Besluit van 30 maart 1995 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 6 september 1994, nr. WV94/365, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;

Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 4, 22, tweede lid, 30, derde lid, 50, tweede lid, 71, tweede lid, 72, eerste lid, 73 en 74, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

De Raad van State gehoord (advies van 21 november 1994, nr. W06.94.0556);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 1995, nr. WV95/164, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK I. INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 1, tweede lid, 4, 22, tweede lid, 30, derde lid, 50, tweede lid, 71, tweede lid, 72, eerste lid, 73 en 74, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikel 2

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994;

b. belasting: motorrijtuigenbelasting.

HOOFDSTUK II. BELASTBAAR FEIT EN DEFINITIES

Artikel 3

Met betrekking tot het gebruik van motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet zijn de krachtens artikel 37, derde en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorwaarden voor het gebruik van die motorrijtuigen en de aldaar bedoelde kentekens van toepassing.

Artikel 4

Met motorrijwielen als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de wet worden gelijkgesteld motorrijtuigen op drie wielen die:

1°. geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste twee personen;

2°. niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie of een daarmee vergelijkbare constructie;

3°. zijn geconstrueerd met een frame;

4°. een directe stuuroverbrenging hebben naar het voorwiel; en

5°. waarin de motor en versnellingsbak centraal zijn geplaatst.

HOOFDSTUK III. TARIEF

Artikel 5

  • 1. Voor een personenauto of bestelauto die is voorzien van een installatie voor het verplaatsen of vastzetten van een rolstoel wordt het gewicht van die installatie niet meegerekend bij het vaststellen van de eigen massa van het motorrijtuig indien het daartoe strekkende verzoek vergezeld gaat van bescheiden waaruit blijkt:

    a. dat het motorrijtuig is voorzien van een in de aanhef bedoelde installatie;

    b. het gewicht van die installatie; en

    c. de datum waarop die installatie is ingebouwd in het motorrijtuig.

  • 2. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 6

  • 1. Artikel 30 van de wet vindt toepassing voor

    a. een motorrijtuig dat is ingericht als kampeerauto: indien het motorrijtuig permanente voorzieningen bevat voor het verblijf, de verzorging en de overnachting van één of meer personen;

    b. een woonwagen: indien deze permanente voorzieningen bevat voor bewoning;

    c. een motorrijtuig dat in de uitoefening van een bedrijf, niet zijnde een lease- of verhuurbedrijf van motorrijtuigen, wordt gebruikt als reserve-motorrijtuig: indien het motorrijtuig beschikbaar wordt gehouden voor vervanging van motorrijtuigen van dezelfde soort in gevallen van noodzakelijk herstel of onderhoud van die motorrijtuigen of van plotseling optredende bedrijfsdrukte en daarmee uitsluitend in deze gevallen niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt;

    d. een motorrijtuig dat wordt gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden: indien het motorrijtuig wordt gehouden door een kermis- of circusexploitant, uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt;

    e. een motorrijtuig dat is ingericht als werkplaats: indien het motorrijtuig is voorzien van een laadruimte waarin permanent een werkbank is aangebracht, het met het oog op de te verrichten werkzaamheden noodzakelijke gereedschap permanent daarin aanwezig is, het motorrijtuig uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald van de weg gebruik wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek;

    f. een motorrijtuig dat is ingericht voor het vervoer van paarden: indien het motorrijtuig uitsluitend niet-beroepsmatig ten behoeve van de paardesport wordt gebruikt, de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt waaruit dit blijkt en met het motorrijtuig niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, komen in aanmerking:

    – één motorrijtuig op een wagenpark van meer dan drie motorrijtuigen van dezelfde soort;

    – twee motorrijtuigen op een wagenpark van meer dan negen motorrijtuigen van dezelfde soort;

    – drie motorrijtuigen op een wagenpark van meer dan vierentwintig motorrijtuigen van dezelfde soort;

    – vier motorrijtuigen op een wagenpark van meer dan negenenveertig motorrijtuigen van dezelfde soort en vervolgens één motorrijtuig op elke vijftig motorrijtuigen van dezelfde soort.

  • 3. De toepassing van artikel 30, eerste en tweede lid, van de wet vindt plaats op verzoek.

  • 4. Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang van de vier aaneengesloten tijdvakken waarover de belasting wordt betaald.

  • 5. Bij het verzoek worden bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden, alsmede een opgave van het kenteken van het motorrijtuig.

  • 6. Bij het verzoek wordt een verklaring overgelegd dat voor motorrijtuigen die niet meer voldoen aan de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden een opgaaf aan de inspecteur zal worden gedaan.

  • 7. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Tenzij in de beschikking anders is bepaald, werkt deze terug tot op het tijdstip waarop de vier aaneengesloten tijdvakken aanvangen waarop het verzoek betrekking heeft.

  • 8. Indien aan de in het eerste en tweede lid bedoelde voorwaarden niet langer wordt voldaan, trekt de inspecteur de beschikking in. De intrekking geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 9. Indien degene aan wie de beschikking is verleend niet voldoet aan de verplichting bedoeld in het zesde lid, wordt de beschikking geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop aan de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden niet meer wordt voldaan.

  • 10. De houder van een motorrijtuig waarop de voorwaarde van het gebruik van de weg op niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover de belasting wordt betaald, van toepassing is, is verplicht aantekening te houden van de dagen waarop gebruik van de weg wordt gemaakt, alsmede van het aantal kilometers dat op de desbetreffende dagen is gereden.

Artikel 7

  • 1. Artikel 50 van de wet vindt toepassing voor

    a. een motorrijtuig dat in de uitoefening van een bedrijf, niet zijnde een lease- of verhuurbedrijf van motorrijtuigen, wordt gebruikt als reserve-motorrijtuig: indien het motorrijtuig beschikbaar wordt gehouden voor vervanging van motorrijtuigen van dezelfde soort in gevallen van noodzakelijk herstel of onderhoud van die motorrijtuigen of van plotseling optredende bedrijfsdrukte en daarmee uitsluitend in deze gevallen niet meer dan zestig dagen gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt;

    b. een motorrijtuig dat wordt gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden: indien het motorrijtuig wordt gehouden door een kermis- of circusexploitant, uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt;

    c. een motorrijtuig dat is ingericht als werkplaats: indien het motorrijtuig is voorzien van een laadruimte waarin permanent een werkbank is aangebracht, het met het oog op de te verrichten werkzaamheden noodzakelijke gereedschap permanent daarin aanwezig is, het motorrijtuig uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek;

    d. een motorrijtuig dat is ingericht als werktuig: indien het motorrijtuig als zodanig uiterlijk herkenbaar is, het als zodanig wordt gebruikt op vaste plaatsen en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarover de belasting wordt betaald van de weg gebruik wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek;

    e. een motorrijtuig dat wordt gebruikt als verhuiswagen: indien het motorrijtuig wordt gehouden door een verhuisondernemer, uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt;

    f. een motorrijtuig dat is ingericht voor bijzondere, niet geregeld voorkomende transporten: indien aan de hand van bescheiden wordt aangetoond dat het motorrijtuig als zodanig is ingericht en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarover de belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt;

    g. een motorrijtuig dat is ingericht voor het vervoer van paarden: indien het motorrijtuig uitsluitend niet-beroepsmatig ten behoeve van de paardesport wordt gebruikt, de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt waaruit dit blijkt en met het motorrijtuig niet meer dan zestig dagen gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt.

