Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 1995, 319Wet

Wet van 31 mei 1995, houdende wijziging van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en van enkele andere wetten inzake samenvoeging van de schoolsoorten onderwijs aan blinde kinderen en onderwijs aan slechtziende kinderen tot de schoolsoort onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs te wijzigen teneinde de schoolsoorten onderwijs aan blinde kinderen en onderwijs aan slechtziende kinderen samen te voegen tot de schoolsoort onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. WIJZIGING VAN DE INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS EN ANDERE WETTEN

ARTIKEL I

De Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsomschrijving van «school» wordt na «of school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: , dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

2. Na de begripsomschrijving van «school» wordt ingevoegd: instelling: instelling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, tweede volzin;.

3. In de begripsomschrijving van «nascholing» wordt aan het slot de punt vervangen door een puntkomma.

4. Toegevoegd wordt een nieuwe begripsomschrijving, luidende:

schoolwerkplan: een schoolwerkplan als bedoeld in artikel 19. Onder schoolwerkplan wordt tevens verstaan instellingswerkplan, tenzij het tegendeel blijkt.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel d, wordt «blinde kinderen;» vervangen door: visueel gehandicapte kinderen;.

2. In het tweede lid vervalt onderdeel e.

C

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het opschrift wordt toegevoegd: ; instellingen.

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het onderwijs bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdelen a tot en met c en f tot en met n, wordt gegeven in scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, verdeeld als aangegeven in die onderdelen. Het onderwijs bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel d, en het onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen die naast een handicap als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, een handicap hebben als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a tot en met c, f en h tot en met m, wordt gegeven in instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen.

D

Na artikel 9b wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9c. Taakstelling instellingen

De taken van een instelling zijn:

a. het geven van speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, of aan meervoudig gehandicapte kinderen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, tweede volzin;

b. het begeleiden door een aan een instelling verbonden leraar van een leerling die zonder deze begeleiding zou zijn aangewezen op het onderwijs dat de instelling verzorgt, alsmede de ondersteuning van een onderwijsinstelling waarop die leerling is geplaatst door een leraar, orthopedagoog, psycholoog of logopedist van de instelling en

c. het verrichten van algemene ondersteuningsactiviteiten ten behoeve van de bevordering van een optimale schoolloopbaan van visueel gehandicapte leerlingen.

E

Aan artikel 19 wordt na het dertiende lid een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 14. Een instelling heeft een instellingswerkplan. Op het instellingswerkplan zijn het eerste tot en met dertiende lid van overeenkomstige toepassing. Het instellingswerkplan vermeldt tevens

    a. welke voorzieningen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9c, onder b, worden getroffen en

    b. de werkwijze ten aanzien van de activiteiten, bedoeld in artikel 9c, onder c, en de wijze waarop wordt nagegaan in hoeverre de gewenste resultaten worden bereikt.

F

Artikel 19a, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. In de tweede volzin wordt «Voor zover het betreft scholen» vervangen door: Voor zover het betreft scholen, niet zijnde instellingen,.

2. In de tweede volzin wordt na «voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: aan scholen, niet zijnde instellingen.

3. In de derde volzin wordt «het speciaal onderwijs van scholen» vervangen door: het speciaal onderwijs van scholen, niet zijnde instellingen,.

G

In artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, wordt «scholen voor speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» vervangen door: scholen voor speciaal onderwijs of scholen dan wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

H

In artikel 30b, zesde lid, derde volzin, wordt «instelling» vervangen door: school.

I

In artikel 32, eerste lid, vierde volzin, wordt na «een school voor voortgezet speciaal onderwijs,» ingevoegd: een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,.

J

In artikel 37a wordt de zinsnede «van scholen of afdelingen voor voortgezet speciaal onderwijs» vervangen door: die voortgezet speciaal onderwijs volgen.

K

Artikel 70 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt «scholen voor blinde kinderen, scholen voor slechtziende kinderen en scholen verbonden aan pedologische instituten» vervangen door: scholen verbonden aan pedologische instituten en instellingen.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde in de artikelen 62, derde lid, 63, 64, eerste en vierde lid, 65, 66 en 69, alsmede, behoudens voor instellingen, het bepaalde in artikel 67, eerste en tweede lid, en artikel 67, derde lid onder a, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «provinciale staten» of «gedeputeerde staten» telkens wordt gelezen: Onze minister. In het plan worden in elk geval opgenomen de instellingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 300 leerlingen, dan wel dat zij blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen en begeleiding als bedoeld in artikel 9c, onder b, zullen verstrekken aan ten minste 100 leerlingen. In het plan kunnen instellingen worden opgenomen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste 200 leerlingen. Bij de toepassing van de vorige twee volzinnen worden voor de bepaling van het aantal leerlingen dat een instelling zal bezoeken niet in aanmerking genomen de leerlingen voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een andere instelling, tenzij deze uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd.

