Besluit van 18 juli 1995, houdende regels met betrekking tot bijdragen aan maatschappelijke organisaties op het terrein van het milieubeheer (Besluit bijdragen maatschappelijke organisaties en milieu)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 juli 1994, nr. MJZ26794025, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op artikel 15.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 10 januari 1995, nr. W08.94 0478);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 juli 1995, nr. MJZ 04795039, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. instelling: rechtspersoon zonder winstoogmerk die zijn domicilie in Nederland heeft;

b. exploitatie: instandhouding van een instelling;

c. exploitatiebijdrage: bedrag voor de uitvoering van een werkplan;

d. project: activiteiten die naar hun aard een eenmalig karakter hebben;

e. projectbijdrage: bijdrage in de kosten van een project;

d. aanvrager: instelling die een bijdrage op grond van dit besluit aanvraagt of heeft aangevraagd.

Artikel 2

Onze Minister kan in het belang van het bevorderen van de bewustwording voor milieuvraagstukken en de vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor een duurzame ontwikkeling, alsmede voor de behartiging van milieubelangen, exploitatiebijdragen en projectbijdragen verlenen.

Artikel 3

  • 1. Voor een exploitatiebijdrage komen uitsluitend in aanmerking instellingen die een bovenprovinciaal, nationaal of internationaal werkterrein hebben en zich primair inzetten voor het algemene of een specifiek milieubelang.

  • 2. Voor een projectbijdrage komen uitsluitend in aanmerking projecten die een bovenprovinciaal, nationaal of internationaal karakter hebben en een bijdrage leveren aan het algemene of een specifiek milieubelang.

Artikel 4

Bijdragen worden slechts verleend voor zover de wetgever de nodige gelden beschikbaar stelt.

Artikel 5

  • 1. Onze Minister maakt jaarlijks voor 1 maart in de Staatscourant bekend:

    a. het bedrag dat voor dat kalenderjaar beschikbaar is voor bijdragen op grond van dit besluit;

    b. de uitsplitsing over exploitatie- en projectbijdragen van het totale bedrag in bedragen die in dat jaar beschikbaar zijn voor verlening van bijdragen op grond van dit besluit;

    c. indien nodig, een verdere uitsplitsing binnen de categorieën van bijdragen, bedoeld onder b.

  • 2. Onze Minister kan gedurende een kalenderjaar in de Staatscourant bekendmaken dat voor dat jaar een aanvullend bedrag ter beschikking wordt gesteld voor de uitvoering van dit besluit. Het eerste lid, onder b en c, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Onze Minister kan jaarlijks, voor 1 november, mits blijvend binnen het totale bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder a, de in dat lid onder b, bedoelde, dan wel de overeenkomstig het tweede lid aangevulde, respectievelijk de overeenkomstig het vijfde lid verlaagde bedragen wijzigen in verband met uitputting of onderbesteding van één of meer van die bedragen. Hij maakt de gewijzigde bedragen tevoren in de Staatscourant bekend.

  • 4. Indien het totale bedrag, dat voor enig kalenderjaar overeenkomstig de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar is gesteld voor de bijdragen op grond van dit besluit, in dat jaar is uitgeput, maakt Onze Minister onverwijld in de Staatscourant bekend dat voor het betreffende kalenderjaar geen aanvragen meer kunnen worden ingediend.

  • 5. Onze Minister kan in bijzondere gevallen gedurende een kalenderjaar in de Staatscourant bekendmaken dat het voor dat jaar beschikbaar gestelde bedrag wordt verlaagd. Het eerste lid, onder b en c, is van overeenkomstige toepassing. Deze bekendmaking heeft geen gevolgen voor aanvragen die op het tijdstip van de bekendmaking waren ingediend.

  • 6. Onze Minister weigert de bijdrage, voor zover het bedrag dat in het betreffende kalenderjaar voor de verlening van de bijdragen beschikbaar is door het totaal van de reeds verleende bijdragen is overschreden dan wel door de verlening van de gevraagde bijdrage zou worden overschreden.

  • 7. Indien het budget, dat op grond van dit artikel beschikbaar is gesteld, niet toereikend is om alle aanvragen die in aanmerking komen voor een bijdrage op grond van dit besluit te voldoen, wordt voorrang gegeven aan die aanvragen, die, gelet op de doelstellingen van dit besluit, naar het oordeel van Onze Minister het grootste belang dienen of het meeste effekt hebben.

HOOFDSTUK 2. EXPLOITATIEBIJDRAGEN

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 6

  • 1. De exploitatiebijdrage wordt verleend voor een kalenderjaar, in de vorm van een bedrag voor de uitvoering van een werkplan dat voldoet aan artikel 8.

  • 2. De exploitatiebijdrage bedraagt:

    a. maximaal 80% van de geraamde kosten voor de uitvoering van het werkplan, indien de kosten betrekking hebben op:

    1°. de instandhouding van een secretariaat of coördinatiepunt dat het werk van een groep van vrijwilligers ondersteunt, of

    2°. een landelijk samenwerkingsverband van tenminste 10 instellingen.

    b. maximaal 50% van de geraamde kosten voor de uitvoering van het werkplan, indien de kosten betrekking hebben op andere gevallen dan bedoeld onder a.

  • 3. De hoogte van de exploitatiebijdrage wordt, met inachtneming van het tweede lid, bepaald op grond van:

    a. het werkplan;

    b. de vermogenspositie van de instelling;

    c. de realisatie van het werkplan in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 4. Het derde lid, onder c, blijft buiten toepassing ten aanzien van een instelling als bedoeld in artikel 7, vierde lid.

