Besluit van 22 maart 1995, houdende voorschriften in verband met het verstrekken aan gemeenten van middelen in verband met het opzetten van een regionaal meld- en coördinatiepunt ter bestrijding van het voortijdig schoolverlaten door leerplichtige en niet-leerplichtige leerlingen (Tijdelijk besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 19 oktober 1994, nr. 94043426/3669, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 89 van de Grondwet en artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet;

De Raad van State gehoord (advies van 23 december 1994, nr. W05.94.0648);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 16 maart 1995, nr. 95003451/3669, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Dit besluit verstaat onder:

Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

regio: een regio als bedoeld in artikel 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

regionaal actieplan: het regionaal actieplan voortijdig schoolverlaten, bedoeld in paragraaf 3;

contactgemeente: de gemeente die op grond van artikel 5 is aangewezen;

onderwijsinstelling: een school voor voortgezet speciaal onderwijs, voorbereidend beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, beroepsbegeleidend onderwijs, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, een vormingsinstituut voor jeugdigen of een instelling voor basiseducatie;

ondersteunende organisatie: een organisatie die ondersteunende werkzaamheden verricht bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten;

RBA-gebied: het werkgebied van een Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet;

voortijdig schoolverlater: degene die voor het bereiken van de leeftijd van 23 jaren een onderwijsinstelling verlaat zonder diploma van een opleiding tot beginnende beroepsuitoefening als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, een diploma van een opleiding middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 15a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of ten minste een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 2. Reikwijdte

De artikelen 3 tot en met 13 bevatten voorschriften voor de bekostiging van activiteiten van gemeentebesturen in een regio, gericht op het terugdringen van voortijdig schoolverlaten.

§ 2. Samenwerking

Artikel 3. Samenwerking

Ter bestrijding van het voortijdig schoolverlaten werken de gemeentebesturen in een regio samen.

Artikel 4. Verantwoordelijkheden

  • 1. Het gemeentebestuur in een regio is, onverminderd het bepaalde in de Leerplichtwet 1969, verantwoordelijk voor een integrale aanpak van de problematiek van het voortijdig schoolverlaten.

  • 2. Wat betreft de niet-leerplichtige voortijdige schoolverlaters nemen de gemeentebesturen het initiatief tot het opzetten van een sluitende melding, registratie en doorverwijzing.

  • 3. De gemeentebesturen maken in het kader van de in het tweede lid bedoelde taak afspraken met de onderwijsinstellingen en ondersteunende organisaties in de regio.

Artikel 5. Aanwijzing contactgemeente

  • 1. De gemeentebesturen in een regio wijzen één gemeente aan als contactgemeente. Deze aanwijzing wordt gemeld aan Onze Minister.

  • 2. Indien de gemeentebesturen in een regio inzake de aanwijzing van de contactgemeente niet tot overeenstemming kunnen komen, wijst Onze Minister de contactgemeente aan.

  • 3. Indien de gemeentebesturen in een regio een andere gemeente als contactgemeente aanwijzen, draagt de gemeente die niet langer als contactgemeente optreedt, alle bescheiden die betrekking hebben op de uitvoering van dit besluit over aan de gemeente die als contactgemeente is aangewezen. De wijziging van de aanwijzing wordt gemeld aan Onze Minister.

Artikel 6. Afstemming binnen RBA-gebied

De gemeentebesturen stemmen de afspraken gemaakt op grond van dit besluit zoveel mogelijk af met de overige binnen het RBA-gebied gelegen regio's.

Artikel 7. Taken contactgemeente

De contactgemeente heeft tot taak:

a. het maken van afspraken met de onderwijsinstellingen, de ondersteunende organisaties en de bevoegde gezagsorganen die gebiedsovereenkomsten als bedoeld in artikel 102b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, hebben afgesloten in een regio over de inzet en verantwoordelijkheid bij het bestrijden van het voortijdig schoolverlaten,

b. zorg te dragen voor de totstandkoming van een regionaal netwerk van onderwijsinstellingen en ondersteunende organisaties in een regio,

c. het organiseren en coördineren van regionale melding, registratie en doorverwijzing van voortijdig schoolverlaters,

d. het coördineren van de totstandkoming van het regionaal actieplan in de regio, en

e. het coördineren van het opstellen van een effectrapportage met betrekking tot de in de onderdelen a tot en met d genoemde taken.

§ 3. Regionaal actieplan

Artikel 8. Regionaal actieplan

  • 1. Het regionaal actieplan, bedoeld in artikel 7, onderdeel d, bevat inzake het voortijdig schoolverlaten:

    a. een kwantitatieve beschrijving van de regionale problematiek, en

    b. een kwantitatieve verplichting inzake het terugdringen van de regionale problematiek voor de periode 1995–1997.

  • 2. Het regionaal actieplan bevat tevens de afspraken die tussen gemeentebesturen, onderwijsinstellingen, ondersteunende organisaties en bevoegde gezagsorganen die gebiedsovereenkomsten als bedoeld in artikel 102b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs hebben afgesloten, worden gemaakt terzake van het bestrijden van het voortijdig schoolverlaten en de wijze waarop de eigen en de in het kader van dit besluit beschikbaar gestelde middelen worden ingezet.

Artikel 9. Opstellen regionaal actieplan

  • 1. De gemeentebesturen stellen het regionaal actieplan op aan de hand van bijlage A, behorende bij dit besluit.

  • 2. De contactgemeente zendt het regionaal actieplan vóór 1 oktober van het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, toe aan Onze Minister.

