Besluit van 1 september 1995, houdende wijziging van het Schepenbesluit 1965 en het Vissersvaartuigenbesluit in verband met Richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 september 1994, nr. S/J-31.333/94, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en juridische zaken;

Gelet op de richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113), en op de artikelen 5 en 9 van de Schepenwet;

De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 december 1994, nr. W09.94 0561/K);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 augustus 1995, nr. J-13.677/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en juridische zaken;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het >Schepenbesluit 19651 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 6, derde lid, wordt onder vervanging van de punt achter onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel c toegevoegd, luidende:

c. voor elk schip een jaarlijkse inspectie van de medische uitrusting aan boord met de daarbij behorende controlelijsten en handleidingen, bedoeld in artikel 93 en artikel 5, eerste lid, van Bijlage XVI, en van de medicijnkisten aan boord van reddingboten en hulpverleningsboten, bedoeld in artikel 41, onderdeel 8.20, onderscheidenlijk artikel 47, onderdeel 2.2.9, van Bijlage XIA.

B

Artikel 93 en zijn opschrift komen te luiden:

Artikel 93. Medische uitrusting aan boord

  • 1. Aan boord van een schip is de bij ministeriële regeling voorgeschreven medische uitrusting, bestaande uit geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota, met de daarbij behorende controlelijsten en handleidingen, aanwezig volgens de voorschriften, vervat in Bijlage XVI.

  • 2. De kapitein is verplicht zorg te dragen dat de medische uitrusting in goede staat verkeert, wordt aangevuld en zonodig wordt vernieuwd, zodra dit mogelijk is, in ieder geval bij voorrang tijdens de normale bevoorradingsprocedures. Hij kan het gebruik en het beheer van de medische uitrusting aan boord, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid, overdragen aan een of meer schepelingen die voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 117a.

C

Na artikel 109 wordt een nieuw artikel met opschrift ingevoegd, luidende:

Artikel 109a. Arts aan boord

Op een vaartuig dat op een internationaal traject van meer dan drie dagen vaart, met een bemanning en overig personeel van honderd personen of meer die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn, inclusief stagiairs en leerlingen alsmede personen die werkzaam zijn als loods, is een arts aanwezig.

D

Na artikel 117 wordt een nieuw artikel met opschrift ingevoegd, luidende:

Artikel 117a. Medische opleiding en bijscholing

  • 1. De kapitein en de schepeling aan wie onder de verantwoordelijkheid van de kapitein de zorg voor het gebruik en het beheer van de medische uitrusting, bedoeld in artikel 93, is overgedragen, hebben een speciale medische opleiding gevolgd. Deze opleiding omvat in ieder geval:

    a. kennis van de beginselen van de fysiologie, van de ziekteverschijnselen en van de therapie;

    b. elementaire kennis op het gebied van de preventieve gezondheidszorg, waaronder begrepen de hygiëne;

    c. elementaire kennis van profylactische maatregelen;

    d. praktische kennis van elementaire medische handelingen;

    e. kennis van de wijze van evacuatie van patiënten;

    f. kennis van de wijze waarop de middelen voor medische consultatie op afstand moeten worden gebruikt.

  • 2. Aan boord van schepen met een certificaat van deugdelijkheid voor onbeperkt vaargebied hebben de in het eerste lid bedoelde personen de in dat lid, onder d, genoemde praktische kennis verworven door het volgen van een praktijkopleiding van ten minste drie weken op een afdeling voor spoedeisende hulp in een algemeen ziekenhuis.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde personen volgen ten minste eenmaal in de vijf jaar een bijscholingscursus in de in dat lid genoemde vakken, die voor personen aan boord van vaartuigen met een certificaat van deugdelijkheid voor onbeperkt vaargebied mede omvat een herhalingsstage van ten minste een week op een afdeling voor spoedeisende hulp in een algemeen ziekenhuis.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.

E

Na artikel 130g wordt een nieuw artikel met opschrift ingevoegd, luidende:

Artikel 130h. Antidota en zuurstofbeademingskoffer

Wanneer aan boord van het vaartuig gevaarlijke stoffen worden meegevoerd, zijn tevens de bij ministeriële regeling voorgeschreven antidota en een zuurstofbeademingskoffer met onderhoudsset, met de daarbij behorende controlelijst en handleiding, aanwezig.

F

Artikel 183 komt te luiden:

Artikel 183

Ministeriële regelingen vastgesteld krachtens dit besluit worden bekendgemaakt in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in het Afkondigingsblad van Aruba.

ARTIKEL II

Bijlage XIA van het Schepenbesluit 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 19, achtste lid, onderdeel 8.1, wordt «Ieder automatisch opblaasbaar reddingvlot» vervangen door: Ieder automatisch opblaasbaar reddingvlot en de daarbij behorende medische uitrusting.

B

Artikel 38, onderdeel 5.1.8, komt te luiden:

5.1.8. een waterdichte medicijnkist die na gebruik weer goed gesloten kan worden, met een bij ministeriële regeling voorgeschreven inhoud, met de daarbij behorende controlelijst en handleidingen;

C

Artikel 41, onderdeel 8.20, komt te luiden:

8.20 voor iedere groep van maximaal 50 personen waarvoor in de reddingboot ruimte is bestemd, een waterdichte medicijnkist die na gebruik weer goed gesloten kan worden, met een bij ministeriële regeling voorgeschreven inhoud, met de daarbij behorende controlelijst en handleidingen;

D

Artikel 47, onderdeel 2.2.9, komt te luiden:

2.2.9 een waterdichte medicijnkist die na gebruik weer goed gesloten kan worden, met een bij ministeriële regeling voorgeschreven inhoud.

ARTIKEL III

Bijlage XVI van het Schepenbesluit 1965 komt te luiden:

Bijlage XVI. Geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota

Artikel 1. Bewaren van de medische uitrusting

De medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.

Artikel 2. Gescheiden bewaren van geneesmiddelen en antidota, van verplegingsartikelen

  • 1. De geneesmiddelen en antidota worden gescheiden van de verplegingsartikelen bewaard. Indien zij samen in één kist worden bewaard, zijn zij door een tussenschot gescheiden.

  • 2. De morfinepreparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een afgesloten ruimte, waarvan de sleutel berust bij de kapitein of bij de schepeling aan wie de kapitein het gebruik en het beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.

Artikel 3. Nummering, afschrift lijst, benamingen

  • 1. Op de verpakking van de bestanddelen van de medische uitrusting is, voor zover mogelijk, het nummer aangebracht dat is vermeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 93, eerste lid. Tevens is een afschrift van de controlelijsten bevestigd in de in artikel 1 van deze Bijlage bedoelde kisten, kasten of ruimten.

  • 2. Op de etiketten, aanwezig op de verpakking der middelen, zijn ten behoeve van in het buitenland te raadplegen deskundigen, zo veel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen vermeld, overeenkomstig de nomenclatuur van de Wereld Gezondheids Organisatie.

Artikel 4. Levering van geneesmiddelen en antidota

De geneesmiddelen en de antidota worden geleverd door een apotheker, hetgeen moet blijken uit een merk op de verpakking.

Artikel 5. Aanvullende geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota

  • 1. Indien er nog andere geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota aan boord aanwezig zijn dan die zijn voorgeschreven bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 93, eerste lid, van het Schepenbesluit 1965, zijn ten aanzien van deze aanvullende middelen de in deze Bijlage genoemde voorschriften van toepassing.

  • 2. Indien er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota aan boord niet aanwezig zijn, is de kapitein verplicht zorg te dragen dat deze zo spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.

Artikel 6. Geneeskundig handboek

Ten behoeve van het gebruik van de medische uitrusting is aan boord een bijgehouden exemplaar van een bij ministeriële regeling aan te wijzen geneeskundig handboek.

ARTIKEL IV

Het Vissersvaartuigenbesluit2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 12, vierde lid, onderdeel 3, eerste volzin, komt te luiden:

3. een jaarlijkse inspectie van de medische uitrusting aan boord, met de daarbij behorende controlelijsten en handleidingen, bedoeld in de artikelen 231, 237, en 317, derde lid, van de medicijnkisten aan boord van reddingboten en hulpverleningsboten, bedoeld in artikel 221, tweeënveertigste lid, onderdeel 20, onderscheidenlijk artikel 223, elfde lid, onderdeel 9, en van de radio-installaties, de radiorichtingzoeker en de radar, bedoeld in de hoofdstukken 9 en 10.

