Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatsblad 1995, 525Wet

Wet van 12 oktober 1995, houdende regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Wet vervoer gevaarlijke stoffen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op grond van maatschappelijke ontwikkelingen noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid nieuwe regels te geven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, welke mede kunnen dienen ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. INLEIDENDE BEPALINGEN

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

  • 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

    b. gevaarlijke stoffen:

    1°. ontplofbare stoffen en voorwerpen,

    2°. samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen,

    3°. brandbare vloeistoffen,

    4°. brandbare vaste stoffen,

    5°. voor zelfontbranding vatbare stoffen,

    6°. stoffen die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen,

    7°. stoffen die de verbranding bevorderen,

    8°. organische peroxiden,

    9°. giftige stoffen,

    10°. infectueuze stoffen,

    11°. bijtende stoffen,

    12°. andere stoffen die voor de mens of het milieu gevaarlijk kunnen zijn,

    indien zij krachtens artikel 3 zijn aangewezen;

    c. vervoermiddel: voertuig of vaartuig;

    d. binnenwateren: de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen een langs de Nederlandse kust gaande, krachtens artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Schepenwet aangewezen lijn;

    e. internationaal vervoer: vervoer waarbij de Nederlandse grens wordt gepasseerd.

  • 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder gevaarlijke stoffen mede verstaan: voorwerpen die zodanige stoffen met behoud van de gevaarlijke eigenschappen bevatten.

§ 2. Reikwijdte

Artikel 2

  • 1. Deze wet is van toepassing op:

    a. het vervoeren van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel over land, per spoor en over de binnenwateren;

    b. het ten vervoer met een vervoermiddel over land, per spoor en over de binnenwateren aanbieden en aannemen van gevaarlijke stoffen;

    c. het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan bevinden;

    d. het beladen van een vervoermiddel met gevaarlijke stoffen en het lossen van die stoffen daaruit;

    e. het nederleggen van gevaarlijke stoffen tijdens het vervoer.

  • 2. Deze wet is niet van toepassing op het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid.

  • 3. Deze wet is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het eerste lid voor zover deze worden verricht met splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Kernenergiewet.

HOOFDSTUK II. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen, ten aanzien waarvan het verrichten van de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, met bij of krachtens die maatregel aangewezen vervoermiddelen:

a. niet is toegestaan; of

b. is toegestaan mits de bij of krachtens die maatregel terzake gestelde regels in acht zijn genomen.

Artikel 4

Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel a.

Artikel 5

Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels.

Artikel 6

De regels, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, kunnen onder meer betrekking hebben op:

a. eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van vervoermiddelen, waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd;

b. keuring van vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel a;

c. aanduidingen die de vervoermiddelen bij het vervoeren van daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevaarlijke stoffen, zowel in beladen als in lege, ongereinigde toestand, dienen te voeren;

d. het verwijderen of bedekken van aanduidingen als bedoeld in onderdeel c, na het lossen en reinigen of ontgassen van het vervoermiddel;

e. reinigen van vervoermiddelen waarmee gevaarlijke stoffen zijn vervoerd;

f. onderzoek van gevaarlijke stoffen naar hun eigenschappen;

g. eisen ten aanzien van de verpakking van gevaarlijke stoffen, met inbegrip van de daarbij behorende inrichting of uitrusting, en het testen of keuren daarvan;

h. aanduidingen of aanwijzingen op de verpakking, bedoeld in onderdeel g;

i. deskundigheid van personen die handelingen met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verrichten, afgifte van vakbekwaamheidscertificaten en erkenning van vakbekwaamheidscertificaten afgegeven in andere landen;

j. vervoeren van gevaarlijke stoffen onder bepaalde meteorologische omstandigheden;

k. vervoeren van gevaarlijke stoffen door tunnels;

l. eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen worden geladen of gelost;

m. keuring van de inrichtingen of werktuigen, bedoeld in onderdeel l;

n. melding voorafgaande aan het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Artikel 7

Tunnels als bedoeld in artikel 6, onderdeel k, die zijn bestemd voor het wegverkeer, worden aangeduid door borden overeenkomstig het daartoe krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen model.

