Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband
met de afstemming tussen de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,
de Wet milieubeheer uit te breiden met regels voor de bevoegdheid van gedeputeerde
staten tot beïnvloeding van gemeentelijke rioleringsplannen en tot het
geven van een bindende aanwijzing bij de afstemming tussen de vergunningen
verleend op basis van de Wet milieubeheer onderscheidenlijk de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren in geval de vergunning op basis van de Wet milieubeheer
door burgemeester en wethouders wordt verleend;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Wet milieubeheer1 wordt gewijzigd als volgt.
A
Na artikel 4.23 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 4.24
1. Gedeputeerde staten kunnen, nadat burgemeester en wethouders in de gelegenheid
zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen, aan de gemeenteraad aanwijzingen
geven omtrent de inhoud van het gemeentelijk rioleringsplan. Bij een aanwijzing
wordt een termijn gesteld, binnen welke het plan in overeenstemming met de
aanwijzing moet zijn gebracht.
2. Bij het geven van een aanwijzing houden gedeputeerde staten rekening met
het geldende provinciale milieubeleidsplan en met het geldende provinciale
waterhuishoudingsplan.
B
Na artikel 8.31 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 8.31a
1. In een geval als bedoeld in artikel 8.28, waarin burgemeester en wethouders
bevoegd zijn de beschikking op de aanvraag om de vergunning krachtens deze
wet te verlenen, kunnen gedeputeerde staten, indien dat met het oog op de
samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen in het belang
van de bescherming van het milieu geboden is, en zo nodig in afwijking van
regels, gesteld krachtens artikel 8.46, op een daartoe strekkend verzoek van
het orgaan dat bevoegd is de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
te verlenen, aan burgemeester en wethouders een bindende aanwijzing geven
ter zake van de inhoud van die beschikking.
2. Een aanwijzing wordt gegeven binnen acht weken na de dag waarop het ontwerp
van de beschikking op de aanvraag overeenkomstig artikel 3:19, tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd. Zij wordt niet gegeven
dan na overleg met het bevoegd gezag.
3. De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bevoegd gezag, ter
zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar
van die beschikking.
C
In artikel 8.33 wordt na «8.31, eerste en tweede lid,» ingevoegd
«8.31a» en wordt «de in artikel 8.31, eerste lid, tweede
volzin, genoemde termijn» vervangen door: de in artikel 8.31, eerste
lid, tweede volzin, en artikel 8.31a, tweede lid, eerste volzin, genoemde
termijnen.
D
1. In artikel 20.2, eerste lid, wordt na onderdeel a – onder aanduiding
van de onderdelen b en c als c en d – een onderdeel ingevoegd, luidende:
b. houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 8.31a,.
2. Het tweede lid wordt vervangen door:
2. In afwijking van het eerste lid kan tegen een beschikking als bedoeld
in dat lid, onderdeel b, c of d, beroep worden ingesteld overeenkomstig de
bepalingen van dit hoofdstuk door het ten aanzien van de beschikking waarop
de aanwijzing, de verklaring, onderscheidenlijk het verzoek betrekking heeft,
bevoegde gezag.
ARTIKEL II
De Wet verontreiniging oppervlaktewateren2 wordt gewijzigd
als volgt.
A
Na artikel 7d wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 7e
In een geval als bedoeld in artikel 7b, eerste lid, waarin burgemeester
en wethouders bevoegd zijn de krachtens de betrokken wet vereiste vergunning
te verlenen, is artikel 7d van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat gedeputeerde staten op een daartoe strekkend verzoek van burgemeester
en wethouders een bindende aanwijzing kunnen geven aan het orgaan
dat krachtens deze wet bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven.
B
In artikel 16c, eerste lid, wordt na «artikel 7d» ingevoegd:
of in artikel 7e.
ARTIKEL III
Indien het bij koninklijke boodschap van 5 juli 1994 ingediende voorstel
van wet houdende wijziging van de Algemene wet bestuursrecht alsmede nadere
aanpassing van een aantal wetten aan de Algemene wet bestuursrecht (Leemtewet
AWB), nr. 23 780, tot wet wordt verheven en hoofdstuk 7, artikel VI,
onderdeel J, van die wet in werking treedt vóór het tijdstip
waarop artikel I, onderdeel D, van deze wet in werking treedt, wordt artikel
I, onderdeel D, van deze wet gewijzigd als volgt:
1. In onderdeel 1 wordt «artikel 20.2, eerste lid» vervangen
door: artikel 20.2, tweede lid.
2. Onderdeel 2 wordt gewijzigd als volgt:
a. de aanhef wordt vervangen door: 2. Het derde lid wordt vervangen door:,
b. in het voorgestelde tweede lid wordt «eerste lid» vervangen
door: tweede lid.
ARTIKEL IV
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan
worden gesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
XNoot
1Stb. 1994, 80, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 december 1994,
Stb. 924.
XNoot
2Stb. 1992, 628, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 november 1994,
Stb. 798.
XHistnoot
Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:
Kamerstukken II 1993/94, 1994/95, 23 726.
Handelingen II 1994/95, blz. 3263–3265.
Kamerstukken I 1994/95, 23 726 (221, 221a).
Handelingen I 1994/95, zie vergadering d.d. 21 maart 1995.