Besluit van 20 juni 1995, houdende voorlopige verlenging van de werkingsduur van het besluit van 21 september 1994, houdende enkele tijdelijke voorzieningen van het bestuur van het eilandgebied Sint Maarten van de Nederlandse Antillen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken a.i., van 16 juni 1995, nr. 952220;
Gelet op artikel 12, tweede lid, van het besluit van 21 september 1994 (Stb. 1994, 701; PbNA 109; Ab.St. Maarten 18);
De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Het besluit van 21 september 1994 (Stb. 1994, 701; PbNa 109; Ab.St. Maarten 18) vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1995.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 juni 1995
Beatrix
De Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken a.i.,
G. Zalm
Uitgegeven de zevenentwintigste juni 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA VAN TOELICHTING
Bij algemene maatregel van rijksbestuur (koninklijk besluit van 21 september 1994, Stb. 1994, 701; PbNA 109; Ab.St. Maarten 18) is het zwaartepunt bij de uitoefening van het hoger toezicht op het bestuur van het eilandgebied Sint Maarten met ingang van 30 september 1994 gelegd bij de regering van de Nederlandse Antillen.
Op grond van dit besluit zou de regering van de Nederlandse Antillen ten behoeve van de ministerraad van het Koninkrijk telkens na vier maanden, dus eind januari jl. en aan het einde van de maand mei, een voortgangsrapportage opstellen omtrent de uitoefening van het hoger toezicht, waarna dan in juni door de raad beraadslaagd zou kunnen worden omtrent het toezicht vanaf 1 juli 1995.
De eerste voortgangsrapportage, over de periode tot en met januari 1995, is op 18 mei 1995 ontvangen en het is nog onzeker wanneer de tweede rapportage, over de periode februari tot en met mei 1995 beschikbaar is. Derhalve is besloten tot voorlopige verlenging van het besluit in afwachting van de complete voortgangsrapportage en de beoordeling daarvan door de raad. Artikel 12, tweede lid, van genoemd besluit van 21 september 1994 biedt daartoe de mogelijkheid.
De Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken a.i.,
G. Zalm