Besluit van 7 april 1995, houdende vaststelling van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 15 november 1994, nr. 94044595, directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op artikel 20, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs; artikel 28, tweede lid van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; de artikelen 39, tweede lid, 61 en 76, van de Wet op het voortgezet onderwijs; artikel 4 van de Experimentenwet onderwijs; artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie 1991; artikel 58, tweede lid, van de Wet op de onderwijsverzorging; de artikelen 2.45, 2.55, 2.76 en 2.77 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; de artikelen 4.5, eerste lid, 4.6, 9.74, tweede lid, 10.10, derde lid, 11.12, eerste lid, 12.5, 13.1, eerste lid, 13.3, vijfde lid, 16.23, derde lid, en 16.27 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; de artikelen 14, eerste lid, en 35 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek; de artikelen 125 en 134 van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 23 januari 1995, nr. W05.94.0718);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 28 maart 1995, nr. 95005766, directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

  • 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

    a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor wat betreft het landbouwonderwijs Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

    b. betrokkene:

    1. een personeelslid benoemd bij een openbare of uit openbare kas bekostigde school voor basisonderwijs in de zin van de Wet op het basisonderwijs voor wie de salarissen en toelagen worden vastgesteld in het Koninklijk Besluit ter uitvoering van artikel 20, tweede lid onder b, van de Wet op het basisonderwijs, dan wel een personeelslid benoemd in algemene dienst als bedoeld in artikel 20a van de Wet op het basisonderwijs;

    2. een personeelslid benoemd aan een openbare of uit openbare kas bekostigde bijzondere school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de zin van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs voor wie de salarissen en toelagen worden vastgesteld in het Koninklijk Besluit ter uitvoering van artikel 28, tweede lid onder b, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een personeelslid benoemd in algemene dienst als bedoeld in artikel 28a van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

    3. een personeelslid benoemd aan een openbare of uit openbare kas bekostigde bijzondere school voor voortgezet onderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een op de Experimentenwet onderwijs gebaseerde instelling, voor wie de salarissen en de toelagen bij of krachtens Koninklijk Besluit ter uitvoering van artikel 38 van de Wet op het voortgezet onderwijs worden vastgesteld, alsmede een personeelslid benoemd in algemene dienst als bedoeld in artikel 39a van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    4. een personeelslid benoemd aan een openbare of uit openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;

    5. een personeelslid benoemd aan een privaatrechtelijke rechtspersoon die optreedt als landelijk orgaan als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;

    6. een personeelslid benoemd aan een instituut voor vormingswerk voor jeugdigen als bedoeld in het Besluit voor vormingswerk voor jeugdigen 1994;

    7. een personeelslid benoemd bij een landelijke organisatie vormingswerk als bedoeld in het Besluit voor vormingswerk voor jeugdigen 1994;

    8. een personeelslid benoemd aan een openbare of uit openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor basiseducatie als bedoeld in artikel 54 van de Kaderwet volwasseneneducatie 1991;

    9. een personeelslid benoemd aan een rechtspersoon die met toepassing van artikel B3 dan wel krachtens artikel U2 van de pensioenwet is aangewezen onderscheidenlijk wordt geacht te zijn aangewezen als lichaam, welks personeel geheel of ten dele ambtenaar is in de zin van die wet, indien dat lichaam middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk wordt gesubsidieerd ten laste van hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting en waarop dit besluit door Onze Minister van toepassing is verklaard;

    10. een personeelslid benoemd aan een verzorgingsinstelling als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de onderwijsverzorging;

    11. een personeelslid benoemd aan een publiekrechtelijke of uit openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale, plaatselijke, provinciale of landelijke instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie ten aanzien waarvan dit besluit door Onze Minister van toepassing is verklaard;

    12. een personeelslid benoemd bij een centrale dienst als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het basisonderwijs, artikel 56 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en artikel 53a van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    13. een personeelslid in dienst van een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a, c en d van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

    14. de benoemde leden van het college van bestuur dan wel de leden van de raad van bestuur dan wel de bezoldigde leden van het algemeen bestuur van een instelling, bedoeld in artikel 1.2, onder a, c en d van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

    15. een personeelslid in dienst van de instelling van wetenschappelijk theologisch onderwijs, uitgaande van de Stichting Theologische Faculteit, gevestigd te Tilburg, van de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht, van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland, gevestigd te Kampen (Oudestraat), of van de bijzondere instelling van Wetenschappelijk Onderwijs, uitgaande van de Stichting Humanistisch Instituut voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek te Utrecht;