L

In artikel 88j, eerste lid, vijfde volzin, wordt «dan wel afdelingen» vervangen door: afdelingen, dan wel instellingen.

M

In artikel 88l, eerste lid, vierde volzin, wordt «dan wel afdelingen» vervangen door: afdelingen, dan wel instellingen.

N

In artikel 89, eerste lid, eerste volzin, wordt na «worden» ingevoegd: voor de scholen, niet zijnde instellingen,.

O

Na artikel 92 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 92a. Vaststelling totaalbedrag voor instelling
  • 1. Eenmaal in de vijf jaar voor 1 oktober stelt Onze minister voor elke instelling een totaalbedrag vast voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor het jaar volgend op dat van de vaststelling.

  • 2. In de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangegeven, welk deel van het totaalbedrag bedoeld in dat lid strekt voor:

    a. administratie, beheer en bestuur en

    b. de materiële instandhouding van het onderwijs in lichamelijke oefening en van watergewenning en bewegingstherapie.

  • 3. In de beschikking, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven, welk deel van het totaalbedrag bedoeld in dat lid strekt voor:

    a. de gebouwafhankelijke eisen als bedoeld in artikel 90, eerste lid onder a, van een schoolgebouw waarvan de gemeente eigenaar is,

    b. een schoolbad als bedoeld in artikel 97, eerste lid onder e, waarvan de gemeente eigenaar is en

    c. een tuinbouwkas als bedoeld in artikel 97, eerste lid onder g, waarvan de gemeente eigenaar is.

  • 4. Het totaalbedrag voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor het tweede tot en met het vijfde jaar volgend op het jaar van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door het totaalbedrag dat gold voor het aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaar, aan te passen aan de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in laatstgenoemd jaar en het prijsniveau in het jaar waarvoor het totaalbedrag geldt.

  • 5. Indien de miljoenennota, bedoeld in artikel 9 van de Comptabiliteitswet, niet of slechts gedeeltelijk voorziet in prijsbijstelling in de onderscheiden hoofdstukken van de rijksbegroting voor enig jaar, als gevolg waarvan in het voorstel van wet houdende vaststelling van de begroting van de uitgaven en ontvangsten van hoofdstuk VIII (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) van de rijksbegroting voor dat jaar geen of geen volledige prijsbijstelling kan plaatsvinden in de desbetreffende vergoedingen, worden de totaalbedragen, bedoeld in het eerste en vierde lid, in overeenstemming daarmee en in afwijking van die leden aangepast.

  • 6. Indien de vastgestelde rijksbegroting van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk VIII (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) voor een begrotingsjaar ten aanzien waarvan het vijfde lid toepassing heeft gevonden, afwijkt van het desbetreffende voorstel van wet op het onderdeel van de prijsbijstelling in de in het vijfde lid bedoelde vergoedingen, wordt het totaalbedrag, voor dat jaar vastgesteld in overeenstemming met de vastgestelde rijksbegroting.

  • 7. Het vierde tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen.

  • 8. Indien van de overige onderwijssoorten van het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs de rijksvergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding wordt verminderd, worden de in het eerste tot en met vierde lid vastgestelde bedragen dienovereenkomstig verminderd.

