Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatsblad 1995, 387AMvB

Besluit van 14 augustus 1995, houdende regels over elektromagnetische compatibiliteit van elektrische en elektronische apparaten (Besluit elektromagnetische compatibiliteit)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 maart 1995, nr. 95/7505/MH, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;

Gelet op richtlijn nr. 89/336/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-staten inzake elektromagnetische compatibiliteit (PbEG L139), zoals deze is gewijzigd bij richtlijn nr. 92/31/EEG van de Raad van 28 april 1992 (PbEG L126) en richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van 22 juli 1993 (PbEG L220);

Gelet op de artikelen 30, 30a, 30b, 30c, 41 en 48 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, artikel 1a, onderdeel d, van de Wet openbaarheid van bestuur, en artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet Nationale ombudsman;

De Raad van State gehoord (advies van 16 juni 1995, nr. WO9.95.0153);

Gezien het nader rapport van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 augustus 1995, nr. 95/17630/MH, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post, uitgebracht mede namens Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Binnenlandse Zaken,

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK I. DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. richtlijn: de richtlijn nr. 89/336/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-staten inzake elektromagnetische compatibiliteit (PbEG L139), zoals deze is gewijzigd bij richtlijn nr. 92/31/EEG van de Raad van 28 april 1992 (PbEG L126) en richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van 22 juli 1993 (PbEG L220);

b. Publikatieblad: het Publikatieblad der Europese Gemeenschappen;

c. wet: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen;

d. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

e. bevoegde instantie: een instantie die op grond van artikel 13 is erkend dan wel op grond van artikel 14 voorlopig is erkend voor het afgeven van technische verslagen of certificaten als bedoeld in artikel 12;

f. aangemelde instantie: een instantie die tenminste voldoet aan de in bijlage 4 genoemde criteria en door Onze Minister conform artikel 11, zesde lid, van de richtlijn is aangemeld;

g. testinstelling: een instelling die op grond van artikel 13 is erkend dan wel op grond van artikel 14 voorlopig is erkend voor het afgeven van verklaringen van conformiteit als bedoeld in artikel 7, derde lid;

h. EG-verklaring van overeenstemming: de verklaring als bedoeld in bijlage 2, waarin de fabrikant de overeenstemming van apparaten met de richtlijn bekrachtigt;

i. EG-typeverklaring: het document waarin door een aangemelde instantie wordt verklaard dat de onderzochte zendinrichting voldoet aan het bij of krachtens dit besluit terzake van die zendinrichtingen bepaalde;

j. zendinrichting: een apparaat ontworpen voor het uitzenden van radiocommunicatie als omschreven in het Internationale Telecommunicatieverdrag (Trb. 1983, 164);

k. aanduiding: de CE-markering van overeenstemming bedoeld in bijlage 3;

l. ongevoeligheid: de eigenschap van apparaten om bij aanwezigheid van een elektromagnetische storing te kunnen functioneren zonder dat de kwaliteit van de werking wordt aangetast.

Artikel 2

  • 1. Het bij en krachtens hoofdstuk V van de wet bepaalde is niet van toepassing op:

    a. apparaten die door hun aard geen elektromagnetische storing kunnen veroorzaken of voor een zodanige storing ongevoelig zijn;

    b. andere apparaten voor zover het aspecten van elektromagnetische compatibiliteit betreft waarvoor bij of krachtens wettelijk voorschrift anders dan in hoofdstuk V van de wet een bijzondere regeling is getroffen.

  • 2. De artikelen 3 tot en met 16 van dit besluit zijn voorts niet van toepassing op zendinrichtingen ten behoeve van radiozendamateurs voor zover deze apparaten niet in de handel verkrijgbaar zijn.

HOOFDSTUK II. BESCHERMINGSEISEN

Artikel 3

  • 1. Apparaten zijn zodanig geconstrueerd dat zij, wanneer zij op passende wijze worden geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, voldoen aan de beschermingseisen, die inhouden dat:

    a. de opwekking van elektromagnetische storingen beperkt blijft tot een zodanig niveau dat radio- en telecommunicatie-apparatuur en andere apparaten overeenkomstig hun bestemming kunnen functioneren, en

    b. zij een passend niveau van ongevoeligheid bezitten.

  • 2. Apparaten voldoen met het oog op het eerste lid in ieder geval aan de in bijlage 1 opgenomen voornaamste beschermingseisen.

Artikel 4

  • 1. Onze Minister stelt normen op het gebied van elektromagnetische compatibiliteit vast.

  • 2. De door Onze Minister krachtens het eerste lid vast te stellen normen kunnen inhouden:

    a. de omzetting van binnen de Gemeenschap geharmoniseerde normen;

    b. nationale normen van Nederland, voor zover geharmoniseerde normen niet bestaan.

  • 3. De referenties van de door Onze Minister vastgestelde normen worden bekendgemaakt in de Staatscourant.

  • 4. Voor zover geharmoniseerde normen niet bestaan, maakt Onze Minister tevens in de Staatscourant bekend de referenties van nationale normen van een andere lid-staat van de Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Artikel 5

Apparaten worden vermoed te voldoen aan het in artikel 3 bepaalde, indien blijkens de in artikel 6 genoemde certificatiemiddelen:

a. aan de in artikel 4, eerste en vierde lid, bedoelde normen is voldaan, of

b. naar het oordeel van een krachtens hoofdstuk VI daartoe bevoegde instantie aan de beschermingseisen is voldaan.

HOOFDSTUK III. CERTIFICATIEMIDDELEN

Artikel 6

  • 1. Apparaten mogen uitsluitend in de handel worden gebracht en verhandeld indien zij overeenkomstig het gestelde in bijlage 3 zijn voorzien van de aanduiding.

  • 2. Apparaten die niet voldoen aan de beschermingseisen ten aanzien van alle omgevingen die worden vermeld in de in artikel 4, eerste lid, bedoelde normen, gaan bovendien vergezeld van informatie over de beperkingen die voor het gebruik van dergelijke apparaten gelden. Voor zover de toegepaste normen meerdere klassen apparaten onderscheiden wordt door degene die het apparaat in de handel brengt in de informatie aangegeven tot welke klasse het apparaat behoort.

  • 3. De aanduiding wordt aangebracht op het apparaat of, als dat niet mogelijk is, op de verpakking, de gebruiksaanwijzing of het garantiebewijs. Vermeldingen, vaststellingen of andere aanduidingen, die met de aanduiding kunnen worden verward, mogen niet worden gebezigd.

  • 4. Behoudens het vijfde lid, wordt de aanduiding uitsluitend aangebracht door degene die het apparaat in de handel brengt indien hij:

    a. voor apparaten waarvan de vervaardiging plaatsvindt met inachtneming van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde normen de overeenstemming van de apparaten met de beschermingseisen heeft bekrachtigd door de afgifte van een EG-verklaring van overeenstemming;

    b. voor apparaten waarvan de vervaardiging plaatsvindt zonder of zonder volledige inachtneming van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde normen:

    1°. een technisch constructiedossier in de Nederlandse of Engelse taal heeft samengesteld, waarin zijn opgenomen:

    – een beschrijving van het apparaat;

    – een uiteenzetting van de wijze waarop de overeenstemming met de in artikel 3 bedoelde beschermingseisen is verzekerd;

    – een technisch verslag of een certificaat dat is verkregen van een krachtens hoofdstuk VI daartoe bevoegde instantie, en

    2°. de overeenstemming van de apparaten met het in het technische constructiedossier beschreven apparaat heeft bekrachtigd door de afgifte van een EG-verklaring van overeenstemming;

    c. voor zendinrichtingen, uitgezonderd zendinrichtingen voor zendamateurs, voorafgaande aan het afgeven van een EG-verklaring van overeenstemming, bovendien een EG-typeverklaring heeft verkregen, overeenkomstig de in hoofdstuk IV beschreven procedure.

  • 5. Apparaten mogen uitsluitend van de aanduiding worden voorzien, indien deze apparaten tevens voldoen aan het bepaalde bij of krachtens andere wettelijke voorschriften waarin het aanbrengen van de aanduiding verplicht is gesteld. Voor zover en voor zolang het aanbrengen van de aanduiding in de bedoelde andere wettelijke voorschriften optioneel is gesteld, mag de aanduiding in afwijking van het vorenstaande tevens worden aangebracht mits de in het Publikatieblad bekendgemaakte referenties van de toegepaste richtlijnen, worden vermeld op de vereiste documenten, handleidingen of gebruiksaanwijzingen die bij deze apparaten zijn gevoegd.

  • 6. De EG-verklaring van overeenstemming wordt door degene die het apparaat in de handel brengt, gedurende tien jaar na het in de handel brengen van de apparaten ter beschikking gehouden van Onze Minister.

  • 7. Het in het zesde lid bepaalde geldt tevens voor het technische constructiedossier, bedoeld in het vierde lid, onder b, 1°.

HOOFDSTUK IV. EG-TYPEVERKLARINGEN VOOR ZENDINRICHTINGEN

Artikel 7

  • 1. De EG-typeverklaring voor zendinrichtingen wordt verleend door een aangemelde instantie.

  • 2. De aanvraag tot het verkrijgen van een EG-typeverklaring wordt door degene die de zendinrichting in de handel brengt, ingediend volgens door Onze Minister te stellen regels.

  • 3. Gelijktijdig met de indiening van de aanvraag tot het afgeven van een EG-typeverklaring wordt als bijlage overgelegd de overeenkomstig artikel 8 afgegeven verklaring van conformiteit met bijbehorende bijlagen voor die zendinrichtingen.

  • 4. De aanvraag en de bijbehorende stukken zijn in de Nederlandse of de Engelse taal gesteld.

Artikel 8

  • 1. De verklaring van conformiteit bedoeld in artikel 7, derde lid, wordt afgegeven door een testinstelling.