    16. een personeelslid van de organisatie als bedoeld in de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;

    17. de benoemde leden van het algemeen bestuur van de organisatie, genoemd in de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;

    18. een personeelslid dat werkzaam is bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie;

    c. medebetrokkene:

    1. de echtgenoot van betrokkene, die behoort tot het huishouden van betrokkene, die aan dit besluit niet zelfstandig aanspraken ontleent en van wie de inkomsten lager zijn dan die van betrokkene;

    2. het kind jonger dan 16 jaar, bedoeld in artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet voor wie de betrokkene de premie van een ziektekostenverzekering heeft betaald;

    3. het kind van 16 tot 18 jaar en van 16 tot 25 jaar, bedoeld in artikel 7 respectievelijk 26 van de Algemene Kinderbijslagwet, voor wie de betrokkene de premie van een ziektekostenverzekering heeft betaald;

    4. het kind van 25 en 26 jaar dat behoudens de leeftijdseis voldoet aan artikel 26, eerste lid, onder a, respectievelijk tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, voor wie de betrokkene de premie voor een ziektekostenverzekering heeft betaald. De ter uitvoering van artikel 7 en 26 van de Algemene Kinderbijslagwet gestelde regelen zijn wat betreft de medebetrokkenen, bedoeld onder c2, c3 en c4 van overeenkomstige toepassing.

    5. het kind van 18 tot 27 jaar dat in aanmerking komt voor studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering en voor wie betrokkene de premie van een ziektekostenverzekering heeft betaald.

    d. orgaan: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel I-A1, onder f van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, in artikel 1, onder f van het Kaderbesluit rechtspositie HBO, artikel 1, onder 1 van het Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen en artikel 2, onder c van het Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs.

  • 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenoot van de betrokkene mede verstaan degene met wie de niet-gehuwde betrokkene samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gezamenlijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gezamenlijke huishouding. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt. Desgevraagd dient door de betrokkene een schriftelijke verklaring van een notaris te worden overlegd, waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als vorenbedoeld is gesloten.

Artikel 2

  • 1. De betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten over elke kalendermaand waarin hij een of meer betrekkingen bekleedt.

  • 2. De betrokkene ontvangt voorts een tegemoetkoming voor de medebetrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder cl.

  • 3. De betrokkene ontvangt een extra tegemoetkoming voor ten hoogste één medebetrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c2. Indien de betrokkene en diens echtgenoot beiden aanspraak op deze tegemoetkoming hebben, elk ten behoeve van een ander kind, wordt deze tegemoetkoming alleen toegekend aan de betrokkene met het oudste kind jonger dan 16 jaar, dat deel uitmaakt van de gemeenschappelijke huishouding.

  • 4. De betrokkene ontvangt een extra tegemoetkoming voor elke medebetrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c3, c4 en c5.

  • 5. De tegemoetkomingen worden over een kalendermaand slechts verleend, indien de betrokkene gedurende meer dan de helft van het aantal kalenderdagen als zodanig in dienst is geweest. De tegemoetkomingen voor medebetrokkenen worden over een kalendermaand slechts verleend, indien zij gedurende meer dan de helft van het aantal kalenderdagen als medebetrokkene kunnen worden aangemerkt.

Artikel 3

  • 1. De betrokkene ontvangt voor zichzelf geen tegemoetkoming over een kalendermaand, waarin hij gedurende meer dan de helft van het aantal kalenderdagen behoort tot een van de volgende categorieën:

    a. degenen die zelfstandig verplicht verzekerd zijn krachtens de Ziekenfondswet;

    b. degenen die medeverzekerd zijn ingevolge artikel 4 van de Ziekenfondswet;

    c. degenen die uit hoofde van hun (voormalige) dienstbetrekking aanspraak hebben op gehele of gedeeltelijke geneeskundige verzorging of op gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan;

    d. degenen die – zonder behoud van bezoldiging – verlof genieten of uit hun ambt geschorst zijn;

    e. degenen die zich anders dan voor herhalingsoefeningen in werkelijke militaire dienst bevinden.

  • 2. De betrokkene ontvangt over een kalendermaand waarin hij gedurende meer dan de helft van het aantal kalenderdagen behoort tot een van de in het eerste lid onder d en e genoemde categorieën, geen tegemoetkoming voor een medebetrokkene.