Artikel 8

  • 1. De regels, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, kunnen worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Defensie, voor zover het betreft de onderwerpen, bedoeld in artikel 6, onderdelen a, b, g, h, l en m en voor zover het tevens betreft de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, met ontplofbare stoffen en voorwerpen, verricht met of ten aanzien van vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere mogendheid.

  • 2. Onze Minister van Defensie kan in bijzondere gevallen ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde krachtens het eerste lid. Artikel 9 tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

  • 1. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 4 of 5.

  • 2. Onze Minister kan een ontheffing weigeren op gronden aan de openbare veiligheid ontleend.

  • 3. Onze Minister kan een ontheffing of vrijstelling onder beperkingen verlenen of daaraan voorschriften verbinden.

  • 4. Onze Minister kan een ontheffing wijzigen of intrekken:

    a. op verzoek van de aanvrager,

    b. indien blijkt dat de in verband met de aanvraag daarvan verstrekte gegevens in strijd met de waarheid zijn,

    c. indien de daarin opgenomen beperkingen of voorschriften niet of niet volledig in acht worden genomen,

    d. op gronden aan de openbare veiligheid ontleend.

  • 5. Het eerste lid is niet van toepassing op regels gesteld krachtens artikel 8, eerste lid.

Artikel 10

Het is verboden te handelen in strijd met een beperking waaronder een ontheffing of een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 8, tweede lid, en 9 is verleend of met een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing of vrijstelling is verbonden.

HOOFDSTUK III. ROUTERING

§ 1. Algemeen

Artikel 11

  • 1. Degene die met een voertuig langs de weg gevaarlijke stoffen vervoert is verplicht de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten te vermijden.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is:

    a. ten behoeve van het laden of lossen, of

    b. omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is.

§ 2. Aanwijzing van stoffen

Artikel 12

  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de openbare veiligheid gevaarlijke stoffen aangewezen die uitsluitend over de op grond van artikel 18 aangewezen wegen mogen worden vervoerd.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de openbare veiligheid gevaarlijke stoffen worden aangewezen die over de op grond van de artikelen 26 of 30 aangewezen vaarwegen onderscheidenlijk spoorwegen niet mogen worden vervoerd.

  • 3. Bij een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid kan worden bepaald in welke gevallen de aangewezen wegen moeten worden gevolgd of de aangewezen vaarwegen of spoorwegen niet mogen worden gevolgd.

§ 3. Aanwijzing van wegen

Artikel 13

Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder wegen verstaan de voor het openbaar verkeer openstaande wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 14

  • 1. Onze Minister stelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze wet ten behoeve van het vervoer van krachtens artikel 12, eerste lid, aangewezen gevaarlijke stoffen een landelijk net van wegen vast dat bestaat uit bij het Rijk in beheer zijnde wegen of weggedeelten.

  • 2. Van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 15

  • 1. Onze Minister pleegt bij de voorbereiding van het besluit, bedoeld in artikel 14, overleg met de besturen van de betrokken openbare lichamen.

  • 2. Op de voorbereiding van het besluit is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 16

  • 1. Provinciale staten stellen binnen een jaar na de vaststelling van het landelijk net van wegen ten behoeve van het vervoer van krachtens artikel 12 aangewezen gevaarlijke stoffen een provinciaal net van wegen vast dat bestaat uit bij de provincie of bij de waterschappen in beheer zijnde wegen of weggedeelten.

  • 2. Provinciale staten dragen er zorg voor dat het wegennet, bedoeld in het eerste lid, aansluit op het landelijke wegennet, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en op de krachtens het eerste lid aangewezen wegennetten van de aangrenzende provincies.