  • 2. Een verklaring van conformiteit wordt afgegeven indien de testinstelling op basis van een uitgevoerde test tot de bevinding is gekomen dat die zendinrichtingen voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, vermelde beschermingseisen.

  • 3. In een verklaring van conformiteit zijn in elk geval opgenomen:

    a. de naam van degene aan wie de verklaring is afgegeven;

    b. een beschrijving van de zendinrichtingen;

    c. de vermelding van de technische specificaties op basis waarvan de test is uitgevoerd;

    d. de resultaten van het testrapport.

  • 4. Bij een verklaring van conformiteit zijn in elk geval gevoegd:

    a. een bijlage met daarin een volledige technische omschrijving van de desbetreffende zendinrichtingen;

    b. een bijlage bestaande uit een gewaarmerkt exemplaar van het testrapport.

  • 5. Een verklaring van conformiteit wordt opgesteld volgens een door Onze Minister vastgesteld model.

  • 6. De verklaring en de bijbehorende bijlagen zijn in de Nederlandse of Engelse taal gesteld.

Artikel 9

Een EG-typeverklaring mag slechts worden geweigerd:

a. indien bij de aanvraag niet zijn overgelegd de vereiste verklaring van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;

b. indien de zendinrichting niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, bedoelde beschermingseisen.

Artikel 10

  • 1. De verlening van de EG-typeverklaring geschiedt door afgifte van een document waarin in elk geval zijn opgenomen:

    a. de naam van degene aan wie de typeverklaring is afgegeven;

    b. een beschrijving van de zendinrichtingen;

    c. de vermelding van de verklaring van conformiteit welke bij de aanvraag tot EG-typeverklaring is overgelegd.

  • 2. Een EG-typeverklaring wordt opgesteld volgens een door Onze Minister vastgesteld model.

  • 3. De afgegeven EG-typeverklaringen worden vanwege Onze Minister geregistreerd volgens door de minister te stellen regels.

Artikel 11

Een EG-typeverklaring mag slechts worden ingetrokken indien is gebleken dat het type zendinrichting waarvoor een EG-typeverklaring is afgegeven:

a. afwijkt van de bij de aanvraag van de EG-typeverklaring overgelegde verklaring van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;

b. niet of niet meer voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, bedoelde beschermingseisen.

HOOFDSTUK V. AFGIFTE TECHNISCHE VERSLAGEN EN CERTIFICATEN DOOR DE BEVOEGDE INSTANTIE

Artikel 12

  • 1. In de gevallen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder b, geeft de bevoegde instantie aan degene die het apparaat in de handel brengt, een technisch verslag of een certificaat af, waaruit blijkt dat het betreffende apparaat naar het oordeel van deze instantie voldoet aan de beschermingseisen.

  • 2. In een technisch verslag of certificaat als bedoeld in het eerste lid, zijn verder in elk geval opgenomen:

    a. de naam van degene die het apparaat in de handel brengt;

    b. een beschrijving van het apparaat;

    c. de vermelding van de normen op basis waarvan de test is uitgevoerd, indien met betrekking tot het betreffende apparaat normen van toepassing zijn.

HOOFDSTUK VI. ERKENNINGEN

Artikel 13

  • 1. Onze Minister erkent een bevoegde instantie of een testinstelling indien deze blijkens de aanvraag tot erkenning:

    a. volledige rechtspersoonlijkheid bezit, en

    b. blijkens accreditatie door een door Onze Minister aangewezen accreditatie-instelling voldoet aan:

    1°. de normen voor kwaliteitsborging voor het onderzoeken en testen van apparaten ter zake van hun elektromagnetische compatibiliteit, welke tenminste voldoen aan de voorwaarden, neergelegd in bijlage 4,

    2°. de door de accreditatie-instelling aan de onder 1° bedoelde normen gegeven toepassing ten aanzien van het onderzoeken en testen van apparaten overeenkomstig artikel 6, vierde lid, onder b en c.

  • 2. Onze Minister kan de erkenning van een bevoegde instantie of een testinstelling beperken tot de in de erkenning genoemde categorieën apparaten.

  • 3. Onze Minister kan de erkenning van een bevoegde instantie of een testinstelling intrekken, indien deze niet meer voldoet aan de in het eerste lid voor het verlenen van de erkenning opgenomen eisen of indien de beperkingen genoemd in het tweede lid niet in acht worden genomen.

Artikel 14

  • 1. Onze Minister kan een bevoegde instantie of een testinstelling voorlopig erkennen indien:

    a. de bevoegde instantie of testinstelling blijkens de aanvraag tot voorlopige erkenning voldoet aan het in artikel 13, eerste lid, onder a, bedoelde vereiste;

    b. de bevoegde instantie of testinstelling een aanvraag voor accreditatie bij een door Onze Minister aangewezen accreditatie-instelling heeft ingediend en die instelling een eerste onderzoek van die aanvraag heeft beëindigd met voorlopig positief resultaat, en

    c. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de bevoegde instantie of testinstelling voor afloop van de periode van de voorlopige erkenning zal voldoen aan de krachtens artikel 13, eerste lid, onder b, gestelde vereisten.

    Artikel 13, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Een voorlopige erkenning wordt verleend voor de termijn die de bevoegde instantie of testinstelling redelijkerwijs nodig heeft om geheel te gaan voldoen aan het in artikel 13, eerste lid, onder b, vereiste voor erkenning. De voorlopige erkenning wordt verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar. Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd, indien aannemelijk wordt gemaakt dat deze verlenging ondanks voldoende inspanningen van de zijde van de bevoegde instantie of testinstelling redelijkerwijs nodig is om volledig aan de gestelde eisen te voldoen.

  • 3. Onze Minister kan een voorlopige erkenning intrekken, indien de betrokken bevoegde instantie of testinstelling niet meer voldoet aan de in het eerste lid voor het verlenen van die voorlopige erkenning opgenomen eisen.

Artikel 15

Onze Minister kan regels stellen ter zake van de wijze waarop een aanvraag tot erkenning of voorlopige erkenning als bedoeld in de artikelen 13 en 14 moet worden ingediend.

HOOFDSTUK VII. AFKONDIGING VERBOD

Artikel 16

  • 1. Indien uit controlemetingen blijkt dat een in de handel zijnd apparaat niet aan de in artikel 3, eerste lid, vermelde beschermingseisen voldoet ondanks de aanwezigheid van de door hoofdstuk III vereiste certificatiemiddelen, wordt hiervan schriftelijk mededeling gedaan aan de betrokkene.

  • 2. Onze Minister maakt dit daarna zo spoedig mogelijk bekend in de Staatscourant.

  • 3. Met ingang van de dag na die der bekendmaking is het verboden de apparaten van dit type te verhandelen.

HOOFDSTUK IX. BEPALINGEN VOOR HET GEBRUIK

Artikel 17

  • 1. Indien de ingebruikname of het gebruik van een apparaat op een bepaalde plaats tot storingen kan leiden of heeft geleid, kan Onze Minister aanwijzingen geven ter voorkoming dan wel opheffing van deze storingen.

  • 2. Deze aanwijzingen kunnen onder meer betreffen:

    a. de verplichting tot het treffen van de nodige voorzieningen aan het apparaat;

    b. de wijze van plaatsing of afscherming van een apparaat;

    c. de verplichting het gebruik van een apparaat te beperken tot een bepaalde omgeving of tijd of te staken.

  • 3. Indien het in het eerste lid bedoelde apparaat een apparaat is waarvoor een machtiging op grond van hoofdstuk III van de wet is afgegeven, kan Onze Minister bij de machtiging voorschriften geven ter opheffing of voorkoming van bedoelde storingen. Deze voorschriften kunnen het in het tweede lid bepaalde betreffen.

  • 4. Een aanwijzing op grond van het tweede lid kan geen lager storingsniveau voorschrijven dan het niveau overeenkomend met de grenswaarden voor de omgeving waarin het apparaat wordt gebruikt.

  • 5. In afwijking van het vierde lid kan een aanwijzing alle in redelijkheid nodige maatregelen ter verlaging van het storingsniveau voorschrijven indien het apparaat storingen teweegbrengt in de werking van de telecommunicatie-infrastructuur en in om veiligheidsredenen gebruikte zend- of ontvangstations.

Artikel 18

  • 1. De gebruiker van het apparaat aan wie Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de wet of artikel 17, eerste lid, heeft gegeven, is verplicht deze op te volgen binnen de daarbij gestelde termijn en met inachtneming van de daarbij gestelde eisen.

  • 2. Deze aanwijzingen worden schriftelijk gegeven. In dringende gevallen kan de toezichthoudende ambtenaar een aanwijzing mondeling geven. Hij dient dit binnen veertien dagen schriftelijk te bevestigen.

Artikel 19

  • 1. Voor de ingebruikname of het gebruik van de volgende categorieën apparaten is, indien daarvan op een bepaalde plaats problemen in verband met elektromagnetische compatibiliteit zijn te verwachten of bestaan, een machtiging van Onze Minister vereist:

    a. apparaten die gebruikt worden in:

    1°. inrichtingen voor industriële, wetenschappelijke en medische doeleinden, dan wel,

    2°. inrichtingen voor het verrichten van immuniteitsproeven, dan wel,

    3°. inrichtingen voor onderwijsdoeleinden.

    b. apparaten die in een andere omgeving worden gebruikt dan waarvoor zij in verband met eigenschappen ter zake van elektromagnetische compatibiliteit bestemd zijn of in buitengewoon gevoelige omgevingen.

  • 2. Aan de machtiging bedoeld in het voorgaande lid, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden, welke slechts betrekking kunnen hebben op:

    a. de frequenties waarop het apparaat mag worden gebruikt;

    b. de tijdstippen waarop en de plaats waar het apparaat mag worden gebruikt;

    c. het treffen van maatregelen ter voorkoming en opheffing van storing.