  • 2. De toepassing van artikel 50, eerste lid, van de wet vindt plaats op verzoek.

  • 3. Artikel 6, tweede lid, en vierde tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK IV. VRIJSTELLINGEN

Artikel 8

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden en die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn, wordt verleend indien:

a. zij voldoen aan de bepalingen gesteld in het Eisenbesluit ambulancevervoer; en

b. een vergunning is verleend op de voet van artikel 2 van de Wet ambulancevervoer, dan wel het motorrijtuig behoort tot de in artikel 17a van die wet bedoelde categorieën van ambulancevervoer.

Artikel 9

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van een stoffelijk overschot, wordt verleend indien:

a. direct achter de bestuurderszitplaats een vaste wand is aangebracht over de gehele breedte van het motorrijtuig;

b. de achterruimte niet is voorzien van zitplaatsen en veiligheidsgordels; en

c. de achterruimte geheel is voorzien van een verhoogde laadvloer.

Artikel 10

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieke en gewonde dieren en die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn, wordt verleend indien zij zijn voorzien van:

a. een duidelijk zichtbaar geel zwaai- of knipperlicht;

b. ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk zichtbare aanduidingen waaruit blijkt dat het een dierenambulance is, welke aanduidingen alle een oppervlakte hebben van ten minste 1960 cm2 op een wit veld van ten minste 4500 cm2;

c. een mobilofooninstallatie of daarmee vergelijkbare installatie; en

d. voorzieningen voor vervoer en verzorging van zieke of gewonde dieren.

Artikel 11

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die worden gehouden door een museum als historisch exemplaar of daaraan als zodanig in bruikleen zijn afgestaan wordt verleend, indien:

a. wordt aangetoond dat de motorrijtuigen als zodanig worden gehouden; en

b. met de motorrijtuigen geen gebruik van de weg wordt gemaakt anders dan in het kader van vooraf bij de inspecteur aangemelde bijzondere gelegenheden.

Artikel 12

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die 25 jaar en ouder zijn, wordt verleend indien:

a. uit het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens blijkt dat het desbetreffende motorrijtuig ten minste 25 jaar oud is, dan wel aan de hand van bescheiden zulks wordt aangetoond; en

b. voor zover het andere motorrijtuigen betreft, de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt dat het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt voor andere doeleinden dan het bedrijfsmatig vervoeren van personen of goederen.

Artikel 13

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt voor defensie wordt verleend indien voor die motorrijtuigen de artikelen 4, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing zijn.

Artikel 14

  • 1. Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door de politie en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn, wordt verleend indien:

    a. het motorrijtuig is geregistreerd op naam van een politie-instantie;

    b. het motorrijtuig is voorzien van:

    – een tweetonige hoorn;

    – een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht; en

    – ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk zichtbare afbeeldingen van het politielogo, bedoeld in de Regeling politielogo; en

    c. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door politie-ambtenaren voor de uitoefening van hun politietaak.

  • 2. Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door de brandweer en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn wordt verleend indien:

    a. het motorrijtuig is geregistreerd op naam van een brandweer-instantie;

    b. het motorrijtuig is voorzien van:

    – een tweetonige hoorn;

    – een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht; en

    – ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk zichtbare afbeeldingen van een brandweer-embleem, welke afbeeldingen alle een oppervlakte hebben van ten minste 314 cm2; en

    c. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door brandweerlieden voor de uitoefening van hun brandweertaak.

  • 3. Onder brandweer-instantie wordt mede begrepen een bedrijf dat beschikt over een eigen bedrijfsbrandweer.

Artikel 15

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt als uitleenbureau van openbare leeszalen en bibliotheken, wordt verleend indien:

a. het motorrijtuig uiterlijk als zodanig herkenbaar is aan afbeeldingen of opschriften aan de buitenzijde van het motorrijtuig;

b. het kenteken van het motorrijtuig op naam van een natuurlijke of rechtspersoon waarvan de werkzaamheid uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het in stand houden van openbare leeszalen en bibliotheken, is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; en

c. de houder een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor het in de aanhef genoemde doel.

Artikel 16

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt voor schooltandverzorging, de keuringsdienst van waren of de vleeskeuringsdienst wordt verleend indien:

a. het kenteken van het motorrijtuig op naam van een openbaar lichaam is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens;

b. het motorrijtuig specifiek is ingericht voor de in de aanhef genoemde doeleinden; en

c. het openbaar lichaam een verklaring overlegt dat het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt voor het in de aanhef genoemde gebruik.

Artikel 17

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt als vuilniswagen, kolkenzuiger of straatveegwagen wordt verleend indien:

a. het kenteken van het motorrijtuig op naam van een openbaar lichaam of van een bedrijf dat zich bezighoudt met werkzaamheden waarbij deze motorrijtuigen worden ingezet, is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; en

b. de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt als een in de aanhef genoemd motorrijtuig.

Artikel 18

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van voor vernietiging bestemde dieren wordt verleend indien:

a. het kenteken van het motorrijtuig op naam van een openbaar lichaam is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; en

b. het openbaar lichaam een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor het in de aanhef genoemde vervoer.

Artikel 19

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen wordt verleend indien de houder van het motorrijtuig:

a. zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van wegen; en

b. een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor de in de aanhef genoemde doeleinden.

Artikel 20

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht voor het gebruik elders dan op wegen en uitsluitend worden gebruikt voor het landbouw- of het bosbouwbedrijf wordt verleend indien:

a. de houder van het motorrijtuig zich bezighoudt met landbouw of bosbouw;

b. met het motorrijtuig uitsluitend gebruik van de weg wordt gemaakt voor de verplaatsing naar een andere werkplek of voor het vervoer van landbouw- of bosbouwprodukten tussen de desbetreffende landbouw- of bosbouwterreinen en bedrijfsgebouwen van het desbetreffende landbouw- of bosbouwbedrijf; en

c. de houder een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor de in de aanhef bedoelde doeleinden met inachtneming van onderdeel b.

Artikel 21

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen waarmee gewoonlijk slechts over een geringe afstand gebruik van de weg wordt gemaakt, wordt verleend, indien:

a. het gebruik van de weg zich beperkt tot een op aanwijzingen van de houder door de inspecteur vastgesteld gebied dat is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de plaatsen waar het motorrijtuig, elders dan op de weg, wordt gebruikt; en

b. de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt dat met het motorrijtuig uitsluitend gebruik van de weg wordt gemaakt overeenkomstig onderdeel a.