Paragraaf 2. De aanvraag

Artikel 7

  • 1. De aanvraag wordt ingediend voor 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    a. het werkplan;

    b. de begroting, bedoeld in artikel 9;

    c. de jaarrekening, bedoeld in artikel 10, over het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

    d. een schriftelijk verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteiten zoals deze zijn omschreven in het werkplan, over het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

    e. een uittreksel van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, in de gevallen dat een dergelijke inschrijving heeft plaatsgevonden;

    f. de statuten van de instelling.

  • 3. Indien de instelling waarop de aanvraag betrekking heeft, in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, reeds een exploitatiebijdrage op grond van dit besluit ontving, is het tweede lid, onder d, e en f niet van toepassing.

  • 4. Indien de instelling waarop de aanvraag betrekking heeft, in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend nog niet was opgericht, is het tweede lid, onder c en d, niet van toepassing.

  • 5. Aan de aanvrager wordt onverwijld een bericht van ontvangst toegezonden, waarin de datum van ontvangst van de aanvraag wordt vermeld.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en met betrekking tot de stukken, bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c en d.

Artikel 8

Het werkplan:

a. geeft een duidelijk inzicht in de activiteiten van de instelling voor het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

b. geeft duidelijk aan welke doelstellingen worden nagestreefd;

c. bevat een meerjarenperspectief voor ten minste de twee jaren volgend op het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 9

  • 1. De begroting bestaat uit:

    a. een gespecificeerde begroting van baten en lasten van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

    b. een gespecificeerde begroting van baten en lasten van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Indien een instelling wordt opgericht in het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, is het eerste lid, onder a, niet van toepassing.

  • 3. In de toelichting op de begroting, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden alle begrotingsposten toegelicht, die meer dan 5% afwijken ten opzichte van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 4. De begroting is, met inbegrip van de gevraagde bijdrage, sluitend.

Artikel 10

  • 1. De jaarrekening bevat:

    a. een overzicht van de baten en lasten volgens de begroting;

    b. een staat van gerealiseerde baten en lasten, volgens de indeling van de begroting en een toelichting daarop;

    c. een balans en een toelichting daarop.

  • 2. De jaarrekening wordt zodanig ingericht, dat inzicht wordt gegeven in de grootte en de samenstelling van het vermogen en van de baten en lasten van de instelling.

  • 3. In de toelichting op de staat van gerealiseerde baten en lasten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de individuele posten toegelicht, die meer dan 10% afwijken ten opzichte van de begroting.

  • 4. In de toelichting op de staat van baten en lasten en de balans, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, worden de waarderingsgrondslagen vermeld.

  • 5. De jaarrekening is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 6. De jaarrekening wordt ondertekend door het bestuur van de instelling.

  • 7. Indien de verklaring, bedoeld in het vijfde lid, geen goedkeurende strekking heeft, verschaft de instelling hieromtrent een nadere toelichting.

Paragraaf 3. Verlening van de exploitatiebijdrage

Artikel 11

  • 1. Onze Minister betrekt bij de beslissing op de aanvraag:

    a. de wenselijkheid van het in stand houden van de bestaande instelling in het belang van het behoud en gebruik van opgebouwde ervaring en kennis;

    b. de meerwaarde van de instelling of een wezenlijk onderdeel van het activiteitenpakket van de instelling ten opzichte van instellingen die reeds een exploitatiebijdrage hebben ontvangen;

    c. het vertrouwen in het functioneren van de instelling en

    d. de omvang van het eigen vermogen en de voorzieningen van de instelling, met dien verstande dat de aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd indien het eigen vermogen en de voorzieningen meer bedragen dan 25% van de exploitatielasten die blijken uit de gespecificeerde begroting bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a.

  • 2. Onze Minister kan bij de berekening van het percentage, bedoeld in het eerste lid, onder d, daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende voorzieningen buiten beschouwing laten.

Artikel 12

  • 1. Onze Minister geeft de beschikking op de aanvraag om een bijdrage zo spoedig mogelijk na de indiening van de aanvraag, doch in ieder geval voor 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde tijdstip wordt opgeschort gedurende de periode dat de beslissing op de aanvraag moet worden aangehouden op grond van artikel 15.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Artikel 13

  • 1. De beschikking, bedoeld in artikel 12, vermeldt in ieder geval het bedrag van de bijdrage.

  • 2. Aan de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 14

  • 1. Indien een instelling ten minste twee achtereenvolgende jaren voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, reeds een exploitatiebijdrage heeft ontvangen, kan de bijdrage uitsluitend op een lager bedrag dan de laatst verleende bijdrage worden gesteld, indien de aanvrager voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, hiervan bericht heeft ontvangen.

  • 2. De datum van 1 oktober, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag waarop overeenkomstig artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de aanvrager de gelegenheid is gegeven de aanvraag aan te vullen, tot twee weken na de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

  • 3. De datum van 1 oktober, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort gedurende de periode dat de beslissing op de aanvraag wordt aangehouden op grond van artikel 15.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Paragraaf 4. Voorschriften

Artikel 15

De instelling vraagt, indien de exploitatiebijdrage reeds is verleend, vooraf toestemming aan Onze Minister voor:

a. een wijziging in de begroting;

b. afwijkingen van het werkplan bij de uitvoering van de activiteiten;

c. wijziging van de statuten.

Paragraaf 5. Vaststelling en betaling van de exploitatiebijdrage

Artikel 16

  • 1. Voor 1 mei van het jaar, volgend op het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, dient de instelling een schriftelijk verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteiten zoals deze zijn omschreven in het werkplan, in bij Onze Minister.

  • 2. In het verslag, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven in welke mate de doelstellingen uit het werkplan zijn gerealiseerd.

  • 3. Onze Minister kan nadere gegevens verlangen met betrekking tot het verslag, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verslag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 17

  • 1. Uiterlijk 1 november van het jaar, volgend op het jaar waarvoor een bijdrage is verleend, stelt Onze Minister de exploitatiebijdrage vast.

