Wet van 2 februari 1995 tot wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening en enige andere wetten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels voor de ouderbijdragen bij justitiële jeugdbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening te harmoniseren, de regels voor de invordering van de ouderbijdragen te vereenvoudigen en enkele voor de ouderbijdragen geldende regels wettelijk vast te leggen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 1989, 360)1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 27, 35, 37, 41a, 41b, 41c en 56 geschiedt door Onze Ministers.

B

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

Toegevoegd wordt de zin: Deze mededeling aan Onze ministers bevat gegevens, welke benodigd zijn voor de uitvoering van hoofdstuk VII en geschiedt onmiddellijk en door middel van een door hen vastgesteld formulier.

C

Artikel 41 wordt vervangen door negen nieuwe artikelen, luidende:

Artikel 41

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. ouderbijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 41a, eerste lid;

b. eigen bijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 41b, eerste en tweede lid.

Artikel 41a

  • 1. De onderhoudsplichtige ouders, degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegronde vordering is toegewezen daaronder begrepen, en de onderhoudsplichtige stiefouder van een jeugdige, zijn aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van verzorging en verblijf:

    a. in een op grond van deze wet voor bekostiging in aanmerking gebrachte voorziening niet zijnde een voorziening van ambulante hulpverlening;

    b. elders dan in een zodanige voorziening, indien de jeugdige daar is geplaatst met toepassing van artikel 263 of 326 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel daar is geplaatst door een voogdij-instelling of een raad voor de kinderbescherming.

  • 2. De ouderbijdrage wordt vastgesteld naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de verzorging en het verblijf, bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de hoogte van de bijdrage.

  • 3. Indien ten aanzien van een jeugdige meer dan één persoon de ouderbijdrage verschuldigd is, is ieder der bijdrageplichtigen de ouderbijdrage verschuldigd met dien verstande dat, indien de een heeft betaald, de ander is bevrijd.

Artikel 41b

  • 1. Een jeugdige aan wie hulpverlening wordt geboden in een op grond van deze wet voor bekostiging in aanmerking gebrachte voorziening van residentiële hulpverlening, is aan de uitvoerder van de desbetreffende voorziening een bijdrage verschuldigd in de kosten van verzorging en verblijf.

  • 2. In de gevallen, bedoeld in artikel 41a, eerste lid, onder b, is de jeugdige aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van verzorging en verblijf.

  • 3. De eigen bijdrage wordt vastgesteld naar het inkomen van de jeugdige. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het inkomen dat bij de vaststelling van de bijdrage in aanmerking wordt genomen en omtrent de hoogte van de bijdrage.

Artikel 41c

  • 1. Geen bijdrage ingevolge dit hoofdstuk is verschuldigd indien de jeugdige voorlopige hechtenis ondergaat dan wel indien aan de jeugdige een straf of maatregel als bedoeld in de artikel 77g en 77h van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, ondertoezichtstelling daaronder niet begrepen.

  • 2. Geen ouderbijdrage is verschuldigd indien:

    a. de jeugdige met het oog op adoptie niet meer door zijn ouders wordt verzorgd en opgevoed;

    b. de ouders van de ouderlijke macht of van de voogdij over de jeugdige zijn ontheven of ontzet;

    c. het verblijf en de verzorging worden geboden in een acute noodsituatie, zulks voor de duur van ten hoogste zes weken;

    d. aan een minderjarige jeugdige nog hulpverlening als bedoeld in artikel 41a wordt geboden na schriftelijk aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur of, indien een aanwijzing als bedoeld in artikel 41f, eerste lid, is geschied, aan de in naam van Onze Minister optredende instantie kenbaar gemaakt bezwaar door degene die de ouderlijke macht of de voogdij uitoefent, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming is getroffen die tot zodanige hulpverlening strekt of haar noodzakelijk maakt;

    e. het bij algemene maatregel van bestuur aan te geven inkomen van de jeugdige vijfhonderd gulden of meer per maand bedraagt.

  • 3. Geen ouderbijdrage is verschuldigd door de ouder of stiefouder ten aanzien van wie de rechter op de voet van de artikelen 406 of 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een bedrag heeft bepaald dat hij periodiek moet betalen ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind of stiefkind.

Artikel 41d

Wonen bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden en is geen bedrag bepaald op de voet van de artikelen 406 of 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dan is de ouder of stiefouder die ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet onmiddellijk voorafgaande aan het verblijf bedoeld in artikel 41a, eerste lid, recht op kinderbijslag heeft de ouderbijdrage verschuldigd.

Artikel 41f

  • 1. De ouderbijdrage wordt vastgesteld en geïnd door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur of in naam van Onze Minister door een door hem aan te wijzen instantie.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geschieden de vaststelling en de inning door Onze Minister van Justitie of in naam van Onze Minister door een door hem aan te wijzen instantie, indien:

    a. ten aanzien van de jeugdige een der artikelen 262, 263 of 326 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is toegepast;

    b. het gezag is opgedragen aan een voogdij-instelling;

    c. de jeugdige voorlopig is toevertrouwd aan de raad voor de kinderbescherming.

  • 3. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 41b, eerste lid, wordt vastgesteld door de uitvoerder van de desbetreffende voorziening. Deze is tevens met de inning belast.

  • 4. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 41b, tweede lid, wordt vastgesteld en geïnd door Onze Minister van Justitie of in naam van Onze Minister door een door hem aan te wijzen instantie.

Artikel 41g

  • 1. De bijdrageplichtige is verplicht aan degene die belast is met de vaststelling en de inning van de bijdrage en de toeslag desgevraagd alle inlichtingen te geven ten behoeve van de uitvoering van dit hoofdstuk.

