescommissie grondrechten en taak-uitoefening ambtenaren. Een van de drie taken van laatstgenoemde adviescommissie komt overeen met de voorgestelde adviescommissie, te weten: Het bevoegd gezag van advies dienen over de vraag of aan de inlichtingen verkregen op grond van het veiligheidsonderzoek bezwaar moet worden ontleend tegen aanstelling van een belanghebbende (Stb. 1993, 595, Artikel V). Wat de werkwijze van de voorgestelde commissie betreft wordt ook aansluiting gezocht bij de werkwijze van de Adviescommissie grondrechten en taak-uitoefening ambtenaren.

De Staatssecretaris van Defensie,

J. C. Gmelich Meijling

Naar boven