Artikel 22

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen waarmee met het oog op een ingevolge hoofdstuk V van de Wegenverkeerswet 1994 te verrichten keuring van het motorrijtuig tijdens een voor het motorrijtuig geldende schorsing gebruik van de weg wordt gemaakt op de dag waarop dat motorrijtuig naar aanleiding van de aanvraag van een keuringsbewijs aan een keuring wordt onderworpen, wordt verleend indien bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig op de desbetreffende dag aan een keuring zal worden onderworpen.

Artikel 23

  • 1. Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt, wordt verleend indien:

    a. een afschrift van de vergunning of van het vergunningbewijs wordt overgelegd;

    b. een afschrift van de delen I, II en III van het kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig wordt overgelegd; en

    c. een verklaring wordt overgelegd van de exploitant van het motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

  • 2. Telkens vóór het einde van het vierde opeenvolgende tijdvak, gerekend vanaf het tijdstip waarop de vrijstelling van kracht is geworden, worden een afschrift als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, overgelegd.

Artikel 24

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het buitenland en in Nederland feitelijk ter beschikking staan van natuurlijke personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben, wordt verleend, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het gebruik in Nederland van incidentele aard is.

Artikel 25

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het buitenland en door een aldaar gevestigde werkgever ter beschikking zijn gesteld aan een als werknemer bij hem in dienst zijnde in Nederland wonende persoon, wordt verleend indien:

a. het motorrijtuig hoofdzakelijk is bestemd voor de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer buiten Nederland, alsmede voor persoonlijk gebruik, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen;

b. de werkgever blijkens een schriftelijke verklaring heeft toegestaan dat het motorrijtuig mede voor persoonlijk gebruik wordt aangewend; en

c. de werknemer als gevolg van de arbeidsverhouding tussen hem en zijn werkgever in beginsel geen invloed kan uitoefenen op de beslissing in welk land het motorrijtuig wordt geregistreerd.

Artikel 26

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het buitenland en die worden gebruikt door Nederlands ingezetenen die elders dan in Nederland hoofd zijn van een eenmansbedrijf, lid zijn van een maatschap, of bestuurder, vennoot of aandeelhouder zijn van een onderneming, opgericht in de vorm van een vennootschap, wordt verleend indien:

a. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door de houder;

b. uitsluitend de afstand van de woonplaats naar de in het buitenland gelegen werkplaats en omgekeerd wordt overbrugd; en

c. de houder niet een werknemer is als bedoeld in artikel 25.

Artikel 27

  • 1. De vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 26 worden op verzoek verleend.

  • 2. Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend vóór de aanvang van het tijdvak, dan wel van het gebruik van de weg in Nederland met het motorrijtuig.

  • 3. Bij het verzoek worden de in de artikelen 8 tot en met 26 bedoelde opgaven, verklaringen en bescheiden overgelegd, alsmede een opgave van het kenteken van het motorrijtuig.

  • 4. Bij het verzoek wordt een verklaring overgelegd dat voor motorrijtuigen die niet meer voldoen aan in de artikelen 8 tot en met 26 gestelde voorwaarden of omstandigheden, dan wel – voor zover het andere motorrijtuigen betreft – worden afgestoten, een opgaaf aan de inspecteur zal worden gedaan.

  • 5. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. De vrijstelling werkt, tenzij in de beschikking anders is bepaald, terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend.

  • 6. Indien de in het vierde lid bedoelde voorwaarden of omstandigheden zich niet langer voordoen, trekt de inspecteur de vrijstelling in. De intrekking geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 7. Indien degene aan wie de vrijstelling is verleend niet voldoet aan de verplichting bedoeld in het vierde lid, wordt de vrijstelling geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop de in de artikelen 8 tot en met 26 bedoelde voorwaarden of omstandigheden zich niet meer voordoen.

  • 8. Bij beëindiging van de vrijstelling geldt als kort tijdvak waarover de belasting moet worden betaald, het tijdvak dat aanvangt met ingang van de dag waarop de vrijstelling is opgeheven en dat eindigt met de dag voorafgaande aan de eerste dag van het tijdvak met ingang waarvan de belasting voor het eerst na beëindiging van die vrijstelling moet worden betaald op de voet van artikel 11, eerste lid, van de wet.

Artikel 28

  • 1. Vrijstelling van een gedeelte van de belasting voor motorrijtuigen, alsmede voor voertuigen als bedoeld in artikel 55 van de wet die worden gebezigd in het gecombineerde rail-wegvervoer van goederen tussen lid-staten van de Europese Unie wordt verleend indien de toepasselijkheid van de vrijstelling blijkt uit boeken en bescheiden.

  • 2. Ter vaststelling van het aantal dagen dat het in het eerste lid bedoelde motorrijtuig of voertuig per trein is vervoerd, worden de dag van aanvang en de dag van beëindiging van het vervoer per trein te zamen gerekend één dag te zijn. Indien het aantal dagen dat het motorrijtuig of voertuig in het betrokken tijdvak per trein is vervoerd, minder is dan zestien in een tijdvak van twaalf maanden, of minder dan vier in een tijdvak van drie maanden, wordt de vrijstelling niet verleend.

  • 3. De vrijstelling wordt op verzoek verleend in de vorm van teruggaaf van belasting.

  • 4. Het verzoek wordt ingediend binnen drie maanden na afloop van het tijdvak waarover de belasting is voldaan.

  • 5. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 29

Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen waarvan de houder niet in Nederland woont of is gevestigd en die zijn ingeschreven in één van de in de bijlage bij dit besluit genoemde landen als toebehorende aan een in dat land wonende of gevestigde houder wordt verleend, met inachtneming van de bij het desbetreffende land vermelde aanwijzingen.

HOOFDSTUK V. OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 30

  • 1. Voor motorrijtuigen waarvoor tot 1 april 1995 een vrijstelling van belasting gold op grond van artikel 9 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966, en waarvoor op grond van de artikelen 71 tot en met 73 van de wet aanspraak op een vrijstelling kan worden gemaakt, geldt in afwijking van artikel 27 dat:

    a. indien de vrijstelling onder de voorwaarde van een vergunning van de inspecteur is verleend, het verzoek om vrijstelling wordt ingediend vóór de datum waarop de vergunning afloopt, dan wel, indien de vergunning voor onbepaalde tijd is afgegeven, vóór 1 juli 1995;

    b. indien de vrijstelling niet onder de voorwaarde van een vergunning is verleend, de verklaringen, bedoeld in artikel 27, derde en vierde lid, worden overgelegd vóór 1 juli 1995.

  • 2. In de in het eerste lid genoemde gevallen wordt de vrijstelling geacht te zijn verleend op grond van de wet tot de in het eerste lid genoemde tijdstippen.