§ 4. Bekostiging

Artikel 10. Budget

  • 1. Voor elk van de kalenderjaren 1995, 1996 en 1997 is voor de uitvoering van dit besluit een budget beschikbaar van f 6 000 000,–.

  • 2. Het budget wordt over de regio's verdeeld op de wijze als bedoeld in bijlage B behorende bij dit besluit.

Artikel 11. Beschikbaar stellen budget

Het budget voor een regio wordt overeenkomstig de verdeling, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aan de contactgemeente beschikbaar gesteld na toetsing van het regionaal actieplan door Onze Minister, nadat de contactgemeente uitvoering heeft gegeven aan artikel 9, tweede lid.

§ 5. Effectrapportage

Artikel 12. Effectrapportage

  • 1. Uiterlijk 1 augustus van het kalenderjaar volgend op dat waarop het regionaal actieplan betrekking heeft, dient de contactgemeente een effectrapportage in.

  • 2. In de effectrapportage geeft de contactgemeente Onze Minister een volledig beeld over de resultaten van het gevoerde beleid, ten einde inzicht te verschaffen in de mate waarin de geformuleerde afspraken zijn gerealiseerd en de inzet van de eigen en de in het kader van dit besluit beschikbaar gestelde middelen heeft plaatsgevonden.

  • 3. Indien naar het oordeel van Onze Minister de effectrapportages niet of niet voldoende het in het tweede lid bedoelde inzicht geven, kan de verdeling van het in artikel 10, eerste lid, genoemde budget over de regio's geheel of gedeeltelijk worden gewijzigd.

§ 6. Overgangsbepalingen

Artikel 13. Effectrapportage over 1994

  • 1. Uiterlijk 1 augustus 1995 dient de contactgemeente op grond van artikel 12 van de Regeling regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (Stcrt. 1994, 136) een effectrapportage met betrekking tot het kalenderjaar 1994 in.

  • 2. Artikel 12, tweede en derde lid, is van toepassing.

§ 7. Slotbepalingen

Artikel 14. Inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1994, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 1995.

  • 2. Dit besluit vervalt, met uitzondering van artikel 12, eerste en tweede lid, met ingang van 1 januari 1998.

  • 3. Artikel 12, eerste en tweede lid, vervalt met ingang van 1 augustus 1998.

Artikel 15. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 22 maart 1995

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

Uitgegeven de elfde april 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

BIJLAGE A MODEL REGIONAAL ACTIEPLAN

Toelichting.

De subsidie voor de verbetering van de regionale infrastructuur ter bestrijding van het voortijdig schoolverlaten wordt aan de hand van dit «model voor het regionale actieplan» aangevraagd. Het is de bedoeling dat de benodigde informatie met behulp van dit model op systematische en gelijke wijze wordt verzameld.

I. Contactgemeente, als bedoeld in Tijdelijk besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten

1. Contactgemeente:

....................

II. Ter uitvoering van het Tijdelijk besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten treedt de contactgemeente op namens de volgende gemeenten

1. Contactgemeente treedt op namens de volgende gemeenten:

....................

....................

....................

....................

Deze gemeenten vormen samen de basis voor het regionale netwerk.

2. De volgende gemeenten nemen niet deel aan het regionale netwerk; tevens worden de redenen hiervoor aangegeven:

....................

....................

III. Schaal van samenwerking

1. De gemeenten maken deel uit van WGR-gebied (nummer/naam): .................... ....................

2. Er is sprake van afstemming/samenwerking met (de) overige WGR-gebieden, gelegen in de RBA-regio.

Ja, namelijk op de volgende wijze:

....................

....................

....................

Nee, aangezien:

....................

....................

....................

3. Er vindt afstemming van de activiteiten plaats op RBA-schaal.

Ja, namelijk op de volgende wijze:

....................

....................

....................

Nee, aangezien:

....................

....................

....................

IV. Breedte samenwerking/ reikwijdte regionale netwerk

Toelichting: naast de onder II reeds genoemde gemeentebesturen in de WGR-regio worden binnen de regio ook afspraken gemaakt met de onderwijsinstellingen, de bevoegde gezagsorganen die gebiedsovereenkomsten als bedoeld in artikel 102b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs hebben afgesloten en de ondersteuningsinstellingen. Daarnaast kunnen samenwerkingsverbanden op grond van de regeling Startkwalificaties voortijdig schoolverlaters 1993–1994 (Uitleg OenW-Regelingen 1993, nr. 13 en 1994, nr. 18), onderwijsinstellingen in onderwijsvoorrangsgebieden, instanties werkzaam op het terrein van de arbeidsvoorziening, Justitie, jeugdhulpverlening en welzijn in het netwerk een rol spelen.

1. De namen en adressen van de instellingen en organisaties waarmee afspraken zijn gemaakt, luiden als volgt:

....................

....................

....................

....................

....................

....................

2. De volgende onderwijsinstellingen, ondersteuningsinstellingen en onderwijsvoorrangsgebieden nemen niet deel aan het regionale netwerk; tevens worden de redenen hiervoor aangegeven:

....................

....................

3. De afspraken tussen gemeentebesturen, onderwijsinstellingen, ondersteunende organisaties, bevoegde gezagsorganen die gebiedsovereenkomsten als bedoeld in artikel 102b, eerste lid van de Wet op het voortgezet onderwijs hebben afgesloten en overige organisaties en instellingen terzake van het voortijdig schoolverlaten luiden als volgt:

....................

....................

....................

....................

....................

....................

V. Inzet eigen financiële, personele en materiële middelen

1. De omvang van de eigen financiële, personele en materiële middelen van de instellingen en gemeenten die worden ingezet voor 1995, 1996 en 1997 is als volgt:

....................