  • 3. De artikelen 14, tweede lid, en 15, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17

  • 1. Indien provinciale staten bij toepassing van artikel 16, eerste lid, niet voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 16, tweede lid, voorziet Onze Minister na overleg met het provinciaal bestuur daarin. Provinciale staten wordt daarbij een redelijke termijn gegund om alsnog de nodige maatregelen te nemen.

  • 2. Een besluit van Onze Minister als bedoeld in het eerste lid wordt aangemerkt als onderdeel van het besluit van provinciale staten, bedoeld in artikel 16, eerste lid.

Artikel 18

  • 1. De gemeenteraad kan op het grondgebied van zijn gemeente wegen of weggedeelten aanwijzen, waarover de krachtens artikel 12 aangewezen gevaarlijke stoffen bij uitsluiting mogen worden vervoerd.

  • 2. Wegen of weggedeelten die bij het Rijk, de provincie of het waterschap in beheer zijn, kunnen slechts worden aangewezen, voor zover deze deel uitmaken van de wegennetten, bedoeld in artikel 14, eerste lid, of artikel 16, eerste lid.

  • 3. De gemeenteraad draagt er zorg voor dat de aan te wijzen wegen of weggedeelten aansluiten op:

    a. het landelijke wegennet, bedoeld in artikel 14, eerste lid,

    b. het provinciale wegennet, bedoeld in artikel 16, eerste lid,

    c. de wegen of weggedeelten in de aangrenzende gemeente voor zover ten aanzien daarvan toepassing is gegeven aan het eerste lid.

  • 4. De artikelen 14, tweede lid, en 15, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Binnen een jaar nadat het provinciale wegennet, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is vastgesteld wordt een reeds van kracht zijnde gemeentelijke aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, zo nodig in overeenstemming gebracht met het derde lid, aanhef en onderdelen a en b.

Artikel 19

  • 1. Indien de gemeenteraad bij toepassing van artikel 18, eerste lid, niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 18, derde lid, voorziet Onze Minister na overleg met het gemeentebestuur daarin. De gemeenteraad wordt daarbij een redelijke termijn gegund om alsnog de nodige maatregelen te nemen.

  • 2. Een besluit van Onze Minister als bedoeld in het eerste lid wordt aangemerkt als onderdeel van het besluit van de gemeenteraad, bedoeld in artikel 18, eerste lid.

Artikel 20

De wegen of weggedeelten, bedoeld in artikel 18, eerste lid, worden aangeduid door borden overeenkomstig het daartoe krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen model.

Artikel 21

Het is verboden in gemeenten, waar krachtens de artikelen 18, eerste lid, en 20 wegen of weggedeelten zijn aangewezen en aangeduid, de krachtens artikel 12 aangewezen gevaarlijke stoffen te vervoeren over andere dan de aangewezen en aangeduide wegen of weggedeelten.

Artikel 22

  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen indien dat noodzakelijk is voor het laden en lossen, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 21.

  • 2. Het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, ten aanzien van ontheffingen bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23

  • 1. Op verzoek van Onze Minister van Defensie verlenen burgemeester en wethouders ontheffing van het bepaalde in artikel 21 voor het vervoer met vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere mogendheid:

    a. ten behoeve van het laden en lossen op militaire locaties;

    b. ten behoeve van het ruimen van ontploffingsgevaarlijke stoffen door onder Onze Minister van Defensie ressorterende opruimingsdiensten van explosieven.

  • 2. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van Onze Minister van Defensie ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 21, indien dat noodzakelijk is ten behoeve van militaire oefeningen. Artikel 9, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24

Het is verboden te handelen in strijd met een beperking, waaronder een ontheffing als bedoeld in artikel 22, eerste lid, en 23, eerste lid, is verleend of met een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing is verbonden.

§ 4. Aanwijzing van vaarwegen

Artikel 25

Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder vaarwegen verstaan de voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande binnenwateren.