  • 2. De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk worden verstrekt binnen een door degene die belast is met de vaststelling en de inning van de bijdrage en toeslag schriftelijk te stellen, redelijke termijn.

  • 3. De uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 41b, eerste lid, doet, indien een geval als bedoeld in artikel 41c, tweede lid, onder e, zich voordoet, daarvan mededeling aan degene die belast is met de vaststelling van de ouderbijdrage.

Artikel 41h

Degene die belast is met de vaststelling van de bijdrage deelt de bijdrageplichtige schriftelijk mede welke bijdrage is verschuldigd en binnen welke termijn het verschuldigde bedrag telkens moet worden voldaan.

Artikel 41i

  • 1. Indien de bijdrage voor het geheel of voor een deel niet tijdig is betaald, kan degene die belast is met de inning, van een bijdrageplichtige de verschuldigde bedragen, vermeerderd met de aan de invordering verbonden kosten van aanmaning, betekening en executie, invorderen.

  • 2. Geen invordering geschiedt dan nadat de bijdrageplichtige schriftelijk is aangemaand om alsnog binnen veertien dagen na dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de bijdrageplichtige anders door de middelen bij wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen.

  • 3. Indien de bijdrageplichtige na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering geschieden bij een door Onze Minister die het aangaat, dan wel bij een door de instantie die met de inning is belast, in naam van Onze Minister die het aangaat uit te vaardigen dwangbevel, dat meebrengt het recht de roerende en onroerende goederen van de bijdrageplichtige zonder vonnis aan te tasten.

  • 4. De betekenis van het dwangbevel geschiedt overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van dagvaardingen.

  • 5. Het dwangbevel wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten.

  • 6. De bijdrageplichtige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank. Het verzet vangt aan met een dagvaarding door de bijdrageplichtige als eiser aan degene die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat de mededeling bedoeld in artikel 41h of de aanmaning niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de bijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

  • 7. Voor de toepassing van deze wet kan degene die belast is met de inning executoriaal beslag onder derden leggen door van het dwangbevel in afschrift mededeling te doen aan de derde beslagene. Artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL II

Het Burgerlijk Wetboek2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 241, vijfde en zesde lid, van Boek 1 vervalt.

B

Artikel 264 van Boek 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de huidige tekst wordt het cijfer 1. geplaatst, terwijl de zinsnede «bij de artikelen 260, derde lid, 262 en 263», wordt vervangen door: in artikel 260, derde lid.

2. Toegevoegd wordt een tweede lid, luidende:

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 van dit boek verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.

C

De artikelen 273 en 333 van Boek 1 vervallen.

D

Het tweede lid van artikel 395b van Boek 1 komt te luiden:

  • 2. Hetzelfde geldt, indien met toepassing van Hoofdstuk VII van de Wet op de jeugdhulpverlening het bedrag is vastgesteld dat de ouder of stiefouder ter bestrijding van de kosten van de in artikel 41f, tweede lid, van die wet bedoelde maatregelen aan Onze Minister dan wel aan de in zijn naam optredende instantie moet uitkeren.

ARTIKEL III

Artikel 927, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering3 komt te luiden:

  • 1. Bij iedere beschikking waarbij de gezinsvoogd machtiging wordt verleend om aanwijzing te geven tot een maatregel als bedoeld in artikel 260, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, stelt de rechter tevens vast hoeveel de ouders of – dezen onvermogend dan wel overleden zijnde – hoeveel de minderjarige, ter bestrijding van de kosten van bedoelde maatregelen, aan Onze Minister van Justitie of de in zijn naam optredende instantie moeten uitkeren.

ARTIKEL IV

Indien de wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht (Stb. 570) in werking treedt, komt het eerste lid van artikel 406d van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te luiden:

  • 1. Bij iedere beschikking waarbij de gezinsvoogd machtiging wordt verleend om aanwijzing te geven tot een maatregel als bedoeld in artikel 260, derde lid, stelt de rechter tevens vast hoeveel de ouders of – dezen onvermogend dan wel overleden zijnde – hoeveel de minderjarige, ter bestrijding van de kosten van bedoelde maatregelen, aan Onze Minister van Justitie of de in zijn naam optredende instantie moeten uitkeren.

ARTIKEL V

  • 1. Geen ouderbijdrage op grond van deze wet is verschuldigd, indien de verzorging en het verblijf vóór 1 mei 1985 zijn aangevangen en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geen bijdrage in de kosten van verzorging en verblijf dan wel een onderhoudsbijdrage of een bijdrage in de kosten van een maatregel van justitiële kinderbescherming is opgelegd.

  • 2. Indien de verzorging en het verblijf zijn aangevangen na 1 mei 1985 en vóór de dag van inwerkingtreding van deze wet en op laatstbedoeld tijdstip door een ouder of stiefouder nog geen bijdrage verschuldigd was, bedraagt de bijdrage voor die ouder of stiefouder gedurende een half jaar na inwerkingtreding van deze wet de helft van de op grond van Hoofdstuk VII van de Wet op de jeugdhulpverlening verschuldigde bijdrage.

ARTIKEL VI

Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij in het Staatsblad wordt geplaatst.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 2 februari 1995

Beatrix

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra

De Staatssecretaris van Justitie,

E. M. A. Schmitz

Uitgegeven de zevenentwintigste april 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 juli 1994, Stb. 528.

XNoot
2

Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 april 1995, Stb. 200.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1990/91, 1992/93, 1993/94, 1994/95, 22 060.

Hand. II 1994/95, blz. 185-204; 210.

Kamerstukken I 1994/95, 22 060 (42, 42a, 42b, 42c).

Hand. I 1994/95, blz. 555.

Naar boven