P

Artikel 93a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur, de Onderwijsraad gehoord, wordt per schoolsoort de grondslag vastgesteld voor de omvang van

    a. 1°. de formatie voor de vervulling van reguliere taken van de school, niet zijnde een instelling, met inbegrip van een opslag in verband met formatieve fricties en

    2°. de formatie voor de vervulling van de reguliere taken van de instelling, indien de instelling onderwijs zou verzorgen aan leerlingen die niet visueel gehandicapt zijn, met inbegrip van een opslag in verband met formatieve fricties en

    b. de formatie voor speciale doeleinden,

    die kan verschillen al naar gelang het scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een afdeling betreft. De omvang van de formatie, bedoeld in de eerste volzin, voor het onderwijzend personeel is afhankelijk van het aantal leerlingen en in de gevallen bij deze algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, mede van de samenstelling van het leerlingenbestand. In bij deze algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen wordt rekening gehouden met de deelname van een school of een deel daarvan aan een samenwerkingsverband met een of meer scholen voor basisonderwijs. De omvang van de formatie, bedoeld in de eerste volzin, voor het onderwijsondersteunend personeel is afhankelijk van het aantal leerlingen. De formatie, bedoeld onder a 1°, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school. De formatie, bedoeld onder a 2°, wordt vastgesteld aan de hand van het bij de algemene maatregel van bestuur nader te bepalen gewogen gemiddelde van de kosten van een leerling in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Bij de algemene maatregel van bestuur worden tevens nadere voorschriften gegeven voor de uitvoering van dit artikel.

  • 2. In het vierde lid wordt na «bevoegd gezag» ingevoegd: van een school, niet zijnde een instelling,.

  • 3. Toegevoegd wordt een vijfde lid, luidende:

  • 5. De instellingen ontvangen in aanvulling op de formatie, bedoeld in het eerste lid, onder a 2°, jaarlijks een bij ministeriële regeling vast te stellen aantal formatierekeneenheden in verband met de visuele handicap van de leerlingen van de instelling en de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 9c, onder b en c. Het aldus vastgestelde aantal formatierekeneenheden en de formatie, bedoeld in het eerste lid, onder a 2°, zijn te zamen redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de instelling, voor de taken, bedoeld in artikel 9c, en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de instelling.

Q

Artikel 93f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «nascholing» ingevoegd «ten behoeve van scholen, niet zijnde instellingen,» en wordt «artikel 93a, eerste lid» vervangen door «artikel 93a, eerste lid, aanhef en onder a 1° en b».

2. Aan het eerste lid wordt een nieuwe volzin toegevoegd, luidende: De grondslag van de omvang van de vergoeding voor nascholing ten behoeve van instellingen is de formatie berekend op grond van artikel 93a, eerste lid, aanhef en onder a 2° en b, en artikel 93a, vijfde lid.

R

Artikel 97 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt na «jaarlijks» ingevoegd: ten behoeve van de scholen, niet zijnde instellingen,.

2. Na het vierde lid wordt een vijfde lid toegevoegd, luidend:

  • 5. Het Rijk vergoedt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de instellingen het totaalbedrag, bedoeld in artikel 92a, voor dat jaar. Het bevoegd gezag van de instelling verstrekt aan de gemeente de bedragen, bedoeld in artikel 92a, derde lid, of zevende juncto derde lid, voor dat jaar.

S

Artikel 98 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «openbare school» en «bijzondere school» telkens ingevoegd: , niet zijnde een instelling,.

2. In het tweede lid wordt na «bijzondere school» ingevoegd: , niet zijnde een instelling,.

T

Aan artikel 102d, derde lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het eind van onderdeel c door een komma, op een nieuwe regel toegevoegd: dan wel, indien het een instelling betreft, de bedragen, bedoeld in artikel 92a, tweede lid, en de daarmee verband houdende uitgaven, alsmede de uitgaven en ontvangsten voor de materiële instandhouding in verband met de toepassing van artikel 107a, zevende lid.

U

Artikel 102e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de tweede volzin vervangen door:

Dit overschrijdingsbedrag wordt vastgesteld door het percentage, bedoeld in artikel 102d, zevende lid, te vermenigvuldigen met het totaal van de ontvangsten van een bijzondere school dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens de artikelen 89 en 101, dan wel indien het een instelling betreft, krachtens de artikelen 92a en 101 voor het desbetreffende tijdvak zijn vastgesteld. Bij het vaststellen van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in de tweede volzin, blijven buiten beschouwing de ontvangsten op grond van de programma's van eisen voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 90, eerste lid onder b 4°, de ontvangsten voor de materiële instandhouding van het onderwijs in lichamelijke oefening en van watergewenning en bewegingstherapie, en de ontvangsten in verband met de toepassing van artikel 107a, zevende lid, dan wel, indien het een instelling betreft, de bedragen voor de in artikel 92a, tweede lid, bedoelde voorzieningen en de ontvangsten in verband met de toepassing van artikel 107a, zevende lid.