  • 3. De machtiging kan slechts worden ingetrokken indien:

    a. een doelmatig gebruik van de ether dit vordert;

    b. indien de houder van de machtiging de aan de machtiging verbonden voorschriften en beperkingen overtreedt;

    c. op verzoek van de machtiginghouder.

HOOFDSTUK X. BEHANDELING VAN STORINGSKLACHTEN

Artikel 20

  • 1. Klachten over storingen door apparaten in andere apparaten worden behandeld overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.

  • 2. Nadat een klacht in behandeling is genomen kan van verdere behandeling worden afgezien indien het apparaat dat storing ondervindt, niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, vermelde beschermingseisen.

  • 3. Van behandeling van klachten kan eveneens worden afgezien indien de klager onvoldoende medewerking verleent.

HOOFDSTUK XI. VERGOEDINGEN

Artikel 21

  • 1. De verschuldigde vergoedingen, bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder a, c, 3° en e van de wet, worden bij vooruitbetaling voldaan.

  • 2. De vergoeding, bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder a, voor zover deze betrekking heeft op het toezicht, is per periode van twaalf maanden verschuldigd.

  • 3. De verschuldigde vergoeding, bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder d, wordt in de bij ministeriële regeling omschreven gevallen in rekening gebracht aan de klager of aan de houder van het apparaat dat storing veroorzaakt.

  • 4. De vergoeding, bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder g, is verschuldigd door degene die de apparaten in de handel heeft gebracht, dan wel door degene die de apparaten heeft verhandeld, dan wel door beiden. Indien beide personen de vergoeding verschuldigd zijn, is er sprake van hoofdelijke verbondenheid.

  • 5. De in het derde en vierde lid bedoelde vergoedingen worden binnen een termijn van dertig dagen na dagtekening voldaan.

Artikel 22

  • 1. Gebruikers van zendinrichtingen zijn een jaarlijkse bijdrage verschuldigd, welke bestemd is ter dekking van de kosten die voor de overheid voortvloeien uit de toepassing van het in de wet en in dit besluit over elektromagnetische compatibiliteit bepaalde.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op gebruikers van zendinrichtingen waarvoor op grond van artikel 17, tweede lid, onder a, van de wet geen machtiging is vereist.

  • 3. De kosten als bedoeld in het eerste lid worden per produktgroep en per categorie van gebruikers van zendinrichtingen voor een kalenderjaar vastgesteld aan de hand van de kosten van het voorafgaande kalenderjaar, waarbij rekening wordt gehouden met te verwachten ontwikkelingen die van invloed zijn op de bemoeienissen van de overheid op het gebied van elektromagnetische compatibiliteit.

    In de vaststelling zijn niet begrepen de kosten die in rekening zijn gebracht op grond van artikel 21 van dit besluit.

  • 4. Wanneer binnen een bepaalde categorie van gebruikers van zendinrichtingen sprake is van één gebruiker worden de kosten voor de betreffende categorie zoals vastgesteld volgens het derde lid, in zijn geheel aan die gebruiker in rekening gebracht.

  • 5. Wanneer binnen een bepaalde categorie van gebruikers van zendinrichtingen sprake is van meerdere gebruikers, worden de kosten toegerekend overeenkomstig het zesde en zevende lid.

  • 6. Voor de niet-omroepzenders wordt een vaste bijdrage per gebruiker per produktgroep, zo nodig onderverdeeld naar subgroepen, berekend. Hiertoe worden de kosten per produktgroep zoals vastgesteld volgens het derde lid, zo nodig opgesplitst naar subgroepen, verdeeld naar rato van het gemiddeld aantal zenders per gebruiker.

  • 7. Voor de omroepzenders wordt een vaste bijdrage per zender berekend. Hiertoe worden de kosten voor deze produktgroep zoals vastgesteld volgens het derde lid verdeeld over het aantal zenders waarbij rekening wordt gehouden met vermogen, antennehoogte, modulatie en bandbreedte van de zender.

  • 8. De in het zesde en zevende lid genoemde bijdragen worden door Onze Minister vastgesteld en gepubliceerd in de Staatscourant.

HOOFDSTUK XII. STRAFBEPALINGEN

Artikel 23

Een strafbaar feit is:

a. het verhandelen van apparaten in strijd met het verbod van artikel 16, derde lid;

b. het zonder machtiging als bedoeld in artikel 19, eerste lid, in gebruik nemen of gebruiken van apparaten.

HOOFDSTUK XIII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

Het Besluit radio-elektrische inrichtingen1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel C.1.1, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De met toepassing van het eerste lid vast te stellen technische eisen voor zendinrichtingen mogen slechts strekken ten dienste van de waarborging van het regelmatig verloop van het etherverkeer.

B

Het opschrift van Paragraaf 9. Storingen en behandeling van storingsklachten, komt als volgt te luiden:

Paragraaf 9. Behandeling van klachten.

C

Artikel C.9.2. komt te luiden:

Het gebruik van een zendinrichting mag geen belemmering veroorzaken in het etherverkeer en in andere zend- of ontvanginrichtingen.

D

Artikel C.9.3. wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid vervallen de woorden «storingen en».

E

Artikel C.9.4. wordt als volgt gewijzigd:

In het tweede lid vervallen de woorden «storing of».

F

Artikel C.9.5., eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Klachten over belemmeringen door zendinrichtingen in andere zendinrichtingen of ontvanginrichtingen worden behandeld overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.

In het tweede lid en het vierde lid vervallen de woorden «storing of».

G

Artikel D.1.2., eerste lid, onder f. vervalt.

H

Artikel F.2.1., tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De met toepassing van het eerste lid te stellen technische eisen voor ontvanginrichtingen mogen slechts strekken ten dienste van de waarborging van het regelmatig verloop van het etherverkeer.

I

Het opschrift van Paragraaf 7. Storingen en de behandeling van storingsklachten, komt als volgt te luiden:

Paragraaf 7. Behandeling van klachten

J

Artikel F.7.2. komt als volgt te luiden:

Het gebruik van een ontvanginrichting mag geen belemmering veroorzaken in het etherverkeer en in andere ontvang- of zendinrichtingen.

K

Artikel F.7.3. wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid vervallen de woorden «storingen en».

L

Artikel F.7.4. wordt als volgt gewijzigd:

De woorden «storing of» vervallen.

Artikel 25

Het Besluit randapparatuur2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In de aanhef van artikel 3, eerste lid, komen de woorden «en derde» te vervallen.

B

Artikel 3, tweede lid, vervalt en het derde lid wordt vernummerd tot het tweede lid.

C

De artikelen 13 tot en met 15 vervallen.

Artikel 26

Het Besluit ontstoring en immuniteit elektrische en elektronische inrichtingen3 wordt ingetrokken.

Artikel 27

In het Aanwijzingsbesluit bestuursorganen Wob en WNo4 wordt in de bijlage in deel H (Ministerie van Verkeer en Waterstaat) na onderdeel 50 een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

51. Bevoegde instanties als bedoeld in artikel 1, onder e, van het Besluit elektromagnetische compatibiliteit.

Artikel 28

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 29

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit elektromagnetische compatibiliteit.

Lasten en bevelen dat het besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 14 augustus 1995

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

W. Kok

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Uitgegeven de vierentwintigste augustus 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

BIJLAGE 1

Behorende bij het Besluit elektromagnetische compatibiliteit (artikel 3).

Enuntiatieve lijst van de voornaamste beschermingseisen

Het maximumniveau van de door de apparaten opgewekte elektromagnetische storingen moet dusdanig zijn dat het geen belemmering vormt voor het gebruik van met name de volgende apparaten:

a) radio- en televisieontvangers voor particulier gebruik;

b) industriële apparatuur;

c) mobiele radio-apparatuur;

d) commerciële mobiele radio-apparatuur en radiotelefonische apparatuur;

e) medische en wetenschappelijke apparatuur;

f) apparatuur voor informatietechnologie;

g) huishoudelijke apparaten en elektronische huishoudelijke apparatuur;

h) radio-apparatuur voor lucht- en zeevaart;

i) educatieve elektronische apparatuur;

j) telecommunicatienetten en -apparatuur;

k) radio- en televisieomroepzenders;

l) verlichtingsapparatuur en fluorescentielampen.

De apparaten, met name die welke genoemd zijn in de punten a) tot en met l), moeten dusdanig geconstrueerd zijn dat zij een passend niveau van elektromagnetische ongevoeligheid hebben in een normale EMC-omgeving waar de apparaten moeten functioneren, zodat zij ongehinderd kunnen worden gebruikt bij de storingsniveaus die worden opgewekt door apparaten die aan de op grond van artikel 4 vastgestelde normen voldoen.

De gegevens die nodig zijn voor een gebruik conform de bestemming van het apparaat, moeten voorkomen in een gebruiksaanwijzing die bij het apparaat is gevoegd.

BIJLAGE 2

Behorende bij het Besluit elektromagnetische compatibiliteit (artikel 1, onder h).

Inhoud van de EG-verklaring van overeenstemming

De EG-verklaring van overeenstemming moet de volgende gegevens bevatten:

– naam en adres van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde;

– beschrijving van het apparaat;

– alle relevante bepalingen waaraan het apparaat volgens de verklaring voldoet;

– in voorkomend geval de interne maatregelen die zijn getroffen ter verzekering van de overeenstemming van de apparaten met de voorschriften van de richtlijn;

– in voorkomend geval, de referentie van de door Onze Minister afgegeven EG-typeverklaring, of naam en adres van de instantie, bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder c;

– identiteit van de ondertekenaar die gemachtigd is verplichtingen voor de fabrikant of de in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde aan te gaan.

BIJLAGE 3

Behorende bij het Besluit elektromagnetische compatibiliteit (artikel 1, onder j).

CE-markering van overeenstemming

– De CE-markering van overeenstemming bestaat uit de initialen CE in de volgende grafische vorm:

stb-1995-387-1.gif

[(!!! RAADPLEEG VOOR DE ILLUSTRATIE HET GEDRUKTE STAATSBLAD !!!)]

