Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 1995, 231Wet

Wet van 13 april 1995, houdende regeling van de medezeggenschap van het overheidspersoneel in de Wet op de ondernemingsraden

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de medezeggenschap van het overheidspersoneel te regelen in de Wet op de ondernemingsraden;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op de ondernemingsraden1 wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt tussen de woorden «arbeidsovereenkomst» en «arbeid» ingevoegd: of krachtens publiekrechtelijke aanstelling.

2. Onderdeel d van het eerste lid wordt vervangen door:

d. ondernemer: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een onderneming in stand houdt.

3. In het tweede lid, eerste volzin, wordt de punt vervangen door een komma en wordt toegevoegd: dan wel uit hoofde van een publiekrechtelijke aanstelling.

B.

In artikel 5a wordt na de woorden «collectieve arbeidsovereenkomst» steeds ingevoegd: of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.

C.

In artikel 6, vierde lid, eerste volzin, wordt na de zinsnede «anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst met de ondernemer» ingevoegd: , dan wel krachtens publiekrechtelijke aanstelling.

D.

In artikel 15, derde lid, eerste volzin, vervalt het woord «verspreide».

E.

Artikel 17, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin vervalt de punt en wordt toegevoegd: dan wel bezoldiging.

2. De tweede volzin vervalt.

F.

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na het woord «loon» ingevoegd: dan wel bezoldiging.

2. De tweede volzin van het eerste lid vervalt.

3. In het tweede lid wordt na het woord «loon» ingevoegd: dan wel bezoldiging.

4. De tweede volzin van het tweede lid vervalt.

G.

Artikel 21 wordt gewijzigd als volgt:

1. Aan het eerste lid wordt een nieuwe volzin toegevoegd, luidende:

Ten aanzien van personen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de onderneming werkzaam zijn, treedt de arrondissementsrechtbank in de plaats van de kantonrechter.

2. Toegevoegd wordt een nieuw zesde lid, luidende:

  • 6. De leden 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing ten aanzien van personen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling werkzaam zijn in de onderneming.

H.

In artikel 31, tweede lid, onder a, wordt de zinsnede «een rechtspersoon is» vervangen door: een niet-publiekrechtelijke rechtspersoon is.

I.

Artikel 32, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de zinsnede «Bij collectieve arbeidsovereenkomst» ingevoegd: of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.

2. Na de zinsnede «die overeenkomst» wordt ingevoegd: of die regeling.

J.

Toegevoegd wordt een nieuw Hoofdstuk VII B, luidende:

HOOFDSTUK VII B. BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR ONDERNEMINGSRADEN BIJ DE OVERHEID

Artikel 46d

Ten aanzien van een onderneming, waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht, gelden de volgende bijzondere bepalingen:

a. Voor de toepassing van deze wet wordt als bestuurder in de zin van deze wet bij een ministerie, een gemeente, een provincie of een waterschap niet aangemerkt een minister of staatssecretaris, een burgemeester, een lid van het college van burgemeester en wethouders, een commissaris van de Koning, een lid van gedeputeerde staten, een dijkgraaf of een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap.

b. Voor de toepassing van artikel 23, derde lid, zijn onder de aangelegenheden de onderneming betreffende niet begrepen de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen daarvan, noch het beleid ten aanzien van en de uitvoering van die taken, behoudens voor zover het betreft de gevolgen daarvan voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen.

c. De in de artikelen 5, 8, tweede en derde lid, 35a, derde lid, 37, 38, 39 en 41, tweede lid, van deze wet aan de Raad toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door de Minister van Binnenlandse Zaken.

d. Voor de toepassing van artikel 38, eerste lid, kunnen behalve een representatieve organisatie of organisaties van ondernemers ook een of meerdere ministers aangewezen worden.

e. De verordenende bevoegdheid van de Raad strekt zich niet uit tot ondernemingen waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht.

f. Indien op grond van het bepaalde in onderdeel c de Minister van Binnenlandse Zaken een bedrijfscommissie heeft ingesteld, dient deze onverminderd het bepaalde in artikel 40, eerste lid, aan de Minister van Binnenlandse Zaken verslag uit te brengen. De Minister van Binnenlandse Zaken doet dit verslag toekomen aan de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales van overheidspersoneel toegelaten tot de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, genoemd in artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

g. Hoofdstuk VII A is niet van toepassing. De Minister van Binnenlandse Zaken kan aan ondernemers een heffing opleggen ter bevordering van scholing en vorming van ondernemingsraadsleden. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van heffing, de bestemming van de opbrengst van deze heffing en onder welke voorwaarden deze opbrengst kan worden afgedragen.

Artikel 46e
  • 1. De in artikel 46d aan de Minister van Binnenlandse Zaken toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend na overleg met de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales van overheidspersoneel toegelaten tot de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, genoemd in artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

  • 2. In het in het eerste lid bedoelde overleg hebben de centrales van overheidspersoneel evenveel stemmen als de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers.