B

In artikel 209, onderdeel 8.1, wordt «Ieder automatisch opblaasbaar reddingvlot» vervangen door: Ieder automatisch opblaasbaar reddingvlot en de daarbij behorende medische uitrusting.

C

Artikel 218, dertiende lid, onderdeel 8, komt te luiden:

8. een waterdichte medicijnkist die na gebruik weer goed gesloten kan worden, met een bij ministeriële regeling vast te stellen inhoud, met de daarbij behorende controlelijst en handleidingen;

D

Artikel 221, tweeënveertigste lid, onderdeel 20, komt te luiden:

20. voor iedere groep van maximaal 50 personen waarvoor in de reddingboot ruimte is bestemd, een waterdichte medicijnkist die na gebruik weer goed gesloten kan worden, met een bij ministeriële regeling vast te stellen inhoud, met de daarbij behorende controlelijst en handleidingen;

E

Artikel 223, elfde lid, onderdeel 9, komt te luiden:

9. een waterdichte medicijnkist die na gebruik weer goed gesloten kan worden, met een bij ministeriële regeling vast te stellen inhoud, met de daarbij behorende controlelijst en handleidingen;

F

Artikel 231 en zijn opschrift komen te luiden:

Artikel 231. Medische uitrusting aan boord

  • 1. Aan boord van een vaartuig is de bij ministeriële regeling voorgeschreven medische uitrusting, bestaande uit geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota, met de daarbij behorende controlelijsten en handleidingen aanwezig.

  • 2. De kapitein is verplicht zorg te dragen dat de medische uitrusting in goede staat verkeert, wordt aangevuld en zonodig wordt vernieuwd zodra dit mogelijk is, in ieder geval bij voorrang tijdens de normale bevoorradingsprocedures. Hij kan het gebruik en het beheer van de medische uitrusting aan boord, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid, overdragen aan een of meer schepelingen die voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 238.

G

Artikel 232 en zijn opschrift komen te luiden:

Artikel 232. Bewaren van de medische uitrusting

De medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.

H

Artikel 233 en zijn opschrift komen te luiden:

Artikel 233. Gescheiden bewaren van geneesmiddelen en antidota van verplegingsartikelen

  • 1. De geneesmiddelen en antidota worden gescheiden van de verplegingsartikelen bewaard. Indien zij samen in één kist worden bewaard, zijn zij door een tussenschot gescheiden.

  • 2. De morfinepreparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een afgesloten ruimte, waarvan de sleutel berust bij de kapitein of bij de schepeling aan wie de kapitein het gebruik en het beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.

I

Artikel 234 en zijn opschrift komen te luiden:

Artikel 234. Nummering, afschrift lijst, benamingen

  • 1. Op de verpakking van de bestanddelen van de medische uitrusting is, voor zover mogelijk, het nummer aangebracht dat is vermeld in de ministeriële regeling op grond van artikel 231, eerste lid, en artikel 317, derde lid. Tevens is een afschrift van de controlelijsten bevestigd in de in artikel 232 bedoelde kisten, kasten of ruimten.

  • 2. Op de etiketten, aanwezig op de verpakking der middelen, zijn ten behoeve van in het buitenland te raadplegen deskundigen, zo veel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen vermeld, overeenkomstig de nomenclatuur van de Wereld Gezondheids Organisatie.

J

Artikel 235 en zijn opschrift komen te luiden:

Artikel 235. Levering van geneesmiddelen en antidota

De geneesmiddelen en de antidota worden geleverd door een apotheker, hetgeen blijkt uit een merk op de verpakking.

K

Artikel 236 en zijn opschrift komen te luiden:

Artikel 236. Aanvullende geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota

  • 1. Indien er nog andere geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota aan boord aanwezig zijn dan die zijn voorgeschreven op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in de artikelen 231, eerste lid, en 317, derde lid, zijn ten aanzien van deze aanvullende middelen de artikelen 232 tot en met 235 van toepassing.

  • 2. Indien er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota aan boord niet aanwezig zijn, is de kapitein verplicht zorg te dragen dat deze zo spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.

L

Artikel 237 en zijn opschrift komen te luiden:

Artikel 237. Geneeskundig handboek

Ten behoeve van het gebruik van de medische uitrusting is aan boord een bijgehouden exemplaar van een bij ministeriële regeling aan te wijzen geneeskundig handboek.

M

Artikel 238 en zijn opschrift komen te luiden:

Artikel 238. Medische opleiding en bijscholing

  • 1. De kapitein en de schepeling aan wie onder de verantwoordelijkheid van de kapitein de zorg voor het gebruik en het beheer van de medische uitrusting is overgedragen, hebben een speciale medische opleiding gevolgd. Deze opleiding omvat in ieder geval:

    a. kennis van de beginselen van de fysiologie, van de ziekteverschijnselen en van de therapie;

    b. elementaire kennis op het gebied van de preventieve gezondheidszorg, waaronder begrepen de hygiëne;

    c. elementaire kennis van profylactische maatregelen;

    d. praktische kennis van elementaire medische handelingen;

    e. kennis van de wijze van evacuatie van patiënten;

    f. kennis van de wijze waarop de middelen voor medische consultatie op afstand moeten worden gebruikt.

  • 2. Aan boord van vaartuigen met een certificaat van deugdelijkheid voor onbeperkt vaargebied dienen de in het eerste lid bedoelde personen de in dat lid, onder d, genoemde praktische kennis te hebben verworven door het volgen van een praktijkopleiding van ten minste drie weken op een afdeling voor spoedeisende hulp in een algemeen ziekenhuis.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde personen volgen ten minste eenmaal in de vijf jaar een bijscholingscursus in de in dat lid genoemde vakken, die voor personen aan boord van vaartuigen met een certificaat van deugdelijkheid voor onbeperkt vaargebied mede omvat een herhalingsstage van ten minste een week op een afdeling voor spoedeisende hulp in een algemeen ziekenhuis.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel.

N

Na artikel 287 wordt een nieuw artikel met opschrift ingevoegd, luidende:

Artikel 287a. Arts aan boord

Op een vaartuig dat op een internationaal traject van meer dan drie dagen vaart, met een bemanning en overig personeel van honderd personen of meer die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn, inclusief stagiairs en leerlingen alsmede personen die werkzaam zijn als loods, is een arts aanwezig.

O

Aan artikel 317 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Wanneer aan boord van het vaartuig gevaarlijke stoffen worden meegevoerd, zijn tevens de bij ministeriële regeling voorgeschreven antidota en een zuurstofbeademingskoffer met onderhoudsset, met de daarbij behorende controlelijst en handleiding aanwezig.

P

Na artikel 362 wordt een nieuw artikel 362a met opschrift ingevoegd, luidende:

Publicatie van ministeriële regelingen

Ministeriële regelingen vastgesteld krachtens dit besluit worden bekendgemaakt in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in het Afkondigingsblad van Aruba.

ARTIKEL V

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor elk der landen van het Koninkrijk verschillend kan worden bepaald.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 1 september 1995

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven de derde oktober 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Dit besluit tot wijziging van het Schepenbesluit 1965 en het Vissersvaartuigenbesluit strekt ertoe om uitvoering te geven aan richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113), hierna te noemen: de richtlijn. De richtlijn is ingegeven door onder meer de overweging dat de veiligheid en de gezondheid van werknemers aan boord van schepen bijzondere aandacht vereisen wegens de grootschalige risico's, mede in verband met de geografische geïsoleerde situaties, die inherent zijn aan de werkplek. Met het oog daarop moeten schepen beschikken over een voldoende, goed onderhouden en regelmatig gecontroleerde medische uitrusting en moeten aan de bemanningsleden eisen worden gesteld op het punt van de medische opleiding en bijscholing.

De richtlijn heeft zowel betrekking op schepen als op vissersvaartuigen die vallen onder de Schepenwet. Voor beide categorieën schepen moet uiterlijk op 31 december 1994 aan de richtlijn uitvoering zijn gegeven (artikel 9 van de richtlijn).

Een belangrijke vraag betreft de werkingssfeer van de onderhavige EG-richtlijn, en in verband daarmee de betekenis van het woord «lid-staat» in de richtlijn. Het antwoord hierop is bepalend voor de vraag of de richtlijn alleen van toepassing is op in Nederland geregistreerde schepen, of daarnaast ook op schepen die in de Nederlandse Antillen en in Aruba zijn geregistreerd.