– Bij vergroting of verkleining van de CE-markering moeten de verhoudingen van bovenstaande gegradueerde afbeelding in acht worden genomen.

– De onderscheiden onderdelen van de CE-markering moeten nagenoeg dezelfde hoogte hebben, die minimaal 5 mm bedraagt.

– Tot 1 januari 1997 mag naar keuze van de fabrikant het getal van het jaar waarin de CE-markering is aangebracht worden toegevoegd.

BIJLAGE 4

Behorende bij het Besluit elektromagnetische compatibiliteit (artikel 13, eerste lid, onder b, 1°).

Een bevoegde instantie, een aangemelde instantie, dan wel een testinstelling moet aan de volgende minimumvoorwaarden voldoen:

1. beschikbaarheid van personeel, alsmede van de nodige middelen en uitrusting;

2. technische bekwaamheid en professionele integriteit van het personeel;

3. onafhankelijkheid bij het uitvoeren van proeven, het opstellen van verslagen, het afgeven van verklaringen en het uitoefenen van het in deze richtlijn voorgeschreven toezicht, van het kaderpersoneel en het technische personeel ten aanzien van alle kringen, groeperingen en personen die directe of indirecte belangen hebben op het gebied van het betrokken produkt;

4. bewaring van het beroepsgeheim door het personeel;

5. afsluiting van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering.

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

Het onderhavige besluit vervangt het Besluit ontstoring en immuniteit elektrische en elektronische inrichtingen1 , afgekort het Boei. Aanvankelijk werd overwogen de noodzakelijke wijzigingen in het huidige Boei aan te brengen. Gezien evenwel de structurele ingrijpendheid van deze wijzigingen verdient de vaststelling van een nieuw uitvoeringsbesluit de voorkeur. Dit besluit is gebaseerd op de wet houdende wijziging van de Wet op telecommunicatievoorzieningen (WTV) in verband met elektromagnetische compatibiliteit (EMC) (Kamerstukken 23 236).

Deze wet is op 17 mei 1994 door de Eerste Kamer aanvaard en heeft op 19 mei 1994 kracht van wet gekregen. De bekendmaking van de wet in het Staatsblad heeft tegelijkertijd met het onderhavige besluit plaats gehad, waarna de inwerkingtreding plaatsvindt op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij zijn geplaatst.

Genoemde wet wijzigt hoofdstuk V van de WTV. Tevens wordt voorzien in de noodzakelijke aanpassingen in de buiten hoofdstuk V vallende bepalingen over EMC.

Daarmee wordt de wettelijke basis gelegd voor het onderhavige uitvoeringsbesluit waarin richtlijn nr. 89/336/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit (PbEG L139), zoals deze is gewijzigd bij richtlijn nr. 92/31/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 april 1992 (PbEG L126), tot wijziging van richtlijn nr. 89/336/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit (PbEG L139), nader wordt geïmplementeerd.

In dit besluit zijn tevens de van toepassing zijnde bepalingen geïmplementeerd van richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 (PbEG L220), tot wijziging van een aantal richtlijnen waaronder richtlijn 89/336/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit (PbEG L139), die in hoofdzaak strekt tot harmonisatie van het gebruik van de CE-markering.

De implementatietermijn van richtlijn 89/336/EEG van 3 mei 1989 is reeds sinds 1 juli 1991 verstreken. De oorzaken van de termijnoverschrijding zijn de volgende.

In eerste instantie ondervond de implementatie van de richtlijn vertraging vanwege ontwikkelingen ter zake van de richtlijn op communautair niveau. Het toepassingsgebied van de richtlijn omvat alle elektrische en elektronische apparaten en is derhalve zeer breed. De werking van de richtlijn hangt in hoge mate af van de aanwezigheid van door de EG geharmoniseerde normen voor deze apparaten. Op het moment van de vaststelling van de richtlijn bestonden er echter nog onvoldoende geharmoniseerde normen. Dit zou betekend hebben dat de apparaten gekeurd hadden moeten worden om in overeenstemming met de richtlijn op de markt te kunnen worden gebracht. Afwezigheid van deze normen zou een onevenredig zware belasting van de beschikbare keuringscapaciteit hebben betekend. Dit was voor de Europese Commissie aanleiding om een langere optionele periode toe te staan die inhoudt dat men tot 1 januari 1996 in plaats van tot 1 januari 1993 kan kiezen tussen het regime van de richtlijn en het voldoen aan de nationale wetgeving. Deze langere optionele periode is via wijzigingsrichtlijn nr. 92/31/EEG van 28 april 1992 in richtlijn nr. 89/336/EEG van 3 mei 1989 opgenomen.

Behalve het ontbreken van geharmoniseerde normen op het moment van inwerkingtreding van de EMC-richtlijn, waren er ook nog andere problemen met de invoering van de richtlijn. Na de totstandkoming van de richtlijn is van de zijde van de Europese Commissie een inhoudelijke discussie met de lid-staten over de betekenis van begrippen uit die richtlijn geïnitieerd. Dit heeft uiteindelijk pas in 1993 geresulteerd in een eerste publikatie van een toelichtend document van de Commissie. De implementatie in het merendeel van de andere lid-staten heeft om deze redenen eveneens vertraging opgelopen.

Tenslotte wordt nog verwezen naar de reeds genoemde wijzigingsrichtlijn nr. 93/68/EEG van 22 juli 1993, waarin de EMC-richtlijn nogmaals wordt gewijzigd. De omzetting van deze richtlijn in nationale wetgeving diende vóór 1 juli 1994 te geschieden.

Het uitvoeringsbesluit bevat de beschermingseisen waaraan apparaten moeten voldoen met betrekking tot hun elektromagnetische compatibiliteit. Deze eisen zijn geformuleerd als doeleisen. Tevens wordt aangegeven op welke manier apparaten aan de beschermingseisen kunnen voldoen, namelijk door te voldoen aan de normen, dan wel op een andere wijze, naar goeddunken van de fabrikant. In beide gevallen moeten certificatieprocedures worden gevolgd, die in dit besluit worden uitgewerkt. Voor zendinrichtingen dient bovendien nog een EG-typeverklaring te worden verkregen. Het besluit voorziet eveneens in een (voorlopige) erkenning van de instanties die belast zijn met het afgeven van certificatiemiddelen. Indien apparaten zijn voorzien van de benodigde certificatiemiddelen mag ervan worden uitgegaan dat deze apparaten aan de beschermingseisen voldoen. Het kan echter voorkomen dat een dergelijk apparaat toch storing veroorzaakt of dreigt te gaan veroorzaken. Het besluit voorziet in maatregelen die genomen kunnen worden in dergelijke situaties. Tevens bevat het besluit een basis voor een ministeriële klachtenregeling.

II. Artikelen

Artikel 2

In het eerste lid worden bepaalde categorieën van apparaten van de toepassing van het besluit uitgesloten. In artikel 30c, tweede lid, van de wet wordt hiertoe uitdrukkelijk de mogelijkheid geopend.

In onderdeel a is van een categoriale aanduiding van apparaten afgezien, omdat een dergelijke opsomming niet compleet kan zijn en aan wijzigingen onderhevig zal zijn. Het gaat hier om elektrische apparaten die, gelet op hun componenten, naar hun aard geen storing of immuniteitsproblemen kunnen veroorzaken. Bedoeld zijn niet-elektronische componenten zoals mechanische schakelaars, gloeilampen en draaistroommotoren. Apparaten die deze componenten bevatten zijn niet in categorieën te verdelen. Wel is het de bedoeling dat de Directie Operationele Zaken van de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat informatie zal geven over apparaten die geen elektromagnetische storing kunnen veroorzaken of waarvan de werking niet door elektromagnetische storingen kan worden aangetast.

In onderdeel b, dat gaat over apparaten waarvoor ten aanzien van de aspecten van elektromagnetische compatibiliteit een bijzondere regeling is getroffen, is eveneens afgezien van een categoriale aanduiding. Ook hier geldt het argument dat een opsomming aan wijzigingen onderhevig zal zijn. Er wordt van uitgegaan dat in de gevallen waarin er nieuwe bijzondere regelgeving voor een categorie van apparaten tot stand komt, deze automatisch onder de uitzondering van artikel 2, eerste lid, onder b valt. Als voorbeeld van onderdeel b kunnen worden genoemd de niet-automatische weeginstrumenten. Van deze instrumenten is op dit moment het aspect van de immuniteit geregeld in regelgeving die tot de verantwoordelijkheid behoort van de Minister van Economische Zaken. Het aspect van de emissie is geregeld in het onderhavige besluit. Een ander voorbeeld zijn auto's. Eén van de EMC-aspecten is geregeld in de Wegenverkeerswet, namelijk het aspect van de emissie van verbrandingsmotoren. De overige emissie-aspecten evenals de immuniteitsaspecten worden geregeld door de EMC-richtlijn, en derhalve in Nederland in het kader van de WTV. In de toekomst zal er echter één richtlijn zijn voor auto's, waarin alle EMC-aspecten voor auto's worden opgenomen. Als gevolg hiervan zullen alle EMC-aspecten voor auto's in een bijzondere regeling, de Wegenverkeerswet, worden opgenomen.

Het tweede lid neemt de specifieke uitzondering over, neergelegd in artikel 2, derde lid, van de richtlijn en is gebaseerd op artikel 30c, eerste lid, onder d, van de wet. Deze uitzondering voor zendinrichtingen ten behoeve van radiozendamateurs, is beperkt tot de artikelen 3 tot en met 16 van het besluit. Met name de artikelen 17 tot en met 20, die beogen zich voordoende gebruiksklachten op te lossen, dienen ook met betrekking tot deze apparaten te kunnen worden toegepast. Het EG-verdrag en de richtlijn verzetten zich hiertegen niet. Voor zover deze apparaten wel in de handel verkrijgbaar zijn, zijn ook de artikelen 3 tot en met 19 van toepassing. Uit artikel 6, vierde lid, in samenhang met artikel 2, tweede lid, blijkt dat alsdan op de amateurzendinrichtingen die in de handel verkrijgbaar zijn, niet het zwaardere regime, geldende voor de overige apparaten, bestemd voor het uitzenden van radiocommunicatie van toepassing is (typekeuring), maar het regime, geldende voor alle overige apparaten.