  • 3. Voor een besluit als bedoeld in de artikelen 8, tweede en derde lid, 35a, derde lid, 39 en 46d, onderdeel g, van deze Wet behoeft Onze Minister van Binnenlandse Zaken de instemming van twee derde van de deelnemers aan het in het eerste lid bedoelde overleg. Voor een besluit als bedoeld in de artikelen 5, 37, 38 en 41, tweede lid, van deze Wet behoeft Onze Minister van Binnenlandse Zaken de instemming van de meerderheid van de deelnemers aan het in het eerste lid bedoelde overleg.

K.

Toegevoegd wordt een nieuw artikel 53, luidende:

Artikel 53

  • 1. Deze wet is niet van toepassing op de in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde universiteiten, hogescholen, Open Universiteit, openbare academische ziekenhuizen, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en Koninklijke Bibliotheek noch op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen worden bepaald dat de in het eerste lid opgenomen uitzondering niet geldt voor één of meer van bedoelde instellingen. Daarbij kan tevens worden bepaald dat Hoofdstuk VII B van deze wet niet van toepassing is.

  • 3. Met ingang van het tijdstip waarop de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur voor de Open Universiteit, de openbare academische ziekenhuizen en de in het eerste lid genoemde onderzoeksorganisaties in werking treedt, vervallen de artikelen 11.19, 11.20, 11.21 en 11.22, onderscheidenlijk artikel 12.14 en artikel 13.7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en artikel 14, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek alsmede de aanduiding «1» voor het eerste lid van dat artikel.

L.

Toegevoegd wordt een nieuw artikel 53a, luidende:

Artikel 53a

Deze wet is niet van toepassing op het Ministerie van Defensie en de daaronder ressorterende diensten, bedrijven of instellingen.

M.

Toegevoegd wordt een nieuw artikel 53b, luidende

Artikel 53b

Deze wet is niet van toepassing op de rechterlijke ambtenaren bij de tot de rechterlijke macht behorende gerechten, de overeenkomstige ambtenaren bij de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, de Tariefcommissie en het College van Beroep Studiefinanciering en de rechterlijke ambtenaren in opleiding.

N

Toegevoegd wordt een nieuw artikel 53c, luidende:

Artikel 53c

Deze wet is niet van toepassing op:

a. de leden van de Raad van State;

b. de leden van de Algemene Rekenkamer;

c. de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen.

ARTIKEL II OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

A.

Uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van deze wet dient voor ondernemingen, waarvoor krachtens deze wet een verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad ontstaat, een ondernemingsraad te zijn ingesteld. De bestaande dienstcommissies en medezeggenschapscommissies houden op te bestaan op de datum waarop de ondernemer voor het organisatieonderdeel waarvoor de dienstcommissie of medezeggenschapscommissie is ingesteld of mede voor dat organisatieonderdeel, een ondernemingsraad heeft ingesteld, doch uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van deze wet.

B.

De Algemene wet gelijke behandeling2 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 12, tweede lid, onder d, komt te luiden:

d. een ondernemingsraad, die meent dat in de onderneming waarvoor deze is ingesteld, onderscheidenlijk een met die ondernemingsraad vergelijkbaar medezeggenschapsorgaan, dat meent dat in het organisatorisch samenwerkingsverband waarvoor het is ingesteld, onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen;.

C.

De Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen3 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 21, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Indien uit een onderzoek blijkt dat een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of in deze wet doet Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hiervan mededeling aan de natuurlijke persoon, rechtspersoon of het bevoegde gezag dat het onderscheid heeft gemaakt of maakt, en, indien het een onderscheid als bedoeld in artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek of artikel 1a of artikel 1b van deze wet betreft, aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of van overheidspersoneel.

    De mededeling aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of van overheidspersoneel bevat geen gegevens waaruit de identiteit van de in het onderzoek betrokken personen ten nadele van wie het onderscheid is of wordt gemaakt kan worden afgeleid.

D.

Indien het bij koninklijke boodschap van 15 maart 1990 ingediende voorstel van wet Herziening van het ontslagrecht (21 479) tot wet wordt verheven en in werking treedt, komt met ingang van de datum van die inwerkingtreding het zesde lid van artikel 21 van de Wet op de ondernemingsraden te vervallen.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 13 april 1995

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Uitgegeven de vierde mei 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1990, 93, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 december 1994, Stb. 916.

XNoot
2

Stb. 1994, 230, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 april 1995, Stb. 227.

XNoot
3

Stb. 1989, 169, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 april 1994, Stb. 269.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1993/94, 1994/95, 23 551.

Handelingen II 1994/95, blz. 223–239; 285–286.

Kamerstukken I 1994/95, 23 551 (48, 48a, 48b, 48c).

Handelingen I 1994/95, zie vergadering d.d. 11 april 1995.