Besluit van 1 september 1995 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 30 juli 1995, nr. 504458/95/6, Directie Wetgeving;

Gelet op artikel 810a, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

De Raad van State gehoord (advies van 18 juli 1995, nr. W03.95.0329);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 21 augustus 1995, nr. 508456/95/6, Directie Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Voor het bepalen van de vergoedingen voor werkzaamheden, wegens tijdverzuim en daarmede verband houdende noodzakelijke kosten voor reis- en verblijfkosten, toekomende aan de deskundigen, bedoeld in artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is artikel 2 van het Besluit tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2

  • 1. De ouder, die op grond van artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechter verzoekt een deskundige te benoemen, is aan de griffier een eigen bijdrage verschuldigd met betrekking tot de vergoedingen en kosten, bedoeld in artikel 1.

  • 2. De eigen bijdrage bedraagt f 100,–, indien het inkomen van de ouder blijkens de door deze over te leggen verklaring of de bescheiden, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand niet meer bedraagt dan in artikel 35, derde lid, onderdeel h, van die wet is bedoeld.

  • 3. De eigen bijdrage bedraagt f 400,–, indien het inkomen van de ouder blijkens de door deze over te leggen verklaring of de bescheiden, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand meer bedraagt dan in artikel 35, derde lid, onderdeel h, en niet meer bedraagt dan in artikel 35, derde lid, onderdeel l, van die wet is bedoeld.

  • 4. De eigen bijdrage bedraagt f 1000,–, indien geen verklaring of de bescheiden, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand worden overgelegd, of indien uit deze verklaring of bescheiden blijkt dat het inkomen van de ouder meer bedraagt dan in artikel 35, derde lid, onderdeel l, van die wet is bedoeld.

  • 5. Artikel 22 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 1 september 1995

Beatrix

De Staatssecretaris van Justitie,

E. M. A. Schmitz

Uitgegeven de veertiende september 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Op grond van artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering zoals dat luidt na inwerkingtreding van de Wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht (Stb. 570) moet de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing of ontzetting van de ouderlijke macht, of van de voogdij of de ontzetting van de toeziende voogdij, op verzoek van een ouder een deskundige benoemen, indien het deskundigenonderzoek mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich niet tegen deze benoeming verzet.

In tegenstelling tot hetgeen in de artikelen 223 en 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald, komen de kosten die gemoeid zijn met het onderhavige deskundigenonderzoek op grond van art. 810a, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor rekening van de staat. Van de ouders kan een eigen bijdrage worden gevraagd.

In de onderhavige algemene maatregel van bestuur wordt enerzijds aangegeven op welke vergoedingen en kosten de deskundige recht heeft, terwijl anderzijds een eigen bijdrageregeling wordt gegeven. Artikel 810a, derde lid, biedt geen ruimte om in de algemene maatregel van bestuur eisen te stellen aan de kwaliteit van door de rechter te benoemen deskundigen. Dit kwaliteitsvraagstuk, dat verband houdt met de kwaliteitseisen die aan door de raad voor de kinderbescherming in te schakelen deskundigen zullen worden gesteld, zal in samenhang hiermee worden bekeken.

Voor de vaststelling van het aan de deskundige toekomende bedrag kan worden aangesloten bij artikel 57 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken juncto artikel 2 van het Besluit tarieven in burgerlijke zaken juncto artikel 1-4, 6 en 7a van het Besluit tarieven in strafzaken. Het ligt in de rede dat binnen het hiervoor geschetste juridische kader aansluiting zal worden gezocht bij de tarieven die thans worden gehanteerd door voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen die in het kader van de uitvoering van hun werkzaamheden ten behoeve van een cliënt een psychiater, psycholoog of (ortho)pedagoog inschakelen. Voor een psychiater of kinderarts wordt thans f 138,– per uur betaald en voor een psycholoog, psychotherapeut of (ortho)pedagoog wordt thans f 92,50 per uur betaald. Het laatste bedrag is inclusief BTW en een opslag van 25% voor overige kosten (zie hiervoor de circulaire van het Ministerie van Justitie van 8 september 1994, nr. 455231/94/JR).

De eigen bijdrage van de ouder wordt geïnd door de griffie. Voor de wijze waarop de griffie de eigen bijdrage vaststelt is aansluiting gezocht bij de regeling inzake de vaststelling van het vast recht door de griffie (art. 18 van de Wet op de rechtsbijstand). Hieruit volgt dat artikel 35 van de Wet op de rechtsbijstand het uitgangspunt is voor de normen die worden gehanteerd voor de berekening van de hoogte van het inkomen en de inkomenscategorieën. Deze categorieën zijn echter van twaalf naar drie teruggebracht. De eigen bijdrage is f 100,–, indien het inkomen van de ouder f 2580,– of minder bedraagt. Indien het inkomen meer dan f 2580,– en ten hoogste f 3000,– bedraagt, is de eigen bijdrage f 400,–. Degene wiens inkomen meer dan f 3000,– bedraagt betaalt f 1000,– als eigen bijdrage in de kosten van de contra-expertise.

Bij het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage is rekening gehouden met de gemiddelde prijs van een contra-expertise in personen- en familiezaken. Deze bedraagt ongeveer f 2300,– per deskundigenbericht.

De eigen bijdrage van de laagste inkomensgroepen (tot en met f 2580,–) is f 100,–. Deze eigen bijdrage is, uitgaande van de gemiddelde prijs, enerzijds een geringe vergoeding voor de werkelijk gemaakte kosten. Anderzijds werpt de eigen bijdrage een drempel op tegen een onnodig verzoek om een deskundigenbericht. Naarmate de rechtzoekende een hoger inkomen heeft is het redelijk een hogere eigen bijdrage te vragen die meer in verhouding staat tot de werkelijk gemaakte kosten.

De Staatssecretaris van Justitie,

E. M. A. Schmitz


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven