Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 1995, 198Wet

Wet van 23 maart 1995, houdende regeling van de organisatie belast met de inning van onderhoudsbijdragen voor kinderen en met de vaststelling en inning van ouderbijdragen voor jeugdhulpverlening (Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitoefening van de taken met betrekking tot de inning van onderhoudsbijdragen voor kinderen en de vaststelling en inning van ouderbijdragen jeugdhulpverlening door de dependance Gouda van de raad voor de kinderbescherming Den Haag en door de daar gedetacheerde werkeenheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te verzelfstandigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze minister: Onze Minister van Justitie;

b. het Bureau: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, bedoeld in artikel 2, eerste lid;

c. de raad: de raad van toezicht, bedoeld in artikel 3;

d. de directie: de directie, bedoeld in artikel 3.

Artikel 2

  • 1. Er is een Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat gevestigd is te Gouda.

  • 2. Het Bureau bezit rechtspersoonlijkheid.

  • 3. Het Bureau is belast met de hem:

    a. bij of krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek opgedragen taken ter zake van de inning van onderhoudsbijdragen voor minderjarigen en meerderjarigen die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt;

    b. bij of krachtens de Wet op de jeugdhulpverlening opgedragen taken ter zake van de vaststelling en inning van ouderbijdragen; en

    c. bij andere wetten opgedragen taken.

  • 4. Het Bureau treedt op als ontvangende en verzendende instelling als bedoeld in artikel 2 van het Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud en als bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het Bureau daarbij aangegeven andere taken kan verrichten dan die, bedoeld in het derde en vierde lid, indien deze taken:

    a. nauw verband houden met de in het derde lid genoemde taken;

    b. toepassing met zich brengen van de produktiemiddelen die het Bureau voor de vervulling van zijn in het derde lid genoemde taken gebruikt;

    c. niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van vergelijkbare diensten, en

    d. tegen kostendekkende tarieven worden verricht.

HOOFDSTUK 2. DE DIRECTIE EN HET TOEZICHT OP DE DIRECTIE

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 3

Het Bureau heeft een directie en een raad van toezicht.

Paragraaf 2. De directie

Artikel 4

  • 1. De directie bestaat uit ten hoogste drie leden.

  • 2. Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad.

  • 3. De leden van de directie worden aangesteld, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht. Zij kunnen voor bepaalde tijd worden aangesteld.

  • 4. De regeling van de bezoldiging en verdere rechtspositie van de leden van de directie behoeft de goedkeuring van Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 5

  • 1. De directie is belast met de dagelijkse leiding van het Bureau.

  • 2. Alle bevoegdheden van het Bureau die niet bij of krachtens de wet aan de raad zijn opgedragen, komen toe aan de directie.

Artikel 6

  • 1. De directie vertegenwoordigt het Bureau in en buiten rechte.

  • 2. De directie kan onder haar verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of meer directieleden of andere personen. Zij kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen van de taken van het Bureau dan wel op bepaalde aangelegenheden.

Artikel 7

In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie voorziet de raad in de waarneming van diens functie.

Artikel 8

  • 1. De directie is verantwoording verschuldigd aan de raad. Zij verstrekt de raad tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens.

  • 2. De directie legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht aanleiding bestaat, aan de raad verantwoording af over het door haar gevoerde beleid.

Paragraaf 3. De raad van toezicht

Artikel 9

  • 1. De raad bestaat uit vijf leden, de voorzitter daaronder begrepen.

  • 2. Een persoon in dienst van het Bureau kan niet tevens lid zijn van de raad.

  • 3. Onze minister kan aan de leden van de raad een vacatiegeld toekennen ten laste van het Bureau.

  • 4. De leden van de raad hebben aanspraak op vergoeding door het Bureau van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten.

  • 5. De leden van de raad hebben daarin op persoonlijke titel zitting en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

Artikel 10

  • 1. Onze minister benoemt, schorst en ontslaat in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de voorzitter en de overige leden van de raad.