Volgens haar eigen bewoordingen is de richtlijn van toepassing op alle schepen die de vlag van een lid-staat voeren of onder zijn volledige rechtsmacht geregistreerd zijn. Weliswaar voeren de in Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba geregistreerde schepen allemaal de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden, maar het woord «lid-staat» in onderhavige richtlijn moet worden uitgelegd als het Europese deel van het Koninkrijk.

Ter toelichting hiervan kan het volgende dienen.

Nu het woord «lid-staat» niet wordt gedefinieerd in de richtlijn, dient de vraag wat daaronder moet worden verstaan te worden beantwoord aan de hand van het algemene stelsel van het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (Trb. 1957, 74), zoals nadien gewijzigd, hierna aangeduid als het EG-Verdrag.

Artikel 227, eerste lid, van het EG-Verdrag bepaalt dat het verdrag van toepassing is op het Koninkrijk der Nederlanden. Dit betekent dat de territoriale werkingssfeer van het verdrag zich uitstrekt tot het gehele grondgebied van het Koninkrijk, met inbegrip van de niet-Europese delen, voor zover geen uitzonderingen zijn gemaakt. Dit laatste is echter wel gebeurd.

Het EG-Verdrag kent voor enkele lid-staten en op een aantal plaatsen een beperking van hetzij de geografische afbakening, hetzij de materiële afbakening. Voor de niet-Europese grondgebieden van de lid-staten voorziet het EG-Verdrag in afbakeningen ingevolge artikel 227, tweede en derde lid. De niet-Europese delen van het Koninkrijk zouden op grond van artikel 131 en artikel 227, derde lid, het voorwerp zijn van de bijzondere associatie-regeling, omschreven in het vierde deel van het verdrag. Echter op grond van het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap op de niet-Europese delen van het Koninkrijk der Nederlanden (Trb. 1957, 74) is het verdrag op 13 december 1957 in afwijking van artikel 227 slechts bekrachtigd voor Nederland en het toenmalige Nederlands Nieuw Guinea (Trb. 1957, 249). Aan het EG-Verdrag werd wel een verklaring van intentie betreffende de associatie van (Suriname en) de Nederlandse Antillen (waaronder destijds ook Aruba viel) met de EG gehecht.

De associatie van de Nederlandse Antillen met de EG heeft plaatsgevonden op grond van de op 13 november 1962 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tot wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap teneinde de bijzondere associatieregeling van het vierde deel van het Verdrag op de Nederlandse Antillen van toepassing te doen zijn (Trb. 1963, 11). Op grond van artikel 227, derde lid, is voor de Nederlandse Antillen vanaf de inwerkingtreding van de overeenkomst (1 oktober 1964) het associatieregime in het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing. Met ingang van 1 januari 1986 – de datum waarop Aruba de status aparte heeft verkregen – is het associatieregime van toepassing in de Nederlandse Antillen en Aruba.

Het onderwerp van de onderhavige richtlijn valt echter in geen enkel opzicht onder dit regime. De richtlijn is gebaseerd op een algemene verdragsbepaling, artikel 118A EG-Verdrag. Noch het vierde deel van het verdrag, noch de daarop gebaseerde bijzondere regeling betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee heeft betrekking op de materie van artikel 118A, te weten: bevordering van de verbetering van met name het arbeidsmilieu, teneinde de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen, en harmonisatie bij de verbetering van de op dit gebied bestaande omstandigheden.

Een en ander betekent dat de richtlijn alleen verbindend is voor het Europese deel van het Koninkrijk. Wat het Koninkrijk betreft moet daarom voor het woord «lid-staat» in de richtlijn Nederland worden gelezen.

Voorts is in verband met de omschrijving van «schip» in de richtlijn nog het volgende van belang. Een schip heeft de nationaliteit van de staat wiens vlag het gerechtigd is te voeren. Het internationale zeerecht vereist ter zake een wezenlijke band («genuine link») tussen de staat en diens schepen. In het bijzonder dient de desbetreffende staat doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht in administratieve, technische en sociale aangelegenheden over zijn schepen uit te oefenen. Door middel van (rijks)wetgeving die van toepassing is in de onderscheiden landen van het Koninkrijk is een dergelijke band bewerkstelligd. Nu (de lid-staat) Nederland geen rechtsmacht en toezicht uitoefent op het bestreken terrein van de richtlijn over schepen onder Koninkrijksvlag die in de Nederlandse Antillen en Aruba zijn geregistreerd, kan de richtlijn niet van toepassing zijn op deze schepen.

Toch zullen, gelet op het onderwerp van de richtlijn, in beginsel de bepalingen ervan materieel ook hun doorwerking hebben voor in de Nederlandse Antillen of in Aruba geregistreerde schepen. Dit vloeit voort uit het ter zake geldende stelsel van de wetgeving van het Koninkrijk. Het stellen van eisen met betrekking tot de veiligheid van zeeschepen is op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Stb. 1954, 503) een aangelegenheid van het Koninkrijk. De desbetreffende regels zijn vervat in de Schepenwet, een rijkswet, en haar uitvoeringsregelingen. Deze rijksregelgeving geldt ook voor in de Nederlandse Antillen en Aruba geregistreerde schepen voor zover deze onder de werkingssfeer van deze rijkswet zijn gebracht.

Het wordt ook wenselijk geacht de onderhavige richtlijn in rijksregelgeving te implementeren, en wel om de volgende reden. Thans bestaat in het Koninkrijk een scheepsregister in Nederland voor de teboekgestelde schepen in Nederland, in de Nederlandse Antillen voor de teboekgestelde schepen in de Nederlandse Antillen, en in Aruba voor de teboekgestelde schepen in Aruba. Schepen, in welk rijksdeel ook geregistreerd, nemen aan het internationale verkeer deel onder de vlag van het Koninkrijk. In het buitenland wordt tussen deze schepen geen onderscheid gemaakt. Daar het van grote betekenis is dat binnen het Koninkrijk ten aanzien van de veiligheid van zeeschepen uniforme regels gelden, is implementatie van de richtlijn in rijksregelgeving op zijn plaats. Voor zover echter voorschriften die zijn toegesneden op de Europese situatie niet of niet volledig kunnen worden uitgevoerd in de Nederlandse Antillen of Aruba, kan door middel van het geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk verlenen van vrijstelling op grond van artikel 172 van het Schepenbesluit 1965, respectievelijk artikel 3 van het Vissersvaartuigenbesluit, er in worden voorzien dat de desbetreffende bepalingen niet behoeven te worden nageleefd met betrekking tot aldaar geregistreerde schepen.

Dit is in lijn met de Officiële toelichting op het Statuut voor het Koninkrijk, waarin staat dat het een belang is van het Koninkrijk dat de schepen die de vlag van het Koninkrijk voeren, waar zij ook ter wereld verkeren, aan gelijke normen voldoen wat betreft inrichting, uitwatering, uitrusting en bemanning, opdat de goede naam van het Koninkrijk ter zee blijft gewaarborgd. Een gelijke regeling voor het Koninkrijk behoeft, aldus deze toelichting, geenszins in te houden dat niet ten volle met lokale omstandigheden wordt rekening gehouden.

Ingevolge artikel 172, derde lid, van het Schepenbesluit 1965, zijn zeilschepen vrijgesteld van de bepalingen van artikel 6 en artikel 14, eerste lid, en van de bepalingen van de hoofdstukken IV, VI en VIII van het Schepenbesluit 1965, onder nader gestelde voorwaarden die zijn vervat in de Regeling zeilschepen met passagiers. De implementatie van de richtlijn met betrekking tot deze categorie schepen zal plaatsvinden door middel van een aanpassing van deze ministeriële regeling.

Bij de implementatie van de richtlijn is ernaar gestreefd in de uitvoeringsregelingen dezelfde terminologie te gebruiken. Dit heeft op enkele plaatsen geleid tot tekstuele aanpassingen en ook tot vereenvoudiging van de voorschriften. Zo is in navolging van de richtlijn de term medicijnkist overal gebruikt, ook waar in de huidige tekst sprake is van verbandtrommels. Dit betekent evenwel niet dat een medicijnkist per se van «goed droog hout van ten minste 1 centimeter dikte met koperen houtschroeven» moet zijn gemaakt, zoals artikel 2 van Bijlage XVI van het Schepenbesluit 1965 thans nog voorschrijft; deze eis is dan ook vervallen. Behalve aan een houten kist is ook te denken aan een plastic container of roestvrijstalen trommel, mits deze waterdicht is en na gebruik ook weer waterdicht gesloten kan worden.