  • 3. De betrokkene ontvangt evenmin een tegemoetkoming voor de medebetrokkene die tot een van de in het eerste lid genoemde categorieën behoort, dan wel uit andere hoofde aanspraak heeft op gehele of gedeeltelijke geneeskundige verzorging, of op gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan.

Artikel 4

  • 1. Het bedrag van de tegemoetkomingen is zodanig dat – na toekenning van de overhevelingstoeslag ingevolge de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies en na aftrek van de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de tabel voor bijzondere beloningen ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964 – wordt uitbetaald:

    a. ten aanzien van de betrokkene en ten aanzien van de medebetrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c1 de helft van het per 1 april 1988 geldende maximumbijdragedeel van de premie voor een standaardpakket als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen voor een persoon die de dag voor 1 april 1986 verzekerd of medeverzekerd was in de vrijwillige verzekering ingevolge de Ziekenfondswet, de helft van de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden en de helft van de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge artikel 6h van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen;

    b. ten aanzien van de medebetrokkenen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c2, c3, c4 en c5: de helft van het per 1 april 1988 geldende maximumbijdragedeel van de premie voor een standaardpakket als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen voor eigen, aangehuwde en pleegkinderen tot 27 jaar van de hierboven onder a bedoelde persoon, de helft van de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden en de helft van de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge artikel 6h van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen;

  • 2. Het bedrag van de in het eerste lid genoemde helft van het per 1 april 1988 geldende maximumbijdragedeel wordt jaarlijks per 1 januari aangepast aan de gemiddelde procentuele ontwikkeling van de premies die door een aantal niet op winst gerichte ziektekostenverzekeraars worden berekend voor een verzekering tegen ziektekosten. Bij regeling van Onze Minister worden ter zake nadere regels vastgesteld.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid, onder a en b, voorzover het betreft een medebetrokkene als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c3, c4 en c5, worden de betrokkene en medebetrokkenen in de leeftijdscategorie van 16 tot en met 19 jaar en ouder dan 64 jaar voor wat betreft de tegemoetkoming van de verschuldigde omslagbijdragen ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden en artikel 6h van de Wet op de toegang tot de ziektekostenverzekering gelijkgesteld met degenen in de leeftijdscategorie van 20 tot en met 64 jaar.

Artikel 5

  • 1. Het in dit besluit bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen wordt voor de betrokkene en de medebetrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c1, die verzekerd of medeverzekerd zijn voor een standaardpakket als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet op de toegang tot de ziektekostenverzekering voor een persoon die op de dag voor 1 april 1986 verzekerd of medeverzekerd was in de vrijwillige verzekering ingevolge de Ziekenfondswet verhoogd met de helft van de per 1 januari 1989 optredende mutatie in het maximumbijdragedeel van de premie van genoemd standaardpakket met dien verstande dat de mutatie als gevolg van de uitbreiding van het verstrekkingenpakket van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten per 1 januari 1989 buiten beschouwing blijft; voor de medebetrokkenen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c2, c3, c4 en c5, die medeverzekerd zijn voor het hiervoor bedoelde standaardpakket voor zover daarvoor voor hen een maximumbijdragedeel in de premie verschuldigd is, wordt het bedrag van de tegemoetkomingen verhoogd met de helft van de voor hen op 1 januari 1989 optredende mutatie van het bedoelde maximumbijdragedeel van de premie met dien verstande dat de mutatie als gevolg van de uitbreiding van het verstrekkingenpakket van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten per 1 januari 1989 buiten beschouwing blijft.

Artikel 6

  • 1. De betrokkene die een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4 ontvangt, heeft over de desbetreffende kalendermaanden recht op een toeslag.

  • 2. De betrokkene die op grond van dit besluit een tegemoetkoming ontvangt, maar niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming voor een medebetrokkene en die bij een volledige werktijd een salaris heeft gelijk aan dan wel lager dan het maximumsalaris van schaal 7 van bijlage 1A van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, respectievelijk van het Kaderbesluit rechtspositie HBO, respectievelijk van het Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen, respectievelijk van het Bezoldigingsbesluit Wetenschappelijk Onderwijs, heeft naast het eerste lid voor de desbetreffende kalendermaanden recht op een aanvullende toeslag.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister wordt het bedrag van de toeslag en de aanvullende toeslag vastgesteld.