....................

....................

....................

2. Deze middelen worden als volgt ingezet:

....................

....................

....................

....................

VI. Inzet RMC-middelen

1. Het in het kader van dit besluit beschikbaar gestelde budget voor 1995, 1996 en 1997 wordt als volgt ingezet:

....................

....................

....................

....................

VIIa. Gegevens over het aantal (partieel) leerplichtige voortijdig schoolverlaters en streefdoelen voor het regionaal actieplan 1995

Toelichting: in onderstaande tabel worden, voor zover bekend, de kwantitatieve gegevens over de regionale problematiek met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten van leerplichtige en partieel-leerplichtige leerlingen gegeven.

Indien mogelijk worden de gegevens inzake het aantal ingeschreven leerlingen, het aantal voortijdig schoolverlaters en het aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters uitgesplitst naar onderwijscategorie. Indien van toepassing wordt aangegeven welke gegevens ontbreken.

Vervolgens worden het percentage voortijdig schoolverlaters en het percentage herplaatste voortijdig schoolverlaters berekend. Deze percentages worden als basis genomen voor de streefpercentages voor 1995/1996 en 1996/1997.

 volledig leerplichtigenpartieel leerplichtigen
absoluut aantal dat op 1-10-1994 is ingeschreven bij de onderwijsinstellingen  
absoluut aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1994 en 1-8-1995  
percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen op 1-10-1994)  
absoluut aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1994 en 1-8-1995  
percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1994 en 1-8-1995)  
streefdoel 1995/1996 percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen)  
streefdoel 1995/1996 percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters)  
streefdoel 1996/1997 percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen)  
streefdoel 1996/1997 percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters)  
streefdoel 1997/1998 percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen)  
streefdoel 1997/1998 percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters)  

VIIb. Gegevens over het aantal (partieel) leerplichtige voortijdig schoolverlaters en streefdoelen voor het regionaal actieplan 1996

Toelichting: in onderstaande tabel worden, voor zover bekend, de kwantitatieve gegevens over de regionale problematiek met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten van leerplichtige en partieel-leerplichtige leerlingen gegeven.

Indien mogelijk worden de gegevens inzake het aantal ingeschreven leerlingen, het aantal voortijdig schoolverlaters en het aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters uitgesplitst naar onderwijscategorie. Indien van toepassing wordt aangegeven welke gegevens ontbreken.

Vervolgens worden het percentage voortijdig schoolverlaters en het percentage herplaatste voortijdig schoolverlaters berekend. Deze percentages worden als basis genomen voor de streefpercentages voor 1995/1996 en 1996/1997.

 volledig leerplichtigenpartieel leerplichtigen
absoluut aantal dat op 1-10-1995 is ingeschreven bij de onderwijsinstellingen  
absoluut aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1995 en 1-8-1996  
percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen op 1-10-1995)  
absoluut aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1995 en 1-8-1996  
percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1995 en 1-8-1996)  
streefdoel 1996/1997 percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen)  
streefdoel 1996/1997 percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters)  
streefdoel 1997/1998 percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen)  
streefdoel 1997/1998 percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters)  

VIIc. Gegevens over het aantal (partieel) leerplichtige voortijdig schoolverlaters en streefdoelen voor het regionaal actieplan 1997

Toelichting: in onderstaande tabel worden, voor zover bekend, de kwantitatieve gegevens over de regionale problematiek met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten van leerplichtige en partieel-leerplichtige leerlingen gegeven.

Indien mogelijk worden de gegevens inzake het aantal ingeschreven leerlingen, het aantal voortijdig schoolverlaters en het aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters uitgesplitst naar onderwijscategorie. Indien van toepassing wordt aangegeven welke gegevens ontbreken.

Vervolgens worden het percentage voortijdig schoolverlaters en het percentage herplaatste voortijdig schoolverlaters berekend. Deze percentages worden als basis genomen voor de streefpercentages voor 1995/1996 en 1996/1997.

 volledig leerplichtigenpartieel leerplichtigen
absoluut aantal dat op 1-10-1996 is ingeschreven bij de onderwijsinstellingen  
absoluut aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1996 en 1-8-1997  
percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen op 1-10-1996)  
absoluut aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1996 en 1-8-1997  
percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1996 en 1-8-1997)  
streefdoel 1997/1998 percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen)  
streefdoel 1997/1998 percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters)  

VIIIa. Gegevens over het aantal niet-leerplichtige voortijdig schoolverlaters en streefdoelen voor het regionaal actieplan 1995

Toelichting: in onderstaande tabel worden, voor zover bekend, de kwantitatieve gegevens over de regionale problematiek met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten van niet-leerplichtige leerlingen gegeven.

Indien mogelijk worden de gegevens inzake het aantal ingeschreven leerlingen, het aantal voortijdig schoolverlaters en het aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters uitgesplitst naar onderwijscategorie. Indien van toepassing wordt aangegeven welke gegevens ontbreken.

Vervolgens worden het percentage voortijdig schoolverlaters en het percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters berekend. Deze percentages worden als basis genomen voor de streefpercentages voor 1995/1996 en 1996/1997.

 niet-leerplichtigen
aantal dat op 1-10-1995 is ingeschreven bij de onderwijsinstellingen 
aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1995 en 1-8-1996 
bereken percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen op 1-10-1995) 
aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1995 en 1-8-1996 
bereken percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1995 en 1-8-1996)  
streefdoel 1996/1997 percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen) 
streefdoel 1996/1997 percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters) 
streefdoel 1997/1998 percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen) 
streefdoel 1997/1998 percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters) 

VIIIb. Gegevens over het aantal niet-leerplichtige voortijdig schoolverlaters en streefdoelen voor het regionaal actieplan 1996

Toelichting: in onderstaande tabel worden, voor zover bekend, de kwantitatieve gegevens over de regionale problematiek met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten van niet-leerplichtige leerlingen gegeven.