Artikel 3

Artikel 3 formuleert de materiële eisen, te weten de algemene beschermingseisen, waaraan alle apparaten, vallend onder dit besluit, moeten voldoen. Onderdeel a bevat emissie-eisen voor apparaten en onderdeel b geeft eisen ten aanzien van de ongevoeligheid van apparaten voor elektromagnetische storingen. In het tweede lid wordt ter nadere concretisering van deze eisen verwezen naar de voornaamste beschermingseisen, opgenomen in bijlage 1 bij het besluit.

Artikel 4

Dit artikel legt de basis voor het vaststellen van normen door de Minister.

In het tweede lid wordt aangegeven welke normen de Minister kan vaststellen. Deze kunnen de omzetting van binnen de Gemeenschap geharmoniseerde normen inhouden, dan wel nationale normen van Nederland op gebieden waarvoor geen geharmoniseerde normen bestaan. Het gaat hier om nationale normen die via de procedure van artikel 8 van de richtlijn voor Europese toepassing zijn geaccepteerd en het vermoeden van overeenstemming met de in artikel 3 bedoelde beschermingseisen opleveren. De referenties van de door de minister vastgestelde normen worden bekendgemaakt in de Staatscourant. Ook nationale normen van andere lid-staten van de Europese Unie of andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen via de zojuist genoemde procedure van artikel 8 van de richtlijn voor Europese toepassing zijn geaccepteerd. Op grond van het vierde lid worden de referenties van deze normen eveneens bekend gemaakt in de Staatscourant. Er is echter naar gestreefd voor het gehele terrein van het besluit geharmoniseerde normen tot stand te brengen, hetgeen veel tijd kost. Met het oog daarop was in Europees verband de afspraak gemaakt dat in afwachting van de totstandkoming van geharmoniseerde normen op het terrein van EMC geen nationale normen zullen worden ontwikkeld. Voor zover bekend zijn er geen nationale normen bekendgemaakt.

Inmiddels zijn voor bijna alle produkten geharmoniseerde normen opgesteld. Emissienormen zijn voor verschillende groepen apparaten opgesteld. Slechts voor radio-elektrische zendinrichtingen zijn nog geen normen vastgesteld en voor zware industriële apparaten zijn nog geen immuniteitsnormen vastgesteld. De referenties van deze geharmoniseerde normen worden eerst in het Publikatieblad bekendgemaakt. Vervolgens worden deze normen door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) overgenomen. Het NNI maakt er Nederlandse normen van door «NEN» voor de referenties te zetten. Daarna publiceert de Minister van Verkeer en Waterstaat de referenties van deze Nederlandse normen in de Staatscourant. Een aantal normen is reeds gepubliceerd.

De EMC-eisen die thans op grond van hoofdstuk III van de wet gelden voor de radio-elektrische inrichtingen, draadomroep- en kabelinrichtingen en krachtens hoofdstuk IV van de wet voor randapparatuur, zullen worden ingetrokken.

Artikel 5

Artikel 5 houdt het vermoeden in dat apparaten die, blijkens een certificatiemiddel, voldoen aan de op basis van artikel 4 vast te stellen dan wel bekend te maken normen, tevens voldoen aan de beschermingseisen, zoals neergelegd in artikel 3. Dit vermoeden geldt eveneens indien op andere wijze aannemelijk wordt gemaakt dat aan de beschermingseisen is voldaan. Deze mogelijkheid zal in de toelichting op artikel 6, dat gaat over de certificatiemiddelen, nader worden uiteengezet.

Het voordeel van normen is dat zij voor fabrikanten een handzame leidraad zijn voor de vervaardiging van apparaten. Ook voor de toezichthoudende instantie zijn deze normen van belang. In de regel zal een apparaat dat in overeenstemming met de relevante normen is vervaardigd, geen aanleiding geven tot optreden. Anders gezegd: de toezichthoudende instantie zal bij een dergelijk apparaat uitgaan van de vooronderstelling dat het aan de beschermingseisen voldoet. Het kan echter ook voorkomen dat een apparaat niet aan de beschermingseisen voldoet. Indien een dergelijke situatie blijkt naar aanleiding van controlemetingen, voorziet artikel 16 in het verbod deze apparaten, die ondanks de aanwezigheid van de vereiste certificatiemiddelen niet aan de beschermingseisen voldoen, te verhandelen. De toelichting op dat artikel gaat nader in op een dergelijke situatie.

Artikel 6

Artikel 6 betreffende certificatiemiddelen, houdt de formele eisen in, die in acht genomen moeten worden bij het in de handel brengen en het verhandelen van apparaten.

Het eerste lid bepaalt dat apparaten uitsluitend in de handel mogen worden gebracht en verhandeld indien zij zijn voorzien van een CE-markering van overeenstemming. Deze aanduiding is opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit. De procedurevoorschriften, waarvan de inachtneming het recht en de plicht geeft tot het aanbrengen van de CE-markering, strekken ertoe bij te dragen aan de situatie dat in de handel gebrachte, verhandelde en in gebruik genomen apparaten voldoen aan de beschermingseisen. De aanwezigheid van deze aanduiding houdt het vermoeden in dat het betreffende apparaat aan de beschermingseisen voldoet.

Het tweede lid is van belang voor apparaten waarvan het gebruik om redenen van EMC, beperkingen met zich meebrengt. Deze bepaling houdt verband met de omgeving waarin de apparaten worden gebruikt. Dergelijke apparaten moeten behalve van de aanduiding eveneens worden voorzien van de informatie die in de voor deze apparaten relevante normen is voorgeschreven, teneinde te bereiken dat de gebruiker op de hoogte is van de gebruiksbeperkingen van de betreffende apparaten.

Het derde lid bepaalt de plaats waar de CE-markering moet worden aangebracht. Dit dient te gebeuren op het apparaat, op de verpakking of op de bij het apparaat behorende bescheiden. In dit lid is tevens een verbod opgenomen om verwarrende aanduidingen, vermeldingen of vaststellingen te bezigen.

In het vierde lid is het gedifferentieerde richtlijn-systeem neergelegd, voorkomend in artikel 10 van de richtlijn, waarin fabrikanten in beginsel de keuze hebben de relevante normen toe te passen of, zonder toepassing van de normen op andere wijze aan de beschermingseisen te voldoen.

In het geval de fabrikant de apparaten met inachtneming van de betreffende normen heeft vervaardigd, dient de overeenstemming van de apparaten met de beschermingseisen te worden bekrachtigd door de afgifte van een EG-verklaring van overeenstemming, waarna de aanduiding wordt aangebracht. De gegevens die een EG-verklaring van overeenstemming moet bevatten, zijn opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit.

In het geval de fabrikant ervoor kiest om zonder inachtneming van normen het apparaat aan de beschermingseisen te laten voldoen, wordt een aantal extra handelingen vereist om het vermoeden dat het apparaat aan de beschermingseisen voldoet in het leven te roepen. Dat wil zeggen extra ten opzichte van de handelingen die vereist zouden zijn, ingeval hij de normen had gevolgd: er dient alsdan een technisch constructiedossier te worden samengesteld waarvan deel uitmaakt een technisch verslag of certificaat dat is verkregen van een bevoegde instantie die overeenkomstig hoofdstuk VI van het besluit is erkend. Het constructiedossier moet de ontwerpgegevens bevatten en de resultaten van eventuele beproevingen van het apparaat, alsmede gegevens betreffende de wijze waarop is verzekerd dat de apparaten overeenstemmen met de beschermingseisen.

Voor apparaten bestemd voor het uitzenden van radiocommunicatie (met uitzondering van zendinrichtingen van radiozendamateurs), dient de fabrikant bovendien een typeverklaring te hebben verkregen, waarna de overeenstemming van de apparaten met de beschermingseisen dient te worden bekrachtigd door de afgifte van een EG-verklaring van overeenstemming en de aanduiding wordt aangebracht.

Het vijfde lid beoogt te voorkomen dat apparaten van de aanduiding worden voorzien, indien zij niet tevens aan de voorschriften voldoen die andere richtlijnen stellen, die eveneens voorzien in het aanbrengen van deze aanduiding. De aanwezigheid van een CE-markering geeft dus aan dat aan de voorschriften van alle richtlijnen die op het apparaat van toepassing zijn is voldaan.

Indien echter in een of meer van deze richtlijnen gedurende een overgangsperiode de fabrikant de keuze van de toe te passen regeling wordt gelaten, geeft de CE-markering alleen aan dat aan de voorschriften van de door de fabrikant toegepaste richtlijnen is voldaan. In dat geval moeten de in het Publikatieblad bekendgemaakte referenties van de toegepaste richtlijnen worden vermeld op de door deze richtlijnen vereiste documenten, handleidingen of gebruiksaanwijzingen die bij deze apparaten gevoegd zijn. Dit vloeit voort uit de bepalingen van richtlijn 93/68/EEG, waarmee de CE-markering van overeenstemming in de verschillende nieuwe aanpak richtlijnen wordt geharmoniseerd.

Het zesde en zevende lid leggen aan degene die het apparaat in de handel brengt, administratieve verplichtingen op. Dit houdt in dat hij zowel de EG-verklaring van overeenstemming als het constructiedossier, indien de procedure van het vierde lid, onderdeel b, wordt gevolgd, tien jaar na het in de handel brengen van het apparaat ter beschikking van de minister moet houden. Concreet betekent dit dat de EG-verklaring van overeenstemming in de eigen administratie van de fabrikant of importeur in Europa aanwezig dient te zijn. Het constructiedossier moet in het bezit zijn van de fabrikant, maar hoeft, in het geval de fabrikant buiten Europa is gevestigd, niet bij de importeur aanwezig te zijn.