2. In het derde lid wordt na «bedoeld in artikel 90, eerste lid onder a,» ingevoegd: dan wel, indien het een instelling betreft, de bedragen, voor de in artikel 92a, derde lid onder a, bedoelde voorzieningen.

V

In artikel 104, eerste lid, eerste volzin onder c, wordt na «de school» ingevoegd: of de instelling.

W

In artikel 104a, eerste lid, eerste volzin onder c, wordt na «de school» ingevoegd: of de instelling.

X

Artikel 107a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, onder a 1°, wordt na «of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,» toegevoegd: dan wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,.

2. In het vierde lid, onder b, wordt «indien het bevoegd gezag van een school» vervangen door: indien het bevoegd gezag van een school of instelling.

Y

De inhoudsopgave wordt gewijzigd als volgt:

1. De benaming van artikel 9 wordt vervangen door: Scholen en afdelingen voor (v.)s.o.; instellingen.

2. Na de benaming van artikel 9b wordt ingevoegd:

Artikel 9c. Taakstelling instellingen.

3. Na de benaming van artikel 92 wordt ingevoegd:

Artikel 92a. Vaststelling totaalbedrag voor instelling.

ARTIKEL II

De Wet op het basisonderwijs2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel d, wordt «of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» vervangen door: , scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

2. In het vierde lid wordt na «een school voor speciaal onderwijs» ingevoegd: of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

3. In het achtste lid wordt «of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» vervangen door: of scholen of instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

B

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt na «school» ingevoegd: of instelling.

2. In het eerste lid vervalt «onderscheidenlijk» en wordt na «voortgezet speciaal onderwijs,» ingevoegd: dan wel op een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

C

In artikel 13a, eerste lid, eerste volzin, wordt «of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» vervangen door: of scholen dan wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

D

In artikel 23, tweede lid, wordt «dan wel» vervangen door een komma en wordt na «en voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

E

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, vierde volzin, wordt «of» vervangen door een komma en wordt na «een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

2. In het eerste lid, vijfde volzin, wordt «een zodanige school» vervangen door: een zodanige school of instelling.

3. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

  • 2. Toelating van leerlingen afkomstig van een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede overgang van een leerling naar een dergelijke school of instelling, vindt slechts plaats in overeenstemming met de ouders en het bevoegd gezag van de desbetreffende school of instelling.

F

In artikel 42, tweede lid, wordt «speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» vervangen door: of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

G

In artikel 46 wordt «scholen» telkens vervangen door: scholen en instellingen.

H

In artikel 96c, tweede lid, onderdeel c, wordt na «een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: , een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

I

In artikel 104, tweede lid, wordt na «de school» ingevoegd: of de instelling.

J

In artikel 108a, derde lid, wordt «een korting met 2% op de rijksvergoeding voor die maand plaats» vervangen door: een korting op de rijksvergoeding plaats ter grootte van 2% van 1/12 van de rijksvergoeding over het kalenderjaar waarin die maand valt.

K

Artikel 111a, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, onder 2°, wordt na «en voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: , dan wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

2. In onderdeel b wordt «indien het bevoegd gezag van een school» vervangen door: indien het bevoegd gezag van een school of instelling.

L

In de inhoudsopgave wordt in de benaming van artikel 12 na «school» ingevoegd: of instelling.

ARTIKEL III

De Wet op het voortgezet onderwijs3 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 24, derde lid, onderdeel e, wordt «of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» vervangen door: , scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

B

In artikel 27, eerste lid, vierde volzin, wordt na «een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,» ingevoegd: een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,.

C

In artikel 84a, tweede lid, onderdeel c, wordt «of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» vervangen door: , een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

D

In artikel 96d, tweede lid, wordt na «school» ingevoegd: of instelling.

E

Artikel 102b, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, onder 4°, wordt na «en voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: , dan wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

2. In onderdeel b wordt «indien het bevoegd gezag van een school» vervangen door: indien het bevoegd gezag van een school of instelling.

ARTIKEL IV

De Wet medezeggenschap onderwijs 19924 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, onderdeel b, wordt na «of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,» ingevoegd: dan wel een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt «of» vervangen door een komma en wordt na «voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: , dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

2. In het zesde lid wordt na «een afdeling,» ingevoegd: een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

C

In artikel 6, onderdeel d, wordt na «of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: , dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

D

In artikel 31, eerste lid, wordt na «een school voor voortgezet speciaal onderwijs,» ingevoegd: een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,.