  • 2. De raad doet Onze minister voor iedere te vervullen plaats in de raad een aanbeveling van één persoon. De aanbeveling is met redenen omkleed. Onze minister wijkt niet van de aanbeveling af, dan na overleg met de raad.

  • 3. De leden van de raad worden benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.

  • 4. De leden van de raad kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.

  • 5. Zolang niet is voorzien in een vacature in de raad, vormen de overblijvende leden de raad. Indien alle leden ontbreken, benoemt Onze minister in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, onverwijld een of meer personen die tijdelijk de taken van de raad vervullen.

  • 6. Degene die is benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden en is vervolgens voor een aansluitende periode éénmaal herbenoembaar.

Artikel 11

  • 1. De raad ziet toe op de werkzaamheden van de directie en op de algemene gang van zaken in het Bureau. Hij staat de directie met raad ter zijde.

  • 2. De raad regelt bij reglement zijn werkwijze, waaronder in ieder geval de openbaarheid van zijn vergaderingen.

  • 3. De raad kan geen geldige besluiten nemen, indien niet ten minste drie leden ter vergadering aanwezig zijn.

Artikel 12

  • 1. Aan de goedkeuring van de raad zijn onderworpen de besluiten van de directie met betrekking tot:

    a. de reglementen, bedoeld in de artikelen 13 en 16, tweede lid;

    b. de begroting, bedoeld in artikel 17;

    c. investeringen die een door de raad vast te stellen bedrag te boven gaan;

    d. het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, vijfde lid;

    e. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon, indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor het Bureau;

    f. het oprichten of mede-oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon of het deelnemen in een vennootschap;

    g. belangrijke reorganisaties.

  • 2. Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onder f, behoeven bovendien de goedkeuring van Onze minister en van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

HOOFDSTUK 3. ORGANISATIE EN PERSONEEL

Paragraaf 1. De organisatie

Artikel 13

De directie stelt bij reglement de hoofdlijnen vast van de organisatie van het Bureau.

Paragraaf 2. Het personeel

Artikel 14

  • 1. Het personeel van het Bureau, de leden van de directie daaronder niet begrepen, wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de directie.

  • 2. De rechtspositie van het personeel van het Bureau is overeenkomstig de regels, zoals die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij de ministeries met dien verstande dat, waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door de directie. Bij algemene maatregel van bestuur kan zonodig worden afgeweken van de in de vorige volzin bedoelde regels.

HOOFDSTUK 4. FINANCIEEL BEHEER EN VERSLAGLEGGING

Paragraaf 1. Financieel beheer

Artikel 15

  • 1. De inkomsten van het bureau bestaan uit:

    a. de opbrengsten uit de opslag van kosten, bedoeld in artikel 408, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

    b. de opbrengsten uit vergoedingen voor andere bij of krachtens de wet aan het Bureau opgedragen taken;

    c. andere baten, hoe ook genoemd.

  • 2. Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stellen jaarlijks aan het Bureau ten laste van de begrotingen van onderscheidenlijk het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport middelen ter beschikking ten behoeve van de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b.

  • 3. Onze minister stelt gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn jaarlijks aan het Bureau ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie middelen ter beschikking ten behoeve van de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder a. Eveneens worden jaarlijks aan het Bureau ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie middelen ter beschikking gesteld ten behoeve van de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 2, vierde lid.

  • 4. Onze minister en Onze Minister van Volkgezondheid, Welzijn en Sport geven jaarlijks voor 1 september van enig kalenderjaar, doch niet dan nadat zij daarover met het Bureau hebben overlegd, het bedrag aan dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het Bureau ter beschikking zal worden gesteld en nemen dit bedrag op in de voorstellen van wet tot vaststelling van de begroting van onderscheidenlijk het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 5. Zolang de wet tot vaststelling van de begroting, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, niet in werking is getreden, verstrekken Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met ingang van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, een voorschot aan het Bureau, in de vorm van maandelijkse termijnen.