Artikelen 7 tot en met 11

De artikelen 7 tot en met 11 vormen samen hoofdstuk IV van het besluit en geven de procedure voor het verkrijgen van een EG-typeverklaring voor zendinrichtingen. Op grond van artikel 6, vierde lid, onder c, dient voor zendinrichtingen namelijk voorafgaande aan het afgeven van een verklaring van overeenstemming, een dergelijke typeverklaring te worden verkregen.

In de toekomst zal sprake zijn van twee parallel lopende procedures voor het keuren van zendinrichtingen: De nieuwe, in dit besluit neergelegde procedure voor de toelating door middel van een EG-typeverklaring van zendinrichtingen met betrekking tot de elektromagnetische compatibiliteit en de reeds bestaande procedure volgens het Besluit radio-elektrische inrichtingen van 5 december 19881, ter verkrijging van de verklaring van toelating voor de overige (niet-EMC) eigenschappen. De artikelen 7 tot en met 11 zijn geënt op de artikelen C.5.1 t/m C.6.4 van het Besluit radio-elektrische inrichtingen.

Een verschil tussen beide procedures is dat in plaats van de verklaring van toelating waarin de procedure van het Besluit radio-elektrische inrichtingen uitmondt, in het onderhavige besluit sprake is van de EG-typeverklaring. Een ander, zij het puur theoretisch verschilpunt is dat de verklaring van toelating wordt afgegeven door de minister terwijl de EG-typeverklaring wordt afgegeven door een zogenaamde «aangemelde instantie». Dit is een instantie die volgens de definitie van artikel 1, onderdeel g, door Onze Minister conform artikel 10, zesde lid, van de richtlijn is aangemeld. Als zodanig heeft Nederland de Minister van Verkeer en Waterstaat (Directie Operationele Zaken van de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post) aangemeld. De verklaringen van toelating worden eveneens door deze directie namens de minister afgegeven. Praktisch gezien verandert er op dit moment dus niets. Zowel de EG-typeverklaring als de verklaring van toelating worden door de minister afgegeven.

Opgemerkt moet worden dat de procedure voor het verkrijgen van een EG-type-verklaring voor een apparaat door de fabrikant of importeur binnen de EG slechts eenmaal doorlopen behoeft te worden. Nadat de EG-typeverklaring is verkregen dient een verklaring van overeenstemming te worden opgesteld. Zoals reeds eerder opgemerkt rust daarna op de fabrikant of importeur het recht en de plicht tot het aanbrengen van de aanduiding.

Op basis van artikel 11, onderdeel a, zal een EG-typeverklaring slechts worden ingetrokken indien het apparaat niet meer voldoet aan de normen of criteria bij de test op basis waarvan de EG-typeverklaring is afgegeven. Het moet gaan om belangrijke zaken zoals afwijkingen aan het apparaat waarvan gebruik bedreigend zou kunnen zijn voor de etherorde (gebruik van een verkeerde frequentie of het afgeven van ongewenste signalen).

Artikel 12

In het geval de fabrikant ervoor heeft gekozen om het apparaat buiten toepassing van normen aan de beschermingseisen te laten voldoen, is een technisch verslag of een certificaat van een bevoegde instantie vereist, dat moet worden opgenomen in het samen te stellen constructiedossier. Het gaat hier om de procedure beschreven in artikel 6, vierde lid, onder b. Artikel 12, regelt de afgifte van de zojuist genoemde documenten in het geval de test of het onderzoek uitwijst dat het betreffende apparaat aan de beschermingseisen voldoet. De bevoegde instantie kan het apparaat aan een onderzoek onderwerpen, maar kan zonodig ook volstaan met een beoordeling van de in het technische constructiedossier neergelegde gegevens.

Artikelen 13 en 14

Deze artikelen regelen de erkenning en voorlopige erkenning van bevoegde instanties en testinstellingen.

In artikel 13, eerste lid, is een expliciete verwijzing opgenomen naar de voorwaarden, neergelegd in bijlage 4 bij het besluit. Deze bijlage is overgenomen van bijlage II bij de richtlijn. De voorwaarden in deze bijlage worden behalve op bevoegde instanties ook toegepast op de testinstellingen, ondanks het feit dat de richtlijn deze testinstellingen niet kent. Deze onbekendheid vloeit voort uit het feit dat de rol van de testinstellingen, zijnde het afgeven van verklaringen van conformiteit, is afgeleid van een nationale regeling, namelijk het Besluit radio-elektrische inrichtingen. Zoals in de toelichting op de artikelen 7 tot en met 11 al is uiteengezet, dient een testinstelling eveneens een verklaring van conformiteit af te geven ter verkrijging van de verklaring van toelating voor de niet-EMC-eigenschappen. Uit een oogpunt van uniformiteit van de erkenningsregelingen op grond van de wet is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de erkenningsregeling zoals neergelegd in het Besluit radio-elektrische inrichtingen.

Voor de erkenning van bevoegde instanties en testinstellingen bestaan geharmoniseerde normen (EN 45001). In Nederland ligt het in de bedoeling de Stichting erkenning laboratoria (Sterlab) als accreditatie-instelling op dit terrein aan te wijzen, zoals dat ook gebeurd is bij de erkenningsregels van het Besluit radio-elektrische inrichtingen. De door Sterlab bij de accreditatie van bevoegde instanties en testinstellingen gehanteerde normen zijn gebaseerd op de EN 45001-norm.

In het tweede lid wordt de mogelijkheid geopend de erkenning tot bepaalde categorieën apparaten te beperken. Dit ligt in dit geval voor de hand, nu het besluit en daarmee de keuringen een zeer breed assortiment apparaten omvatten. Een zekere specialisatie per instituut of de mogelijkheid in elk geval bepaalde categorieën apparaten van de werkzaamheden van een bepaald instituut uit te sluiten, ligt dan ook in de rede.

Ook de richtlijn kent deze mogelijkheid (artikel 10, zesde lid, tweede alinea).

Artikel 14 voorziet in de mogelijkheid van een voorlopige erkenning.

Deze mogelijkheid is niet gebonden aan een bepaalde periode na de inwerkingtreding van het besluit: bij het tot stand komen van nieuwe dan wel de latere aanmelding van reeds bestaande bevoegde instanties of testinstellingen, kan de behoefte aan een voorlopige erkenning zich evenzeer doen gevoelen.

In het eerste lid, onder b, wordt uitdrukkelijk als eis gesteld, niet alleen dat een aanvraag voor accreditatie is ingediend, maar ook dat de accreditatie-instelling daarop voorlopig positief heeft geadviseerd.

Op grond van dit advies en uit andere informatie kan de minister dan tot het oordeel komen bedoeld onder c van het eerste lid, namelijk dat de bevoegde instantie of testinstelling voor de afloop van de periode van voorlopige erkenning aan alle noodzakelijke vereisten zal voldoen.

De periode van voorlopige erkenning dient door de minister op grond van het tweede lid te worden vastgesteld, mede in aanmerking nemend de tijd die de betreffende instelling nodig zal hebben zich volledig te ontwikkelen. Een eenmalige verlenging van deze periode met maximaal een jaar is mogelijk, doch alleen als de betreffende instelling zich voldoende inspant voor het bereiken van een situatie waarin aan alle eisen wordt voldaan. Het is duidelijk dat in het belang van degenen die gebruik maken van de diensten van de testinstellingen, perioden van voorlopige erkenning zo kort mogelijk dienen te zijn.

Tenslotte dient nog te worden opgemerkt dat de richtlijn de vrijheid laat aan de nationale overheden om bevoegde instanties te erkennen of om geheel van de erkenning van bevoegde instanties af te zien. In het laatste geval zijn de fabrikanten en importeurs in het betreffende land verplicht voor het testen van hun apparaten naar een bevoegde instantie in een ander land dat deel uitmaakt van de EER, uit te wijken.

De Nederlandse overheid heeft gekozen voor de mogelijkheid van erkenning van bevoegde instanties. Van de diensten van deze instanties kan behalve door fabrikanten en importeurs in Nederland, ook gebruik worden gemaakt door fabrikanten en importeurs die gevestigd zijn in andere landen binnen de EER. Uiteraard blijven Nederlandse fabrikanten en importeurs gerechtigd, indien zij dit verkiezen, keuringsinstellingen in andere landen die deel uitmaken van de EER, in te schakelen.

Het besluit beschouwt keuringen die zijn gedaan door bevoegde instanties in die andere landen als gelijkwaardig aan keuringen verricht door Nederlandse bevoegde instanties.

Artikel 16

Dit artikel geeft een nadere invulling aan artikel 30, tweede lid, onder b, van de wet. Het voorziet in een middel om actief in de handel in te grijpen, indien ten aanzien van een apparaat het vermoeden, neergelegd in artikel 5, niet juist blijkt te zijn. Op grond van het bepaalde in de richtlijn zijn de lid-staten namelijk verplicht alle dienstige maatregelen te treffen om er voor te zorgen dat apparatuur die wel voorzien is van de nodige certificatiemiddelen maar niet aan de beschermingseisen voldoet, uit de handel te nemen, het in de handel brengen te verbieden en het vrije verkeer ervan te beperken. Indien aan de hand van controlemetingen een dergelijke situatie wordt geconstateerd wordt hiervan zo snel mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan degene die het betreffende apparaat onder zich heeft en zal de minister daarvan zo spoedig mogelijk mededeling doen in de Staatscourant. Daarna zal moeten worden nagegaan waar de oorzaak voor de discrepantie tussen de certificatiemiddelen en de feitelijke eigenschappen van het apparaat moet worden gezocht. De oorzaak kan liggen in een leemte in de normen, een verkeerde toepassing daarvan of het niet in acht nemen van de beschermingseisen in het geval de normen niet zijn toegepast.