Indien mogelijk worden de gegevens inzake het aantal ingeschreven leerlingen, het aantal voortijdig schoolverlaters en het aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters uitgesplitst naar onderwijscategorie. Indien van toepassing wordt aangegeven welke gegevens ontbreken.

Vervolgens worden het percentage voortijdig schoolverlaters en het percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters berekend. Deze percentages worden als basis genomen voor de streefpercentages voor 1995/1996 en 1996/1997.

 niet-leerplichtigen
aantal dat op 1-10-1996 is ingeschreven bij de onderwijsinstellingen 
aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1996 en 1-8-1997 
bereken percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen op 1-10-1996) 
aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1996 en 1-8-1997 
bereken percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1996 en 1-8-1997) 
streefdoel 1997/1998 percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen)  
streefdoel 1997/1998 percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters) 

VIIIc. Gegevens over het aantal niet-leerplichtige voortijdig schoolverlaters en streefdoelen voor het regionaal actieplan 1997

Toelichting: in onderstaande tabel worden, voor zover bekend, de kwantitatieve gegevens over de regionale problematiek met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten van niet-leerplichtige leerlingen gegeven.

Indien mogelijk worden de gegevens inzake het aantal ingeschreven leerlingen, het aantal voortijdig schoolverlaters en het aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters uitgesplitst naar onderwijscategorie. Indien van toepassing wordt aangegeven welke gegevens ontbreken.

Vervolgens worden het percentage voortijdig schoolverlaters en het percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters berekend. Deze percentages worden als basis genomen voor de streefpercentages voor 1995/1996 en 1996/1997.

 niet-leerplichtigen
aantal dat op 1-10-1997 is ingeschreven bij de onderwijsinstellingen 
aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1997 en 1-8-1998 
bereken percentage voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal ingeschrevenen op 1-10-1997) 
aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1997 en 1-8-1998 
bereken percentage teruggeplaatste voortijdig schoolverlaters (van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters tussen 1-8-1997 en 1-8-1998) 

BIJLAGE B VERDELING BUDGETTEN

Toelichting.

Hieronder volgt een overzicht van de verdeling van de budgetten over de WGR-regio's. In beginsel heeft de verdeling betrekking op de kalenderjaren 1995, 1996 en 1997. Deze verdeling is gebaseerd op de WGR-indeling in 39 regio's.

WGR-regio'sNamen regio'sBudgetten
1. regio 1Oost-Groningen78011
2. regio 2Noord-Groningen en Eemsmond53247
3. regio 3Centraal en Westelijk Groningen127302
4. regio 4Friesland Noord102224
5. regio 5Zuidwest-Friesland61303
6. regio 6Friesland-Oost96793
7. regio 7Noord- en Midden-Drenthe55366
8. regio 8Zuidoost-Drenthe80086
9. regio 9Zuidwest-Drenthe57984
10. regio 10IJssel-Vecht137405
11. regio 11Stedendriehoek135801
12. regio 12Twente260499
13. regio 13Achterhoek97503
14. regio 14Arnhem/Nijmegen248232
15. regio 15Rivierenland91361
16. regio 16Eem en Vallei158038
17. regio 17Noordwest-Veluwe64788
18. regio 18Flevoland85863
19. regio 19Utrecht258605
20. regio 20Gooi en Vechtstreek70532
21. regio 21Agglomeratie Amsterdam566310
22. regio 22Westfriesland71084
23. regio 23Kop van Noord-Holland70345
24. regio 24Noord-Kennemerland89433
25. regio 25West-Kennemerland150088
26. regio 26Zuid-Holland Noord129001
27. regio 27Zuid-Holland Oost108925
28. regio 28Haaglanden/Westland354066
29. regio 29Rijnmond551473
30. regio 30Zuid-Holland Zuid167521
31. regio 31Noord- en Zuid-Beveland, Schouwen-Duivenland, St. Philipsland en Tholen65431
32. regio 32Walcheren50047
33. regio 33Zeeuwsch-Vlaanderen53001
34. regio 34West-Brabant200591
35. regio 35Midden-Brabant159430
36. regio 36Noordoost-Brabant209470
37. regio 37Zuidoost-Brabant262696
38. regio 38Gewest Limburg Noord181097
39. regio 39Gewest Zuid-Limburg239048

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

1. De problematiek van het voortijdig schoolverlaten

De problematiek van het voortijdig schoolverlaten is in de interdepartementale notitie «Een goed voorbereide start» (Kamerstukken II 1993/94, 22 994) uitvoerig in kaart gebracht. Deze notitie laat zien dat te veel jongeren jaarlijks hun entree op de arbeidsmarkt maken zonder een beroepskwalificatie. Het betreft jaarlijks ruwweg tachtigduizend jongeren van wie ruim twaalfduizend tot de harde kern van voortijdig schoolverlaters behoren die evenmin een diploma v.b.o. of m.a.v.o. hebben behaald.