  • 4. De toeslag en de aanvullende toeslag worden aangegeven in een bedrag per maand na toekenning van de overhevelingstoeslag ingevolge de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies en na aftrek van de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de tabel bijzondere beloningen ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 7

  • 1. Voor de betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b1 tot en met b12 en b13 en b14, voor zover de betrokkene in dienst is van dan wel benoemd is aan een hogeschool als bedoeld in artikel 1.2, onder a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek worden de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag uitbetaald in de maand januari over het tweede en derde kwartaal van het voorafgaande jaar en in de maand mei dan wel op verzoek van de betrokkene in december over het vierde kwartaal van het voorafgaande jaar en het eerste kwartaal van het lopende jaar. Zo nodig vindt de uitbetaling in afwijking van het vorenstaande eerder plaats in geval van ontslag of overlijden van betrokkene, dan wel later als niet tijdig een aanvraag is ingediend.

  • 2. Voor de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onder b12 en b14, voor zover hij in dienst is van dan wel benoemd is aan een universiteit of de Open Universiteit, bedoeld in artikel 1.2, onder a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dan wel in dienst is van een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder c en d van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onder b15 tot en met b18, worden de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag uitbetaald in de maanden juni en december, telkens over de twee voorafgaande kwartalen eindigend met de maand maart respectievelijk september, dan wel op verzoek van de betrokkene in de maand december over de vier voorafgaande kwartalen eindigend met de maand september. Zo nodig vindt uitbetaling in afwijking van het vorenstaande eerder plaats in geval van ontslag of overlijden van de betrokkene, dan wel later als niet tijdig een aanvraag als bedoeld in het derde lid is ingediend.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbetaling van de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag vindt slechts op aanvraag plaats. De aanvraag geschiedt op een formulier, waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister. Uitbetaling blijft achterwege indien deze aanvraag niet is ingediend binnen een half jaar na afloop van de termijn waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 8

De uitbetaling van de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag geschiedt door het orgaan dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging aan betrokkene over de desbetreffende maanden januari, mei, respectievelijk juni en december, dan wel in geval van ontslag of overlijden over de maand van ontslag of overlijden.

Artikel 9

Indien een betrokkene als zodanig gelijktijdig meer dan een betrekking bekleedt, neemt het orgaan ten laste waarvan hij de hoogste bezoldiging geniet de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag voor zijn rekening. Is de bezoldiging in alle betrekkingen dezelfde, dan nemen de betrokken organen die tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag voor gelijke delen voor hun rekening.

Artikel 10

  • 1. Ten aanzien van de betrokkene die als zodanig één of meer betrekkingen met een onvolledige werktijd bekleedt bedragen de tegemoetkomingen, de toeslag en de aanvullende toeslag een evenredig deel van de tegemoetkomingen, de toeslag en de aanvullende toeslag bij een volledige werktijd, met dien verstande, dat de tegemoetkoming, de toeslag en aanvullende toeslag tezamen het bedrag van de tegemoetkomingen, de toeslag en de aanvullende toeslag bij een volledige werktijd niet overschrijden.

  • 2. Een teruggebrachte werktijd als bedoeld in artikel 21 a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een daarmee overeenkomende bepaling in een ander rechtspositiereglement is geen onvolledige werktijd in de zin van het eerste lid.

Artikel 11

Indien voor de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onder b1 tot en met b12 en b13 en b14, voor zover het betreft een betrokkene in dienst van dan wel benoemd aan een hogeschool als bedoeld in artikel 1.2, onder a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek over al zijn inkomsten bij het orgaan in de maand december dan wel in geval van ontslag of overlijden in de maand waarin de laatste dag van het dienstverband valt, het maximum jaarbedrag van de overhevelingstoeslag blijkt te zijn berekend, wordt in die maand een uitkering toegekend ter grootte van het verschil tussen:

a. enerzijds het bruto bedrag van de in artikel 7 bedoelde tegemoetkoming welke in januari is berekend, en

b. anderzijds het bruto bedrag van de in artikel 7 bedoelde tegemoetkoming zoals dat zou worden vastgesteld, indien de betaling niet in januari doch in december dan wel de laatste maand van het dienstverband zou hebben plaatsgehad.

Artikel 12

  • 1. De tegemoetkomingen, de toeslag en de aanvullende toeslag krachtens dit besluit alsmede de toeslag, bedoeld in artikel 11 van dit besluit, worden niet gerekend tot het ambtelijk inkomen in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet.

