Besluit van 25 september 1995 tot verlenging van de werkingsduur van de onderdelen van de Wet Sociale Werkvoorziening betreffende budgetfinanciering, decentralisatie en deregulering

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 augustus 1995. Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/RAW/95/5233;

Gelet op artikel 1, tweede lid, van de Wet van 29 september 1994 (Stb. 730);

De Raad van State gehoord (advies van 29 augustus 1995, no. W12.95.0456);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 september 1995. Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/RAW/95/5233;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

De onderdelen F, G en V van artikel I van de wet van 28 september 1988, Stb. 440, gelden ook voor het jaar 1996, met dien verstande dat voor de bepaling van het bedrag van de vergoeding, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet Sociale Werkvoorziening, over dat jaar, artikel 41, tweede lid, van die wet toepassing vindt en dat voor dat jaar voor de toepassing van artikel 41, derde lid, van die wet, een percentage van 95 van de vergoeding over het jaar 1995 geldt.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 1995.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 25 september 1995

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Uitgegeven de negenentwintigste september 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Bij dit besluit wordt de experimentele periode van budgetfinanciering van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) verlengd tot en met het jaar 1996. De basis voor dit besluit ligt in artikel 1, tweede lid van de Wet van 29 september 1994, Stb. 730, houdende verlenging van de werkingsduur van enkele onderdelen van de wet van 28 september 1988, Stb. 440 (verlenging van het experiment budgetfinanciering, decentralisatie en deregulering van de Wet Sociale Werkvoorziening). Om het experimentele karakter van de bepalingen van de WSW over de taak van de gemeente en de wijze van financiering te benadrukken, was aan de bepalingen die hierop betrekking hadden, een beperkte werkingsduur gegeven.

In de wet van 1994 was reeds de mogelijkheid gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur dit ook voor 1996 te laten gelden.

De noodzaak destijds tot verlenging was het niet tijdig gereed zijn van een voorstel tot integratie in de herziening van de Wet Sociale Werkvoorziening. In deze herziening moeten de ervaringen in de experimentele periode met betrekking tot het financieel verdeelmodel, de decentralisatie en deregulering worden verwerkt. Om die ervaringen te kunnen waarderen hebben er in 1991 en 1993 evaluatie-onderzoeken plaatsgevonden. Alvorens het wetsvoorstel tot herziening aan de Tweede Kamer aan te bieden achtte de destijds voor de WSW verantwoordelijke staatssecretaris het wenselijk om op aandringen van het «veld» een kleine commissie de «toekomstbestendigheid» van het wetsvoorstel te laten beoordelen.

De conclusies en aanbevelingen van deze commissie, onder leiding van de heer mr. F. J. M. Houben, Commissaris der Koningin in de provincie Noord-Brabant, hebben ertoe geleid dat in 1994 van een aanbieding van het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer geen sprake kon zijn.

Een nieuw wetsvoorstel diende in de ogen van de commissie uit te gaan van een tweetal uitgangspunten.

Ten eerste zou de wetgever moeten werken aan één wettelijk regime voor degenen die door in de persoon gelegen factoren op grote afstand van de arbeidsmarkt staan.

Een tweede uitgangspunt betrof een heldere en eenduidige verdeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden, die door de commissie in het wetsvoorstel werd gemist.

Het gegeven dat met name de verantwoordelijkheid voor indicatie, plaatsing, deels financiering en de instandhouding van de bedrijfsmatige activiteit van de Sociale Werkvoorziening geheel bij de gemeentelijke overheid geconcentreerd bleef werd door de commissie onwenselijk geacht.

In het regeerakkoord van 13 augustus 1994 heeft het kabinet aangekondigd de financiering en uitvoering van instrumenten voor additionele arbeid inclusief de WSW te willen stroomlijnen. Daarbij zou uitdrukkelijk het rapport van de commissie-Houben worden betrokken. Nog deze zomer zal de Tweede Kamer een Nota ontvangen over de «Stroomlijning». Pas na de discussie hierover in de Tweede Kamer zal duidelijkheid bestaan over de gevolgen van deze discussie voor de herziening van de WSW. Het overleg over de WSW en de stroomlijning kan dan ook niet vóór 1996 leiden tot nieuwe wetgeving.

Omdat als gevolg van het bestuurakkoord met de VNG wettelijke maatregelen ingaande een nieuw kalenderjaar al vóór 1 oktober in het Staatsblad moeten zijn geplaatst, betekent dat in ieder geval ook in 1996 de sociale werkvoorziening nog moet worden uitgevoerd krachtens de experimenteer-wet uit 1988. De verlenging van de werkingsduur van enkele onderdelen van deze wet, waartoe dit besluit strekt, is dan ook noodzakelijk.

Opgemerkt dient te worden dat de verlenging uitsluitend noodzakelijk is om pragmatische redenen. Er zijn geen overwegingen van inhoudelijke aard als oorzaak voor verlenging. Het experiment is materieel afgerond. De verlenging betreft hoofdzakelijk de in de experimentele periode beproefde bekostiging van de sociale werkvoorziening door middel van budgetfinanciering. Niet verlengen zou betekenen dat per 1 januari 1996 de tot 1988 geldende open-eindestructuur van de bekostiging zou herleven.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, vijfde lid jo. vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

Naar boven