Artikel 26

  • 1. Onze Minister kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen, waarover de krachtens artikel 12, tweede lid, daartoe aangewezen gevaarlijke stoffen niet mogen worden vervoerd.

  • 2. De artikelen 14, tweede lid, en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27

Het is verboden de krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen gevaarlijke stoffen te vervoeren over de krachtens artikel 26 aangewezen vaarwegen of gedeelten daarvan.

Artikel 28

  • 1. Van het bepaalde in artikel 27 kan indien dat noodzakelijk is voor het laden en lossen, ontheffing worden verleend door:

    a. Onze Minister indien de ontheffing betrekking heeft op het vervoeren over bij het Rijk of bij anderen dan publiekrechtelijke rechtspersonen in beheer zijnde vaarwegen of gedeelten daarvan;

    b. gedeputeerde staten indien de ontheffing betrekking heeft op het vervoeren over bij de provincie of de waterschappen in beheer zijnde vaarwegen of gedeelten daarvan;

    c. burgemeester en wethouders indien de ontheffing betrekking heeft op het vervoeren over bij de gemeente in beheer zijnde vaarwegen of gedeelten daarvan;

    d. de havenschappen te Terneuzen onderscheidenlijk Vlissingen indien de ontheffing betrekking heeft op het vervoeren over bij het havenschap in beheer zijnde vaarwegen of gedeelten daarvan.

  • 2. Het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, ten aanzien van ontheffingen bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 29

Het is verboden te handelen in strijd met een beperking, waaronder een ontheffing als bedoeld in artikel 28, eerste lid, is verleend of met een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing is verbonden.

§ 5. Aanwijzing van spoorwegen

Artikel 30

  • 1. Onze Minister kan spoorwegen of gedeelten daarvan aanwijzen, waarover de krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen gevaarlijke stoffen niet mogen worden vervoerd.

  • 2. De artikelen 14, tweede lid, en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 31

Het is verboden de krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen gevaarlijke stoffen te vervoeren over de krachtens artikel 30 aangewezen spoorwegen of gedeelten daarvan.

Artikel 32

  • 1. Onze Minister kan indien dat noodzakelijk is voor het laden en lossen, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 31.

  • 2. Het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, ten aanzien van ontheffingen bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33

Het is verboden te handelen in strijd met een beperking, waaronder een ontheffing als bedoeld in artikel 32, eerste lid, is verleend of met een voorschrift dat aan een zodanige ontheffing is verbonden.

HOOFDSTUK IV. TOEZICHT EN OPSPORING

§ 1. Toezicht

Artikel 34

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Rijksverkeersinspectie.

  • 2. Onze Minister wijst in overeenstemming met Onze Minister van Defensie ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht, voor zover het betreft de handelingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, verricht met of ten aanzien van vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan, of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere mogendheid.

  • 3. Onze Minister kan, waar nodig in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, andere dan de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaren aanwijzen die zijn belast met het toezicht.

  • 4. Onze Minister kan de bevoegdheid tot het houden van toezicht, bedoeld in het derde lid, bij de aanwijzing van de aldaar bedoelde ambtenaren beperken.

  • 5. Onze Minister kan met het oog op de coördinatie van het beleid ten aanzien van het toezicht algemene aanwijzingen geven aan de ambtenaren, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

  • 6. Van een besluit als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 35

De artikelen 36 tot en met 40 alsmede 42 en 43 zijn van toepassing op de ambtenaren, bedoeld in artikel 34, eerste, tweede en derde lid.

Artikel 36

  • 1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt een ambtenaar een legitimatiebewijs bij zich.

  • 2. Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden toont hij zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.

  • 3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de ambtenaar en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid.

Artikel 37

Een ambtenaar maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 38

  • 1. Een ambtenaar is bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.

  • 2. Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.

  • 3. Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.

Artikel 39

Een ambtenaar is bevoegd inlichtingen te verlangen.

Artikel 40

  • 1. Een ambtenaar is bevoegd inzage te verlangen van zakelijke gegevens en bescheiden.