Artikel 31

  • 1. Het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1966 wordt ingetrokken, met dien verstande dat het van toepassing blijft voor de gevallen bedoeld in artikel 30.

  • 2. Het Besluit tot vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor buitenlanders wordt ingetrokken.

HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN

Artikel 32

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.

Artikel 33

Dit besluit kan worden aangehaald als Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 30 maart 1995

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

Uitgegeven de eenendertigste maart 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Bijlage

Land waar de houder woont of is gevestigdOmschrijving van de motorrijtuigen waarvoor de vrijstelling geldtDuur van de vrijstelling
A. Lid-staten van de Europese Unie  
Belgiëalle motorrijtuigenonbeperkte duur
Duitslanda. motorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingal dan niet ononderbroken duur van ten hoogste zeven maanden per tijdvak van twaalf maanden
 b. motorrijtuigen, andere dan bedoeld onder onderdeel aten hoogste veertien dagen
Denemarkena. motorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingal dan niet ononderbroken duur van ten hoogste zeven maanden per tijdvak van twaalf maanden
 b. motorrijtuigen, andere dan bedoeld onder onderdeel aten hoogste drie maanden
Frankrijkalle motorrijtuigenten hoogste twaalf maanden
Griekenlanda. motorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingal dan niet ononderbroken duur van ten hoogste zeven maanden per tijdvak van twaalf maanden
 b. motorrijtuigen, andere dan bedoeld onder onderdeel aonbeperkte duur
Ierlanda. motorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingal dan niet ononderbroken duur van ten hoogste zeven maanden per tijdvak van twaalf maanden
 b. motorrijtuigen, niet ingericht voor personenvervoeronbeperkte duur
Italiëa. motorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingal dan niet ononderbroken duur van ten hoogste zeven maanden per tijdvak van twaalf maanden
 b. motorrijtuigen, andere dan bedoeld onder onderdeel aonbeperkte duur
Luxemburgalle motorrijtuigenonbeperkte duur
Portugalalle motorrijtuigen, met uitzondering van die, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingonbeperkte duur
Spanjemotorrijtuigen, ingericht voor personenvervoerten hoogste twaalf maanden
Verenigd Koninkrijka. motorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingal dan niet ononderbroken duur van ten hoogste zeven maanden per tijdvak van twaalf maanden
 b. motorrijtuigen, andere dan bedoeld onder onderdeel aonbeperkte duur
Alle lid-statenmotorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen of goederen tegen betalingregelmatig gebruik van de weg in Nederland van de verblijfplaats buiten Nederland naar de arbeidsplaats en terug
B. Overige landen  
Arubaalle motorrijtuigenonbeperkte duur
Bulgarijealle motorrijtuigen, met uitzondering van die, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingonbeperkte duur
Canadamotorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingten hoogste twaalf maanden
Cyprusmotorrijtuigen, niet ingericht voor personenvervoeronbeperkte duur
Finlandalle motorrijtuigen, met uitzondering van die, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingonbeperkte duur
Hongarijea. motorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingten hoogste 60 dagen per kalenderjaar
 b. motorrijtuigen, niet ingericht voor personenvervoeronbeperkte duur
Israëlmotorrijtuigen, niet ingericht voor personenvervoeronbeperkte duur
Japanmotorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingten hoogste drie maanden
Joegoslaviëa. motorrijtuigen, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingonbeperkte duur
 b. motorrijtuigen, andere dan bedoeld onder onderdeel avrijstelling onder voorwaarde dat een geldig legitimatiebewijs wordt overgelegd
Liechtensteinalle motorrijtuigenten hoogste drie maanden
Nederlandse Antillenalle motorrijtuigenonbeperkte duur
Noorwegenalle motorrijtuigen, met uitzondering van die welke niet zijn ingericht voor personenvervoer en worden voortbewogen of zijn ingericht om te worden voortbewogen door een kracht welke niet uitsluitend wordt ontleend aan benzineten hoogste twaalf maanden
Oostenrijkalle motorrijtuigenonbeperkte duur
Polenalle motorrijtuigen met uitzondering van die gebezigd voor doorgaand transport en van die, ingericht voor personenvervoer en niet dienende tot het vervoer van personen tegen betalingonbeperkte duur
Roemeniëmotorrijtuigen, niet ingericht voor personenvervoeronbeperkte duur
Surinamealle motorrijtuigenten hoogste twaalf maanden
Tsjechoslowakijealle motorrijtuigenonbeperkte duur
Turkijemotorrijtuigen, niet ingericht voor personenvervoeronbeperkte duur
Unie van Socialistische Sovjetrepubliekenalle motorrijtuigenonbeperkte duur
Unie van Zuid-Afrikaalle motorrijtuigenten hoogste twaalf maanden
Verenigde Staten van Amerikaalle motorrijtuigenten hoogste twaalf maanden
Zwedenalle motorrijtuigenten hoogste twaalf maanden
Zwitserlandalle motorrijtuigenten hoogste drie maanden

NOTA VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

1.Algemeen16
1.1.Inleiding16
1.2.Belastbaar feit en definities16
1.3.Tarief17
1.4.Vrijstellingen17
1.5.Overgangsbepalingen18
1.6.Overige aspecten18
   
2.Toelichting op de artikelen18
Hoofdstuk IInleidende bepalingen18
Hoofdstuk IIBelastbaar feit en definities18
Hoofdstuk IIITarief19
Hoofdstuk IVVrijstellingen20
Hoofdstuk VOvergangsbepalingen25
Hoofdstuk VISlotbepalingen25

1. Algemeen

1.1. Inleiding

Met de totstandkoming van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Stb. 17) – hierna de wet – is het systeem van heffing van de motorrijtuigenbelasting voor het grootste deel van het Nederlandse wagenpark ingrijpend gewijzigd. Ingevolge de wet zullen personenauto's, lichte bestelauto's en motorrijwielen worden belast volgens een houderschapsstelsel: de belasting zal worden geheven ter zake van het houden van een dergelijk motorrijtuig. Voor vrachtauto's, bestelauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3 500 kg en autobussen blijft het systeem van heffing zoals dat gold onder de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 gehandhaafd: het rijden op de weg blijft het belastbare feit.

Een belangrijke beweegreden voor de nieuwe wetgeving is, zoals is verwoord in de memorie van toelichting (kamerstukken II 1990/91, 22 238, nr. 3) bij de wet, dat een houderschapssysteem het zwartrijden beter tegengaat. Voor de systematiek van de houderschapsbelasting is aangesloten bij het systeem van kentekenregistratie en kentekenbewijzen, opgenomen in de Wegenverkeerswet 1994.

De wet voorziet voor personenauto's, bestelauto's en motorrijwielen in één procedure, die geldt voor zowel de kentekenregistratie als de motorrijtuigenbelasting. Men doet aangifte voor een nieuw motorrijtuig door een kentekenbewijs aan te vragen. Vanaf 1 januari 1995 zullen nieuwe motorrijtuigen en over te schrijven gebruikte motorrijtuigen worden geregistreerd op de voet van het nieuwe kentekenregister.