Voor het betrokken bedrijfsleven houdt de uitvoering van de richtlijn een kostenverzwaring in, die bestaat uit de kosten verbonden aan de medische opleidingen en de kosten van de uitbreiding van de medische uitrusting aan boord. De hoogte van de kosten is mede afhankelijk van het vaargebied.

Wat de medische opleidingen betreft moet, naast de initiële praktijkopleiding van drie weken ziekenhuisstage voor de kapitein en (eventuele) schepelingen die het beheer hebben over de medische uitrusting, rekening worden gehouden met eenmaal in de 5 jaar een opleidingsperiode van 7 dagen (2 dagen theorie en 5 dagen ziekenhuisstage) voor de kapitein en bedoelde schepelingen die varen in onbeperkt vaargebied. Voor degenen die alleen in beperkt vaargebied varen moet rekening worden gehouden met eenmaal in de vijf jaar een opleidingsperiode van 2 dagen (2 dagen theorie). Dit geldt voor zowel schepen als vissersvaartuigen en zeilschepen met passagiers.

Wat betreft de kosten, verbonden aan de uitbreiding van de medische uitrusting aan boord, geldt het volgende. Schepen en vissersvaartuigen moeten thans al voor het grootste deel voldoen aan de eisen die de richtlijn stelt. Hierin is voorzien in Bekendmaking aan de Scheepvaart van het hoofd van de Scheepvaartinspectie no. 298/1992 (Stcrt. 150), en Bekendmaking aan de Zeevisvaart van het hoofd van de Scheepvaartinspectie no. 70/1992 (Stcrt. 173). Voor zeilschepen met passagiers moet de aanpassing van de medische uitrusting aan de eisen van de richtlijn nog plaatsvinden. Dit zal geschieden door wijziging van de Regeling zeilschepen met passagiers.

Voor het op grond van de richtlijn vereiste aanvullende deel van de medische uitrusting gaat het om meerkosten per schip ten bedrage van ongeveer Nf 2500,- (onbeperkt vaargebied), Nf 1500,- (vaargebied tot minder dan 150 zeemijl), of Nf 250,- (vaargebied tot 15 mijl uit de kust).

Aparte vermelding verdient in dit verband de zuurstofbeademingskoffer als onderdeel van de medische uitrusting. Alle schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren moeten, ongeacht het vaargebied waar zij varen, thans reeds een dergelijke koffer aan boord hebben. Op grond van de richtlijn moeten echter alle schepen die varen in onbeperkt vaargebied, ook als zij geen gevaarlijke stoffen vervoeren, een zuurstofbeademingskoffer aan boord hebben.

De kosten hiervan bedragen ongeveer Nf 3500,-. Dit is met name voor zeilschepen met passagiers een extra kostenpost.

De handhaving van de voorschriften geschiedt in het kader van de reguliere periodieke bemannings- en uitrustingsinspecties, uitgevoerd door de Scheepvaartinspectie.

Implementatie van de richtlijn in het Schepenbesluit 1965

Hieronder volgt een overzicht van de wijze waarop de richtlijn door het onderhavige besluit is omgezet in het Schepenbesluit of daarop gebaseerde voorschriften. Daarbij is ook aangegeven van welke bepalingen van de richtlijn implementatie niet nodig is of al heeft plaatsgevonden in bestaande voorschriften.

Artikel 1 van de richtlijn bevat definities, die als zodanig niet behoeven te worden geïmplementeerd. Alleen de in artikel 1, onderdeel a, bedoelde indeling van de schepen in drie categorieën volgens Bijlage I van de richtlijn, moet voor Nederland worden uitgewerkt. Dit is gebeurd in de ministeriële regeling, bedoeld in de wijziging van artikel 93, eerste lid, van het Schepenbesluit 1965.

Artikel 2, onderdeel 1, onder a, van de richtlijn schrijft voor dat elk schip permanent een medische uitrusting aan boord heeft die voor de scheepscategorie waartoe het behoort, kwalitatief ten minste voldoet aan de onderdelen I (geneesmiddelen) en II (verplegingsartikelen) van Bijlage II van de richtlijn. Deze Bijlage bevat lijsten met geneesmiddelen en verplegingsartikelen die aan boord moeten zijn van schepen, onderscheiden naar de vaargebieden waarin zij varen.

Artikel 2, onderdeel 1, onder b, van de richtlijn, schrijft voor dat bij de vaststelling van de aan boord mee te nemen hoeveelheden geneesmiddelen en verplegingsartikelen rekening wordt gehouden met de kenmerken van de reis, met het soort activiteiten dat tijdens de reis moet worden verricht, met de kenmerken van de lading en met het aantal werknemers.

Aan deze bepalingen van de richtlijn is merendeels reeds uitvoering gegeven bij Bekendmaking aan de Scheepvaart van het hoofd van de Scheepvaartinspectie no. 298/1992. Deze Bekendmaking aan de Scheepvaart is gebaseerd op artikel 174, eerste lid, van het Schepenbesluit 1965. Deze bepaling kent de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende regels toe aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie. Aangezien het tegenwoordig ongewenst wordt geacht dat een ambtelijk functionaris algemeen verbindende regels vaststelt (aanwijzing 20 van de Aanwijzingen voor de regelgeving), is de delegatie van regelgevende bevoegdheid aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie in artikel 8 van Bijlage XVI vervangen door delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Minister van Verkeer en Waterstaat in artikel 93, eerste lid. De Bekendmaking aan de Scheepvaart is dan ook vervangen door een ministeriële regeling krachtens dit artikel, waarin de aanvullende eisen van artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn zijn verwerkt. Waar het hier de nadere uitvoering van rijkswetgeving betreft, komen bedoelde ministeriële (rijks)regelingen tot stand in overeenstemming met de betrokken ministers van de Nederlandse Antillen en Aruba (vergelijk artikel 6, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk).

Artikel 2, onderdeel 1, onder c, van de richtlijn schrijft voor dat een overzicht van de in de medische uitrusting opgenomen geneesmiddelen en verplegingsartikelen op een controlelijst (de richtlijn gebruikt het Engelse woord checklist) moet zijn vermeld. Bijlage IV van de richtlijn geeft voor de verschillende categorieën van vaartuigen, onderscheiden naar de vaargebieden waarin zij varen, modellen waaraan de controlelijsten voor de medische uitrusting moeten voldoen. Aan dit onderdeel van de richtlijn is uitvoering gegeven bij de vervanging van de Bekendmaking aan de Scheepvaart van het hoofd van de Scheepvaartinspectie no. 298/1992 door een ministeriële regeling krachtens het gewijzigde artikel 93. Datzelfde is gebeurd ten aanzien van de controlelijst voor de inhoud van de medicijnkisten voor reddingvlotten en reddingboten (artikel 2, onderdeel 2, onder b, van de richtlijn). De kapitein is verantwoordelijk voor het bewaren van de controlelijsten. In artikel 3, eerste lid, van Bijlage XVI, is echter bepaald dat een afschrift van deze lijsten aanwezig dient te zijn in de kisten, kasten of ruimten, waarin de medische uitrusting wordt bewaard.

Artikel 2, onderdeel 2, onder a, van de richtlijn, heeft geleid tot aanpassing van de terminologie in Bijlage XIA van het Schepenbesluit 1965 van artikel 38, onderdeel 5.1.8 (reddingvlotten), artikel 41, onderdeel 8.20 (reddingboten) en artikel 47, onderdeel 2.2.9. (hulpverleningsboten). Hierbij is tevens de delegatie van regelgevende bevoegdheid aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie vervangen door delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 2, onderdeel 2, onder b, van de richtlijn betreft het vereiste dat de inhoud van de medicijnkisten wordt gespecificeerd op de controlelijst, en vindt zijn uitwerking in artikel 93, eerste lid, van het Schepenbesluit 1965 en de daarop gebaseerde ministeriële regeling.

Artikel 2, onderdeel 3, van de richtlijn betreft het vereiste dat aan boord een ruimte is voor medische verzorging onder bevredigende materiële en hygiënische omstandigheden. Aan dit voorschrift is reeds voldaan door artikel 122 van het Schepenbesluit 1965 en artikel 61 van het Schepelingenbesluit.

Aan artikel 2, onderdeel 4, van de richtlijn, betreffende het vereiste van een arts aan boord, is uitvoering gegeven door het opnemen van een nieuw artikel 109a in het Schepenbesluit 1965.