E

In artikel 34, derde lid, wordt na «of voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: , dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

ARTIKEL V

De Experimentenwet onderwijs5 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «en voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd «, of voor een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,» en wordt «die school» vervangen door «die school onderscheidenlijk instelling».

2. In het tweede lid wordt na «experimentele school» ingevoegd «of instelling» en wordt «een eigensoortige school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs dan wel» vervangen door: een eigensoortige school voor speciaal onderwijs of voor voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een eigensoortige school of instelling.

3. In het derde lid wordt na «en voortgezet speciaal onderwijs» ingevoegd: , of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

B

Artikel 7d wordt als volgt gewijzigd:

Na «en voortgezet speciaal onderwijs» wordt ingevoegd «, of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» en wordt «school» vervangen door «school of instelling».

ARTIKEL VI

Artikel 1, onderdeel b, onder 1, van de Leerplichtwet 19696 komt te luiden:

1. een openbare of een uit de openbare kas bekostigde bijzondere dagschool voor basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs, dan wel een openbare of een uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;.

ARTIKEL VII

De Arbeidswet 19197 wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, en 9a, eerste lid, onderdeel b, vervalt «of 15».

B

Artikel 9, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. arbeid van lichte aard tussen 7 en 18 uur door een kind van 14 jaar of ouder voor zover deze arbeid verricht wordt naast en in samenhang met het onderwijs;.

ARTIKEL VIII. WIJZIGING WETSVOORSTEL REGELING LUMP SUM EN DECENTRALISATIE RECHTSPOSITIEREGELING V.W.O.-A.V.O.-V.B.O.

Indien het bij koninklijke boodschap van 22 oktober 1994 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van lump-sum-bekostiging voor de personeels- en exploitatiekosten van scholen van voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede in verband met decentralisatie van de rechtspositieregeling bij die scholen, behoudens een aantal op centraal niveau vast te stellen onderwerpen (Kamerstukken II 1994/95, 23 948)8 tot wet wordt verheven en voor wat betreft de wijzigingen in de artikelen 96c, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op het basisonderwijs en 99, zesde lid, onderdeel c, van de Wet op het voortgezet onderwijs in werking treedt, worden de volgende wijzigingen in de Wet op het basisonderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs aangebracht:

1. In artikel 96c, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op het basisonderwijs wordt «of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» vervangen door: of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

2. In artikel 99, zesde lid, onderdeel c, van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt «of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs» vervangen door: , een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

ARTIKEL IX. WIJZIGING WETSVOORSTEL AFSCHAFFING ADVIESVERPLICHTING

Indien het bij koninklijke boodschap van 10 november 1994 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en andere wetten in verband met de afschaffing van de verplichtingen om advies te vragen over algemene beleidsvoornemens van de rijksoverheid, waaronder regelgeving, en het stellen van een dwingende termijn aan advisering (Kamerstukken II 1994/95, 23 983) eerder in werking treedt dan deze wet, vervalt in artikel I, onderdeel P, de zinsnede «, de Onderwijsraad gehoord,».

HOOFDSTUK II. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL X. OMZETTING BEKOSTIGING SCHOLEN IN BEKOSTIGING VAN INSTELLINGEN MET NEVENVESTIGINGEN

  • 1. Indien het bevoegd gezag besluit de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor blinde kinderen het «Koninklijk Instituut tot onderwijs van slechtzienden en blinden» te Huizen met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet om te zetten in een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen en het bevoegd gezag van de «Comeniusschool» voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan slechtziende kinderen te Amsterdam besluit de school met ingang van die datum om te zetten in een nevenvestiging daarvan, komen die instelling en nevenvestiging met ingang van die datum voor bekostiging in aanmerking.

  • 2. Indien het bevoegd gezag besluit de «mr. H.P. van Heukelomschool» voor speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen te Haren met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet om te zetten in een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen en het bevoegd gezag van de «VISIO school Noord» voor speciaal onderwijs aan blinde kinderen te Haren besluit de school met ingang van die datum om te zetten in een nevenvestiging daarvan, komen die instelling en nevenvestiging met ingang van die datum voor bekostiging in aanmerking.