  • 2. De beschikking houdende vaststelling van de exploitatiebijdrage, bedoeld in het eerste lid, vermeldt het bedrag van de bijdrage.

  • 3. De bijdrage wordt betaald overeenkomstig de beschikking houdende vaststelling van de bijdrage, onder verrekening van betaalde voorschotten.

Paragraaf 6. Voorschotten

Artikel 18

  • 1. Onze Minister verstrekt bij de verlening van een exploitatiebijdrage een of meer voorschotten, met dien verstande dat het totale bedrag van de verstrekte voorschotten niet meer kan bedragen dan 90% van de bijdrage.

  • 2. Indien in de beschikking niet anders wordt bepaald, worden het eerste en het tweede voorschot, elk ter grootte van 45% van de bijdrage, in januari respectievelijk juli van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, verstrekt.

HOOFDSTUK 3. PROJECTBIJDRAGEN

Paragraaf 7. Algemeen

Artikel 19

  • 1. Voor een projectbijdrage komen uitsluitend in aanmerking kosten die verband houden met de uitvoering van een project met een looptijd van ten hoogste vijf jaar.

  • 2. Onze Minister kan voor ten hoogste drie jaar een programma vaststellen, waarin hij een nadere uitwerking geeft aan het doel en de inhoud van de projecten, waarvoor aanvragen kunnen worden ingediend. Het programma wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

Paragraaf 8. De aanvraag

Artikel 20

  • 1. De aanvraag wordt ingediend voor 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het project, blijkens de tijdplanning, bedoeld in het derde lid, onder c, begint.

  • 2. De instelling geeft daarbij aan of een bijdrage in de totale projectkosten wordt verzocht dan wel voor bepaalde onderdelen van het project.

  • 3. De aanvraag gaat vergezeld van:

    a. de begroting, bedoeld in artikel 21;

    b. het werkplan, bedoeld in artikel 22;

    c. een tijdplanning, die in ieder geval een begin- en een einddatum bevat.

  • 4. Aan de aanvrager wordt onverwijld een bericht van ontvangst toegezonden, waarin de datum van ontvangst van de aanvraag wordt vermeld.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en met betrekking tot de stukken, bedoeld in het derde lid, onder a, b en c.

Artikel 21

  • 1. De begroting is, met inbegrip van de gevraagde bijdrage, sluitend.

  • 2. De begroting bevat een gespecificeerd overzicht van de diverse kostenposten en inkomstenbronnen.

  • 3. De begroting geeft voor iedere halfjaarlijkse kalenderperiode gedurende de looptijd van het project de verwachte liquiditeitsbehoefte aan.

  • 4. Indien een project niet begint op 1 januari of 1 juli, geeft de begroting tevens de verwachte liquiditeitsbehoefte aan voor de periode tussen het begin van het project en het begin van de eerstvolgende kalenderperiode, bedoeld in het derde lid.

Artikel 22

Het werkplan geeft een duidelijk inzicht in:

a. de activiteiten die door de instelling zullen worden verricht voor de uitvoering van het project waarop de aanvraag betrekking heeft;

b. de doelstellingen welke met het project worden nagestreefd;

c. de kosten van de activiteiten, bedoeld onder a.

Paragraaf 9. Verlening van de projectbijdrage

Artikel 23

  • 1. Onze Minister betrekt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval of:

    a. het project een afgebakende doelgroep heeft;

    b. voorzien is in een betrokkenheid van de doelgroep;

    c. het project uitzicht biedt aan de doelgroep om door middel van eigen handelingen een bijdrage te leveren aan een duurzame ontwikkeling.

  • 2. Indien een programma als bedoeld in artikel 19, tweede lid, is vastgesteld toetst Onze Minister bij zijn beslissing op de aanvraag of de aanvraag voldoet aan hetgeen in het programma is bepaald.

Artikel 24

  • 1. Onze Minister geeft de beschikking op de aanvraag zo spoedig mogelijk na de indiening van de aanvraag, doch in ieder geval voor 1 januari van het jaar waarin het project, blijkens de tijdplanning, bedoeld in artikel 20, derde lid, onder c, begint.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde tijdstip wordt opgeschort gedurende de periode dat de beslissing op de aanvraag wordt aangehouden op grond van artikel 15.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Artikel 25

  • 1. De beschikking, bedoeld in artikel 24, vermeldt in ieder geval:

    a. het maximale bedrag van de bijdrage;

    b. de periode waarbinnen het project moet worden afgerond.

  • 2. Aan de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 10. Voorschriften

Artikel 26

  • 1. Artikel 15, onder a en b, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien een project een langere looptijd heeft dan een jaar, stuurt de instelling jaarlijks, uiterlijk voor 1 januari van het eerstvolgende jaar, doch niet voor 1 december van het lopende jaar, aan Onze Minister:

    a. een overzicht van de kosten welke vanaf het begin van het project zijn gemaakt;

    b. de liquiditeitsbehoefte voor de eerstvolgende twee halfjaarlijkse kalenderperiodes;

    c. een verslag over de voortgang van de werkzaamheden en activiteiten, bedoeld in artikel 22, onder a.

Paragraaf 11. Vaststelling en betaling van de projectbijdrage

Artikel 27

  • 1. Binnen vier maanden na afloop van een project dient de instelling de afrekening in bij Onze Minister.

  • 2. De afrekening bevat:

    a. de baten en lasten volgens de begroting;

    b. de staat van werkelijke baten en lasten;

    c. een toelichting op de staat van werkelijke baten en lasten, bedoeld onder b, waarin in ieder geval die posten worden toegelicht, die meer dan 10% afwijken ten opzichte van de begroting.

  • 3. De afrekening is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien de projectbijdrage hoger is dan f 25 000,–.

  • 4. Indien de verklaring, bedoeld in het derde lid, geen goedkeurende strekking heeft, verschaft de instelling hieromtrent een nadere toelichting.