  • 6. Het Bureau trekt geen gelden aan die dagelijks of op termijn opvorderbaar zijn. In afwijking van de vorige volzin is het aan het Bureau toegestaan ter overbrugging van tijdelijke kastekorten bij een kredietinstelling tijdelijke kredieten in rekening-courant op te nemen.

Artikel 16

  • 1. De directie houdt zodanige aantekeningen omtrent de vermogenstoestand van het Bureau dat daaruit te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.

  • 2. De directie stelt bij reglement de werkwijze vast voor het financiële beheer en de administratieve organisatie van het Bureau.

  • 3. Het boekjaar van het Bureau is het kalenderjaar.

Artikel 17

De directie stelt tijdig voor de afloop van het boekjaar een financiële begroting vast voor het volgende boekjaar. De begroting is in overeenstemming met het meerjarenbeleidsplan, bedoeld in artikel 18.

Artikel 18

  • 1. Tegelijk met de opstelling van de financiële begroting stelt de directie een meerjarenbeleidsplan op. Het meerjarenbeleidsplan wordt vastgesteld door de raad.

  • 2. Het meerjarenbeleidsplan geeft voor de eerstvolgende vijf boekjaren in elk geval:

    a. een overzicht van de door het Bureau te verrichten werkzaamheden ter uitvoering van de aan het Bureau bij of krachtens de wet opgedragen taken en een raming van de daarmee gemoeide kosten en opbrengsten;

    b. een overzicht van de voorgenomen andere werkzaamheden van het Bureau, als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, en een raming van de daarmee gemoeide kosten en opbrengsten.

Artikel 19

  • 1. De raad zendt de door hem goedgekeurde begroting en het door hem vastgestelde meerjarenbeleidsplan voor 1 juli van het daaraan voorafgaande boekjaar toe aan Onze minister en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 2. Bij toezending van de in het eerste lid bedoelde stukken kan de raad aan Onze minister een beredeneerd voorstel doen tot wijziging van de kostenopslag, bedoeld in artikel 408 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 20

Het meerjarenbeleidsplan behoeft de goedkeuring van Onze minister die deze niet verleent dan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onze minister kan het meerjarenbeleidsplan gedeeltelijk goedkeuren of aan de goedkeuring voorwaarden verbinden.

Paragraaf 2. De jaarrekening en het jaarverslag

Artikel 21

  • 1. Jaarlijks binnen drie maanden na afloop van het boekjaar maakt de directie een jaarrekening op en stelt een verslag van werkzaamheden vast.

  • 2. De jaarrekening wordt vastgesteld door de raad. Zij behoeft de goedkeuring van Onze minister en van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 3. De jaarrekening voldoet aan het bepaalde daaromtrent in titel 9 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek met uitzondering van de artikelen 392 en de bepalingen welke een in aandelen verdeeld kapitaal van de vennootschap veronderstellen. Het verslag van werkzaamheden omvat in ieder geval mededelingen omtrent het gevoerde beleid gedurende het boekjaar, alsmede omtrent de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze van het Bureau.

  • 4. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de raad aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek alsmede van een opgave van de gebeurtenissen na de balansdatum met belangrijke financiële gevolgen voor het Bureau, onder mededeling van de omvang van die gevolgen. Voorts gaat de jaarrekening vergezeld van een beoordeling omtrent de rechtmatigheid van de uitvoering van de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen, alsmede van de bij of krachtens het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de jeugdhulpverlening gestelde bepalingen, voor zover deze worden uitgevoerd door het Bureau. Bij de aanwijzing van de accountant wordt bedongen dat aan Onze minister of Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de beoordeling van de rechtmatigheid, bedoeld in het vierde lid, plaatsvindt.

  • 6. De raad zendt de jaarrekening, het verslag van werkzaamheden en de stukken, bedoeld in het vierde lid, binnen vier maanden na afloop van het boekjaar toe aan Onze minister en aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onze minister kan deze termijn in bijzondere omstandigheden verlengen, doch ten hoogste met zes maanden.

