Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 13 maart 2023, nr. WJZ/ 25789824, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met de invoering van de subsidiemodule Opschaling verduurzaamde PPS in het beroepsonderwijs

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op artikel 2 Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Na titel 3.28 wordt een titel ingevoegd, luidende:

Titel 3.29. Opschaling verduurzaamde PPS in het beroepsonderwijs

Artikel 3.29.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

adviescommissie:

commissie als bedoeld in artikel 3.29.11;

contextrijke infrastructuur:

inspirerende leer- en werkomgeving om in te leren aangeboden vanuit de verduurzaamde PPS;

innovatie van de beroepspraktijk:

praktijk waarbij studenten projecten uitvoeren voor en met het bedrijfsleven en die bijdragen aan innovatievraagstukken met als doel om oplossingen aan te dragen die bij ondernemingen kunnen worden geïmplementeerd;

loonverletkosten:

loonkosten voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de werkgever;

ondernemersvereniging:

vereniging van ondernemers die krachtens haar statuten de gemeenschappelijke belangen behartigt van de aangesloten ondernemers;

onderwijsinstelling:

instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft;

project:

project als bedoeld in artikel 3.29.2, waarvoor op grond van deze regeling subsidie kan worden verstrekt;

verduurzaamde PPS:

verduurzaamde publiek-private samenwerking als bedoeld in artikel 3.29.3.

Artikel 3.29.2. Subsidieverstrekking en voorschot
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderwijsinstelling die verbonden is aan een verduurzaamde PPS of aan deelnemers van een verduurzaamde PPS voor een project, dat bestaat uit activiteiten die bijdragen aan een betere aansluiting van het onderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt door middel van of door in te zetten op:

    • a. versterking van ketens en ecosystemen;

    • b. talentontwikkeling van aankomende en huidige werknemers;

    • c. een leven lang leren voor werknemers en werkzoekenden;

    • d. innovatie van de beroepspraktijk; of

    • e. een contextrijke infrastructuur.

  • 2. Het project is ten minste gericht op klimaat- en energietransitie of digitale transitie.

  • 3. De Minister verstrekt ambtshalve jaarlijks een voorschot. Het eerste voorschot wordt verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 4. De hoogte van het voorschot bedraagt in het eerste en tweede jaar 27 procent van de maximale hoogte van de subsidie en in het derde en vierde jaar 23 procent.

Artikel 3.29.3. Verduurzaamde PPS
  • 1. Bij de uitvoering van het project werken onderwijsinstellingen en ondernemingen samen in een verduurzaamde PPS, die ten minste bestaat uit:

    • a. een instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;

    • b. een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

    • c. een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    • d. twee ondernemersverenigingen die elk ten minste 25 ondernemingen vertegenwoordigen.

  • 2. De partijen in de verduurzaamde PPS hebben een stevig trackrecord en gezamenlijk een jaarlijks bereik van ten minste:

    • a. 100 werknemers;

    • b. 500 studenten; en

    • c. 30 docenten of onderzoekers.

Artikel 3.29.4. Hoogte subsidie
  • 1. De subsidie bedraagt maximaal 100 procent van de subsidiabele kosten en is per aanvraag minimaal € 4 miljoen en maximaal € 9 miljoen.

  • 2. De verhouding subsidie ten opzichte van de totale kosten van het project bedraagt maximaal 42 procent.

  • 3. Ten minste 33 procent van de totale kosten van het project wordt gedragen door private partijen in de verduurzaamde PPS, niet zijnde de onderwijsinstellingen.

Artikel 3.29.5. Uurtarief
  • 1. In afwijking van artikel 3.1.1 bedraagt het uurtarief, bedoeld in de artikelen 13, tweede lid, en 14, van het besluit, voor deze titel € 80.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de urenbijdrage van alle deelnemers aan het project.

Artikel 3.29.6. Niet-subsidiabele kosten

Voor subsidie komen niet in aanmerking:

  • a. kosten van reguliere activiteiten van de onderwijsinstelling die op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gefinancierd worden;

  • b. kosten voor economische activiteiten;

  • c. kosten van een onderneming voor de begeleiding van studenten of werknemers gedurende de beroepspraktijkvorming, beroepsbegeleidende leerweg, duale leerroute of stage en daarbij verstrekte vergoedingen aan studenten;

  • d. kosten die een onderneming betaalt aan een onderwijsinstelling voor het afnemen van opleidingsactiviteiten of contractonderzoek;

  • e. loonverletkosten.