  • 5. De accountant, bedoeld in het derde lid, rapporteert tevens omtrent de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.

  • 6. Onze Minister kan nadere gegevens verlangen met betrekking tot de afrekening, bedoeld in het eerste lid.

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de afrekening, bedoeld in het eerste lid.

  • 8. Onze Minister kan een accountantsprotocol voorschrijven voor de verklaring, bedoeld in het derde lid en voor de rapportage, bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 28

  • 1. Gelijktijdig met de afrekening dient de instelling een verslag in omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteiten, genoemd in het werkplan, bedoeld in artikel 22.

  • 2. Artikel 16, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 29

  • 1. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de stukken, bedoeld in de artikelen 27 en 28, doch uiterlijk binnen vijf maanden daarna, stelt Onze Minister de projectbijdrage vast.

  • 2. De vaststelling geschiedt op basis van het werkelijk tekort en kan niet hoger zijn dan dat tekort.

  • 3. De beschikking houdende vaststelling van de projectbijdrage, bedoeld in het eerste lid, vermeldt het bedrag van de bijdrage.

  • 4. De bijdrage wordt betaald overeenkomstig de beschikking houdende vaststelling van de bijdrage, onder verrekening van betaalde voorschotten.

Paragraaf 12. Voorschotten

Artikel 30

  • 1. Onze Minister verstrekt bij de verlening van een projectbijdrage telkens in de eerste maand van de periodes, bedoeld in artikel 21, derde en vierde lid, een voorschot van maximaal 80% van de liquiditeitsbehoefte.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van de liquiditeitsbehoefte, die is aangegeven in de begroting, bedoeld in artikel 21.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt voor projecten als bedoeld in artikel 26, tweede lid, met betrekking tot de halfjaarlijkse kalenderperiodes na het jaar waarin het project is gestart, uitgegaan van de liquiditeitsbehoefte die is aangegeven krachtens het tweede lid, onder b, van dat artikel.

HOOFDSTUK 4. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 31

Onze Minister kan in bijzondere, daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende gevallen, afwijken, dan wel op verzoek van de aanvrager afwijking toestaan van de termijnen, genoemd in de artikelen 12, 17, 24, 26 en 29, onderscheidenlijk 7, 16, 20 en 27.

HOOFDSTUK 5. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 32

  • 1. In afwijking van de artikelen 7 en 20 worden aanvragen voor het jaar 1995 ingediend binnen twee maanden na de inwerkingtreding van dit besluit.

  • 2. Aanvragen als bedoeld in het eerste lid die voor de in het eerste lid bedoelde periode worden ingediend, worden aangehouden tot het begin van die periode.

Artikel 33

De Regeling bijdragen maatschappelijke organisaties en milieu wordt ingetrokken.

Artikel 34

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 35

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijdragen maatschappelijke organisaties en milieu.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 18 juli 1995

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer a.i.,

J. J. C. Voorhoeve

Uitgegeven de negentiende september 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

§ 1. Inleiding

Op 1 juli 1992 is een gewijzigd Hoofdstuk financiële bepalingen van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Stb. 254) in werking getreden. Hiermee is een wettelijke grondslag geschapen voor de verlening van bijdragen op het gebied van het milieubeheer ten laste van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het eerdergenoemde hoofdstuk is – voor zover hier van belang – zonder wijzigingen in de Wet milieubeheer (Stb. 1992, 51), die op 1 maart 1993 in werking is getreden, overgenomen. Wel zijn de artikelen uit de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne vernummerd. De betreffende bepalingen zijn in de Wet milieubeheer ondergebracht in Titel 15.3 Voorschriften omtrent het verlenen van bijdragen, in de artikelen 15.12 tot en met 15.19.

Artikel 15.15 van de Wet milieubeheer bepaalt dat in beginsel slechts bijdragen worden verleend aan niet-overheden op basis van een algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 15.12. Het onderhavige besluit is gebaseerd op laatstgenoemd artikel.

§ 2. Het wettelijk kader (de systematiek van het Hoofdstuk financiële bepalingen in de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht)

Het onderhavige besluit dient te worden gelezen in samenhang met de wettelijke bepalingen waarop het is gebaseerd. Eén van de gevolgen van de totstandkoming van de speciale Titel over de bijdrageverlening in het gewijzigde Hoofdstuk financiële bepalingen in de Wet milieubeheer is namelijk dat niet langer alle bepalingen die van toepassing zijn op de bijdrageverlening in de algemene maatregel van bestuur zelf zijn opgenomen.

De wet bevat in de eerste plaats een aantal delegatiebepalingen die aanduiden welke onderwerpen in ieder geval bij algemene maatregel van bestuur dienen te worden geregeld. Deze onderwerpen zijn uitgewerkt in het onderhavige besluit.

Daarnaast geeft de Wet milieubeheer echter ook zelf een aantal voorschriften die gelden voor iedere bijdrageverlening die onder de reikwijdte van de wet valt. Deze bepalingen zijn in dit besluit niet opgenomen omdat dit een doublure met de wet zou opleveren.

Genoemd kunnen worden de volgende bepalingen.

Artikel 15.17, eerste lid, verleent toezichthoudende ambtenaren de bevoegdheid zich toegang te verschaffen tot plaatsen, die door de belanghebbende worden gebruikt, en inzage te verkrijgen in boeken en andere zakelijke bescheiden. De belanghebbende is op grond van het tweede lid van dat artikel verplicht hieraan medewerking te verlenen.

Artikel 15.18 regelt het geval waarin een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de belanghebbende bij de rechtbank is ingediend, voordat een beslissing op de aanvraag om een bijdrage is genomen.