  • 7. Binnen acht dagen na de goedkeuring maakt het Bureau de jaarrekening openbaar door terinzagelegging op het kantoor van het Bureau. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. De directie ziet erop toe dat aan een ieder die daarom verzoekt, inzage wordt verleend in de in het eerste lid genoemde stukken, en een volledig of gedeeltelijk afschrift daarvan wordt verstrekt tegen ten hoogste de kostprijs van het maken van zodanig afschrift.

  • 8. Artikel 139 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de directie en, voor zover het betreft de jaarrekening, ook ten aanzien van de raad.

HOOFDSTUK 5. INLICHTINGEN EN VOORZIENING BIJ NALATIGHEID

Artikel 22

  • 1. De directie en de raad verstrekken Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, desgevraagd alle voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen inzage verlangen van gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun taken redelijkerwijs nodig is.

  • 2. Onze minister kan bepalen dat de directie inlichtingen als bedoeld in het eerste lid, aan hem verstrekt in de vorm van een periodieke rapportage.

Artikel 23

De Gemeentelijke Sociale Diensten, de Informatie Beheer Groep, de inspecteur der rijksbelastingen, de Sociale Verzekeringsbank, ziekenfondsen als bedoeld in de Wet van 15 oktober 1964, Stb. 392, houdende regelen met betrekking tot de geneeskundige verzorging door middel van ziekenfondsverzekering, bedrijfsverenigingen als bedoeld in de Organisatiewet Sociale Verzekering, de ambtenaren van de burgerlijke stand en de gemeentebesturen, voor zover het betreft de gemeentelijke basisadministraties persoonsgegevens, zijn verplicht aan het Bureau kosteloos alle inlichtingen te verstrekken ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2, derde en vierde lid.

Artikel 24

Indien het Bureau zijn taken, bedoeld in artikel 2, derde en vierde lid, naar het oordeel van Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verwaarloost, kunnen zij voorzieningen treffen. Onze minister doet hiervan terstond mededeling aan de Staten-Generaal.

HOOFDSTUK 6. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN

Artikel 25

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Het tweede lid van artikel 240 vervalt.

B

In het vijfde lid van artikel 406 wordt de zinsnede «, hetzij door het kind hetzij door de raad voor de kinderbescherming» vervangen door: door het kind.

C

Artikel 408 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Op verzoek van een gerechtigde als bedoeld in het eerste lid, van een onderhoudsplichtige dan wel op gezamenlijk verzoek van een gerechtigde en onderhoudsplichtige neemt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de invordering van de onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van dit Bureau. De overhandiging daarvan machtigt het Bureau tot het doen van de invordering, zo nodig door middel van executie.

2. In het derde, het zesde en het negende lid worden de woorden «de raad voor de kinderbescherming» telkens vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

3. In de tweede volzin van het vijfde lid worden de woorden «De raad» vervangen door: Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

4. Drie nieuwe leden worden toegevoegd, die luiden:

  • 10. Een betaling door de onderhoudsplichtige strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, bedoeld in het derde lid, vervolgens in mindering van eventueel verschenen rente en ten slotte in mindering van de verschuldigde onderhoudsgelden en de eventueel lopende rente.

  • 11. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen draagt zorg, dat de gelden die ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen worden uitgekeerd, aan de daarop rechthebbenden worden uitbetaald. Indien uitbetaling plaatsvindt aan een gemeente als rechthebbende, wordt op de aan het Bureau uitgekeerde gelden een door Onze Minister van Justitie te bepalen deel in mindering gebracht ter bestrijding van de kosten welke met de invordering van de gelden zijn gemoeid.

  • 12. Artikel 243, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 26

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 479g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden in de eerste volzin de woorden «dan wel ingevolge het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: dan wel, indien ingevolge het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. In de tweede volzin wordt na de woorden «raad voor de kinderbescherming» ingevoegd: of het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

2. In het tweede lid worden de woorden «De raad voor de kinderbescherming kan» vervangen door: De raad voor de kinderbescherming en het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kunnen.