Te weinig opleiding kan een bedreiging vormen voor een stabiele maatschappelijke positie evenals voor de integratie en het functioneren op andere maatschappelijke terreinen. Derhalve is het streven «niemand de poort uit zonder een startkwalificatie» geformuleerd. De rijksoverheid is daarbij verantwoordelijk voor het scheppen van de randvoorwaarden, zodat de uitvoerende instellingen op adequate wijze uitvoering kunnen geven aan dit streven.

Het voortijdig schoolverlaten is een maatschappelijk probleem; de bestrijding van dit probleem vereist extra inspanningen. Het zwaartepunt van de te leveren inspanningen dient te liggen bij preventie en een vroegtijdige behandeling van de problemen. Daarnaast is een integrale aanpak, gekenmerkt door een bundeling van krachten essentieel. Voortijdig schoolverlaten kan bestreden worden door samenwerking en krachtenbundeling van scholen op regionaal niveau, door een sluitende melding en registratie en zo veel mogelijk aansluitende verwijzing. Om hieraan bij te dragen werd in de notitie «Een goed voorbereide start» de invoering van regionale meld- en coördinatiepunten voorgestaan. Bij de behandeling van de notitie in de Tweede Kamer is het creëren van een nieuw loket losgelaten en is ervoor gekozen de hieraan gekoppelde functies op te dragen aan de gemeente, en in het bijzonder de leerplichtambtenaar. Dit betekent overigens niet dat de leerplichtambtenaar per definitie zelf alle te verrichten activiteiten uitvoert. Het nut van een systeem van melding, registratie en doorverwijzing van niet-leerplichtige voortijdig schoolverlaters vloeit voort uit het in de notitie «Een goed voorbereide start» geformuleerde streven naar een startkwalificatie voor iedereen. Aangezien een startkwalificatie gelegen is op het niveau van het primair leerlingwezen en het kort middelbaar beroepsonderwijs, zullen grote groepen leerlingen ook na de leerplichtige leeftijd onderwijs moeten volgen om een diploma op dit niveau te behalen. Vooralsnog wordt hierbij een beroep gedaan op de bereidheid van onderwijsinstellingen om op vrijwillige basis niet-leerplichtige voortijdig schoolverlaters in het kader van de RMC-functie te melden.

Wanneer de ervaringen in de praktijk daartoe aanleiding geven, zal de ondergetekende bevorderen dat een basis voor een meldplicht van niet-leerplichtige voortijdig schoolverlaters in de wet wordt opgenomen.

Met de ontwikkeling van de RMC-functie wordt niet een nieuwe afzonderlijke belangenbehartiging voor groepen van leerlingen geregeld naast reeds bestaande zoals «Weer samen naar school», «Nederlands als tweede taal», de sociale vernieuwing, het onderwijsvoorrangsbeleid en het onderwijsvoorrangsgebiedenbeleid. Tussen de diverse instrumenten wordt juist een bundeling van bestaande activiteiten en geldstromen nagestreefd. De concrete invulling hiervan in de praktijk wordt aan de regio's zelf overgelaten om voldoende recht te doen aan de verschillende verantwoordelijkheden van de diverse actoren in de regio's op het terrein van de strijd tegen het voortijdig schoolverlaten.

2. De regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten

Conform de motie ingediend bij de behandeling van de notitie «Een goed voorbereide start» (Kamerstukken II 1993/94, 22 900 en 22 994, nr. 16) dient de gemeente c.q. de leerplichtambtenaar een centrale rol te vervullen bij het tegengaan van het voortijdig schoolverlaten. Over de integrale aanpak van het voortijdig schoolverlaten, met een spilfunctie voor gemeenten, zijn afspraken gemaakt tussen de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. De afspraken hebben onder meer betrekking op het volgende. Uitgaande van de verantwoordelijkheid van de individuele gemeentebesturen voor een integrale aanpak van de problematiek van het voortijdig schoolverlaten wordt een regionale aanpak nagestreefd, waarbij het initiatief en de uitvoering bij de samenwerkende gemeenten, die uit hun midden een contactgemeente aanwijzen, liggen. Daarbij worden de reeds bestaande infrastructuur en samenwerkingsrelaties verder uitgebouwd. Hierbij spelen samenwerkingsverbanden op grond van de Regeling Startkwalificaties voortijdig schoolverlaters 1993–1994 (Uitleg OenW-Regelingen 1993 nr. 13 en 1994, nr. 18), onderwijsinstellingen in onderwijsvoorrangsgebieden, instanties werkzaam op het terrein van de arbeidsvoorziening, Justitie, jeugdhulpverlening en welzijn een rol. Er komt geen nieuwe vervangende aanpak naast of in plaats van bestaande samenwerkingsvormen of beleidsmaatregelen en evenmin worden nieuwe instellingen gecreëerd. In 1994 is reeds, ter uitvoering van de Regeling regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (Stcrt. 1994, 136), een begin gemaakt met de ontwikkeling van deze meld- en coördinatiefunctie. Dit heeft ertoe geleid dat in de regio's afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop het voortijdig schoolverlaten efficiënter kan worden aangepakt, tussen de verschillende actoren die zijn betrokken bij de aanpak van het voortijdig schoolverlaten.

Door een regionaal actieplan (zie bijlage A) in te dienen, kan de contactgemeente binnen een regio subsidie aanvragen. Deze subsidie wordt verstrekt om de regionale infrastructuur ter bestrijding van het voortijdig schoolverlaten te verbeteren. De subsidie moet worden ingezet om in de regio tot afspraken te komen en activiteiten en geldstromen te bundelen, zodat voortijdig schoolverlaten in de toekomst effectief kan worden bestreden. Met de totstandkoming van regionale netwerken zal door een sluitende melding en registratie van voortijdig schoolverlaten en door het begeleiden van de uitvallers naar een passend onderwijstraject, de problematiek kunnen worden teruggedrongen. Van de besteding van deze subsidie en de daarmee bereikte resultaten, wordt een verantwoording verwacht in de vorm van een effectrapportage.