Dit besluit strekt in de eerste plaats tot vaststelling van regels met betrekking tot in de wet genoemde onderwerpen. De categorieën zijn beperkt. Het gaat om de (nadere) voorwaarden die worden gesteld voor:

– de heffing van motorrijtuigen die behoren tot de bedrijfsvoorraad van automobielbedrijven en die bij een herstelbedrijf zijn voor het verrichten van werkzaamheden daaraan;

– het begrip motorrijwiel;

– de vaststelling van het gewicht van een personenauto of bestelauto die is voorzien van een installatie voor het in- en uitladen en vastzetten van een rolstoel;

– het verminderd tarief (het zogenoemde kwart en half tarief) voor een aantal specifieke categorieën motorrijtuigen;

– de vrijstellingen.

Daarnaast is een bepaling opgenomen met een overgangsregeling voor de toepassing van de vrijstellingen.

1.2. Belastbaar feit en definities

De motorrijtuigenbelasting wordt geheven van elk motorrijtuig afzonderlijk. Artikel 1, tweede lid, van de wet maakt op dit uitgangspunt één uitzondering. Evenals onder de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 wordt de belasting niet afzonderlijk geheven voor een motorrijtuig indien dit behoort tot een bedrijfsvoorraad van een automobielbedrijf of voor het verrichten van werkzaamheden daaraan bij een herstelbedrijf is. In deze gevallen wordt de belasting geheven ter zake van elk bijzonder kenteken (handelaarskenteken) dat is afgegeven aan dergelijke bedrijven op grond van artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Deze kentekens kunnen worden gebruikt voor de desbetreffende motorrijtuigen wanneer daarmee voor proefritten gebruik van de weg wordt gemaakt. De voorwaarden voor het gebruik van deze kentekens zijn op grond van artikel 1, tweede lid, van de wet, uitgewerkt in artikel 3. Hierbij is aangesloten bij de voorwaarden die op grond van artikel 37, derde en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 zijn gesteld.

Artikel 2 van de wet bevat de definitie van onder meer motorrijwielen. Op grond van artikel 4 van de wet zijn in artikel 4 regels gesteld ingevolge welke motorrijtuigen op meer dan twee wielen die uit hoofde van hun bouw overeenkomst vertonen met een motorrijwiel, daarmee worden gelijkgesteld. Het betreft hier de zogenoemde trikes. Deze regels betreffen het ten hoogste te vervoeren aantal personen en andere overeenkomsten met een motorrijwiel, zoals het ontbreken van een carrosserie, het gebaseerd zijn op een frame, de directe stuuroverbrenging en de wijze van plaatsing van de motor en de versnellingsbak.

1.3. Tarief

De maatstaf van heffing is de eigen massa van het motorrijtuig zoals dat is ingericht bij de aanvang van het tijdvak, dat wil zeggen met inbegrip van daaraan of daarop aangebrachte voorzieningen. Hierop is in artikel 22 van de wet één uitzondering gemaakt. Het gewicht van installaties die aan of in personenauto's of bestelauto's zijn aangebracht om een rolstoel in en uit die auto's te laden en deze vast te zetten, wordt op verzoek niet meegerekend. Op deze wijze wordt bereikt dat een dergelijk motorrijtuig op dezelfde wijze wordt behandeld als een zelfde motorrijtuig dat niet zo'n installatie bevat. Artikel 5 stelt op grond van artikel 22 van de wet de voorwaarden voor deze tegemoetkoming.

Op grond van de artikelen 30 (voor personenauto's en bestelauto's) en 50 van de wet (voor andere motorrijtuigen) is het mogelijk voor een aantal categorieën specifieke motorrijtuigen de belasting in één keer over twaalf maanden te voldoen, waarbij het te betalen bedrag gelijk is aan de verschuldigde belasting over één tijdvak van drie maanden (het zogenoemde kwarttarief), dan wel twee tijdvakken van drie maanden (het zogenoemde half tarief). Het gaat hierbij om categorieën motorrijtuigen waarvoor onder de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 de mogelijkheid bestond om de belasting te voldoen over een tijdvak van 60 willekeurig binnen een jaar vallende dagen. In de artikelen 6 en 7 zijn op grond van artikel 30, derde lid, respectievelijk 50, tweede lid, van de wet de voorwaarden en beperkingen gesteld met betrekking tot het gebruik van de weg, de bestemming, het uiterlijk en de inrichting van het motorrijtuig.

1.4. Vrijstellingen

De artikelen 71 tot en met 74 van de wet bevatten de vrijstellingen van motorrijtuigenbelasting. Aangezien met de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 slechts een wijziging is beoogd van de heffingssystematiek, en in beginsel geen materiële wijzigingen, verwezen zij ook naar de memorie van toelichting bij de wet (kamerstukken II 1990/91, 22 238, nr. 3), komen de vrijstellingen overeen met die van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966, behoudens een enkele uitbreiding en beperking die voortvloeien uit de overgang naar het houderschapsstelsel of uit een oogpunt van concurrentie-neutraliteit zijn aangebracht. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting en de uiterlijke herkenbaarheid van de motorrijtuigen die in aanmerking komen voor de vrijstellingen, bedoeld in artikel 71. Met betrekking tot de vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 72 tot en met 74 van de wet worden voorwaarden en beperkingen gesteld bij algemene maatregel van bestuur. Wat betreft de vrijstellingen van de artikelen 71 en 72 van de wet – de vrijstellingen die zijn verbonden aan de aard van het motorrijtuig of van het gebruik ermee – is dit gebeurd in de artikelen 8 tot en met 23, wat betreft die van artikel 73 van de wet – de vrijstellingen die verband houden met de hoedanigheid van de gebruiker – in de artikelen 24, 25 en 26. Artikel 27 bevat naast de in de artikelen 8 tot en met 26 geformuleerde specifieke voorwaarden en beperkingen de algemene voorwaarden voor de vrijstellingen. De voorwaarden voor de gedeeltelijke vrijstelling voor gecombineerd rail-wegvervoer van artikel 74 van de wet zijn opgenomen in artikel 28.

Ten slotte zijn in artikel 29 en in de bijlage bij het besluit de wederzijdse vrijstellingen opgenomen op grond van artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Deze vrijstellingen waren onder het regime van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 op grond van artikel 9, derde lid, van die wet geregeld in het Besluit tot vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor buitenlanders.

1.5. Overgangsbepaling

De strekking van artikel 30 is de overgang van de vrijstellingen van het oude naar het nieuwe regime soepel te laten verlopen. Voor motorrijtuigen waarvoor op grond van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 vrijstelling is verleend en waarvoor op grond van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 ook aanspraak op vrijstelling kan worden gemaakt, behoeft geen nieuw verzoek te worden ingediend. Volstaan kan worden met het inzenden van een tweetal verklaringen, te weten een verklaring dat aan de voorwaarden van het besluit wordt voldaan en het motorrijtuig dienovereenkomstig wordt gebruikt, alsmede een verklaring dat bij het niet meer voldoen aan de gestelde voorwaarden daarvan terstond mededeling zal worden gedaan aan de inspecteur.