  • 3. Indien het bevoegd gezag besluit de «Theofaanschool Louis Braille» voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan blinde, slechtziende en meervoudig gehandicapte kinderen te Grave met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet om te zetten in een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen en de bevoegde gezagsorganen van de school voor speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen «De Markendalen» te Breda en de «Prinses Margriet Francisca school» voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan slechtziende kinderen te Rotterdam besluiten de scholen met ingang van die datum om te zetten in nevenvestigingen daarvan, komen die instelling en nevenvestigingen met ingang van die datum voor bekostiging in aanmerking.

  • 4. Indien het bevoegd gezag besluit de «School voor slechtziende kinderen Bartimeus» voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan slechtziende kinderen te Zeist en de «Brailleschool Bartimeus» voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan blinde kinderen te Zeist met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet samen te voegen tot een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen en het bevoegd gezag van de school voor speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen «De Bosschool» te Doorn besluit de school met ingang van die datum om te zetten in een nevenvestiging daarvan, komen die instelling en nevenvestiging met ingang van die datum voor bekostiging in aanmerking.

  • 5. Indien ingevolge het eerste tot en met het vierde lid een hoofd- of nevenvestiging onder het gezag komt te staan van het bevoegd gezag van de instelling, welk bevoegd gezag daaraan voorafgaand niet de school die hoofd- of nevenvestiging is geworden in stand hield, treedt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet het bevoegd gezag van de instelling, onverminderd hetgeen voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist, in alle rechten en verplichtingen ten aanzien van gebouwen en terreinen, ten aanzien van roerende zaken voor zover deze niet volledig uit eigen middelen zijn aangeschaft, en ten aanzien van niet bestede vergoedingen van het bevoegd gezag van de desbetreffende school.

ARTIKEL XI. PERSONEEL

  • 1. Het dienstverband tussen een bevoegd gezag dat met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet een of meer instellingen als bedoeld in artikel X in stand houdt, en een personeelslid dat de dag voorafgaande aan die datum in dienst is bij dat bevoegd gezag of diens rechtsvoorganger, blijft in stand met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet, indien dat dienstverband bij de school of scholen waaruit de instelling is ontstaan, gezien de op de dag voorafgaande aan die datum geldende regelingen voor de omvang van het personeel van die scholen, zou zijn gehandhaafd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid

    a. benoemt het bevoegd gezag, bedoeld in dat lid, met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet, een van de directeuren van de scholen waaruit de instelling is ontstaan die op de dag voorafgaande aan die datum in dienst zijn bij het bevoegd gezag van die scholen, als directeur in algemene dienst en om werkzaam te zijn als directeur van die instelling, en

    b. beëindigt het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet het dienstverband met de andere directeuren van de scholen waaruit de instelling is ontstaan die op de dag voorafgaande aan die datum in dienst zijn bij het bevoegd gezag van die scholen, en niet tot directeur van die instelling worden benoemd.

  • 3. Het bevoegd gezag benoemt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet het personeel, bedoeld in het tweede lid, onder b, in functies waarvan het niveau en het carrièrepatroon zo veel mogelijk overeenkomt met het niveau en het carrièrepatroon dat is gegarandeerd in de oorspronkelijke functie, met dien verstande dat het niveau en het carrièrepatroon van de nieuwe functie ten minste gelijk zijn aan die van een normfunctie leraar.

  • 4. Het tweede lid, aanhef en onder a, en het derde lid zijn niet van toepassing indien betrokkenen de wens te kennen geven niet voor een functie, als bedoeld in die leden, in aanmerking te willen komen.

  • 5. De directeur van de instelling, bedoeld in het tweede lid, onder a, behoudt ten minste recht op salariëring volgens het functieniveau dat op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet voor hem gold dan wel op de maximumschaal die daarvoor reeds 2 jaar formatief voor hem aanwezig was. Indien voor de functie van directeur van die instelling een hogere maximumschaal gaat gelden dan die welke op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet voor de directeur gold dan wel formatief beschikbaar was, wordt hij vanaf die datum bezoldigd volgens het carrièrepatroon dat bij die hogere maximumschaal behoort en heeft hij bij de vaststelling van het salaris aanspraak op een bevorderingsperiodiek. Hij behoudt een blijvende aanspraak op de hogere maximumschaal, bedoeld in de vorige volzin, indien deze gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren aan die instelling voor hem beschikbaar is geweest.

