Besluit van 30 maart 1995, houdende regelen inzake de tijdelijke verlaging van de vut-leeftijd ingevolge de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden van 61 naar 60 jaar (Besluit verlenging algemene verlaging vut-leeftijd 1989–1992)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 18 januari 1995, nr. AB94/U2105, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen;

Gelet op artikel 3, negende lid, van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden;

De Raad van State gehoord (advies van 1 maart 1995, No. W04.95.0051);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 21 maart 1995, nr. AB95/307, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

  • 1. In de periode van 1 februari 1989 tot en met 31 maart 1992 geldt in de plaats van de in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden gestelde leeftijd van 61 jaar: 60 jaar.

  • 2. Het eerste lid is op vrijwillig vervroegd uittreden uit de dienst van een lichaam, waarvoor het stelsel geldt van de Wet arbeidsvoorwaardenontwikkeling gepremieerde en gesubsidieerde sector, slechts dan van toepassing indien daartoe, binnen de grenzen van hetgeen dit stelsel toelaat, wordt besloten door het orgaan dat bevoegd is tot wijziging van de bij dat lichaam geldende arbeidsvoorwaarden, onderscheidenlijk door de natuurlijke of rechtspersonen die daartoe bevoegd zijn zodanige wijziging overeen te komen.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing in geval van ontslag uit een betrekking, voor de vervulling waarvan uit hoofde van de aard van de aan die betrekking verbonden werkzaamheden, een leeftijdsgrens is vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 1989.

Artikel 3

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verlenging algemene verlaging vut-leeftijd 1989–1992.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 30 maart 1995

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Uitgegeven de vijfentwintigste april 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Met het oog op de herverdeling van werkgelegenheid door middel van vervroegde uittreding van oudere ambtenaren uit de overheidsdienst is in het kader van het arbeidsvoorwaardenbeleid 1987/1988 tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van overheidspersoneel overeengekomen om per 1 januari 1988 de vut-leeftijd gedurende een jaar te verlagen van 61 jaar tot 60 jaar. Deze tijdelijke maatregel is neergelegd in het koninklijk besluit van 23 augustus 1988, houdende regelen als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (Stb. 1988, 423). Naar aanleiding van de werkgelegenheidsverruimende effecten van de verlaging van de vut-leeftijd is in het kader van het arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid voor het overheidspersoneel in 1989 tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van overheidspersoneel overeengekomen om ook voor het jaar 1989 de vut-leeftijd te verlagen naar 60 jaar. Dit middels een voortzetting van het koninklijk besluit van 23 augustus 1988 op dezelfde voet per 1 februari 1989. De verlaging van de vut-leeftijd geldt voor ambtenaren die – binnen voor de vut geldende voorwaarden – gedurende het jaar 1989 de leeftijd van 60 jaar bereikten, of deze leeftijd reeds hadden bereikt. De maatregel is bekend gesteld in de circulaire Arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid overheidspersoneel 1989 van 26 januari 1989 (AB88/129/U64).

Nadien is in het arbeidsvoorwaardenoverleg tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van overheidspersoneel nog viermaal overeengekomen de maatregel tot verlaging van de vut-leeftijd naar 60 jaar voort te zetten. In het overleg over de arbeidsvoorwaarden van 1990 is overeengekomen de maatregel te verlengen tot en met 31 december 1990. Dit is bekendgemaakt bij circulaire van 16 november 1989 (AB87/67/U44). Voor het jaar 1991 is de maatregel in eerste instantie verlengd tot 1 april 1991 en vervolgens 1 mei 1991. Dit is bekendgemaakt in de circulaires van 17 september 1990 (AW89/345/U18) en 22 maart 1991 (AW89/345/U24). In het kader van de Centrale Overeenkomst inzake de arbeidsvoorwaarden voor het overheidspersoneel van 17 april 1991 is voor de laatste maal overeengekomen de maatregel te verlengen tot en met 31 maart 1992. Afgesproken is dat nadien geen verlenging meer zou plaatsvinden en de met deze regeling en haar sectorale vertalingen gemoeide middelen in het tempo waarin deze vrijvallen beschikbaar komen voor het decentrale arbeidsvoorwaardenoverleg. Dit is bekendgemaakt in de circulaire Arbeidsvoorwaardenmaatregelen overheidspersoneel 1991 van 23 april 1991 (AB90/185/U51). Dit besluit formaliseert de verlaging van de vut-leeftijd op grond van artikel 3, negende lid, van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden voor het tijdvak 1 februari 1989 tot en met 31 maart 1992.

De verlenging van de maatregel ter verlaging van de vut-leeftijd tot 60 jaar is in alle gevallen getroffen conform het Besluit van 23 augustus 1988. Dit met dien verstande dat de maatregel eveneens materiële betekenis heeft voor die categorieën onderwijspersoneel voor wie een specifieke maatregel van een verlaagde leeftijdsgrens voor vrijwillig vervroegd uittreden gedurende de werkingsperiode van dit besluit is komen te vervallen. De maatregel geldt niet voor ambtenaren op wie een regeling voor functioneel leeftijdontslag van toepassing is. Voorts geldt de regeling slechts dan voor lichamen in de zin van de Abp-wet waarvoor het stelsel van toepassing is van de Wet arbeidsvoorwaardenontwikkeling gepremieerde en gesubsidieerde sector (WAGGS), wanneer werkgevers en werknemers daarvoor opteren.

De uit de onderhavige maatregel voortvloeiende lasten voor het Algemeen burgerlijk pensioenfonds zijn op de volgende wijze gefinancierd. Enerzijds zijn de lasten, op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wet vrijwillig vervroegd uittreden ten laste gebracht van de financiële ruimte die voor het arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid bij de overheid beschikbaar is gesteld. Deze uitgaven bedroegen: 135 miljoen in 1989, 148 miljoen in 1990, 172 miljoen in 1991 en 141 miljoen in 1992.

Anderzijds zijn aan die onderdelen van de overheid (bedrijven, waterschappen e.a.), die niet voor de financiering van de loonkosten van het eigen personeel afhankelijk zijn van de financiële ruimte die centraal voor de arbeidsvoorwaardenontwikkeling van ambtenaren beschikbaar wordt gesteld, de kosten van de maatregel in rekening gebracht. Dit volgens het koninklijk besluit van 12 januari 1990, houdende de verplichting voor bepaalde lichamen aan het Algemeen burgerlijk pensioenfonds te vergoeden de bedragen die ten laste van het fonds zijn gekomen in verband met uitkeringen aan bepaalde groepen belanghebbenden op grond van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (Stb. 1990, 47).

Vooruitlopend op formalisering is telkens uitvoering gegeven aan de verlenging van de maatregel ter verlaging van de vut-leeftijd. Dit teneinde degene voor wie de maatregel was bedoeld daarvan tijdig gebruik te kunnen laten maken. Het treffen van een definitieve formele regeling was eerst goed mogelijk op het moment dat overeenstemming bestond over de beëindiging van de tijdelijke maatregel ter verlaging van de vut-leeftijd. Daarbij hebben capaciteitsproblemen er helaas toe geleid dat de formalisering uiteindelijk later tot stand is gekomen dan beoogd. De Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken is over het ontwerp-besluit gehoord en kan zich daarmee verenigen.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 9 mei 1995, nr. 89.

Naar boven