1.6. Overige aspecten

Dit besluit strekt tot uitvoering van een aantal delegatiebepalingen van de wet en van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het gaat hierbij om de uitwerking van nadere voorwaarden en beperkingen van een aantal in de wet geregelde onderwerpen. Als zodanig heeft dit besluit dan ook geen budgettaire gevolgen.

Voorts is bij de uitwerking zoveel mogelijk en binnen de mogelijkheden die een houderschapssysteem kent, aangesloten bij de uitwerking zoals die aan de desbetreffende onderwerpen was gegeven op grond van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966. Als zodanig heeft dit besluit dan ook geen gevolgen voor de werkdruk van de rijksbelastingdienst en voor het justitiële apparaat. Ook de administratieve lasten voor belastingplichtigen zullen niet toenemen.

2. Toelichting op de artikelen

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In dit artikel is aangegeven aan welke delegatiebepalingen van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dit besluit uitvoering geeft.

Artikel 2

Dit artikel bevat twee definitiebepalingen.

Hoofdstuk II. Belastbaar feit en definities

Artikelen 3 en 4

Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting. Verwezen zij naar paragraaf 1.2.

Hoofdstuk III. Tarief

Artikel 5

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Verwezen zij naar paragraaf 1.3.

Artikel 6

Dit artikel bevat de op grond van artikel 30 van de wet gestelde voorwaarden en beperkingen voor de toepassing van het zogenoemde kwart en half tarief: de belasting die in één keer over vier aaneengesloten tijdvakken van drie maanden wordt voldaan, bedraagt de over één c.q. twee tijdvakken van drie maanden verschuldigde belasting (zie ook paragraaf 1.3). Het gaat hierbij om onder het houderschapssysteem vallende motorrijtuigen.

Het eerste lid bevat voor de onderscheiden categorieën motorrijtuigen de voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de weg, de bestemming en de inrichting.

De voorwaarden voor kampeer- en woonwagens (onderdelen a en b) zien uitsluitend op de inrichting van deze motorrijtuigen. De voorwaarden voor kampeerauto's van het aanwezig zijn van permanente voorzieningen voor het verblijf, de verzorging en de overnachting van personen ziet op het tenminste aanwezig zijn van een zitbank, een al dan niet opklapbare tafel, een keukeninrichting en een slaapgelegenheid. De voorwaarde voor woonwagens van het aanwezig zijn van permanente voorzieningen voor bewoning ziet op het tenminste aanwezig zijn van een zitbank, een eetgelegenheid, een keukeninrichting, een toilet- en wasgelegenheid en een slaapgelegenheid.

Met betrekking tot de reserve-motorrijtuigen, motorrijtuigen voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden en de zogenoemde rijdende werkplaatsen (de onderdelen c, d en e) is naast de voorwaarde met betrekking tot de bestemming en de inrichting, de voorwaarde gesteld van een maximaal gebruik van zestig dagen gedurende de vier aangesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald. Het gaat hierbij steeds om bedrijfsmatig gebruikte motorrijtuigen. De toepassing van het kwart tarief voor motorrijtuigen ingericht voor het vervoer van paarden ten behoeve van de paardesport (onderdeel f) geldt uitsluitend bij niet-beroepsmatig gebruik. Ook ten aanzien van deze motorrijtuigen geldt de voorwaarde van het maximale gebruik van zestig dagen gedurende de vier aangesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald. Van het aantal dagen dat wordt gereden moet aantekening worden gehouden, alsmede van het aantal kilometers dat op die dagen wordt gereden (zie ook het tiende lid).

Het tweede lid geeft aan voor hoeveel reserve-motorrijtuigen aanspraak op de toepassing van het kwart tarief kan worden gemaakt.

De toepassing van het kwart c.q. half tarief vindt plaats op verzoek (derde lid), welk verzoek moet worden ingediend vóór de aanvang van de tijdvakken waarover belasting wordt betaald (vierde lid). Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat de toepassing ervan bij de belastingdienst vooraf bekend is en zonodig op de voorwaarden kan worden gecontroleerd. Derhalve dient bij het verzoek een verklaring te worden overgelegd dat aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan en het desbetreffende kenteken te worden opgegeven (vijfde lid).

Indien gedurende de periode waarin het kwart of half tarief van toepassing is, zich omstandigheden voordoen waardoor niet langer wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden, dient de belastingplichtige dat te melden aan de inspecteur (zesde lid).

Het zevende, achtste en negende lid behoeven geen nadere toelichting.

Het tiende lid behelst de verplichting tot het aantekening houden van de dagen dat met het motorrijtuig gebruik van de weg wordt gemaakt en van het aantal kilometers dat op die dagen is gereden.

Artikel 7

Dit artikel bevat de op grond van artikel 50 van de wet gestelde voorwaarden en beperkingen voor de toepassing van het zogenoemde kwart tarief: de belasting die in één keer over een tijdvak van twaalf maanden wordt voldaan, bedraagt het over een tijdvak van drie maanden verschuldigde belasting (zie ook paragraaf 1.3). Het gaat hierbij om de niet onder het houderschapssysteem vallende motorrijtuigen (vrachtauto's en autobussen).

Het eerste lid bevat de voorwaarden voor zover van toepassing op de onderscheiden categorieën motorrijtuigen met betrekking tot het gebruik van de weg, de bestemming, het uiterlijk en de inrichting. Met betrekking tot de reserve-motorrijtuigen, motorrijtuigen voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden, de zogenoemde rijdende werkplaatsen, de zogenoemde rijdende werktuigen, de verhuisauto's en de motorrijtuigen voor bijzondere transporten (de onderdelen a tot en met f) is de voorwaarde gesteld van een maximaal gebruik van zestig dagen gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarover belasting wordt betaald. Het gaat hierbij steeds om bedrijfsmatig gebruikte motorrijtuigen. De toepassing van het kwart tarief voor motorrijtuigen ingericht voor het vervoer van paarden ten behoeve van de paardesport (onderdeel g) geldt uitsluitend bij niet-beroepsmatig gebruik. Ook ten aanzien van deze motorrijtuigen geldt de voorwaarde van het maximale gebruik van zestig dagen gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarover belasting wordt betaald.

In het tweede lid van artikel 7 is opgenomen dat de toepassing van artikel 50, eerste lid, van de wet plaatsvindt op verzoek. Het tweede en het vierde tot en met tiende lid van artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk IV. Vrijstellingen

Artikel 8

In dit artikel zijn de voorwaarden neergelegd voor ambulances, te weten voldoen aan de bepalingen die ter zake zijn opgenomen in het Eisenbesluit ambulancevervoer en het hebben van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet ambulancevervoer. De voorwaarden komen overeen met die gesteld in het kader van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.