  • 6. Indien een personeelslid als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt benoemd in een functie als bedoeld in het derde lid, behoudt hij ten minste aanspraak op salariëring volgens het functieniveau dat voor hem gold op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, in zijn functie als directeur van een school waaruit de instelling is ontstaan, of, indien hij 2 jaar of langer directeur is geweest van die school, de maximumschaal die op die dag reeds 2 jaar formatief voor hem aanwezig was indien deze maximumschaal hoger is dan het functieniveau dat voor hem gold op die dag.

  • 7. Zolang het personeel, bedoeld in het derde lid, in dienst is van het bevoegd gezag van de instelling, vindt ten minste een verbruik van formatierekeneenheden plaats op basis van de functie en de maximumschaal waarvoor dat personeel een salarisgarantie heeft als bedoeld in het zesde lid.

  • 8. Het bevoegd gezag verstrekt aan de directeur en de personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van deze wet in dienst van het bevoegd gezag zijn, een op die datum ingaande benoeming in algemene dienst.

  • 9. In aanvulling op artikel 49 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs wordt zolang een of meer nevenvestigingen als bedoeld in artikel X aan een instelling zijn verbonden, met betrekking tot die instelling in artikel 49, eerste lid, onder i, van de genoemde wet voor «een andere school of andere scholen» gelezen «een andere school, instelling, hoofdvestiging of nevenvestiging, dan wel andere scholen, instellingen, hoofdvestigingen of nevenvestigingen».

ARTIKEL XII. VERGOEDING OP BASIS VAN ARTIKEL 92A ISOVSO VOOR DE PERIODE VANAF DE DATUM VAN INWERKINGTREDING VAN DE WET TOT EN MET 31 DECEMBER VAN HET VIERDE KALENDERJAAR DAAROPVOLGEND

  • 1. Behoudens goedkeuring door de begrotingswetgever wordt het totaalbedrag, bedoeld in artikel 92a, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet tot en met 31 december van het desbetreffende jaar vóór 1 oktober van dat jaar voor een instelling vastgesteld op vijf maal het bedrag van de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding waarop de scholen waaruit die instelling is ontstaan en, indien van toepassing, de gemeente die eigenaar is van een schoolgebouw, een schoolbad of een tuinbouwkas met betrekking tot het gebruik daarvan door die scholen te zamen recht hadden voor de maand voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet.

  • 2. Behoudens goedkeuring door de begrotingswetgever wordt het totaalbedrag, bedoeld in artikel 92a, vierde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs voor elk van de vier kalenderjaren volgend op het jaar van inwerkingtreding van deze wet vastgesteld op het totaalbedrag dat gold voor het voorafgaande kalenderjaar, aangepast aan de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in laatstgenoemd kalenderjaar en het prijsniveau in het jaar waarvoor het totaalbedrag geldt. Daarbij wordt voor het kalenderjaar volgend op het jaar van inwerkingtreding van deze wet voor het totaalbedrag dat gold voor het voorafgaande kalenderjaar uitgegaan van twaalf-vijfde maal het totaalbedrag dat gold voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet tot en met 31 december van het jaar van de inwerkingtreding.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 92a, tweede en derde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs bedoelde delen van het totaalbedrag.

  • 4. Artikel 92a, vijfde tot en met zevende lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing op de ingevolge het eerste tot en met derde lid vast te stellen bedragen.

ARTIKEL XIII. FORMATIE OP BASIS VAN ARTIKEL 93A, VIJFDE LID, ISOVSO VOOR DE VIJF SCHOOLJAREN VANAF DE DATUM VAN INWERKINGTREDING VAN DE WET

  • 1. Behoudens goedkeuring door de begrotingswetgever en onverminderd het tweede lid wordt het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 93a, vijfde lid, eerste volzin, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, voor elk van de eerste vijf schooljaren vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet voor een instelling vastgesteld op het totale aantal formatierekeneenheden waarop de scholen waaruit die instelling is ontstaan gezamenlijk recht hadden voor het schooljaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet,

    a. verminderd met de formatie voor de reguliere taken waarop die scholen voor laatstgenoemd schooljaar recht zouden hebben indien het leerlingen zonder een visuele handicap zou betreffen en

    b. vermeerderd met een aantal formatierekeneenheden voor onderwijskundige integratie.