Artikel 3.29.7. Informatieverplichting
  • 1. De aanvraag om subsidie bevat ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager of aanvragers, waaronder het post- en bezoekadres en het rekeningnummer van de aanvrager of aanvragers;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager of aanvragers, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. indien van toepassing: gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres;

    • d. een regiovisie;

    • e. een nulmeting;

    • f. een plan van aanpak;

    • g. een begroting;

    • h. een samenwerkingsovereenkomst;

    • i. een faseplan als bedoeld in artikel 3.29.12;

    • j. een schriftelijke adhesiebetuiging van een provincie; en

    • k. een publieksvriendelijke samenvatting van het plan van aanpak.

  • 2. De regiovisie bevat:

    • a. een beschrijving van de regio waarop de subsidiabele activiteit is gericht;

    • b. een analyse van de kwalitatieve en kwantitatieve vraag van de arbeidsmarkt naar gediplomeerden waar de activiteiten van de verduurzaamde PPS zich op richten;

    • c. een overzicht van de relevante partijen in de regio en in de betreffende sector;

    • d. een beschrijving van de wijze waarop wordt voortgebouwd op de regionale en sectorale agenda’s ten aanzien van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt die relevant zijn voor de verduurzaamde PPS; en

    • e. een beschrijving van de afstemming met andere relevante partijen in de regio en in de betreffende sector die niet deelnemen aan de publiek private samenwerking.

  • 3. De nulmeting bevat een beschrijving van de situatie bij de startdatum van de uitvoering van de het project.

  • 4. Het plan van aanpak bevat:

    • a. een beschrijving van het project en de daarmee beoogde doelstellingen in relatie tot de analyse uit de regiovisie;

    • b. een planning over de totale projectperiode en de daaraan verbonden kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd;

    • c. de wijze waarop de aanvrager de partijen uit de verduurzaamde PPS betrekt bij de uitvoering van het project; en

    • d. de wijze waarop de aanvrager of aanvragers het project na de subsidieperiode structureel inbedt en continueert binnen de verduurzaamde PPS.

  • 5. De begroting bevat:

    • a. een overzicht van de kosten van de activiteiten, voorzien van een toelichting;

    • b. een overzicht van de financiële bijdrage en overige bijdragen in natura van de partijen uit de verduurzaamde PPS, waarbij voor de gehele projectperiode is aangegeven waaruit die bestaat en hoe deze verdeeld is over de partijen uit het samenwerkingsverband.

  • 6. De samenwerkingsovereenkomst is door de deelnemende partijen ondertekend en bevat ten minste afspraken over:

    • a. de aard en de omvang van de verduurzaamde PPS en de verdeling van rollen, taken en verantwoordelijkheden van de deelnemende partijen;

    • b. de organisatie van periodiek overleg over de voortgang, financiering, monitoring en evaluatie van het project en de verslaglegging ervan;

    • c. een analyse van de risico’s van de verduurzaamde PPS en een beschrijving van de wijze waarop deze potentiële risico’s worden aangepakt;

    • d. de wijze waarop de voortgang van de verduurzaamde PPS door het samenwerkingsverband wordt geëvalueerd;

    • e. de voortzetting van het samenwerkingsverband na afloop van het project;

    • f. dat de partijen op verzoek van de subsidieontvanger meewerken aan rapportages en gegevens aanleveren die daarvoor noodzakelijk zijn.

Artikel 3.29.8. Realisatietermijn
  • 1. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.

  • 2. Met de uitvoering van het project wordt uiterlijk bij aanvang van het school-, leer- of studiejaar 2023–2024 gestart.

Artikel 3.29.9. Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.29.10. Rangschikkingscriteria
  • 1. De Minister kent een aanvraag om subsidie een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. de regionale impact, uitgedrukt in procenten, groter is ten opzichte van de bestaande situatie, blijkend uit:

      • 1°. de kwaliteit van de regiovisie, bedoeld in artikel 3.29.7, tweede lid;

      • 2°. de ambities van de doelstellingen van het project qua bereik voor ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten ten opzichte van de nulmeting;

    • b. de samenwerking en het draagvlak geschikter is om de doelen van het project te kunnen behalen, blijkend uit:

      • 1°. de samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld;

      • 2°. het draagvlak voor het project bij interne en externe stakeholders;

    • c. de kwaliteit van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 3.29.7, vierde lid, groter is, door de inzichtelijkheid van de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van het project, blijkend uit:

      • 1°. het trackrecord van de verduurzaamde PPS;

      • 2°. de wijze waarop de projectorganisatie is vormgegeven;

      • 3°. de realiteitszin van doelstellingen en activiteitenplanning;

      • 4°. dat op het niveau van het project aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie;

    • d. de financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, waarbij uit de begroting, bedoeld in artikel 3.29.7, vijfde lid, blijkt dat het project op een zo kostenefficiënt mogelijke manier wordt uitgevoerd;

    • e. er voldoende aandacht is voor de verduurzaming van de activiteiten, blijkend uit de wijze waarop invulling is gegeven aan artikel 3.29.7, vierde lid, onderdeel d, en zesde lid, onderdeel e.