Tenslotte geeft artikel 15.19, eerste lid, een opsomming van de gevallen waarin een beslissing op de aanvraag om een bijdrage kan worden ingetrokken. Dit is onder meer het geval indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen, gelet op artikel 93 van het EEG-Verdrag, een bijdrageregeling heeft aangemerkt als een steunmaatregel die niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of waarvan misbruik wordt gemaakt.

Voorts is nog van belang de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht. Bij Wet van 4 juni 1992 (Stb. 315) is de eerste tranche van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen. Deze wet is in werking getreden op 1 januari 1994 en gepubliceerd in Staatsblad nr. 1. Hierin is onder meer een titel betreffende beschikkingen opgenomen die algemene regels geeft voor de aanvraag tot en met de beslissing op de aanvraag. Sinds de inwerkingtreding van die wet gelden de betreffende bepalingen rechtstreeks op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Die bepalingen behoeven derhalve niet in dit besluit te worden opgenomen. Dit geldt ook voor de tweede tranche van de Algemene wet bestuursrecht, waarin onder meer bepalingen inzake bezwaar en beroep zijn opgenomen. Ook deze wet is op 1 januari 1994 in werking getreden (Stb. 650). In § 5 van deze toelichting zal op deze bepalingen nader worden ingegaan.

Het wetsvoorstel derde tranche Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1993–94, 23 700) voorziet in een aparte titel over subsidies. Op een aantal plaatsen is in het onderhavige besluit bij dit wetsvoorstel aangesloten.

§ 3. De opzet van dit besluit

Het besluit vormt de basis voor het verlenen van bijdragen ter bevordering van een duurzame samenleving in de vorm van exploitatiebijdragen voor de instandhouding van Nederlandse instellingen zonder winstoogmerk die zich primair inzetten voor het algemeen of specifieke milieubelang en het vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor het milieubeleid en in de vorm van projectbijdragen voor de uitvoering van tijdelijke activiteiten door instellingen zonder winstoogmerk. Door dit besluit wordt voor alle belanghebbenden de duidelijkheid ten aanzien van procedures, bijdragen, wijze van uitvoering en beheer vergroot. Met dit besluit wordt de bestaande ministeriële regeling, de Regeling bijdragen maatschappelijke organisaties en milieu (Stcrt. 1994, 145), vervangen.

De tekst van dit besluit komt overeen met die van de ministeriële regeling. Bedoelde ministeriële regeling was spoedshalve in het leven geroepen en gebaseerd op artikel 15.12, tweede lid, onder b. van de Wet milieubeheer. Een dergelijke regeling vervalt echter drie jaar na haar inwerkingtreding.

§ 4. Budgetten

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer publiceert in de Staatscourant, zo mogelijk aan het begin van het kalenderjaar, het totale voor de uitvoering van dit besluit in dat jaar beschikbare bedrag en de budgetten die voor de uitvoering van dit besluit beschikbaar zijn (artikel 5, eerste lid).

Doel hiervan is de (potentieel) geïnteresseerden in de bijdrageverlening hiervan op de hoogte te stellen. Gedurende het jaar kunnen zich evenwel nieuwe situaties voordoen, die ertoe nopen de eerdere bekendmakingen bij te stellen. In artikel 5 wordt hiervoor een aantal spelregels gegeven, dat hieronder wordt samengevat.

Gedurende het jaar kan, na publikatie, het budget worden verhoogd (tweede lid).

In bijzondere gevallen kan, mits dit geen invloed heeft op ingediende aanvragen, het budget worden verlaagd (vijfde lid). In dat geval kunnen reeds ingediende aanvragen niet om die reden worden afgewezen.

Indien voor de afloop van het jaar duidelijk wordt dat het budget voor een categorie van bijdragen te ruim is, terwijl ook reeds duidelijk is dat het budget dat beschikbaar was gesteld voor een andere categorie ontoereikend is, kan de minister besluiten tot overheveling van een gedeelte van dit budget van de ene naar de andere categorie (derde lid). Hij maakt deze overheveling, inclusief de grootte daarvan, bekend in de Staatscourant. Een beslissing daartoe kan het gehele jaar worden genomen, maar moet altijd worden genomen voor 1 november van het betreffende jaar.

Indien het beschikbare budget gedurende het jaar uitgeput is, doet de minister daarvan mededeling in de Staatscourant en vermeldt daarbij dat geen aanvragen meer op grond van dat programma kunnen worden ingediend (vierde lid). Dit is voorgeschreven om te voorkomen dat aanvragen worden ingediend waarvan bij voorbaat al vaststaat dat ze niet kunnen worden gehonoreerd. De reeds ingediende aanvragen, welke zouden leiden tot budgetoverschrijding, moeten op grond van het zesde lid worden geweigerd.

§ 5. Procedure

In verschillende artikelen van dit besluit zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot aanvragen op grond van het besluit en met betrekking tot de beslissing daarop. Deze voorschriften zijn deels verschillend naar gelang het gaat om exploitatie- dan wel projectbijdragen.

Zoals hierboven al werd aangestipt, moeten deze bepalingen ook in samenhang worden gelezen met de Algemene wet bestuursrecht.

Het gaat hierbij met name om Titel 4.1 Beschikkingen van die wet.

Deze titel bevat een regeling over onder meer het indienen van de aanvraag, de gevolgen van een onvolledige aanvraag en de mogelijkheid die in dat geval aan de aanvrager moet worden gegeven om de aanvraag aan te vullen. Deze bepalingen gelden algemeen en dus ook voor beschikkingen op grond van het onderhavige besluit. In verband daarmee behoeven uitsluitend bepalingen te worden opgenomen ter aanvulling van de genoemde regeling in de Algemene wet bestuursrecht.

Hieronder volgt een korte beschrijving van de procedure.

Aanvragen op grond van dit besluit dienen te worden ingediend bij het Directoraat-Generaal Milieubeheer, directie Bestuurszaken, afdeling Maatschappelijke en beleidsintegratie, interne postcode 660, Rijnstraat 8, postbus 30945, 2500 GX Den Haag.