  • 2. De toeslag en de aanvullende toeslag krachtens dit besluit worden niet gerekend tot de inkomsten, bedoeld in artikel 2 van de Regeling ziektekostenvoorziening overheidspersoneel.

Artikel 13

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere voorschriften voor de uitvoering van dit besluit worden vastgesteld.

Artikel 14

  • 1. De interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 en het Besluit inkomenstoeslag belanghebbenden in de zin van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 zijn met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit niet meer van toepassing op betrokkenen bedoeld in artikel 1, eerste lid.

  • 2. Het Besluit gewijzigde betaalmaanden Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 wordt ingetrokken met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en wordt aangehaald als Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 7 april 1995

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

Uitgegeven de elfde mei 1995

De Minister Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Op grond van artikel 15 van de Ziekenfondswet dragen werkgever en werknemer beiden bij aan de verschuldigde premie voor de ziektekostenverzekering. Op onderwijspersoneel is de Ziekenfondswet echter niet van toepassing voor zover dit personeel aangewezen is in het Aanwijzingsbesluit verplicht verzekerden Ziekenfondswet. Dit heeft tot gevolg dat de werknemers in deze sectoren zelf de gehele premie voor de eigen ziektekostenregeling dragen. Ter wille van de rechtsgelijkheid is door de overheid de regeling Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 in het leven geroepen op grond waarvan de overheid aan haar werknemers in principe twee maal per jaar een tegemoetkoming in de ziektekosten verstrekt. Daarnaast is door de overheid een regeling in het leven geroepen op grond waarvan een toeslag en aan bepaalde categorieën betrokkenen een aanvullende toeslag wordt verleend om negatieve inkomenseffecten te compenseren, die ontstaan zijn door de invoering van nominale premie in de ziekenfondsverzekering en uitbreiding van de aanspraken op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

In het kader van de decentralisatie van het arbeidsvoorwaardenoverleg voor de overheid is ook de vergoeding van de tegemoetkoming in de ziektekosten een onderwerp van decentraal overleg geworden. Dit betekent dat voor de onderwijssector een apart besluit over de tegemoetkoming in de ziektekosten en een toeslag ter compensatie van de relatieve inkomenseffecten nodig is.

In afwachting van de uitkomsten van de verkenning of en op welke wijze tot een optimale inzet van het budget beschikbaar voor de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 kan worden gekomen sluit de tekst van het onderhavige besluit nauw aan bij de tekst van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 en het Besluit inkomenstoeslag belanghebbenden in de zin van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982, zoals die thans voor het personeel in de sector onderwijs en wetenschappen gelden.

Toch is de tekst niet geheel identiek aan de tekst van de beide genoemde overheidsregelingen.

De verschillen zijn in twee categorieën onder te brengen, te weten:

– puur technische aanpassingen, zoals onder meer verwijzingen naar veranderde/vernummerde bepalingen en

– wijzigingen, die veroorzaakt worden door het in één besluit onderbrengen van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982, het Besluit inkomenstoeslag belanghebbenden in de zin van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 en Besluit gewijzigde betaalmaanden Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982.

In afwachting van de hierboven reeds genoemde verkenningen is er echter bewust vanaf gezien om op dit moment verder te gaan dan een codificatie van de bestaande regelgeving.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Omdat de betrokkenen beperkt zijn tot degenen van wie het salaris middellijk dan wel onmiddellijk ten laste komt van hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting, is een nauwkeurige omschrijving van de doelgroepen noodzakelijk, hetgeen gebeurd is in artikel 1, eerste lid.

Voorts noopten wijzigingen in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) tot redactionele aanpassingen in de categorieën medebetrokkenen van artikel 1, eerste lid onderdeel c3 en c4 van het besluit.

Opgemerkt wordt dat onder een medebetrokkene bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c5, mede wordt begrepen de medebetrokkene aan wie de betrokkene een bijdrage in zijn onderhoud verstrekt, doch die zelf voor verzekering van zijn ziektekosten zorg draagt, indien deze medebetrokkene niet gerekend kan worden tot een der categorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid.

Artikel 3

In deze bepaling zijn de gevallen geregeld waarin voor betrokkene geen recht bestaat op een tegemoetkoming in de ziektekostenpremie. Dit is onder meer het geval indien betrokkene of medebetrokkene verzekerd zijn ingevolge de Ziekenfondswet en indien betrokkene geen bezoldiging geniet uit zijn betrekking.