Artikel 9

Dit artikel bevat de voorwaarden voor de inrichting van motorrijtuigen die worden gebruikt voor het vervoer van stoffelijke overschotten. Ook hier geldt dat de voorwaarden overeenkomen met die gesteld in het kader van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.

Artikel 10

In dit artikel zijn de voorwaarden voor dierenambulances opgenomen. De voorwaarden komen grotendeels overeen met de voorwaarden die thans aan deze motorrijtuigen voor de motorrijtuigenbelasting en de belasting voor personenauto's en motorrijwielen worden gesteld. De voorwaarden zijn op drie punten aangepast. Ten eerste is de aanduiding «oranje zwaailicht» vervangen door «geel zwaai- of knipperlicht». Deze wijziging hangt samen met de terminologie in het nieuwe Voertuigreglement. Ten tweede is bepaald dat de aanduidingen aan weerszijden van het motorrijtuig waaruit blijkt dat het een dierenambulance is, moeten worden aangebracht in een wit veld van ten minste 4500 cm2. Dit is gedaan om de zichtbaarheid van de aanduidingen te bevorderen, nu is gebleken dat deze aanduidingen in de praktijk nog wel eens in de verdrukking kunnen komen door reclameleuzen van sponsors van de dierenambulance. Ten slotte is de voorwaarde dat het motorrijtuig moet zijn voorzien van een mobilofooninstallatie aangevuld, in die zin dat men ook met een daarmee vergelijkbare installatie, zoals bij voorbeeld een autotelefoon, kan volstaan.

Artikel 11

Dit artikel bevat de specifieke voorwaarden en beperkingen voor de in artikel 72, eerste lid, onderdeel a, van de wet opgenomen vrijstelling voor historische motorrijtuigen in musea. Voor deze motorrijtuigen geldt geen minimum leeftijd. Ook motorrijtuigen van meer recente datum kunnen hier onder vallen, mits wordt aangetoond dat het motorrijtuig zich in het museum bevindt als historisch exemplaar. Met de onder deze vrijstelling vallende motorrijtuigen mag geen gebruik van de weg worden gemaakt, behalve in het kader van bijzondere gelegenheden, zoals herdenkingen, corso's, en dergelijke. Dit gebruik van de weg moet van te voren bij de inspecteur worden aangemeld.

Artikel 12

Dit artikel bevat de specifieke voorwaarden voor de vrijstelling, opgenomen in artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de wet voor motorrijtuigen van 25 jaar en ouder. Voor personenauto's, motorrijwielen en bestelauto's kan voor het verkrijgen van de vrijstelling worden volstaan met het aantonen dat het motorrijtuig aan het leeftijdscriterium voldoet. Voor een ander motorrijtuig, bij voorbeeld een autobus of vrachtwagen, geldt ingevolge artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de wet als aanvullende voorwaarde dat het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt voor andere doeleinden dan het bedrijfsmatig vervoeren van personen of goederen. Hiertoe dient de houder een verklaring te overleggen.

Artikel 13

Dit artikel bevat de specifieke voorwaarde voor de vrijstelling, opgenomen in artikel 72, eerste lid, onderdeel c, van de wet voor door defensie gehouden motorrijtuigen. Als voorwaarde is gesteld dat het moet gaan om motorrijtuigen waarvoor de regelingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid en artikel 37, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994 gelden. Voor deze motorrijtuigen worden militaire kentekens opgegeven.

Artikel 14

In dit artikel zijn de specifieke voorwaarden en beperkingen gesteld voor de vrijstelling voor motorrijtuigen, opgenomen in artikel 72, eerste lid, onderdeel d, van de wet. Het eerste lid betreft de politie-auto's, het tweede lid de brandweerauto's. De motorrijtuigen moeten zijn ingeschreven in het kentekenregister op naam van een politie-, dan wel brandweer-instantie. De overige voorwaarden betreffen de uiterlijke herkenbaarheid en het gebruik. Deze behoeven geen nadere toelichting. Op grond van het derde lid kan ook voor brandweerauto's van een bedrijfsbrandweer vrijstelling worden verleend.

Artikel 15

Dit artikel bevat de specifieke voorwaarden voor de in artikel 72, eerste lid, onderdeel e, van de wet opgenomen vrijstelling voor de zogenoemde rijdende bibliotheken. Deze behoeven geen nadere toelichting. Gelet op de inrichting van het motorrijtuig zal het hierbij steeds gaan om vrachtauto's.

Artikel 16

Dit artikel bevat de specifieke voorwaarden voor de vrijstellingen, opgenomen in artikel 72, eerste lid, onderdelen f en g, van de wet voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt voor de schooltandverzorging, de keuringsdienst van waren en de vleeskeuringsdienst. Zij dienen voor de desbetreffende doeleinden te zijn ingericht. Gelet op de aard van die inrichting zal het hierbij steeds gaan om bestelauto's en vrachtauto's.

Artikel 17

In dit artikel zijn de specifieke voorwaarden opgenomen voor de vrijstelling, opgenomen in artikel 72, eerste lid, onderdeel h, van de wet voor vuilnisauto's, kolkenzuigers en straatveegwagens. In tegenstelling tot onder de werking van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 beperkt deze vrijstelling zich niet tot door openbare lichamen gehouden motorrijtuigen maar geldt de vrijstelling ook voor de desbetreffende motorrijtuigen die worden gehouden door bedrijven die zich bezighouden met het ophalen van vuilnis, het onderhoud van riolen en het schoonmaken van straten. Het gaat hierbij om specifiek voor de desbetreffende taken ingerichte en uitgeruste motorrijtuigen, dat wil zeggen niet om gewone vrachtauto's waarmee vuilnis wordt opgehaald.

Artikelen 18 en 19

Deze artikelen bevatten de specifieke voorwaarden en beperkingen voor de vrijstellingen, opgenomen in artikel 72, eerste lid, onderdelen i en j, van de wet voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het ophalen van voor vernietiging bestemd vee onderscheidenlijk voor de aanleg en onderhoud van wegen. Deze voorwaarden behoeven geen nadere toelichting. Gelet op de aard van die inrichting zal het hierbij steeds gaan om bestelauto's en vrachtauto's. Met betrekking tot de motorrijtuigen gebruikt voor aanleg en onderhoud van wegen, zij opgemerkt dat, gelet op de inrichtingseis, het hierbij niet gaat om vrachtauto's voor de aan- en afvoer van materialen en dergelijke maar om voor het werk aan wegen ingerichte motorrijtuigen, zoals motorrijtuigen met een vaste installatie voor het sproeien van teer.