  • 2. De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. De Minister wijst een aanvraag af als niet elk onderdeel ten minste zes punten toegekend heeft gekregen.

  • 3. De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate in totaal meer punten aan de aanvraag zijn toegekend.

  • 4. De criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage 3.29.1 bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 3.29.11. Adviescommissie
  • 1. Er is een adviescommissie die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het besluit en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.29.10.

  • 2. De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden.

  • 3. Als de commissie uit een even aantal leden bestaat, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem.

  • 4. De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar.

  • 5. De adviescommissie beoordeelt alleen aanvragen die volledig zijn.

Artikel 3.29.12. Faseplan
  • 1. De subsidieontvanger stelt voor elke twee jaar van de looptijd van het plan van aanpak een faseplan op dat een nadere beschrijving bevat van de subsidiabele activiteiten, inclusief het bereik van die activiteiten, die gedurende de desbetreffende jaren worden verricht ter uitvoering van het plan van aanpak, onder vermelding van de desbetreffende kosten.

  • 2. Het faseplan wordt uiterlijk in mei voor de start van het desbetreffende school-, leer- of studiejaar ingediend. Het faseplan voor de eerste twee jaar wordt bij de aanvraag ingediend.

Artikel 3.29.13. Voortgangsrapportage
  • 1. De subsidieontvanger dient op een in de beschikking vastgelegde datum een voortgangsrapportage in.

  • 2. De voortgangsrapportage bevat in ieder geval:

    • a. een overzicht van de mate waarin de activiteiten, bedoeld in artikel 3.29.2, zijn gerealiseerd;

    • b. een overzicht van het bereikte aantal ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten;

    • c. een beschrijving van de mate waarin de activiteiten tot dusver hebben bijgedragen aan het behalen van de doelstellingen van het project, bedoeld in artikel 3.29.10, eerste lid, onderdeel a, en de voortgang daarvan;

    • d. een actualisatie van de wijze waarop de verduurzaamde publiek-private samenwerking wordt voortgezet na afloop van de subsidieperiode.

Artikel 3.29.14. Verplichtingen subsidieontvanger
  • 1. De subsidieontvanger voert met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding, indien de subsidieontvanger naast niet-economische activiteiten ook economische activiteiten verricht.

  • 2. De activiteiten bevoordelen geen individuele ondernemingen.

  • 3. De subsidieontvanger maakt alle resultaten van activiteiten voor een ieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk.

  • 4. De administratie wordt ten minste tien jaar na de datum van de betaling van de Minister aan de subsidieontvanger bewaard.

  • 5. De verduurzaamde PPS is een open netwerk, inhoudende in ieder geval dat geïnteresseerde partijen in de regio zich, onder transparante en redelijke voorwaarden, bij de verduurzaamde PPS kunnen aansluiten.

  • 6. De subsidieontvanger verleent opdrachten aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven.

  • 7. De subsidieontvanger monitort en evalueert op aantoonbare en systematische wijze de effecten en resultaten van de subsidiabele activiteit.

  • 8. De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

Artikel 3.29.15. Aanvraag subsidievaststelling

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:

  • a. een omschrijving van de resultaten van het project;

  • b. een beschrijving op welke wijze de doelstellingen van het project, bedoeld in artikel 3.29.10, eerste lid, onderdeel a, zijn behaald;

  • c. een beschrijving op welke wijze het project heeft bijgedragen aan de doelen op de gebieden, bedoeld in artikel 3.29.2, eerste lid;

  • d. een overzicht van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten;

  • e. een omschrijving van de wijze waarop voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.29.14.

Artikel 3.29.16. Staatssteun

Deze regeling bevat geen staatssteun.

Artikel 3.29.17. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 september 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

B

Na bijlage 3.25.1 wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

BIJLAGE 3.29.1 BEHOREND BIJ ARTIKEL 3.29.10 VAN DE REGELING NATIONALE EZK- EN LNV-SUBSIDIES

Onderwerp 1. Regionale impact (Schaalsprong verbetering aansluiting onderwijs op arbeidsmarkt)

In de regiovisie zijn onderbouwde keuzes gemaakt voor de afbakening van de regio.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de kwaliteit van de regiovisie hoger is, blijkend uit onder andere:

  • a. een heldere onderbouwing van de afbakening van de regio;

  • b. aansluiting van de regiovisie op de analyse van het werkgebied en op andere bestaande regionale en sectorale (arbeidsmarkt)agenda’s;

  • c. de regiovisie is onderbouwd met actuele kwantitatieve en kwalitatieve gegevens (inclusief bronvermelding), en er wordt (waar mogelijk) met het project aangesloten op de analyse van het werkgebied en andere bestaande regionale en sectorale (arbeidsmarkt)agenda’s.