  • 2. Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.

  • 3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.

Artikel 41

  • 1. Een ambtenaar als bedoeld in artikel 34, eerste lid, is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen.

  • 2. Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen.

  • 3. Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.

  • 4. De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven.

Artikel 42

  • 1. Een ambtenaar is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende of opsporingstaak heeft.

  • 2. Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende of opsporingstaak heeft, op hun lading te onderzoeken.

  • 3. Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te verlangen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een toezichthoudende of opsporingstaak heeft.

  • 4. Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.

Artikel 43

  • 1. Een ieder is verplicht aan een ambtenaar alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan verlangen ter uitoefening van zijn bevoegdheden.

  • 2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover hun geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.

§ 2. Opsporing

Artikel 44

  • 1. Met de opsporing van overtredingen van bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast:

    a. de ambtenaren, bedoeld in artikel 34, eerste lid, voor zover daartoe bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Justitie aangewezen;

    b. voor zover het betreft de handelingen bedoeld in artikel 34, tweede lid: de bij besluit van Onze Minister en Onze Ministers van Defensie en van Justitie aangewezen ambtenaren;

    c. de bij besluit van Onze Minister en Onze Minister van Justitie, en waar nodig Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen ambtenaren.

  • 2. Onze Minister kan de bevoegdheid tot opsporing van de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder c bij de aldaar bedoelde aanwijzing beperken.

  • 3. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

  • 4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • 5. Artikel 36 is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren die zijn aangewezen krachtens het eerste lid.

Artikel 45

De uitreiking van gerechtelijke mededelingen in zaken betreffende overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze wet, begaan door een niet in Nederland gevestigde onderneming, kan eveneens geschieden aan de bestuurder van het betrokken voertuig of aan de schipper van het betrokken vaartuig die zich bereid verklaart de mededeling onverwijld te doen toekomen aan degene voor wie zij is bestemd.

HOOFDSTUK V. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 46

  • 1. Ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet heeft Onze Minister de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een dwangsom.

  • 2. Hoofdstuk VIII, paragraaf 4 van de Gemeentewet, met uitzondering van de artikelen 130 en 136 van die wet, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 47

Degene die een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verricht, is verplicht indien zich daarbij voorvallen, waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is ontstaan of is te duchten, of ongevallen voordoen daarvan onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister.

Artikel 48

  • 1. Onze Minister kan van degenen die handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verrichten, alle inlichtingen vragen die naar zijn redelijk oordeel nodig zijn ten behoeve van het analyseren van voorvallen en ongevallen als bedoeld in artikel 47.

  • 2. De betrokkenen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken binnen een door Onze Minister in redelijkheid te stellen termijn.

  • 3. Zij die uit hoofde van hun beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.

Artikel 49

  • 1. Degene die een verzoek doet aan de rijksoverheid tot:

    a. het verlenen of wijzigen van een ontheffing ingevolge deze wet;

    b. het verrichten van een keuring ingevolge deze wet; of

    c. het afgeven of wijzigen van ingevolge deze wet vereiste documenten; is voor de behandeling van dat verzoek een vergoeding van de kosten verschuldigd.

  • 2. Bij ministeriële regeling:

    a. worden de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld, met dien verstande, dat per soort van handeling de geraamde opbrengst van de vergoedingen de geraamde uitgaven terzake niet te boven gaat;

    b. kan worden bepaald dat, indien anderen dan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden verrichten, zij zelf daarvoor de vergoedingen vaststellen met inachtneming van de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften;

    c. wordt bepaald aan wie de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, verschuldigd zijn.

Artikel 50

Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 16, eerste lid, 18, eerste lid, 26, eerste lid, en 30, eerste lid, staat beroep open als bedoeld in Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK VI. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 51

De Wet Gevaarlijke Stoffen wordt ingetrokken.

Artikel 52

Op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet geldende besluiten die zijn vastgesteld krachtens de Wet Gevaarlijke Stoffen, worden geacht te zijn vastgesteld krachtens deze wet.