  • 2. Het op basis van het eerste lid berekende aantal formatierekeneenheden wordt aangepast aan de wijzigingen van de formatieregelingen die gelden voor alle soorten speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs.

ARTIKEL XIV. HUISVESTINGSVOORZIENINGEN NEVENVESTIGING

Titel IV, afdeling 3, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen zijn van toepassing op nevenvestigingen als bedoeld in artikel X, met dien verstande dat het bevoegd gezag een verzoek om een voorziening indient bij de gemeente waarin de nevenvestiging waarvoor de voorziening wordt gewenst, is gelegen.

ARTIKEL XV. AFHANDELING VAN VOOR DE DATUM VAN INWERKINGTREDING VAN DE WET INGEDIENDE VERZOEKEN

Voor de datum van inwerkingtreding van deze wet ingediende verzoeken om een voorziening als bedoeld in Titel IV, afdeling 3, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en voor die datum op grond van artikel 93a, vierde lid, artikel 95, zesde lid, of artikel 98 van die wet ingediende verzoeken, van een bevoegd gezag van een school waaruit een instelling als bedoeld in artikel X is ontstaan, worden, indien daarop na de datum van inwerkingtreding van deze wet wordt beslist, geacht te zijn gedaan door het bevoegd gezag van de instelling en ten behoeve van de instelling.

ARTIKEL XVI. AFREKENING

De afrekeningen van de vergoedingen voor de periode voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet ten behoeve van een school genoemd in artikel X, dienen te geschieden overeenkomstig de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de ter uitvoering daarvan vastgestelde voorschriften zoals die golden voor het jaar waarop de afrekening betrekking heeft.

ARTIKEL XVII. GESCHILLEN

De Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de ter uitvoering daarvan vastgestelde voorschriften en overgangsregelingen zoals luidend op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op geschillen met betrekking tot hun toepassing die op die dag aanhangig waren of na die dag binnen de beroepstermijn aanhangig zijn gemaakt met betrekking tot de scholen, genoemd in artikel X.

ARTIKEL XVIII. BEREKENING AANTAL LEERLINGEN INSTELLING MET NEVENVESTIGING(EN)

Voor de toepassing van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de ter uitvoering daarvan vastgestelde voorschriften wordt onder het aantal leerlingen van een instelling, bedoeld in artikel X, verstaan het aantal leerlingen van de hoofdvestiging en de nevenvestiging of nevenvestigingen van de instelling te zamen, tenzij in bedoelde voorschriften anders is bepaald.

ARTIKEL XIX. BEPERKING KORTING RIJKSVERGOEDING BASISSCHOOL

Indien het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs dat in de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel J, van deze wet de verplichting, bedoeld in artikel 108a, eerste lid, van de Wet op het basisonderwijs niet is nagekomen, aantoont dat daardoor op grond van artikel 108a, derde lid, van de Wet op het basisonderwijs zoals luidend voor die inwerkingtreding een korting zou plaatsvinden die lager is dan de korting op grond van laatstgenoemd artikellid, zoals luidend na die inwerkingtreding, vindt die lagere korting plaats.

ARTIKEL XX. INWERKINGTREDING

  • 1. Deze wet treedt met uitzondering van de artikelen II, onderdeel J, VII, IX en XIX in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de onderscheiden artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden bepaald.

  • 2. De artikelen II, onderdeel J, VII, IX en XIX treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 31 mei 1995

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

T. Netelenbos

Uitgegeven de zevenentwintigste juni 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1994, 621, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 mei 1995, Stb. 318.

XNoot
2

Stb. 1994, 620, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 mei 1995, Stb. 318.

XNoot
3

Stb. 1993, 666, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 mei 1995, Stb. 318.

XNoot
4

Stb. 1992, 663, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 december 1994, Stb. 940.

XNoot
5

Stb. 1970, 370, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 maart 1995, Stb. 184.

XNoot
6

Stb. 1994, 530, gewijzigd bij de wet van 7 juli 1994, Stb. 565.

XNoot
7

Stb. 1930, 388A, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 april 1995, Stb. 250.

XNoot
8

Stb. 1995, 318.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1994/95, 24 136.

Handelingen II 1994/95, blz. 4511–4524; 4525.

Kamerstukken I 1994/95, 24 136 (267, 267a).

Handelingen I 1994/95, zie vergadering d.d. 30 mei 1995.