Artikel 3, onderdelen 1 en 3, van de richtlijn, betreffende de samenstelling van de medische uitrusting, vinden hun uitwerking in de voorgestelde wijziging van artikel 93, eerste lid, van het Schepenbesluit 1965 en de ministeriële regeling, bedoeld in deze bepaling, en in het nieuwe artikel 130h.

Artikel 3, onderdeel 2 van de richtlijn: de hier bedoelde verplichting met betrekking tot de medische uitrusting van veerboten, valt onder de voorschriften, bedoeld in Bekendmaking aan de Scheepvaart van het hoofd van de Scheepvaartinspectie no. 276/1992 (Stcrt. 31) en no. 291/1992 (Stcrt. 150); voor het overige is deze bepaling niet van toepassing wegens het ontbreken van veerboot-lijnverbindingen met een duur van minder dan twee uur.

Artikel 4, onderdelen 1 en 2, van de richtlijn, betreffende de zorg voor de levering en de vernieuwing van de medische uitrusting en het beheer daarvan, is eveneens uitgevoerd in artikel 93 van het Schepenbesluit 1965. Daarin wordt bepaald dat aan boord de voorgeschreven medische uitrusting aanwezig moet zijn, en dat de kapitein dient te zorgen voor aanvulling van de gebruikte geneesmiddelen en verplegingsartikelen en voor vernieuwing van niet meer bruikbare geneesmiddelen en verplegingsartikelen, zodra dat mogelijk is.

Artikel 4, onderdeel 1, onder a, van de richtlijn is geïmplementeerd in artikel 93, tweede lid, van het Schepenbesluit 1965, en is wat betreft het aspect van de hier bedoelde kosten reeds geregeld in artikel 166 van het Schepenbesluit 1965. De eigenaar van een vaartuig is verplicht aan de kapitein de middelen te verschaffen die deze behoeft, teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in het Schepenbesluit 1965.

Artikel 4, onderdeel 1, onder b, van de richtlijn legt bij de kapitein de verantwoordelijkheid voor het beheer van de medische uitrusting aan boord. Hij kan echter – maar behoeft dit niet te doen – aan een schepeling het gebruik en beheer van deze uitrusting en het bijhouden van de controlelijsten overdragen. Dit is uitgewerkt in artikel 93, tweede lid, van het Schepenbesluit.

Artikel 4, onderdeel 3, van de richtlijn bepaalt dat wanneer de kapitein of de schepeling die onder de verantwoordelijkheid van de kapitein is belast met het gebruik van de medische uitrusting, constateert dat er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen of verplegingsartikelen niet aan boord aanwezig zijn, de kapitein er voor dient te zorgen dat zo snel mogelijk de noodzakelijke maatregelen worden getroffen. Dit is uitgewerkt in artikel 5, tweede lid, van Bijlage XVI van het Schepenbesluit 1965. Ook deze verplichting moet worden gelezen in samenhang met de verplichting van de eigenaar, bedoeld in artikel 166 van het Schepenbesluit 1965.

Artikel 5, onderdeel 1, van de richtlijn schrijft voor dat bij de medische uitrusting een of meer handleidingen moeten zijn met een gebruiksaanwijzing voor de antidota. Aan deze bepaling is reeds uitvoering gegeven in het geneeskundig handboek voor de scheepvaart en in de geneeskundige eerste-hulpgids van het Handboek gevaarlijke stoffen. De tekst van artikel 6 van Bijlage XVI is in die zin aangepast dat de bevoegdheid van het hoofd van de Scheepvaartinspectie tot het aanwijzen van een geneeskundig handboek dat aan boord aanwezig moet zijn, is vervangen door een desbetreffende bevoegdheid van de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 5, onderdeel 2, van de richtlijn betreft de verplichting voor allen die een zeevaartopleiding volgen een basisopleiding te ontvangen ter zake van medische hulpverlening en levensreddende maatregelen. Aan dit voorschrift is reeds voldaan, doordat het vak eerste hulp bij ziekten en ongevallen is opgenomen in het Examenbesluit zeevaartdiploma's 1991 op grond van de Wet op de zeevaartdiploma's.

Artikel 5, onderdeel 3, van de richtlijn betreft de eis van een speciale medische opleiding en periodieke bijscholing van de kapitein en degene aan wie deze eventueel het beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen. Deze verplichting is geïmplementeerd in artikel 117a van het Schepenbesluit 1965. Aan dit vereiste van de richtlijn wordt in de praktijk reeds voldaan door opneming van het vak scheepsgezondheidsleer in de huidige opleidingseisen voor alle zeevaartdiploma's op grond van de Wet op de Zeevaartdiploma's. Een integraal overzicht van alle exameneisen is opgenomen in een bijlage bij het Examenbesluit zeevaartdiploma's 1991, als onderdeel van een wijziging van dit besluit.

De periodieke bijscholing (ten minste om de vijf jaar) is geregeld in artikel 117a, derde lid, van het Schepenbesluit 1965. Overwogen is om dit voorschrift te implementeren in de regelgeving ter uitvoering van de Wet op de zeevaartdiploma's. Hiervan is echter afgezien omdat dit tot gevolg zou hebben dat alle kandidaten voor een stuurmansdiploma in de zeevaart de voor vaartuigen die varen in onbeperkt vaargebied voorgeschreven praktijkopleiding in een ziekenhuis zouden moeten volgen, terwijl ten tijde van de opleiding nog niet bekend is of men in onbeperkt vaargebied zal varen en of men in de functie van kapitein zal varen. Dat leek onpraktisch, want het zou een onnodig zwaar beroep doen op ziekenhuizen om stageplaatsen voor zeevarenden ter beschikking te stellen. Daarom is gekozen voor implementatie van dit opleidingsvoorschrift in het Schepenbesluit 1965, waarin het vereiste overeenkomstig de richtlijn alleen is opgelegd aan de kapitein en de schepeling aan wie hij het beheer over de medische uitrusting heeft toevertrouwd.

Artikel 6 van de richtlijn betreft de medische adviesverlening per radio. Aan dit voorschrift wordt reeds uitvoering gegeven door een samenwerkingsovereenkomst tussen het Nederlandse Rode Kruis, de Staat der Nederlanden en PTT Telecom B.V., waarbij het Nederlandse Rode Kruis zich verbonden heeft om voor eigen rekening zijn radiomedische dienst beschikbaar te houden voor het gedurende 24 uur per dag verstrekken van radiomedische adviezen aan de scheepvaart.

Artikel 7, eerste lid, van de richtlijn betreft de jaarlijkse controle van de medische uitrusting aan boord van schepen. Hieraan is uitvoering gegeven door een wijziging van artikel 6, derde lid, van het Schepenbesluit 1965.

Artikel 7, tweede lid, van de richtlijn bepaalt dat de controle van de medische uitrusting op de reddingvlotten wordt verricht tijdens het jaarlijkse onderhoud van de reddingvlotten. Dit voorschrift is geïmplementeerd door wijziging van artikel 19, achtste lid, van Bijlage XIA van het Schepenbesluit 1965.

Artikel 8 van de richtlijn; deze bepaling betreft de instelling van een comité van vertegenwoordigers der Lidstaten ter advisering van de Commissie en behoeft derhalve niet te worden geïmplementeerd. Dit laatste geldt ook voor artikel 9 van de richtlijn, dat slotbepalingen behelst.

Implementatie van de richtlijn in het Vissersvaartuigenbesluit

Hieronder volgt een overzicht van de wijze waarop de richtlijn door het onderhavige besluit is omgezet in het Vissersvaartuigenbesluit of daarop gebaseerde voorschriften. Daarbij is ook aangegeven van welke bepalingen van de richtlijn implementatie niet nodig is of al heeft plaatsgevonden in bestaande voorschriften.

Artikel 1 van de richtlijn bevat definities, die als zodanig niet behoeven te worden geïmplementeerd. Alleen de in artikel 1, onder a, bedoelde indeling van de schepen in drie categorieën volgens Bijlage I van de richtlijn, is voor Nederland uitgewerkt. Dit is gebeurd in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 231, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit.

Artikel 2, onderdeel 1, onder a, van de richtlijn schrijft voor dat elk schip permanent een medische uitrusting aan boord heeft die voor de scheepscategorie waartoe het behoort kwalitatief ten minste voldoet aan de onderdelen I (geneesmiddelen) en II (verplegingsartikelen) van Bijlage II van de richtlijn. Deze Bijlage bevat lijsten met geneesmiddelen en verplegingsartikelen die aan boord moeten zijn van schepen, onderscheiden naar de vaargebieden waarin zij varen.