In de paragrafen 2 (exploitatiebijdragen) en 8 (projectbijdragen) worden regels gegeven met betrekking tot de inhoud van de aanvraag en de stukken die daarbij moeten worden overgelegd.

Indien de aanvraag niet volledig is, dient de aanvrager op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht altijd de gelegenheid te krijgen, de aanvraag aan te vullen. Hem moet hiertoe een termijn worden gesteld. Is na het verstrijken van die termijn de aanvraag nog niet of niet voldoende aangevuld, dan kan besloten worden de aanvraag niet te behandelen, op grond van eerdergenoemd artikel 4:5, eerste lid.

De beslistermijn is geregeld in de artikelen 12 (exploitatiebijdragen) en 24 (projectbijdragen).

Deze termijnen worden ingevolge artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht opgeschort gedurende de termijn dat de aanvraag nog moet worden aangevuld.

Op grond van artikel 15.18 van de Wet milieubeheer moet de aanvraag voorts worden aangehouden wanneer een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend, totdat op dat verzoek is beslist, dan wel, indien surséance van betaling wordt verleend, totdat een maand na beëindiging van de surséance is verstreken.

De beslistermijn wordt op grond van het tweede lid van de artikelen 12 en 14, gedurende die tijd opgeschort.

Een aanvraag moet worden geweigerd wanneer honorering ervan zou leiden tot overschrijding van het beschikbaar gestelde budget (artikel 5, zesde lid).

Indien het budget niet toereikend is om alle aanvragen die in aanmerking zouden komen voor een bijdrage te honoreren wordt voorrang gegeven aan de bijdragen die het meest geschikt zijn om de doelstellingen van het besluit te realiseren.

De voorschriften die aan de beschikking tot verlening van de bijdrage zijn verbonden zijn geregeld in de paragrafen 4 (exploitatiebijdragen) en 10 (projectbijdragen) van het besluit.

Volledigheidshalve zij nog gewezen op artikel 15.17 van de Wet milieubeheer, waarin is vastgelegd dat de aanvrager moet medewerken aan onder meer inzage van boeken. Ook dit zijn voorschriften waaraan de aanvrager moet voldoen.

De sanctie op het niet naleven van de voorschriften kan zijn dat de beschikking tot verlening wordt ingetrokken. Dit is bepaald in artikel 15.19, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer. Ook het niet voldoen aan het hiervoor genoemde artikel 15.17 van de Wet milieubeheer kan aanleiding zijn om de beschikking in te trekken, op grond van artikel 15.19, eerste lid, onder c.

De vaststelling van de bijdrage is geregeld in de paragrafen 5 (exploitatiebijdragen) en 11 (projectbijdragen) van het besluit.

De beschikking tot vaststelling van de bijdrage moet worden onderscheiden van de beschikking tot verlening van de bijdrage, die daaraan vooraf gaat. Dit betekent echter niet dat die eerdere beschikking tot verlening gezien moet worden als een toezegging, terwijl de werkelijke aanspraak pas bij de vaststelling ontstaat. De aanspraken op de bijdrage ontstaan reeds op grond van de beschikking tot verlening van de bijdrage. Uitsluitend indien niet aan de voorschriften uit de beschikking tot verlening van de bijdrage, of aan de voorschriften van dit besluit of van de wet, wordt voldaan, kan de vaststellingsbeschikking afwijken van de verleningsbeschikking.

De bezwaar- en beroepsmogelijkheid is geregeld in de Wet milieubeheer en in de Algemene wet bestuursrecht.

Op grond van artikel 20.3 van de Wet milieubeheer kan tegen een beschikking op grond van dit besluit beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op de behandeling van dit beroep is, op grond van artikel 36 van de Wet op de Raad van State, in hoofdzaak de in hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Voorafgaand aan het beroep dient evenwel steeds eerst een bezwaarschrift te worden ingediend bij het orgaan dat de beschikking heeft gegeven, in casu de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Dit volgt uit artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. De procedure voor de indiening en afhandeling van dit bezwaarschrift is geregeld in de afdelingen 7.1 en 7.2 van die wet.

De termijn voor het indienen van zowel een bezwaar- als een beroepsschrift is, op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, zes weken.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1

Het besluit biedt uitsluitend aan rechtspersonen de mogelijkheid van een bijdrage. Wel vallen hieronder zowel de rechtspersonen met volledige, als die met een beperkte rechtsbevoegdheid.

Artikel 2

In dit artikel wordt de doelstelling van het besluit aangegeven. Deze doelstelling vormt het algemene kader voor de beoordeling van aanvragen op grond van dit besluit. Daarnaast bevatten de artikelen 11 en 23 nog op de exploitatie- en projectbijdragen toegespitste criteria voor de beoordeling van de aanvragen.

Met het begrip «duurzame ontwikkeling» wordt bedoeld een ontwikkeling die voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien, en het bereiken van een zo hoog mogelijk niveau van bescherming van het milieu als redelijkerwijze te bereiken is. Deze uitleg sluit aan bij artikel 4.3 van de Wet milieubeheer.

Artikel 3

In dit artikel wordt aangegeven dat exploitatiebijdragen zijn bedoeld voor de instandhouding van instellingen, terwijl projectbijdragen zijn bedoeld voor de realisatie van activiteiten.

Artikel 5

Voor een toelichting op dit artikel wordt kortheidshalve verwezen naar het algemeen deel van deze nota, § 4.

Artikel 6

In het tweede lid wordt geregeld dat de exploitatiebijdrage nooit meer dan 80% van de geraamde kosten kan bedragen voor instellingen met een coördinerend karakter dan wel 50% voor alle andere instellingen.