Dit laatste geval doet zich voor bij verlof zonder behoud van bezoldiging, het niet uitbetalen van de bezoldiging ingeval van het niet nakomen van verplichtingen en bij schorsing.

Artikel 4 en artikel 5

De uitkering van artikel 4 bestaat uit drie onderdelen:

a. een basisbedrag dat elk jaar wordt aangepast aan de gemiddelde kostenstijging, die door de niet op winst gerichte ziektekostenverzekeraars aan hun verzekerden in rekening wordt gebracht, waarbij als uitgangspunt is genomen het op 1 april 1988 geldende maximumbijdragedeel van de premie voor een WTZ-standaardpolis. Per 1 april 1988 bedroeg dit basisbedrag (voor een volwassene) f 71,75. Per 1 januari 1989 is dit bedrag verhoogd met 6,61% en bedroeg toen f 76,49. Thans bedraagt dit basisbedrag f 75,30.

b. de helft van de MOOZ-omslagbijdrage. Per 1 januari 1994 bedraagt deze f 1,15 (= f 27,60 : 12 : 2).

c. de helft van de WTZ-omslagbijdrage. Per 1 januari 1994 bedraagt deze f 17,25 ( f 414,00 : 12 : 2).

De betrokkene die vóór 1 april 1986 vrijwillig ziekenfondsverzekerd was en op die datum zich verzekerd heeft via een WTZ-standaardpolis, ontvangt op grond van artikel 5 daarnaast voor een volwassene f 5,00 respectievelijk voor kinderen f 2,50 extra.

Artikel 6

Op 1 januari 1989 is de gedeeltelijke nominale premie in de ziekenfondsverzekering ingevoerd en is uitbreiding gegeven aan het verstrekkingenpakket van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Deze eerste stap in de richting van een basis- en aanvullende verzekering heeft voor grote groepen overheidspersoneel een relatieve inkomensverslechtering vergeleken met de werknemers in de marktsector opgeleverd. Vooral voor betrokkenen zonder een tegemoetkoming voor een medebetrokkene is de relatieve inkomensachteruitgang groot.

Om deze reden is in deze bepaling de toeslag voor alle betrokkenen en de aanvullende toeslag geregeld voor betrokkenen die geen recht hebben op een tegemoetkoming voor een medebetrokkene en met een salaris dat gelijk dan wel lager is dan het maximum van schaal 7 van bijlage 1A van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, dan wel van het Kaderbesluit rechtspositie HBO, dan wel van het Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen, dan wel het Bezoldigingsbesluit Wetenschappelijk Onderwijs.

Artikel 7

In deze bepaling is geregeld wanneer de tegemoetkoming en toeslagen worden uitbetaald. De uitbetaling geschiedt voor een betrokkene, die werkzaam is in die sector van het onderwijs waarin het Rechtspositiebesluit onderwijs van toepassing is of geweest is in ieder geval in de maand januari. En daarna in de maand mei, echter met dien verstande dat de uitbetaling van de maand mei op verzoek van de betrokkene verschoven kan worden naar de maand december daaraanvolgend. Voor de universiteiten en de onderzoeksinstellingen blijven de uitbetalingsdata gehandhaafd, die voor het rijkspersoneel gelden, omdat zij buiten de schuifoperatie van 1991 gebleven zijn.

Artikel 8 en artikel 9

In deze bepalingen is geregeld wie voor de uitbetaling verantwoordelijk is.

Artikel 10

In deze bepaling is geregeld dat ingeval sprake is van samenloop van betrekkingen, een situatie die in het onderwijs veel voorkomt, nooit meer uitbetaald wordt dan hetgeen uitbetaald zou worden indien betrokkene één volledige betrekking zou bekleden. Tevens is geregeld de situatie die ontstaat bij het terugbrengen van de werktijd op grond van een seniorenregeling. Daarbij is als uitgangspunt de ARAR-regeling genomen, die voor een klein deel van de betrokkenen nog geldt.

Voorts is bepaald dat de toeslag en de aanvullende toeslag anders dan de tegemoetkoming niet betrokken wordt bij de bepaling van het inkomen dat ten grondslag ligt aan een tegemoetkoming in het kader van de Regeling ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (ZVO-regeling).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, vijfde lid jo. vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

Naar boven