3. Relatie met de Leerplichtwet 1969

Het voorliggende besluit overlapt gedeeltelijk de strekking van de Leerplichtwet 1969, maar is ook in belangrijke mate te zien als een aanvulling daarop.

Het besluit overlapt de Leerplichtwet 1969 in die zin, dat deze wet de gemeenten reeds de verplichting oplegt om te controleren of volledig en partieel leerplichtige jongeren staan ingeschreven aan een instelling dan wel aan een onderwijsinstituut, en of ze de instelling of het onderwijsinstituut regelmatig bezoeken. De Leerplichtwet 1969 verplicht de gemeenten verder om, als blijkt dat (ouders van) jongeren niet aan de leerplicht voldoen, terzake maatregelen te nemen.

Volgens de wijziging van de Leerplichtwet 1969 (Stb. 1994, 255) die met ingang van 1 augustus 1994 in werking is getreden, wordt de gemeente geacht bij het uitoefenen van het toezicht op de leerplicht samen te werken met andere gemeenten en andere «diensten en instellingen» (artikel 16, vierde lid).

Het onderhavige besluit is in twee opzichten een aanvulling op de Leerplichtwet 1969. Ten eerste heeft het besluit ook betrekking op niet-leerplichtigen. Ten tweede kiest het besluit als aangrijpingspunt voor het bestrijden van voortijdig schoolverlaten niet primair de verplichtingen van individuele burgers, maar de samenwerking tussen gemeenten, onderwijsinstellingen en andere maatschappelijke instellingen.

4. Samenhang met het onderwijsvoorrangsbeleid

In het basisonderwijs en in de eerste fase van het voortgezet onderwijs werken instellingen die te maken hebben met de meest kwetsbare leerlingen samen in onderwijsvoorrangsgebieden. Het bestrijden van voortijdig schoolverlaten is een van de doelstellingen van de instellingen voor voortgezet onderwijs in deze gebieden. Daarnaast worden in de eerste fase voortgezet onderwijs ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten de spijbelopvangprojecten en projecten ongediplomeerde schoolverlaters uitgevoerd. Het voornemen bestaat om de middelen voor de laatst genoemde projecten toe te voegen aan die voor de onderwijsvoorrangsgebieden. Een voorwaarde daarvoor zou dan wel zijn dat de betrokken onderwijsinstellingen deelnemen in het regionale actieplan zoals bedoeld in dit besluit.

5. Relatie met de Grondwet en de Gemeentewet

Het onderhavige besluit strekt er toe een uitkering te doen aan gemeenten met het oog op het bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Het besluit zal gedurende de drie kalenderjaren 1995, 1996 en 1997 werken. In 1994 worden evenwel reeds uitkeringen ten behoeve van de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten aan gemeenten gedaan. Hiervoor is in verband met het spoedeisende karakter van de in 1994 te bekostigen activiteiten de hiervoor genoemde ministeriële regeling op grond van artikel 182, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet vastgesteld, de Regeling regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten. De onderhavige algemene maatregel van bestuur komt wat betreft inhoud en strekking in grote mate overeen met de eerdergenoemde ministeriële regeling.

De uitkering beoogt een verandering in organisatie te bekostigen en heeft daarmee een tijdelijk karakter. Gelet op artikel 182 Gemeentewet heeft de regeling de vorm van een algemene maatregel van bestuur. In de aanhef van de regeling is een verwijzing naar artikel 89 van de Grondwet opgenomen omdat sprake is van een zelfstandige maatregel van bestuur. Artikel 182 van de Gemeentewet regelt of vordert immers geen concrete specifieke uitkering. Dit artikel heeft alleen betrekking op de vorm waarin specifieke uitkeringen mogen worden verstrekt. De figuur van een zelfstandige algemene maatregel van bestuur is ten aanzien van een uitkering als de onderhavige mogelijk, omdat het voorschrift van artikel 132, zesde lid, van de Grondwet dat de wet de financiële verhouding regelt tussen het Rijk en de gemeenten, alleen betrekking heeft op uitkeringen met een permanent karakter (Kamerstukken II 1975/76, 13 990, nr. 3, blz. 22, en Kamerstukken II 1982/83, 17 737, nr. 3, blz. 8).

Met het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Binnenlandse Zaken is terzake overleg gevoerd.

6. Evaluatie

In 1997 zal het beleid met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten worden geëvalueerd onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in samenwerking met de VNG. In dat kader zal ook aandacht worden besteed aan de werking van de eerder genoemde Regeling regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten en het onderhavige besluit.

7. Financiën

De subsidie die in het kader van het beleid voortijdig schoolverlaten ten behoeve van de regionale meld- en coördinatiefunctie wordt verstrekt, is tijdelijk en dient er toe bestaande activiteiten en financiële middelen in het kader van de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten te bundelen en optimaal te benutten ten behoeve van een regionale aanpak. In totaal is f 24 miljoen beschikbaar voor de projectperiode 1994–1997 (f 6 miljoen per kalenderjaar).