Artikel 2, onderdeel 1, onder b, schrijft voor dat bij de vaststelling van de aan boord mee te nemen hoeveelheden geneesmiddelen en verplegingsartikelen rekening wordt gehouden met de kenmerken van de reis, met het soort activiteiten dat tijdens de reis moet worden verricht, met de kenmerken van de lading, en met het aantal werknemers.

Aan deze bepalingen van de richtlijn is merendeels reeds uitvoering gegeven bij Bekendmaking aan de Zeevisvaart van het hoofd van de Scheepvaartinspectie no. 70/1992 (Stcrt. 150). Deze Bekendmaking is gebaseerd op artikel 6, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit. Deze bepaling kent de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende regels toe aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie. Aangezien het tegenwoordig ongewenst wordt geacht dat een ambtelijk functionaris algemeen verbindende regels vaststelt, is de delegatie van regelgevende bevoegdheid aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie in artikel 238 vervangen door delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Minister van Verkeer en Waterstaat in artikel 231. De Bekendmaking aan de Zeevisvaart van het hoofd van de Scheepvaartinspectie no. 70/1992 is dan ook vervangen door een ministeriële regeling krachtens dit artikel, waarin de aanvullende eisen van artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn zijn verwerkt.

Artikel 2, onderdeel 1, onder c, van de richtlijn schrijft voor dat een overzicht van de in de medische uitrusting opgenomen geneesmiddelen en verplegingsartikelen op een controlelijst (de richtlijn gebruikt het Engelse woord checklist) moet zijn vermeld. Bijlage IV van de richtlijn geeft voor de verschillende categorieën van vaartuigen, onderscheiden naar de vaargebieden waarin zij varen, modellen waaraan de controlelijsten voor de medische uitrusting moeten voldoen. Aan dit onderdeel van de richtlijn is uitvoering gegeven bij de vervanging van de Bekendmaking aan de Zeevisvaart van het hoofd van de Scheepvaartinspectie no. 70/1992 door een ministeriële regeling krachtens het gewijzigde artikel 231. Datzelfde is gebeurd ten aanzien van de controlelijst voor de inhoud van de medicijnkisten voor reddingvlotten en reddingboten (artikel 2, onderdeel 2, onder b, van de richtlijn). De kapitein is verantwoordelijk voor het bewaren van de controlelijsten. In artikel 234 is echter bepaald dat een afschrift van deze lijsten aanwezig dient te zijn in de kisten, kasten of ruimten, waarin de medische uitrusting wordt bewaard.

Artikel 2, onderdeel 2, onder a, van de richtlijn heeft geleid tot aanpassing van de terminologie van artikel 218, dertiende lid, onderdeel 8 (reddingvlotten), artikel 221, tweeënveertigste lid, onderdeel 20 (reddingboten) en artikel 223, elfde lid, onderdeel 9 (hulpverleningsboten). Hierbij is tevens de delegatie van regelgevende bevoegdheid aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie vervangen door delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 2, onderdeel 2, onder b, van de richtlijn betreft het vereiste dat de inhoud van de medicijnkisten wordt gespecificeerd op de controlelijst, en vindt zijn uitwerking in artikel 231, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling.

Artikel 2, onderdeel 3, van de richtlijn betreft het vereiste dat aan boord een ruimte is voor medische verzorging onder bevredigende materiële en hygiënische omstandigheden. Aan dit voorschrift is reeds voldaan door artikel 193 van het Vissersvaartuigenbesluit en artikel 61 van het Schepelingenbesluit.

Aan artikel 2, onderdeel 4, van de richtlijn, betreffende het vereiste van een arts aan boord, is uitvoering gegeven door het opnemen van een nieuw artikel 287a in het Vissersvaartuigenbesluit.

Artikel 3, onderdelen 1 en 3, van de richtlijn, betreffende de samenstelling van de medische uitrusting, vindt zijn uitwerking in de wijziging van artikel 231, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit en de ministeriële regeling, bedoeld in deze bepaling, en in het nieuwe artikel 317, derde lid.

Artikel 3, onderdeel 2, van de richtlijn betreft verplichtingen met betrekking tot de medische uitrusting van veerboten, die in dit verband buiten beschouwing kunnen blijven.

Artikel 4, onderdelen 1 en 2, van de richtlijn, betreft de zorg voor de levering en de vernieuwing van de medische uitrusting en het beheer daarvan. Hieraan is eveneens uitvoering gegeven in de artikel 231 van het Vissersvaartuigenbesluit. Daarin wordt bepaald dat aan boord de voorgeschreven medische uitrusting aanwezig moet zijn, en dat de kapitein dient te zorgen voor aanvulling van de gebruikte geneesmiddelen en verplegingsartikelen en voor vernieuwing van niet meer bruikbare geneesmiddelen en verplegingsartikelen, zodra dat mogelijk is.

Artikel 4, onderdeel 1, onder a, van de richtlijn is geïmplementeerd in artikel 231 van het Vissersvaartuigenbesluit, en is wat betreft het aspect van de hier bedoelde kosten reeds geregeld in artikel 348 van het Vissersvaartuigenbesluit. De eigenaar van een vaartuig is verplicht aan de kapitein de middelen te verschaffen die deze behoeft, teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in het Vissersvaartuigenbesluit.

Artikel 4, onderdeel 1, onder b, van de richtlijn legt bij de kapitein de verantwoordelijkheid voor het beheer van de medische uitrusting aan boord. Hij kan echter – maar behoeft dit niet te doen – aan een schepeling het gebruik en beheer van deze uitrusting en het bijhouden van de controlelijsten overdragen. Dit is uitgewerkt in artikel 231, tweede lid, van het Vissersvaartuigenbesluit.

Artikel 4, onderdeel 3, van de richtlijn bepaalt dat wanneer de kapitein of de schepeling die onder de verantwoordelijkheid van de kapitein is belast met het gebruik van de medische uitrusting, constateert dat er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen of verplegingsartikelen niet aan boord aanwezig zijn, de kapitein er voor dient te zorgen dat zo snel mogelijk de noodzakelijke maatregelen worden getroffen. Dit is uitgewerkt in artikel 236, tweede lid, van het Vissersvaartuigenbesluit. Ook deze verplichting moet worden gelezen in samenhang met de verplichting van de eigenaar, bedoeld in artikel 348 van het Vissersvaartuigenbesluit.

Artikel 5, onderdeel 1, van de richtlijn schrijft voor dat bij de medische uitrusting een of meer handleidingen moeten zijn met een gebruiksaanwijzing voor de antidota. Aan deze bepaling is reeds uitvoering gegeven in het geneeskundig handboek voor de scheepvaart en in de geneeskundige eerste-hulpgids van het Handboek gevaarlijke stoffen, voorgeschreven in Bekendmaking aan de Zeevisvaart van het hoofd van de Scheepvaartinspectie no. 70/1992. De tekst van artikel 237 van het Vissersvaartuigenbesluit is in die zin aangepast dat de bevoegdheid van het hoofd van de Scheepvaartinspectie tot het aanwijzen van een geneeskundig handboek dat aan boord aanwezig moet zijn, is vervangen door een desbetreffende bevoegdheid van de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 5, onderdeel 2, van de richtlijn betreft de verplichting voor allen die een zeevaartopleiding volgen een basisopleiding te ontvangen ter zake van medische hulpverlening en levensreddende maatregelen. Aan dit voorschrift is reeds voldaan, doordat het vak eerste hulp bij ziekten en ongevallen is opgenomen in het Examenreglement zeevisvaart op grond van de Wet op de zeevischvaartdiploma's.

Artikel 5, onderdeel 3, van de richtlijn betreft de eis van een speciale medische opleiding en periodieke bijscholing van de kapitein en degene aan wie deze eventueel het beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen. Deze verplichting is geïmplementeerd in artikel 238 van het Vissersvaartuigenbesluit. Aan dit vereiste van de richtlijn wordt in de praktijk reeds voldaan door opneming van het vak scheepsgezondheidsleer in de huidige opleidingseisen voor alle zeevisvaartdiploma's op grond van de Wet op de zeevischvaartdiploma's. Een integraal overzicht van alle exameneisen is opgenomen in een bijlage bij het Examenreglement zeevisvaart, als onderdeel van een wijziging van dit besluit.