Artikel 20

Dit artikel bevat de specifieke voorwaarden en beperkingen van de vrijstelling, opgenomen in artikel 72, eerste lid, onderdeel k, van de wet voor motorrijtuigen die zijn ingericht voor het gebruik voor het landbouw- en het bosbouwbedrijf. Het motorrijtuig dient te worden gehouden voor gebruik in het kader van het landbouw- of het bosbouwbedrijf. Gezien de achtergrond van de vrijstelling – geen of een gering gebruik van de weg – moet het gebruik van de weg beperkt blijven, zoals bij voorbeeld om zich te begeven van het ene perceel naar het andere perceel of voor de verplaatsing naar een andere werkplek in het geval van loonbedrijven. Het vervoer van verbouwde produkten naar veilingen en andere afnemers valt hier niet onder. Gelet op de aard van de vrijstelling gaat het hierbij om motorrijtuigen die onder de categorie bestelauto's of vrachtauto's vallen.

Artikel 21

Dit artikel bevat de specifieke voorwaarden en beperkingen voor de vrijstelling, opgenomen in artikel 72, eerste lid, onderdeel l, van de wet voor motorrijtuigen waarmee gewoonlijk slechts een gering gebruik van de weg wordt gemaakt. Het gebruik van de weg moet beperkt blijven tot een door de inspecteur aangewezen gebied in de onmiddellijke nabijheid van de plaatsen waar het motorrijtuig buiten de weg wordt gebruikt. Te denken valt hierbij aan wegen die een verbinding vormen tussen grotere fabrieks- en havencomplexen waar het motorrijtuig wordt gebruikt.

Artikel 22

Dit artikel bevat de specifieke voorwaarde voor de vrijstelling, opgenomen in artikel 72, eerste lid, onderdeel m, van de wet voor motorrijtuigen die zich tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing op de weg bevinden met het oog op een ingevolge de Wegenverkeerswet voorgeschreven keuring. Het behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 23

Dit artikel bevat de voorwaarden voor de zogeheten taxi-vrijstelling, opgenomen in artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de wet. Het behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 24

Op grond van artikel 73, onderdeel a, van de wet wordt onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling verleend voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het buitenland en feitelijk ter beschikking staan in Nederland van natuurlijke personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben. Het gaat hierbij om personen die naast hun hoofdverblijf in het buitenland nog de beschikking hebben over woonruimte in Nederland, omdat zij bij voorbeeld tijdelijk zijn uitgezonden naar het buitenland of om persoonlijke redenen zoals vakanties en familiebezoek, woonruimte hebben aangehouden in Nederland. Aannemelijk moet worden gemaakt dat het gebruik van het motorrijtuig in Nederland van incidentele aard is. Met betrekking tot bedoelde motorrijtuigen kan artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geen toepassing vinden.

Artikel 25

Artikel 73, onderdeel b, van de wet bevat de vrijstelling voor het zogenoemde woon-werkverkeer van in Nederland wonende werknemers van in het buitenland gevestigde werkgevers. De voorwaarden voor deze vrijstelling zijn opgenomen in artikel 25 en behoeven geen nadere toelichting.

Artikel 26

Artikel 73, onderdeel c, van de wet bevat de vrijstelling voor in het buitenland gekentekende motorrijtuigen die worden gebruikt door Nederlandse ingezetenen die elders dan in Nederland hoofd zijn van een eenmansbedrijf, lid zijn van een maatschap, of bestuurder, vennoot of aandeelhouder zijn van een onderneming, opgericht in de vorm van een vennootschap. De voorwaarden voor deze vrijstelling zijn opgenomen in artikel 26 en behoeven geen nadere toelichting.

Artikel 27

Dit artikel bevat de meer algemene voorwaarden en formaliteiten waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor één van de vrijstellingen bedoeld in de artikelen 8 tot en met 26. Het gaat hierbij om de indiening van het verzoek (eerste en tweede lid), de over te leggen opgaven, verklaringen en bescheiden (derde en vierde lid) en de beslissing op het verzoek (vijfde lid). Het zesde en zevende lid betreffen de intrekking van de vrijstelling. In het achtste lid is, overeenkomstig de regeling bij beëindiging van een schorsing in artikel 21 van de wet, weergegeven hoe aansluitend daaraan het eerstvolgende (korte) belastingtijdvak wordt bepaald.

Artikel 28

Dit artikel bevat nadere regels voor de gedeeltelijke vrijstelling, opgenomen in artikel 74 van de wet voor motorrijtuigen die worden gebruikt in het gecombineerde rail-wegvervoer tussen de lid-staten van de Europese Unie. De toepasselijkheid moet blijken uit boeken en bescheiden (eerste lid). Het tweede bevat een toerekeningsbepaling voor de dagen waarop het railvervoer aanvangt en wordt beëindigd, alsmede een beperking ten aanzien van het aantal dagen waarop in een tijdvak minimaal rail-vervoer moet hebben plaatsgevonden.

Het derde, vierde en vijfde lid bevatten bepalingen over de vorm van de vrijstelling (bij wijze van teruggaaf) en de afhandeling van het verzoek.

Artikel 29

Op grond van artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn in dit artikel alsmede in de bijlage bij het besluit de wederzijdse vrijstellingen opgenomen voor motorrijtuigen waarvan de houder niet in Nederland woont of is gevestigd en die zijn ingeschreven in het land waar de houder woont of is gevestigd. Het betreft hier de integratie van het Besluit tot vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor buitenlanders in dit besluit.

In de bijlage is de lijst opgenomen van landen waarvoor met betrekking tot de in die landen ingeschreven motorrijtuigen vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wordt verleend op grond van bi- en multilaterale overeenkomsten. Daarbij is aangegeven voor welk soort motorrijtuigen vrijstelling wordt verleend en voor welke tijdsduur.

De lijst bevat een drietal landen welke inmiddels zijn opgesplitst in twee of meer staten, te weten Joegoslavië, Tsjechoslowakije en de Sovjet Unie. Zolang met de landen die vroeger daarvan deel uitmaakten nog geen afzonderlijke verdragen zijn gesloten, worden de verdragen met de landen waar zij deel van uitmaakten op hen toegepast, voor zover zij door de Nederlandse regering zijn erkend. Ik wijs in dit verband op de regeling van 26 mei 1993, nr. VB 93/156, waarin deze beleidslijn is neergelegd.

Tevens is onderdeel A van de lijst aangevuld met de categorie «Alle lid-staten». Het betreft hier in het buitenland woonachtige houders van een buitenlands gekentekend motorrijtuig die van de openbare weg gebruik maken voor het rijden naar de arbeidsplaats en terug.

Hoofdstuk V. Overgangsbepalingen

Artikel 30

Verwezen zij naar paragraaf 1.5.

Artikel 31

Dit artikel regelt het vervallen van het Besluit motorrijtuigenbelasting 1966, alsmede van het Besluit tot vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor buitenlanders.

Hoofdstuk VI. Slotbepalingen

Artikelen 32 en 33

Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, vijfde lid jo. vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

Naar boven