De verdeling van deze middelen over de regio's vindt jaarlijks aan het begin van het kalenderjaar plaats. De verdeling geschiedt aan de hand van de volgende kenmerken van elke regio: het aantal personen dat gerekend wordt tot de groep van culturele minderheden, het aantal volwassen inwoners en het aantal volwassen inwoners verkerend in een educatieve achterstand. Deze verdeling van f 6 miljoen over de regio's op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (WGR) blijft in beginsel voor de gehele projectperiode gehandhaafd. De samenwerkende gemeenten rapporteren het ministerie over de resultaten van het gevoerde beleid. In het jaar volgend op dat van de indiening van het regionaal actieplan wordt een effectrapportage ingediend. De effectrapportage kan leiden tot noodzakelijke bijstelling van het regionaal actieplan en eventueel in een uitzonderlijk geval, tot aanpassing van de verdeling van de budgetten. Dit gebeurt niet zonder dat hierover overleg heeft plaatsgevonden met de VNG.

De genoemde financiële middelen komen in hun geheel ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

8. Advies Raad voor de Gemeentefinanciën

Op grond van artikel 41 van de Financiële Verhoudingswet is de Raad voor de Gemeentefinanciën gehoord over het ontwerp van de Regeling regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten. Aangezien het onderhavige besluit bijna geheel gelijkluidend is aan de genoemde regeling, acht de ondergetekende het niet noodzakelijk het advies van de Raad voor de Gemeentefinanciën ook over het onderhavige besluit in te winnen.

Volledigheidshalve wordt hieronder ingegaan op het genoemde advies van de Raad voor de Gemeentefinanciën bij de regeling.

De Raad onderstreept in haar reactie op het ontwerp van de Regeling regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten het belang van de regeling bij het bestrijden van het voortijdig schoolverlaten. Daarnaast pleit de Raad nadrukkelijk voor een integratie op termijn van activiteiten ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten en een bundeling van de middelen die met dit doel worden ingezet. Coördinatie omtrent het brede scala aan bestaande instrumenten kan leiden tot integratie van diverse regelingen met als doelstelling het voorkomen van voortijdig schoolverlaten.

De Raad wijst erop dat de eerste effectrapportages mogelijk een toename van de problematiek laten zien in verband met de toename van de melding en de verbetering van de registratie van voortijdig schoolverlaters. Dit positieve effect zal door het ministerie worden meegewogen bij de beoordeling van de rapportages.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1

Door de ruime omschrijving van «ondersteunende organisatie» kunnen daartoe in ieder geval worden aangemerkt Regionale Bureaus voor de Arbeidsvoorziening, Adviesbureaus Opleiding en Beroep, Regionale Bureaus Onderwijs, instellingen voor jeugdhulpverlening, instellingen voor jongerenwerk, niet-reguliere curatieve onderwijsvoorzieningen. Andere ondersteunende organisaties kunnen bij het regionale netwerk worden betrokken.

Bij de definiëring van «voortijdig schoolverlater» is de leeftijdsgrens van 23 jaar gehanteerd. Het zou voor de hand hebben gelegen om, gezien ander beleid in relatie tot leeftijdsgrenzen, de grens van 27 jaar te gebruiken. Hiervan is afgezien aangezien nog ervaring moet worden opgedaan met de uitvoering van de reeds genoemde ministeriële regeling en met dit besluit. Door de leeftijdsgrens van 23 jaar te hanteren wordt de groep te registreren leerlingen kleiner; daarmee wordt de aandacht in eerste aanleg vooral gericht op de prioritaire groepen voortijdig schoolverlaters. Nadat enige ervaring met de maatregelen zal zijn opgedaan, kan indien gewenst worden besloten om de groep leerlingen op wie de regionale meld- en coördinatiefunctie is gericht verder uit te breiden.

Voorts is de definitie van het voortijdig schoolverlaten gekoppeld aan het opleidingsniveau dat resulteert in een zogenaamde minimum startkwalificatie, te weten het primair leerlingwezen of de korte opleidingen middelbaar beroepsonderwijs. Dat wil zeggen dat een leerling die het onderwijs zonder een diploma op het niveau van een minimum startkwalificatie verlaat, gerekend wordt tot de groep van voortijdig schoolverlaters. Hieronder vallen ook de leerlingen die niet in het bezit zijn van een volledig diploma van de tussen- en lange opleidingen m.b.o., h.a.v.o. en v.w.o. Aangezien het niveau van het m.a.v.o.- en het v.b.o.-diploma beneden het niveau van een minimum startkwalificatie ligt, is het bezit van een dergelijk diploma niet voldoende. Een en ander betekent dat, conform de in dit besluit gehanteerde definitie van voortijdig schoolverlaten, niet alleen (partieel) leerplichtige leerlingen maar ook niet-leerplichtige leerlingen moeten worden geregistreerd en teruggeleid naar het onderwijs om een diploma op het niveau van een minimum startkwalificatie te behalen.

Artikelen 3, 4 en 5

In overeenstemming met de in paragraaf 2 van deze toelichting genoemde motie van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1993/94, 22 900 en 22 994, nr. 16) worden de gemeentebesturen belast met de uitvoering van het besluit. Uitgaande van de verantwoordelijkheid van de individuele gemeentebesturen voor een integrale aanpak van de problematiek van het voortijdig schoolverlaten wordt een regionale aanpak nagestreefd, waarbij de in een WGR-regio gevestigde gemeenten, die uit hun midden een contactgemeente aanwijzen, samenwerken; de contactgemeente vervult in de regio een coördinerende functie en onderhoudt het contact met het ministerie (zie toelichting bij artikel 7). Op grond van artikel 5 van de Regeling regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten zijn in 1994 de contactgemeenten reeds aangewezen. Indien daartoe aanleiding zou bestaan, kunnen in onderling overleg de in de regio samenwerkende gemeenten een andere gemeente aanwijzen als contactgemeente en dit aan het ministerie doorgeven. In een dergelijk geval dient de «oude» contactgemeente alle voor de uitvoering van het besluit noodzakelijke stukken over te dragen aan de nieuwe contactgemeente (artikel 5).