De periodieke bijscholing (ten minste om de vijf jaar) is geregeld in artikel 238, derde lid, van het Vissersvaartuigenbesluit. Overwogen is om dit voorschrift te implementeren in de regelgeving ter uitvoering van de Wet op de zeevischvaartdiploma's. Hiervan is echter afgezien omdat dit tot gevolg zou hebben dat alle kandidaten voor een stuurmansdiploma in de zeevaart de voor vaartuigen die varen in onbeperkt vaargebied voorgeschreven praktijkopleiding in een ziekenhuis zouden moeten volgen, terwijl ten tijde van de opleiding nog niet bekend is of men in onbeperkt vaargebied zal varen en of men in de functie van kapitein zal varen. Dat leek onpraktisch, want het zou een onnodig zwaar beroep doen op ziekenhuizen om stageplaatsen voor zeevarenden ter beschikking te stellen. Daarom is gekozen voor implementatie van dit opleidingsvoorschrift in het Vissersvaartuigenbesluit, waarin het vereiste overeenkomstig de richtlijn alleen is opgelegd aan de kapitein en de schepeling aan wie hij het beheer over de medische uitrusting heeft toevertrouwd.

Artikel 6 van de richtlijn betreft de medische adviesverlening per radio. Aan dit voorschrift wordt reeds uitvoering gegeven door een samenwerkingsovereenkomst tussen het Nederlandse Rode Kruis, de Staat der Nederlanden en PTT Telecom B.V., waarbij het Nederlandse Rode Kruis zich verbonden heeft om voor eigen rekening zijn radiomedische dienst beschikbaar te houden voor het gedurende 24 uur per dag verstrekken van radiomedische adviezen aan de scheepvaart.

Artikel 7, eerste lid, van de richtlijn betreft de jaarlijkse controle van de medische uitrusting. Hieraan is uitvoering gegeven door een wijziging van artikel 12, vierde lid, onderdeel 3 van het Vissersvaartuigenbesluit.

Artikel 7, tweede lid, van de richtlijn bepaalt dat de controle van de medische uitrusting op de reddingvlotten wordt verricht tijdens het jaarlijkse onderhoud van de reddingvlotten. Dit voorschrift is geïmplementeerd door wijziging van artikel 209, onderdeel 8.1, van het Vissersvaartuigenbesluit.

Artikel 8 van de richtlijn; deze bepaling betreft de instelling van een comité van vertegenwoordigers der Lidstaten ter advisering van de Commissie en behoeft derhalve niet te worden geïmplementeerd. Dit laatste geldt ook voor artikel 9 van de richtlijn, dat slotbepalingen behelst.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

A. Op grond van de geldende tekst van artikel 6, derde lid, vindt alleen jaarlijkse controle plaats van de medische uitrusting aan boord van schepen van 500 ton of meer, en aan boord van reddingboten. Aangezien de richtlijn jaarlijkse controle van de medische uitrusting van elk schip voorschrijft, is dit artikel dienovereenkomstig aangepast. De jaarlijkse inspectie van de medische uitrusting is tevens uitgebreid tot hulpverleningsboten. Voor deze categorie was tot nu toe in het Schepenbesluit 1965 niet voorzien in de periodieke controle van de medische uitrusting.

B. Artikel 93 vormt de grondslag voor de uitvoering van het bepaalde in de richtlijn en de bijlagen over de samenstelling van de medische uitrusting. Om de in het algemeen deel aangegeven reden worden de vereiste nadere regels gesteld bij ministeriële regeling, en niet meer als voorheen door het hoofd van de Scheepvaartinspectie.

C. Artikel 109a geeft uitvoering aan het vereiste van de richtlijn dat onder de hierin genoemde voorwaarden een arts aan boord moet zijn. Teneinde het opnemen van nieuwe begripsomschrijvingen in het Schepenbesluit 1965 te vermijden, in dit geval de in de richtlijn gebruikte term «werknemer», zijn hier de algemene begrippen «personen» en «personeel» gebruikt. Het is in elk geval de bedoeling dat ook andere personen dan de eigenlijke bemanning van het schip onder de werking van dit voorschrift vallen. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan entertainers aan boord van cruiseschepen, personeel van belastingvrije winkels en veiligheidsagenten aan boord. Voor het doel van dit artikel worden ook loodsen gerekend tot de in dit artikel bedoelde personen die aan boord een beroepsactiviteit uitoefenen. Het vereiste dat het schip in kwestie op een internationaal traject van meer dan drie dagen vaart, is letterlijk overgenomen uit de richtlijn.

D. De speciale medische opleiding en de periodieke bijscholing, genoemd in artikel 117a, omvatten een theoretisch en een praktisch gedeelte. Het praktisch gedeelte van deze opleiding en bijscholing houdt mede een ziekenhuisstage in voor die kapiteins (en de schepelingen aan wie het beheer van de medische uitrusting is toevertrouwd) die hun functie aan boord van een schip met onbeperkt vaargebied uitoefenen. De richtlijn bepaalt niet de duur van deze stage, noch het soort ziekenhuis waar de stage moet worden gevolgd en de afdeling van het ziekenhuis waar stage moet worden gelopen. Voor de speciale medische praktijkopleiding is in Nederland gekozen voor een ziekenhuisstage van drie weken; voor de bijscholing geldt een duur van ten minste een week. De stages moeten worden gevolgd op een afdeling voor spoedeisende hulp in een algemeen ziekenhuis. Hierbij wordt voortgebouwd op de reeds tientallen jaren bestaande praktijk waarbij van overheidswege met een zestigtal ziekenhuizen stage-afspraken zijn gemaakt.

E. Het nieuwe artikel 183 regelt de bekendmaking van ministeriële (Rijks)regelingen die krachtens het Schepenbesluit 1965 worden vastgesteld. Op deze ministeriële regelingen is de wetgeving met betrekking tot de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften in Nederland, in de Nederlandse Antillen en in Aruba niet van toepassing. Daarom is een afzonderlijk publicatievereiste opgenomen.

Artikel II

A. Door de wijziging van artikel 19 van Bijlage XIA, betreffende reddingmiddelen en -voorzieningen, geldt het vereiste van een jaarlijkse keuring ook voor de medicijnkist van reddingvlotten.

B, C en D. Deze onderdelen betreffen wijzigingen van Bijlage XIA, die er toe strekken dat ook voor de medicijnkisten van reddingvlotten, reddingboten en hulpverleningsboten bij ministeriële regeling nadere voorschriften kunnen worden gesteld.

Artikel III

Een aantal artikelen van de richtlijn is uitgewerkt in Bijlage XVI, betreffende geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota. De aanpassingen zijn deels terminologisch. Het vereiste dat elk schip een bij ministeriële regeling voorgeschreven medische uitrusting moet hebben, is neergelegd in artikel 93, eerste lid; daarom zijn de artikelen 1 en 8 (oud) van deze Bijlage vervallen.

Artikel IV

A en B. Door de wijziging van artikel 12, betreffende onderzoeken, en artikel 209, betreffende de gereedheid voor gebruik, onderhoud en inspecties van de reddingmiddelen, geldt het vereiste van een jaarlijkse inspectie van de medische uitrusting behalve voor elk vissersvaartuig ook voor de de medicijnkisten van reddingboten en hulpverleningsboten, respectievelijk reddingvlotten. Voor de hulpverleningsboten was tot nu toe in het Vissersvaartuigenbesluit niet voorzien in periodieke controle van de medische uitrusting.

C, D en E. Deze onderdelen strekken er toe dat ook voor de medicijnkisten van reddingvlotten, reddingboten en hulpverleningsboten om de in het algemeen deel aangegeven reden nadere voorschriften kunnen worden gesteld bij ministeriële regeling, en niet meer als voorheen door het hoofd van de Scheepvaartinspectie.

F. Artikel 231 vormt de grondslag voor de uitvoering van het bepaalde in de richtlijn en de bijlagen over de samenstelling van de medische uitrusting. Ook hier vervangt de ministeriële regeling de bevoegdheid van het hoofd van de Scheepvaartinspectie tot het stellen van nadere regels.

G, H, I, J, K, en L. Deze onderdelen vormen de pendant van het bepaalde in Bijlage XVI van het Schepenbesluit 1965. De aanpassingen zijn deels terminologisch.