Daarmee wordt beoogd de instellingen te prikkelen eigen inkomsten te genereren, de afhankelijkheid van subsidiestromen te beperken en de samenwerking tussen instellingen te bevorderen.

In het derde lid, onder b, wordt aangegeven dat de vermogenspositie van de instelling mede in acht wordt genomen bij de bepaling van de hoogte van de exploitatiebijdrage.

Artikel 7

Op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de aanvraag in ieder geval de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de aanvraag. Daarnaast dienen de stukken die in het tweede lid van het onderhavige artikel staan vermeld, te worden ingediend. Verenigingen zonder volledige rechtsbevoegdheid zijn op grond van artikel 30, derde lid, het Burgerlijk Wetboek wel bevoegd maar niet verplicht tot inschrijving in de registers van de Kamers van Koophandel. Dergelijke verenigingen zijn op grond van het Burgerlijk Wetboek niet verplicht hun statuten op schrift te stellen. Op grond van het onderhavige besluit dienen zij dit wel te doen, teneinde te voldoen aan het tweede lid, onder f.

Het derde lid heeft betrekking op de situatie dat een instelling al een bijdrage ontving, als gevolg waarvan de minister reeds over een aantal stukken beschikt; deze behoeven dan niet opnieuw te worden ingeleverd. Het vierde lid heeft betrekking op de situatie dat een instelling zelf nog niet over bepaalde stukken kan beschikken, omdat zij daarvoor nog niet lang genoeg bestaat.

Op grond van het zesde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag en de bijbehorende stukken; deze bevoegdheid houdt onder meer in dat voor de aanvraag een formulier (met bijbehorende schema's) kan worden vastgesteld, waarvan het gebruik verplicht kan worden gesteld. Hiertoe behoren ook de berekeningsmethoden voor de personele en materiële kosten zoals gemiddelde personeelslasten en overheadpercentages.

Artikel 8

De elementen van het werkplan die in dit artikel worden genoemd dienen zo concreet mogelijk te worden aangegeven.

Artikel 10

Op grond van het vijfde lid is de jaarrekening voorzien van een verklaring van een accountant. In dat verband zijn verschillende situaties denkbaar. In de eerste plaats het normale geval, dat de verklaring goedkeurend is. In dat geval zijn de stukken op dat punt compleet. Wanneer er geen verklaring met een goedkeurende strekking kan worden gegeven, kan nog worden onderscheiden tussen de situatie dat de verklaring een afkeurende strekking heeft en de situatie dat de accountant geen goedkeurende verklaring kan afgeven omdat hij niet in staat is de stukken te beoordelen. Op grond van het zevende lid moet in beide laatstgenoemde situaties de instelling een nadere toelichting geven.

Artikel 11

De in het eerste lid van dit artikel genoemde elementen betreffen de criteria die worden gehanteerd bij de begroting om exploitatiebijdragen te verlenen. Het betreft hier kwalitatieve criteria in aanvulling op de criteria genoemd in artikel 6, derde lid. De ratio van het onder d genoemde criterium is dat geen bijdrage wordt verleend, indien de vermogenspositie van de instelling daartoe geen aanleiding geeft. Ook kan worden besloten tot een lagere bijdrage.

Voor bepaalde voorzieningen, die niet of zeer beperkt kunnen worden aangewend voor de directe exploitatie van de instelling, zoals pensioen- of wachtgeldvoorzieniningen, kan het onredelijk zijn dat deze ten volle worden meegewogen bij het bepalen van de vermogenspositie van de instelling. Voor die voorzieningen kan op grond van het tweede lid worden bepaald dat ze niet worden betrokken in de berekening van de vermogenspositie.

Artikel 12

Kortheidshalve wordt voor de beslistermijn die in dit artikel is geregeld, verwezen naar § 5 (procedure) van deze nota.

Artikel 13

In het tweede lid van dit artikel wordt geregeld dat aan de beschikking voorschriften kunnen worden verbonden. Bedoeld zijn hier voorschriften die betrekking hebben op de aanwending van de exploitatiebijdragen door de instelling.

Volledigheidshalve wordt hierbij nog opgemerkt dat de voorschriften van artikel 15 altijd gelden, rechtstreeks op grond van dit besluit.

Artikel 14

In beginsel wordt elk jaar opnieuw bekeken of voor het volgende jaar een exploitatiebijdrage zal worden verleend. Dit geldt ook voor instellingen die reeds een exploitatiebijdrage ontvingen. Wel geldt voor zo'n instelling, meer dan voor een instelling die voor het eerst een aanvraag indient, dat een eventuele negatieve beslissing – mede doordat een groot deel van de kosten vaste lasten zijn – ingrijpende gevolgen kan hebben voor de voortgang. Aangenomen moet immers worden dat in veel gevallen de organisatie van de instelling in meerdere of mindere mate is afgestemd op de bijdrage. Daarom is in dit artikel bepaald dat een instelling die al tenminste twee jaar een exploitatiebijdrage ontvangt, een eventuele gehele of gedeeltelijke afwijzing voor 1 oktober moet vernemen. Dit is een afwijking van de normale regel, die inhoudt dat de minister pas voor 1 januari (van het volgende jaar) moet beslissen. Het kan echter niet zo zijn, dat een instelling door het niet tijdig aanleveren van de stukken die bij de aanvraag moeten worden overgelegd, zelf kan bevorderen dat de datum van 1 oktober wordt overschreden, met het gevolg dat dan geen afwijzing meer kan plaatsvinden. Daarom is in het tweede lid bepaald dat die datum opschuift in de periode dat de stukken nog moeten worden aangevuld.

Artikel 15

Zoals in het algemeen deel van deze nota al is vermeld, kan een beschikking tot verlening van een bijdrage bij het niet naleven van de voorschriften worden ingetrokken op grond van artikel 15.19, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer.