Met het onderhavige besluit wordt aangesloten bij de gebiedsindeling die op grond van de WGR wordt gehanteerd. Met het besluit wordt geen vorm van verlengd lokaal bestuur als bedoeld in de WGR gecreëerd, dat wil zeggen dat geen openbaar lichaam of gemeenschappelijk orgaan in het leven wordt geroepen.

Artikel 6

Ten einde de effectiviteit van de door de gemeente getroffen maatregelen te bevorderen wordt bepaald dat zoveel mogelijk afstemming met de binnen het RBA-gebied gelegen regio's plaatsvindt.

De afstemming op grond van dit artikel wordt mede ingegeven door het feit dat onderwijsinstellingen dikwijls zijn gespreid op RBA-niveau. Op deze wijze worden lacunes respectievelijk dubbelingen in de melding door de instellingen vermeden.

Artikel 7

Gezien de veelheid aan betrokken organisaties en instellingen en de omvang van de te verrichten activiteiten, is er voor gekozen om één gemeente een coördinerende functie te laten vervullen. Deze gemeente dient als aanspreekpunt voor het ministerie en wordt de contactgemeente genoemd. De door de samenwerkende gemeenten aangewezen contactgemeente heeft tot taak binnen het samenwerkingsverband coördinerend op te treden, zorg te dragen voor de totstandkoming van afspraken binnen het regionale netwerk en van het regionaal actieplan, voor het uitoefenen van de regionale meld- en coördinatiefunctie van het netwerk en voor de verzorging van de effectrapportage. De contactgemeente is verder voor financiële, organisatorische en beleidsmatige aangelegenheden aanspreekpunt voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Tot de instanties waarmee de contactgemeente binnen de regio afspraken dient te maken, behoren in ieder geval de onderwijsinstellingen, de bevoegde gezagsorganen die samenwerken in het kader van het onderwijsvoorrangsbeleid (zie onder paragraaf 4) en de ondersteuningsinstellingen. De Regionale Dienstencentra voor studie- en beroepskeuzevoorlichting nemen in de laatste categorie een bijzondere plaats in. Deze instellingen hebben een zekere expertise opgebouwd voor de registratie van schoolverlaters en kunnen in dat verband hun diensten aanbieden, terwijl dan tevens een relatie kan worden gelegd naar een arbeidsmarkt-relevante beroepsopleidingskeuze.

Artikelen 8 en 9

De bedoeling van het regionaal actieplan is onder andere inzicht te geven in de omvang van de problematiek van het voortijdig schoolverlaten in de regio; daarnaast wordt door middel van het actieplan aangegeven wat de ambities met betrekking tot het terugdringen van het voortijdig schoolverlaten zijn en op welke wijze het regionale netwerk er naar streeft de geformuleerde ambities te realiseren. Om te kunnen vaststellen of de geleverde inspanningen daadwerkelijk tot het gewenste effect hebben geleid, is het van belang hierbij zoveel mogelijk uit te gaan van kwantitatieve gegevens met betrekking tot de omvang van het voortijdig schoolverlaten en kwalitatieve gegevens met betrekking tot de manier waarop het voortijdig schoolverlaten wordt bestreden.

De eerste regionale actieplannen, betreffende het jaar 1994, zijn door de regio's in 1994 ingediend ter uitvoering van de Regeling regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten. De actieplannen voor de jaren 1995, 1996 en 1997 betreffen in hoofdzaak aanpassingen van het actieplan voor 1994.

Overigens moet worden opgemerkt dat de in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, bedoelde verplichting moet worden gezien als een inspanningsverplichting.

Artikelen 10 en 11

Indien de contactgemeente voor 1 oktober een regionaal actieplan overlegt, wordt het budget dat voor de desbetreffende regio op basis van bijlage B beschikbaar is, beschikbaar gesteld.

Overigens wordt erop gewezen dat de verdeling van het budget, zoals opgenomen in bijlage B, over de WGR-regio's wordt vastgesteld.

Artikel 12

Om te bezien in hoeverre de in het regionaal actieplan opgenomen voornemens en doelstellingen gerealiseerd zijn, stelt de contactgemeente een effectrapportage op die voor 1 augustus aan de minister wordt gezonden. Indien indiening van de effectrapportage na 1 augustus plaatsvindt, moet niet worden uitgesloten dat dat consequenties heeft voor de toedeling van budgetten aan de betrokken regio voor de daarop volgende periode.

In het derde lid wordt voorzien in de mogelijkheid om op grond van de effectrapportage een herverdeling van de beschikbare middelen over de regio's te effectueren. Hiertoe zal niet worden overgegaan dan nadat overleg terzake met de VNG heeft plaatsgevonden. Daarbij zal de VNG aangeven hoe zij een regio die blijkens de effectrapportage de gestelde doelstellingen niet (geheel) heeft weten te verwezenlijken, positief zal stimuleren om dat voor de komende periode wel te bereiken.

Artikel 13

De ministeriële regeling die met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten voor 1994 is vastgesteld, kent reeds de verplichting om een effectrapportage op te stellen.

Dit artikel bevat het noodzakelijke overgangsrecht voor de mogelijke financiële consequenties waartoe de effectrapportage 1994 later – derhalve onder de werking van het onderhavige besluit – aanleiding zou kunnen geven.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant van 9 mei 1995, nr. 89.

Naar boven