Volgens het derde lid is met ingang van de dag na bekendmaking het verhandelen van het betreffende apparaat verboden. Het in strijd handelen met dit verbod is strafbaar gesteld in artikel 23, onder a. Het in de handel brengen van dergelijke apparaten is reeds verboden op grond van artikel 30a, eerste lid, van de wet.

Artikelen 17 tot en met 20

Deze artikelen geven uitvoering aan het bepaalde in artikel 30b en artikel 48, eerste lid, van de wet.

De gebruiksbepalingen vormen het sluitstuk van de regeling in het onderhavige besluit. Zij beogen te bewerkstelligen dat alleen apparaten die voldoen aan de beschermingseisen en zijn voorzien van de CE-markering in gebruik worden genomen of worden gebruikt. Toch is het mogelijk dat een apparaat dat wel aan de beschermingseisen voldoet, desondanks storing veroorzaakt of dreigt te gaan veroorzaken.

In dergelijke situaties kan de minister, op grond van artikel 30 b, tweede lid, onder a, van de wet, aanwijzingen aan de gebruiker geven. Deze aanwijzingen kunnen het apparaat zelf betreffen, maar ook de wijze van plaatsing van het apparaat en de omgeving van het apparaat. Er kan zelfs een gebruiksverbod voor een bepaalde omgeving worden gegeven.

Het tweede lid is een nadere invulling van artikel 30b, tweede lid, onder b. Het schept de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan een machtiging voor apparaten die op grond van hoofdstuk III (Telecommunicatie-inrichtingen) is afgegeven, ter opheffing of voorkoming van deze storingen. Deze voorschriften kunnen dezelfde onderwerpen betreffen als de aanwijzingen die de minister kan geven.

Een aanwijzing wordt volgens het vierde lid slechts in een concreet geval gegeven waarin daadwerkelijk storing is te verwachten of wordt veroorzaakt. Een aanwijzing legt aan de gebruiker van het apparaat die eisen op, die verband houden met de omgeving waarin dat apparaat wordt gebruikt.

In afwijking van het vierde lid bepaalt het vijfde lid dat een aanwijzing alle noodzakelijke maatregelen kan opleggen indien een apparaat storing veroorzaakt in de werking van de telecommunicatie-infrastructuur en in om veiligheidsredenen gebruikte zend- en ontvangstations. Hier kunnen aanwijzingen worden gegeven als bedoeld in het tweede lid, maar deze kunnen verder gaan dan op grond van het vierde lid nodig is. Dit betekent dat wel een lager storingsniveau kan worden voorgeschreven. Als voorbeelden kunnen worden genoemd radiozend- en ontvangstations, zoals Radio Scheveningen en Kootwijk. Het kan ook gaan om een radiozend- en ontvangstation van een brandweerkazerne.

Artikel 18 geeft regels ten aanzien van de aanwijzingen die de minister kan geven volgens artikel 17, eerste lid, en artikel 48, eerste lid, van de wet. Zoals reeds opgemerkt betreft artikel 17 de situatie dat een apparaat dat wel aan de beschermingseisen voldoet, desondanks storing veroorzaakt of dreigt te gaan veroorzaken. Artikel 48 betreft de situatie dat een apparaat niet aan de beschermingseisen voldoet en storingen veroorzaakt of dreigt te gaan veroorzaken. De regels van artikel 18 houden in dat degene die een aanwijzing van de minister heeft gekregen, deze verplicht is op te volgen binnen de daarbij gestelde termijn en met inachtneming van de daarbij gestelde eisen.

Artikel 19 geeft uitvoering aan artikel 30b, tweede lid, onder c, van de wet. Ook in dit artikel gaat het om op een bepaalde plaats te verwachten of bestaande problemen. Het gaat hier om categorieën apparaten waarbij problemen in een concrete opstelsituatie door de aard van het apparaat zozeer zijn te voorzien dat het instrument van de aanwijzing tekort zou schieten. Hetzelfde kan gezegd worden over het gebruik van apparaten in bepaalde omgevingen waarvoor zij niet zijn bedoeld. Onder «buitengewoon gevoelige omgevingen» wordt verstaan omgevingen waar zeer zwakke signalen moeten worden ontvangen. Als voorbeelden kunnen worden genoemd luchtvaartterreinen en radio-astronomie-stations.

Deze apparaten lenen zich niet in alle gevallen voor toepassing van de beschermingseisen, zoals vermeld in de normen. Gekozen is voor een machtigingsregime dat de mogelijkheid biedt om op basis van een machtiging het gebruik van een apparaat in een omgeving waarvoor het niet bestemd is toe te staan. Met behulp van een machtiging kunnen tevens extra eisen worden gesteld aan een dergelijk apparaat en kan het gebruik van deze apparaten onder controle worden gehouden.

Artikel 20 tenslotte, geeft uitvoering aan het bepaalde in artikel 30b, eerste lid, onder b. Het bevat de regeling voor het behandelen van klachten over storingen die door apparaten worden veroorzaakt in andere apparaten. De nader door de minister te stellen regels zullen onder meer betrekking hebben op de wijze waarop een klacht dient te worden aangemeld, de ontvankelijkheid en de afdoening van de klacht, evenals de vergoedingen.

Artikel 21

In dit artikel worden nadere voorschriften gegeven voor de betaling van een aantal vergoedingen die verschuldigd zijn op basis van artikel 41, eerste lid, van de wet.

Het eerste lid betreft de kosten die gemoeid zijn met het verlenen van een machtiging, als bedoeld in artikel 19, de typekeuring, het verlenen van erkenningen alsmede het toezicht op de naleving daarvan. Deze kosten dienen bij vooruitbetaling te worden voldaan.

Het tweede lid voegt daar aan toe dat de kosten die het toezicht op de naleving van de machtigingsvoorwaarden betreffen, per periode van twaalf maanden zijn verschuldigd. Het gaat dus niet om een eenmalige bijdrage.

Op grond van het derde lid kunnen de kosten van de behandeling van klachten over storingen in rekening worden gebracht aan de klager, zijnde de houder van het apparaat dat storing ondervindt. Dit zal echter slechts het geval zijn indien het apparaat dat storing ondervindt zelf niet voldoet aan de beschermingseisen. Veelal zullen de kosten in rekening worden gebracht aan de houder van het storende apparaat. De ministeriële regeling «klachtbehandeling elektrische en elektronische apparatuur» zal hier verder uitvoering aan geven.

Het vierde lid betreft de kosten voor het verrichten van de controlemetingen bedoeld in artikel 16, eerste lid, ingeval van niet naleving van de beschermingseisen. Deze kosten worden aan de overtreder in rekening gebracht. Dit kan zijn degene die de apparaten in de handel heeft gebracht of degene die de apparaten heeft verhandeld. Het is echter voorzienbaar dat in sommige gevallen beide personen als overtreder kunnen worden aangemerkt. In die gevallen zijn deze twee personen de vergoeding hoofdelijk verschuldigd. De bedoelde middelen zullen niet alleen bestaan uit het inzetten van personeel en bijbehorend materieel, maar ook uit keuringen van representatieve apparaten. De omstandigheden waaronder deze keuringen plaatsvinden kunnen van geval tot geval sterk verschillen. Er zal voor de keuringen een vaststaand, gemiddeld tarief worden berekend.

Op grond van het vijfde lid dienen de in het derde en vierde lid bedoelde kosten binnen een termijn van dertig dagen na dagtekening te worden voldaan. Het is vanwege de aard van de door de overheid te verrichten handelingen niet mogelijk de daarvoor verschuldigde vergoedingen bij vooruitbetaling te laten voldoen.

Artikel 22

Dit artikel bevat de nadere regeling met betrekking tot de jaarlijkse bijdrage, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 41, tweede lid, van de wet van gebruikers van zendinrichtingen wordt gevraagd ter dekking van de kosten die worden gemaakt door de overheid ter waarborging van een «storingvrij» gebruik van frequenties.

Het eerste lid bepaalt dat gebruikers van zendinrichtingen een jaarlijkse bijdrage verschuldigd zijn. «Gebruikers van zendinrichtingen» kunnen worden onderverdeeld in twee hoofdcategorieën. De eerste hoofd-categorie gebruikers zijn enerzijds gebruikers die in het bezit zijn van een machtiging voor bijvoorbeeld mobilofonen, portofonen, satellietzenders, amateurzenders en dergelijke en anderzijds vergunninghouders voor bijvoorbeeld het exploiteren van GSM- en ERMES-netwerken. De tweede hoofd-categorie zijn de zogenaamde «grootgebruikers», welke als concessiehouder of op grond van artikel 17, tweede lid, onder b, en artikel 28 van de wet of op grond van artikel 2 van de Radio-Omroep-Zender-Wet van een machtiging zijn vrijgesteld. Op dit moment zijn dat: KPN, Nozema NV, Defensie, de Luchtverkeersbeveiliging en de Politie. Deze «grootgebruikers» zijn elk een individuele categorie.

De eerste hoofdcategorie betaalt thans reeds een bijdrage op grond van de wet, zowel voor wat betreft het aspect elektromagnetische compatibiliteit als ook voor overige aspecten (machtigingverlening en toezicht op het gebruik).

De tweede hoofdcategorie heeft tot dusverre geen bijdrage betaald. Een uitzondering hierop vormt de omroep.