M. De speciale medische opleiding en de periodieke bijscholing, genoemd in artikel 238, omvatten een theoretisch en een praktisch gedeelte. Het praktisch gedeelte van deze opleiding en bijscholing houdt mede een ziekenhuisstage in voor die kapiteins (en de schepelingen aan wie het beheer van de medische uitrusting is toevertrouwd) die hun functie aan boord van een schip met onbeperkt vaargebied uitoefenen. De richtlijn bepaalt niet de duur van deze stage, noch het soort ziekenhuis waar de stage moet worden gevolgd en de afdeling van het ziekenhuis waar stage moet worden gelopen. Voor de speciale medische praktijkopleiding is in Nederland gekozen voor een ziekenhuisstage van drie weken; voor de bijscholing geldt een stageduur van ten minste een week. De stages moeten worden gevolgd op een afdeling voor spoedeisende hulp in een algemeen ziekenhuis. Hierbij wordt voortgebouwd op de reeds tientallen jaren bestaande praktijk waarbij van overheidswege met een zestigtal ziekenhuizen stage-afspraken zijn gemaakt.

N. Artikel 287a geeft uitvoering aan het vereiste van de richtlijn dat onder de hierin genoemde voorwaarden een arts aan boord moet zijn. Weliswaar zijn er geen vissersvaartuigen met een bemanning en overig personeel van 100 personen of meer, maar de richtlijn maakt op dit punt geen onderscheid tussen schepen en vissersvaartuigen, zodat dit onderdeel van de richtlijn derhalve ook in het Vissersvaartuigenbesluit moet worden opgenomen. Teneinde het opnemen van nieuwe begripsomschrijvingen in het Vissersvaartuigenbesluit te vermijden, in dit geval de in de richtlijn gebruikte term «werknemer», zijn hier de algemene begrippen «personeel» en «personen» gebruikt. Het is in elk geval de bedoeling dat ook andere personen dan de eigenlijke bemanning van het schip onder de werking van dit voorschrift vallen. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan personeel, werkzaam in de visverwerking aan boord. Het vereiste dat het schip in kwestie op een internationaal traject van meer dan drie dagen vaart, is letterlijk overgenomen uit de richtlijn. Overigens is voor de Nederlandse praktijk dit voorschrift niet relevant, omdat er geen Nederlandse vissersvaartuigen zijn met honderd of meer beroepsmatig aan boord werkzame personen. Voor het doel van dit artikel worden loodsen ook gerekend tot de in dit artikel bedoelde personen die aan boord een beroepsactiviteit uitoefenen.

P. Het nieuwe artikel 362a regelt de bekendmaking van ministeriële (Rijks)regelingen die krachtens het Vissersvaartuigenbesluit worden vastgesteld. Op deze ministeriële regelingen is de wetgeving met betrekking de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften in Nederland, in de Nederlandse Antillen en in Aruba niet van toepassing. Daarom is een afzonderlijk publicatievereiste opgenomen.

Artikel V

De richtlijn bepaalt dat de lid-staten uiterlijk op 31 december 1994 moeten voldoen aan de richtlijn. In verband met het opstellen of aanpassen van de in het algemeen gedeelte aangeduide nadere uitvoeringsvoorschriften en de afstemming van de datum van inwerkingtreding hiervan met de datum van inwerkingtreding van dit besluit, is er voor gekozen het besluit in werking te doen treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Teneinde te vermijden dat onderhavige regelgeving over meer sporen gaat uiteenlopen, wordt er vanuit gegaan dat aan Europese regelgeving aangepaste rijksregelgeving op enig moment ook zal gaan gelden voor de Nederlandse Antillen en Aruba, met dien verstande dat de inwerkingtreding voor elk der landen afzonderlijk zal worden bepaald. Hiervoor is gekozen teneinde voor Nederland rekening te houden met de veelal relatief korte termijnen die gelden voor de implementatie van Europese regelgeving. Voor de Nederlandse Antillen en Aruba biedt dit de mogelijkheid de consequenties van de implementatie van Europese regelgeving in rijksregelgeving op al hun merites te beoordelen en om de in deze landen geldende (advies)procedures voor de totstandkoming van wetgeving te doorlopen.

Transponeringstabellen

RichtlijnSchepenbesluit 1965 e.a.
Artikel 1geen implementatie nodig, m.u.v. de indeling in scheepscategorieën, die bij ministeriële regeling is geschied
Artikel 2, onderdeel 1artikel 93 en ministeriële regeling
Artikel 2, onderdeel 2, onder aBijlage XIA, artikel 38, onderdeel 5.1.8 Bijlage XIA, artikel 41, onderdeel 8.20 Bijlage XIA, artikel 47, onderdeel 2.2.9
Artikel 2, onderdeel 2, onder bartikel 93, eerste lid
Artikel 2, onderdeel 3artikel 122; Schepelingenbesluit, artikel 61
Artikel 2, onderdeel 4artikel 109a
Artikel 3, onderdeel 1artikel 93 en ministeriële regeling
Artikel 3, onderdeel 2Bekendmakingen aan de Scheepvaart
Artikel 3, onderdeel 3artikel 130h
Artikel 4, onderdeel 1, onder aartikel 93, eerste lid; artikel 166
Artikel 4, onderdeel 1, onder bartikel 93, tweede lid
Artikel 4, onderdeel 2artikel 93, tweede lid
Artikel 4, onderdeel 3Bijlage XVI, artikel 5, tweede lid
Artikel 5, onderdeel 1Bijlage XVI, artikel 6
Artikel 5, onderdeel 2Examenbesluit zeevaartdiploma's 1991
Artikel 5, onderdeel 3artikel 117a
Artikel 6Samenwerkingsovereenkomst tussen het Nederlandse Rode Kruis, de Staat der Nederlanden en PTT Telecom BV
Artikel 7, eerste lidartikel 6, derde lid
Artikel 7, tweede lidBijlage XIA, artikel 19, achtste lid
Artikel 8geen implementatie nodig
Artikel 9geen implementatie nodig
Bijlage Iartikel 93, eerste lid, en ministeriële regeling
Bijlage IIartikel 93, eerste lid, en ministeriële regeling (voor zeilschepen ministeriële regeling op grond van art. 172, derde lid)
Bijlage IIIartikel 130h, en ministeriële regeling
Bijlage IVartikel 93, eerste lid, en ministeriële regelingen
Bijlage Vartikel 117a
Richtlijn 92/29/EEGVissersvaartuigenbesluit e.a.
Artikel 1geen implementatie nodig, m.u.v. de indeling in scheepscategorieën, die bij ministeriële regeling is geschied
Artikel 2, onderdeel 1artikel 231, eerste lid, en ministeriële regeling
Artikel 2, onderdeel 2, onder aartikel 218, dertiende lid, onderdeel 8 artikel 221, tweeënveertigste lid, onderdeel 20 artikel 223, elfde lid, onderdeel 9
Artikel 2, onderdeel 2, onder bartikel 231, eerste lid
Artikel 2, onderdeel 3artikel 193; Schepelingenbesluit, artikel 61
Artikel 2, onderdeel 4artikel 287 a
Artikel 3, onderdeel 1artikel 231 en ministeriële regeling
Artikel 3, onderdeel 2niet van toepassing
Artikel 3, onderdeel 3artikel 317, derde lid
Artikel 4, onderdeel 1, onder aartikel 231; artikel 348
Artikel 4, onderdeel 1, onder bartikel 231, tweede lid
Artikel 4, onderdeel 2artikel 231, tweede lid
Artikel 4, onderdeel 3artikel 236, tweede lid
Artikel 5, onderdeel 1artikel 237
Artikel 5, onderdeel 2Examenreglement zeevisvaart
Artikel 5, onderdeel 3artikel 238
Artikel 6Samenwerkingsovereenkomst tussen het Nederlandse Rode Kruis, de Staat der Nederlanden en PTT Telecom BV
Artikel 7, eerste lidartikel 12, vierde lid, onderdeel 3
Artikel 7, tweede lidartikel 209, onderdeel 8.1
Artikel 8geen implementatie nodig
Artikel 9geen implementatie nodig
Bijlage Iartikel 231 en ministeriële regeling
Bijlage IIartikel 231 en ministeriële regeling
Bijlage IIIartikel 317, derde lid en ministeriële regeling
Bijlage IVartikel 231, eerste lid, en ministeriële regeling
Bijlage Vartikel 238

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink


XNoot
1

Stb. 1965, 367, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 1993, Stb. 689.

XNoot
2

Stb. 1989, 354, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 1 september 1995, Stb. 456.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 14 november 1995, nr. 221.

Naar boven