Artikel 53

De >Phosphorluciferswet 19011 wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 3 wordt vervangen door:

Artikel 3

Het is verboden phosphorlucifers ten verkoop voorhanden te hebben.

B.

In artikel 4 vervalt «vervoeren, invoeren of» en «alsmede zij, die bij dat vervoeren of invoeren behulpzaam zijn,».

C.

In artikel 6 vervallen:

1°. in de eerste volzin het teken «:» na het woord toegang;

2°. de onderdelen a, b en de aanduiding «c» voor onderdeel c;

D.

In artikel 7 vervalt «die in grootere hoeveelheid dan van 100 grammen te gelijk wordt vervoerd of».

E.

De artikelen 10 en 11 vervallen.

Artikel 54

In de bij de Wet milieubeheer2 behorende bijlage wordt na «Wet op de waterhuishouding» opgenomen «Wet vervoer gevaarlijke stoffen» met de aanduiding van het Staatsblad waarin deze wet zal zijn geplaatst.

Artikel 55

In de Wet milieugevaarlijke stoffen3 wordt het derde lid van artikel 71 vervangen door:

  • 3. Deze wet is niet van toepassing op het vervoeren, het ten vervoer aanbieden en het ten vervoer aannemen, het laden en het lossen en het nederleggen tijdens het vervoer van stoffen, preparaten of micro-organismen, alsmede op het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel waarin of waarop zich zodanige stoffen, preparaten of micro-organismen of resten daarvan bevinden, voor zover daaromtrent regelen zijn gesteld bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Met betrekking tot de verpakking van genetische gemodificeerde micro-organismen blijven de bij of krachtens deze wet gestelde regels van kracht indien die organismen zich bij de handelingen, bedoeld in de eerste volzin, niet bevinden in een verpakking die voldoet aan de regels die terzake zijn gesteld bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Artikel 56

In de Wet inzake de luchtverontreiniging4 wordt het tweede lid van artikel 100 vervangen door:

  • 2. Deze wet is niet van toepassing op luchtverontreiniging door gevaarlijke stoffen, voor zover geregeld bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Artikel 57

De Kernenergiewet5 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 15, onderdeel a, wordt vervangen door:

a. splijtstoffen of ertsen voorhanden te hebben anders dan bij opslag in verband met het vervoer, binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen brengen, dan wel zich daarvan te ontdoen;

B

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt onderdeel a, terwijl de aanduidingen van de bestaande onderdelen b tot en met e worden gewijzigd in a tot en met d.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «het tweede lid, onder c» vervangen door: het tweede lid, onder b.

C

Na artikel 21 worden de nieuwe artikelen 21a tot en met 21e ingevoegd, luidende:

Artikel 21a
  • 1. Het is verboden zonder vergunning bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen splijtstoffen of ertsen te vervoeren of in bij of krachtens die maatregel aan te wijzen gevallen zonder vergunning splijtstoffen of ertsen te vervoeren.

  • 2. In het eerste lid wordt onder vervoeren mede verstaan:

    a. het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer;

    b. het ten vervoer aanbieden en aannemen;

    c. het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel, waarin of waarop zich splijtstoffen of ertsen of resten daarvan bevinden of hebben bevonden;

    d. het beladen of lossen van een vervoermiddel.

Artikel 21b

Onze Ministers van Economische Zaken, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te zamen zijn bevoegd, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 21a, eerste lid.

Artikel 21c
  • 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 21a, eerste lid, kan slechts worden geweigerd met het oog op de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen.

  • 2. De artikelen 15c, eerste, tweede en derde lid, en 15e, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21d

De artikelen 16, eerste lid, 18a, 19, 20, tweede lid, en 20a, eerste lid, zijn met betrekking tot een vergunning als bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21e
  • 1. Onverminderd artikel 21a kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met het oog op de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen regelen worden gesteld betreffende het vervoeren van splijtstoffen en ertsen.