De bijdrage die de Minister (lees: Staatssecretaris) van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, thans ten behoeve van de handhaving van de etherorde, op grond van artikel 28, onder h, van de Mediawet aan de Minister van Verkeer en Waterstaat betaalt, omvat naast de kosten die betrekking hebben op de handhaving van aspecten van elektromagnetische compatibiliteit, tevens kosten inzake het beheer van het frequentiespectrum. De bijdrage voor elektromagnetische compatibiliteit zal met de inwerkingtreding van dit besluit niet meer op grond van artikel 28, onder h, van de Mediawet worden betaald, maar op grond van het onderhavige artikel van dit besluit. Bovendien zal deze bijdrage niet meer verschuldigd zijn door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, maar door de gebruikers van de omroepzenders. Voor het overige gedeelte van de kosten zal de aanrekening op de oude voet worden voortgezet.

In het tweede lid wordt geregeld dat gebruikers van zendinrichtingen waarvoor op grond van artikel 17, tweede lid, onder a, van de wet geen machtiging vereist is en die – mede als gevolg van het ontbreken van enigerlei vorm van registratie – alleen tegen zeer hoge kosten kunnen worden geïdentificeerd, geen bijdrage verschuldigd zijn. Indien men deze gebruikers toch wenst te identificeren, zal de door hen te betalen bijdrage niet opwegen tegen de voor de identificatie van deze gebruikers gemaakte kosten. Kosten die van overheidswege voor deze gebruikers worden gemaakt worden niet aan de onder het eerste lid vallende gebruikers van zendinrichtingen in rekening gebracht, maar komen voor rekening van het Rijk. Overigens kan hierbij worden opgemerkt dat het hier in zijn totaliteit gaat om ethergebruik met een gering frequentiebeslag zodat de kosten voor het Rijk marginaal zullen zijn.

Overeenkomstig de regeling van het derde lid wordt voor een kalenderjaar – uitgesplitst naar produktgroep en naar categorie van gebruikers van zendinrichtingen – een berekening gemaakt van de totale kosten die voor het betreffende kalenderjaar naar verwachting voor de overheid zullen voortvloeien uit de bemoeienis met de elektromagnetische compatibiliteit.

Bij de uitsplitsing naar «produktgroep» moet worden gedacht aan bijvoorbeeld: vaste verbindingen, mobiele verbindingen, radiodeterminatie en omroep.

Bij de uitsplitsing naar gebruikerscategorieën moet worden gedacht aan machtiginghouders, defensie, politie enz. Dit is reeds opgemerkt in de toelichting bij het eerste lid.

De reden van deze uitsplitsing is dat hiermee zo dicht mogelijk wordt aangesloten bij de bestaande systematiek van kostentoerekening zoals die wordt gehanteerd voor niet-EMC-kosten.

Bij het voorgaande dienen de kosten, die reeds uit anderen hoofde dan door de jaarlijkse bijdrage worden gedekt, waaronder de kosten die op grond van wetsovertreding dan wel in het kader van klachtbehandeling direct worden toegerekend, buiten beschouwing te blijven. De tweede volzin van het derde lid voorziet daarin.

Het vierde lid bepaalt dat aan gebruikers van zendinrichtingen, die binnen een bepaalde categorie van gebruikers de enige gebruiker zijn, de verschuldigde bijdrage in zijn geheel in rekening wordt gebracht. Het gaat hier om de in het eerste lid bedoelde grootgebruikers (met uitzondering van Nozema NV). Deze bijdrage kan zijn opgebouwd uit deelbijdragen voor bepaalde produktgroepen. Een grootgebruiker kan namelijk een bijdrage verschuldigd zijn die is opgebouwd uit bijdragen voor bijvoorbeeld vaste verbindingen en mobiele verbindingen.

Het vijfde lid bepaalt dat wanneer – in tegenstelling tot het vierde lid – sprake is van meerdere gebruikers binnen een gebruikerscategorie, de kosten worden toegerekend overeenkomstig het bepaalde in het zesde en zevende lid. Momenteel zijn er meerdere gebruikers in de gebruikerscategorie van machtiging- en vergunninghouders en in de gebruikerscategorie omroep.

Het zesde lid geeft aan volgens welk principe de individuele toerekening plaatsvindt per gebruiker van niet-omroepzenders.

Uitgangspunt voor de berekening vormen de kosten die op basis van het derde lid zijn vastgesteld. De kosten per produktgroep worden omgeslagen op basis van het gemiddelde aantal zenders dat de gebruiker ter beschikking heeft. Iedere gebruiker in een bepaalde produktgroep betaalt dus eenzelfde bijdrage. Het is echter mogelijk dat in een bepaalde produktgroep het aantal zenders per gebruiker sterk varieert. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de produktgroep mobiele verbindingen. Gebruikers van deze groep zijn o.a. de taxicentrales (met gemiddeld 10 zenders) en de marifoongebruikers (met gemiddeld 1 zender). In dit geval is het niet redelijk dat iedere gebruiker eenzelfde bijdrage betaalt. Daarom is ervoor gekozen om, indien het aantal zenders per gebruiker in een bepaalde produktgroep sterk varieert, de betreffende produktgroep op te delen in subgroepen. Gebruikers met eenzelfde gemiddelde aantal zenders worden gekoppeld aan één subgroep. Per subgroep wordt nu de bijdrage per gebruiker bepaald. Deze bijdrage is voor iedere gebruiker in eenzelfde subgroep hetzelfde.

Het zevende lid geeft aan volgens welk principe de individuele toerekening per gebruiker van omroepzenders plaatsvindt. Zoals reeds uit de toelichting op het eerste lid blijkt zal met de inwerkingtreding van dit besluit de categorie «omroep» niet meer bestaan uit één gebruiker (namelijk Nozema NV), maar uit meerdere gebruikers van omroepzenders. De gebruiker van omroepzenders betaalt naar rato van het aantal zenders dat hij in gebruik heeft. Gelet echter op de zeer grote verschillen in de mate waarin omroepzenders beslag leggen op de beschikbare frequentieruimte is tevens voorzien in differentiatie naar frequentiebeslag. Het is immers niet redelijk een kleine zender, bedoeld voor de verzorging van een gemeente, dezelfde kosten aan te rekenen als een zender voor landelijke dekking. De zenders worden afhankelijk van de mate van het frequentiebeslag verdeeld in clusters. De factoren die de mate van het frequentiebeslag bepalen zijn zendvermogen, antennehoogte, modulatie en bandbreedte. De kosten die op basis van het derde lid zijn vastgesteld worden (middels een wegingsfactor) verdeeld over de clusters. Per cluster worden vervolgens de kosten per zender berekend. De bijdrage van een gebruiker is dus afhankelijk van het aantal en de soort zenders die hij heeft.

Artikel 23

In dit artikel zijn slechts twee handelingen als strafbare feiten aangemerkt. Dit vloeit voort uit hetgeen reeds in de memorie van toelichting bij de onderhavige wet is opgemerkt, namelijk dat het systeem van de wet geen strafsancties kent bij het niet naleven van ministeriële aanwijzingen of machtigingsvoorschriften. In die gevallen gaat het namelijk om handelingen van gebruikers. De strafrechtelijke sancties beogen met name de handel te treffen. Het beperken van het aantal strafbaar te stellen feiten komt overeen met het kabinetsstandpunt inzake «Handhaving door bestuurlijke boeten» (Kamerstukken II 1993/94, 23 400 VI nr. 48).

Artikelen 24 en 25

De door de artikelen 24 en 25 in andere besluiten aangebrachte wijzigingen betreffen de overbrenging van de EMC-aspecten van die besluiten alsmede de klachtenregelingen met betrekking tot elektromagnetische storingen die daarin zijn neergelegd, naar het onderhavige besluit. De toelichting op de systematische herindeling die daaraan ten grondslag ligt, is opgenomen in de memorie van toelichting bij het onderhavige voorstel van wet.

Artikel 27

De voorgestelde wijziging van het Aanwijzingsbesluit bestuursorganen Wob en WNo strekt ertoe de ingevolge artikel 13 erkende dan wel ingevolge artikel 14 voorlopig erkende bevoegde instanties, die moeten worden aangemerkt als zelfstandige bestuursorganen, onder de werking van de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman te brengen.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

W. Kok

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

BIJLAGE 1 Bij de NOTA VAN TOELICHTING

Transponeringstabel

Richtlijn 89/336/EEGWTV en EMC-besluit
ArtikelenArtikelen
1, leden 1, 2 en 41, l t/m n, WTV
leden 3, 5 en 61, e, i en l
2, lid 130c, lid 2, onder a, WTV, 2, lid 1, onder a
lid 230c, lid 2, onder b, WTV, 2, lid 1, onder b
lid 32, lid 2
3, 4 en 530, lid 1, lid 2, onder a en lid 3 en 30a WTV 3, 13 t/m 15
6, lid 1, onder a30b, lid 2 WTV 17, lid 1 t/m 4, 18, 19 en 23, onder b
onder b30b, lid 1, onder a, WTV 17, lid 5
leden 2 en 3behoeven geen implementatie
7, leden 1, 2 en 3behoeven geen implementatie
8behoeft geen implementatie
9, lid 1, eerste alinea30, lid 2, onder b, WTV 16, 23, onder a
rest lid 1 en lid 2behoeven geen implementatie
lid 330a, eerste lid en 50 WTV
lid 4behoeft geen implementatie
10, leden 1 en 26, m.u.v. lid 4, onder c, 12
vijfde volzin van lid 25
lid 3 (vervallen door richtlijn 92/31/EEG)  
lid 4 (vervallen door richtlijn 91/263/EEG) 
lid 56, lid 4, onder c, 7 t/m 11
lid 6behoeft geen implementatie
11behoeft geen implementatie
12behoeft geen implementatie
Richtlijn 92/31/EEGIII van de wijzigingswet WTV

XNoot
1

Stb. 1988, 552, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 december 1993, Stb. 776.

XNoot
2

Stb. 1988, 553, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 februari 1995, Stb. 118.

XNoot
3

Stb. 1988, 554.

XNoot
4

Stb. 1995, 341.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 12 september 1995, nr. 176.

XNoot
1

Stb. 1988, 554.

XNoot
1

Stb. 1988, 552.