Artikel 16

Het verslag dat de instelling op grond van dit artikel moet inleveren, moet een duidelijk inzicht geven in de mate waarin de doelstellingen van het werkplan zijn gerealiseerd. Het verslag vormt de belangrijkste toetssteen bij de vaststellingsbeschikking. In het algemene deel van deze nota is al ingegaan op de verhouding tussen de verleningsbeschikking en de vaststellingsbeschikking. Terwijl de verleningsbeschikking bepaalt waarop de instelling recht heeft, mits zij zich aan bepaalde voorwaarden zal houden – waarbij het realiseren van het werkplan uiteraard een van de belangrijkste voorwaarden is – dient de vaststellingsbeschikking ertoe, vast te stellen in hoeverre dit ook is gebeurd en naar aanleiding daarvan het definitieve bedrag vast te stellen waarop de instelling recht heeft.

Op grond van het vierde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verslag; deze bevoegdheid houdt onder meer in dat voor het verslag een formulier (met bijbehorende schema's) kan worden vastgesteld, waarvan het gebruik verplicht kan worden gesteld.

Artikel 17

De vaststelling moet los worden gezien van de bevoorschotting die inmiddels heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan de instelling reeds een deel van het in de vaststellingsbeschikking vermelde bedrag heeft ontvangen. Die bevoorschotting beïnvloedt niet de hoogte van het bedrag waarop de instelling krachtens de vaststellingsbeschikking recht heeft, maar uitsluitend de hoogte van het bedrag dat hem nog moet worden uitbetaald. Met het oog daarop wordt in het derde lid bepaald dat dergelijke voorschotten worden verrekend bij de uitbetaling van de bijdrage.

Artikel 19

Onder de kosten van een project worden verstaan zowel de daadwerkelijke betalingen als de aangegane verplichtingen, die verband houden met de uitvoering van een project.

In het tweede lid is voorzien in de mogelijkheid om een programma vast te stellen, waarin een nadere concretisering kan worden gegeven van het soort projecten dat voor een bijdrage in aanmerking komt. Een programma kan bovendien nuttig zijn om het subsidie-instrument gericht in te zetten ter uitvoering van milieubeleid op deelonderwerpen.

Artikel 20

Op grond van het vijfde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verslag; deze bevoegdheid houdt onder meer in dat voor het verslag een formulier (met bijbehorende schema's) kan worden vastgesteld, waarvan het gebruik verplicht kan worden gesteld.

Artikel 21

Bij projectbijdragen is sprake van tekortsubsidiëring. Dit betekent onder meer dat de ingediende begroting met inbegrip van de gevraagde bijdrage, sluitend moet zijn. Omdat de bevoorschotting zal worden afgestemd op de liquiditeitsbehoefte van de instelling voor de uitvoering van het project dient daarvan een gespecificeerde raming te zijn bijgevoegd.

Artikel 23

Bij de afweging voor de berekening van de projectbijdragen zal in ieder geval rekening gehouden worden met de aspecten genoemd in dit artikel onder a, b en c. Het project moet niet alleen een afgebakende doelgroep hebben, deze doelgroep moet ook actief worden benaderd. Daarnaast is van belang de manier waarop deze doelgroep wordt aangesproken. Bij voorkeur wordt niet volstaan met het wijzen op het belang van een goed milieu en de nadelige gevolgen van een slechte milieukwaliteit. Van belang is tevens dat aan de doelgroep duidelijk wordt gemaakt dat er concrete mogelijkheden zijn om in de praktijk van het dagelijks leven aan een beter milieu een steentje bij te dragen. Daarnaast wordt bij deze afweging een kwalitatieve inschatting gemaakt van de aansluiting van het project bij de beleidsdoelstellingen zoals geformuleerd in het vigerende nationaal milieubeleidsplan, de meerwaarde van het project ten opzichte van lopende projecten en de verhouding tussen de gevraagde projectbijdrage en het voorziene resultaat (kosten-baten-afweging). In de toelichting op artikel 2 is aangegeven wat wordt verstaan onder het begrip duurzame ontwikkeling.

Artikel 24

Kortheidshalve wordt voor de beslistermijn die in dit artikel is geregeld, verwezen naar § 5 (procedure) van deze nota.

Artikel 25

Volledigheidshalve wordt hierbij nog opgemerkt dat de voorschriften van artikel 26 altijd gelden, rechtstreeks op grond van dit besluit.

Artikel 26

Zoals in het algemeen deel van deze nota al is vermeld, kan een beschikking tot verlening van een bijdrage bij het niet naleven van de voorschriften worden ingetrokken op grond van artikel 15.19, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer.

Artikel 27

Ingevolge het derde lid moet een accountantsverklaring worden overgelegd, wanneer de projectbijdrage hoger is dan f 25 000,–.

Voor het vierde lid zij verwezen naar de toelichting bij artikel 10.

Op grond van het zevende lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de afrekening; deze bevoegdheid houdt onder meer in dat voor de afrekening een formulier kan worden vastgesteld, waarvan het gebruik verplicht kan worden gesteld.

Artikel 29

Ten aanzien van het tweede lid wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting bij artikel 21.

Artikel 31

De in dit artikel genoemde afwijkingsbevoegheid beoogt een voorziening te treffen voor die situaties waarbij naar het oordeel van de Minister in alle redelijkheid niet voldaan kan worden aan de elders in het besluit voorgeschreven termijnen. Nadrukkelijk wordt hierbij aangetekend dat het hierbij moet gaan om uitzonderlijke situaties en dat van de bevoegdheid een zeer terughoudend gebruik zal worden gemaakt.

Artikel 32

In dit artikel is bepaald dat de indieningsdata voor de aanvragen op grond van dit besluit niet gelden voor het eerste volle kalenderjaar dat het besluit in werking zal zijn, namelijk 1995.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Margaretha de Boer


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 10 oktober 1995, nr. 196.

Naar boven