  • 2. Artikel 21a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Op grond van het eerste lid kunnen onder meer regels worden gesteld als bedoeld in artikel 6 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

D

In artikel 26, eerste lid, onder c, wordt «artikel 16, 17 of 21» vervangen door: artikel 16, 17, 21, 21a of 21e.

E

In artikel 29 wordt, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Aanwijzingen als bedoeld in het eerste lid kunnen, voor zover het betreft het vervoeren, ook geschieden krachtens algemene maatregel van bestuur. Met betrekking tot het eerste lid en de eerste volzin van het onderhavige lid is artikel 21a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

F

In artikel 29a wordt, onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, na het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Met betrekking tot het tweede lid, onder a, is artikel 21a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

G

Artikel 32 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid, onder a, vervalt: vervoert,.

2. In het tweede lid, onder b, vervalt: vervoerd,.

3. In het tweede lid vervalt onderdeel c.

4. In het tweede lid wordt de aanduiding van onderdeel d gewijzigd in c. In dat onderdeel vervalt: vervoeren,.

5. In het derde lid wordt «a, b of c» vervangen door: a of b.

6. Na het derde lid wordt, onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Regelen als bedoeld in het eerste lid kunnen, voor zover het betreft het vervoeren, ook worden gesteld krachtens algemene maatregel van bestuur. Op grond van het eerste lid kunnen met betrekking tot het vervoeren onder meer regelen worden gesteld als bedoeld in artikel 6 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Met betrekking tot de eerste en de tweede volzin is artikel 21a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 58

De Wet op de economische delicten6 wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 1a wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 1°:

a. wordt in het gedeelte betreffende de Kernenergiewet na «21,» ingevoegd: 21a, 21e, eerste lid,;

b. vervalt het gedeelte betreffende de Wet gevaarlijke stoffen;

c. wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, de artikelen 4, 5, 10, 11, 21, 24, 27, 29, 31 en 33;.

2. In onderdeel 2° vervalt het gedeelte betreffende de Wet gevaarlijke stoffen.

3. In onderdeel 3°

a. vervalt het gedeelte betreffende de Wet gevaarlijke stoffen;

b. wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: de Wet vervoer gevaarlijke stoffen: de artikelen 43, 47 en 48, tweede lid;.

B.

Artikel 23a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 11 van de Wet gevaarlijke stoffen» vervangen door: artikel 44 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bij de opsporing van overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen komen de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 21 en 22, slechts toe aan de krachtens artikel 44 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen ambtenaren van de Rijksverkeersinspectie en van het militair Korps controleurs gevaarlijke stoffen.

Artikel 59

In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden welke gevaren opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, kan bij koninklijk besluit worden bepaald, dat Onze Minister van Defensie, voor zover militaire belangen zulks vorderen, de krachtens deze wet uitgevaardigde regelen en voorschriften buiten werking kan stellen of ervan kan afwijken.

Artikel 60

Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, hoofdstukken en paragrafen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, hoofdstukken en paragrafen met de nieuwe nummering in overeenstemming.

Artikel 61

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 62

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 12 oktober 1995

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven de negende november 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1901, 133, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 juni 1994, Stb. 573.

XNoot
2

Stb. 1994, 80, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 juli 1995, Stb. 375.

XNoot
3

Stb. 1992, 632, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 oktober 1994, Stb. 766.

XNoot
4

Stb. 1992, 627, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 oktober 1994, Stb. 766.

XNoot
5

Stb. 1992, 623, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 april 1995, Stb. 250.

XNoot
6

Stb. 1950 K 258, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 oktober 1995, Stb. 504.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1992/93, 1993/94, 1994/95,23 250 .

Handelingen II 1994/95, blz. 5893–5916; 6147.

Kamerstukken I 1995/96, 23 250 (6, 6a).

Handelingen I 1995/96, zie vergadering d.d. 10 oktober 1995.