B

In artikel 598i worden telkens de woorden «de raad voor de kinderbescherming» gewijzigd in: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Artikel 27

Indien het bij koninklijke boodschap van 8 april 1991 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening en enige andere wetten (nr. 22 060) tot wet wordt verheven en in werking treedt, worden de volgende wetten als volgt gewijzigd:

A

De Wet op de jeugdhulpverlening wordt als volgt gewijzigd:

a. Artikel 41f wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid worden, onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde lid, vervangen door een nieuw eerste lid, dat luidt:

  • 1. De ouderbijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

2. In het nieuwe derde lid worden de woorden «Onze Minister van Justitie of in naam van Onze Minister door een door hem aan te wijzen instantie» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

b. In het derde lid van artikel 41i worden de woorden «Onze Minister die het aangaat, dan wel bij een door de instantie die met de inning is belast, in naam van Onze Minister die het aangaat» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

c. Artikel 41g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervallen de woorden: en de toeslag.

2. In het tweede lid vervallen de woorden: en de toeslag.

B

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid van artikel 395b worden de woorden «Onze Minister van Justitie dan wel aan de in zijn naam optredende instantie» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

2. In artikel 406d worden de woorden «Onze Minister van Justitie of de in zijn naam optredende instantie» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

C

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid van artikel 927 worden de woorden «aan Onze Minister van Justitie of de in zijn naam optredende instantie» vervangen door: aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Artikel 28

De Wet van 27 september 1961, Stb. 3033, houdende uitvoering van het op 20 juni 1956 te New York gesloten Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt de zinsnede «treden op de raad of de raden voor de kinderbescherming, aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur» vervangen door: treedt op het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

B

In artikel 3 wordt de zinsnede «de raad voor de kinderbescherming, aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

C

Artikel 4 vervalt.

D

In artikel 5 worden de woorden «de raden voor de kinderbescherming» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. De woorden «welke deze raden van hen vragen ter uitvoering van de hun bij of krachtens deze wet opgedragen taak» worden vervangen door: welke het Bureau van hen vraagt ter uitvoering van de hem bij of krachtens deze wet opgedragen taak.

E

In artikel 6 wordt de zinsnede «en de raad voor de kinderbescherming, aan welke die instelling de behandeling van een zaak heeft overgedragen, zijn bevoegd» vervangen door: is bevoegd.

F

In artikel 7 vervalt de zinsnede: of de raad voor de kinderbescherming, aan welke die instelling de behandeling van een zaak heeft overgedragen.

G

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «en de raad voor de kinderbescherming, aan welke die instelling de behandeling van een zaak heeft overgedragen, behoeven» vervangen door: behoeft.

2. In het tweede lid vervalt de zinsnede: en van de raad voor de kinderbescherming, aan welke die instelling de behandeling van de zaak heeft overgedragen.

H

In artikel 11 wordt de zinsnede «omtrent de wijze, waarop de raden voor de kinderbescherming de in deze wet bedoelde taak zullen uitvoeren» vervangen door: omtrent de wijze, waarop het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de in deze wet bedoelde taak zal uitvoeren.

Artikel 29

Artikel 2 van de Wet van 2 december 1982, Stb. 6794, houdende bepalingen ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers, alsmede met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van buitenlandse werknemers wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de woorden «de raad voor de kinderbescherming in het arrondissement 's-Gravenhage» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

2. In het derde lid vervalt de zinsnede: 4,. De zinsnede «raad voor de kinderbescherming in het arrondissement 's-Gravenhage» wordt vervangen door: «Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen».

3. In het vierde lid worden de woorden «waarop de raden voor de kinderbescherming de in dit artikel bedoelde taak zullen uitvoeren» vervangen door: waarop het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de in dit artikel bedoelde taak zal uitvoeren.

Artikel 30

De Algemene Kinderbijslagwet5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 5a worden de woorden «de raad voor kinderbescherming» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

2. In artikel 14, vierde lid, wordt in de tweede volzin de zinsnede «een raad voor de kinderbescherming, die» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat.

3. In artikel 21 worden de woorden «een raad voor de kinderbescherming» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Artikel 31

De Algemene Weduwen- en Wezenwet6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 6a worden de woorden «de raad voor de kinderbescherming» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

2. Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid worden de woorden «een raad voor de kinderbescherming» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

b. In het tweede lid wordt de zinsnede «een raad voor de kinderbescherming, die» vervangen door: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat.

Artikel 32

Artikel 89, eerste lid, onder c., van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens7 komt te luiden:

c. de directie van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

HOOFDSTUK 7. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 33

  • 1. De ambtenaren die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet behoren tot het personeel van de dependance Gouda van de raad voor de kinderbescherming te Den Haag, van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze minister vastgestelde lijst, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar met een rechtspositie die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij de dependance Gouda van de raad voor de kinderbescherming te Den Haag.

  • 2. De ambtenaren die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet behoren tot het personeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat is gedetacheerd bij de dependance Gouda van de raad voor de kinderbescherming te Den Haag, van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vastgestelde lijst, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar met een rechtspositie die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 34

Archiefbescheiden van de dependance Gouda van de raad voor de kinderbescherming te Den Haag gaan met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet over naar het Bureau, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1962 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Artikel 35

  • 1. Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bepalen welke vermogensbestanddelen van de Staat worden toebedeeld aan het Bureau.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel en om niet over op het Bureau.

Artikel 36

  • 1. De eerste benoeming van de leden van de directie geschiedt, in afwijking van artikel 4, derde lid, door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 2. Bij de eerste benoeming van de leden van de raad is artikel 11, tweede lid, niet van toepassing.

Artikel 37

Tot het tijdstip waarop de reglementen, bedoeld in de artikelen 13 en 16, tweede lid, in werking treden, blijven de voorschriften van kracht die ter zake golden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding.

Artikel 38

  • 1. In procedures waarin tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de raad voor de kinderbescherming te Den Haag op grond van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2, derde of vierde lid, optreedt, treedt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen in zijn plaats.

  • 2. In procedures waarin tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de Staat dan wel de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, optreedt, treedt het Bureau in zijn plaats.

  • 3. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 12 van de Wet Nationale ombudsman aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de Nationale ombudsman op grond van artikel 15 van die wet een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan de dependance Gouda van de raad voor de kinderbescherming te Den Haag dan wel aan de daar gedetacheerde werkeenheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, treden de directie, onderscheidenlijk de raad van toezicht op dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman in de plaats van Onze minister onderscheidenlijk Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

    Op gedragingen van voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet die kunen worden toegerekend aan de dependance Gouda van de raad voor de kinderbescherming te Den Haag dan wel aan de daar gedetacheerde werkeenheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en waarover de Nationale ombudsman op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog geen verzoek als bedoeld in artikel 12 heeft bereikt, maar nog wel kan bereiken, is de eerste volzin eveneens van toepassing

Artikel 39

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.

Artikel 40

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 23 maart 1995

Beatrix

De Staatssecretaris van Justitie,

E. M. A. Schmitz

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra

Uitgegeven de achttiende april 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 maart 1995, Stb. 145.

XNoot
2

Gewijzigd bij de wet van 24 december 1970, Stb. 612.

XNoot
3

Laatstelijk gewijzigd bij de wet van

23 december 1993, Stb. 775.

XNoot
4

Stb. 1990, 128, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 1994, Stb. 957.

XNoot
5

Stb. 1990, 130, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 december 1994, Stb. 916.

XNoot
6

Stb. 1994, 494, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 december 1994, Stb. 916.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1994/95, 23 938.

Handelingen II 1994/95, blz. 3289.

Kamerstukken I 1994/95, 23 938 (222, 222a).

Handelingen I 1994/95, zie vergadering d.d. 21 maart 1995.