De doelstellingen van het project vloeien voort uit de regiovisie en de nulmeting en de ambities van de doelstellingen van het project qua bereik (ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten) ten opzichte van de bestaande situatie zijn groot.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend indien de doelstellingen van het project (meer) ambitieus zijn qua bereik (ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten) en de verwachtte regionale impact, relatief gezien, groter is ten opzichte van de bestaande situatie. Dit kan blijken uit:

  • a. een heldere beschrijving van de keuzes op welke onderdelen de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt wordt verbeterd, inclusief het opleidingsaanbod;

  • b. de kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van keuzes (met behulp van actuele gegevens inclusief bronvermelding) die voortvloeien uit de regiovisie;

  • c. een heldere beschrijving van de doelstellingen en bijbehorende effecten die het project beoogt. Deze doelen zijn Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden (SMART) geformuleerd. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden in korte termijn (voor de eerste twee jaar) en lange termijn (tot einde van de projectperiode);

  • d. een heldere beschrijving van a) de primaire doelgroep(en) (studenten en andere deelnemers) waar het project zich op richten b) het effect voor deze doelgroep(en), zowel kwantitatief (bv. meer doorstroom, gediplomeerde uitstroom, verkorte studieduur) als kwalitatief (bv. verbeterd vakmanschap, betere loopbaankeuze, talentontwikkeling, 21-century skills, toerusting docenten).

Onderwerp 2. Samenwerking en draagvlak

Er is een gedragen samenwerking tussen de partners in het samenwerkingsverband.

De samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld zijn duidelijk weergegeven (denk aan: welke partners maken wel of niet deel uit van de verduurzaamde PPS en waarom? Wordt er gewerkt met een groeimodel?). Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de samenwerking meer vertrouwen geeft in een succesvolle en verduurzaamde uitvoering van het plan van aanpak, blijkend uit onder andere:

  • a. de samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die daarbij een rol hebben gespeeld (inclusief beschrijving van een al dan niet geheel of gedeeltelijk bestaand samenwerkingsverband, en de keuze voor een groeimodel);

  • b. een beschrijving van belangen en behoeften van de partners en hoe de verduurzaamde PPS in deze behoeften voorziet, zodanig dat de samenwerking voor alle partijen van meerwaarde is;

  • c. de mate waarin meer partners van de verduurzaamde PPS substantieel middelen en menskracht in het project investeren en daarbij randvoorwaarden scheppen voor de uitvoering van het project (tijd, faciliteiten, apparatuur, etc.);

  • d. de wijze waarop de rollen en inbreng van de partners zijn omschreven.

Er is draagvlak voor het plan bij interne en externe stakeholders.

Het draagvlak onder externe stakeholders wordt inzichtelijk gemaakt. Externe stakeholders zijn partners van de aanvrager uit de regio. Het gaat hier bijvoorbeeld om andere mbo-instellingen, scholen in het voorgezet onderwijs, hogescholen, regionale overheden, werkgevers en andere arbeidsorganisaties. Interne stakeholders zijn in ieder geval (vertegenwoordigers van) studenten, docenten en bij de PPS betrokken relevante partijen, zoals arbeidsorganisaties en ondernemingen. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate het draagvlak van het project onder interne en externe stakeholders groter is, blijkend uit:

  • a. een beschrijving van de wijze waarop interne en externe stakeholders bij de planvorming betrokkenen zijn geweest, onderbouwd met bijvoorbeeld documentatie hierover;

  • b. een beschrijving van de urgentie van het project voor de interne en externe stakeholders, waar mogelijk ondersteund met documenten van de betreffende stakeholders;

  • c. een beschrijving van het draagvlak onder interne stakeholders. De aanvraag toont aan in welke mate er draagvlak bestaat voor de aanvraag onder studenten, docenten en andere bij de PPS betrokken relevante partijen en de wijze waarop zij worden betrokken bij de voorbereiding en uitvoering daarvan.

Onderwerp 3. Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

De partners hebben een stevig trackrecord.

De partners hebben een trackrecord van effectieve en verduurzaamde samenwerking en van substantieel bereik van ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de basis substantieel en robuust is.

De organisatie is zodanig ingericht dat een succesvolle uitvoering van het plan van aanpak mogelijk is.

Het plan van aanpak toont aan dat er een deskundige (project)organisatie wordt ingericht voor de uitvoering van het project, inclusief sturing op een efficiënte inzet van middelen, samenwerking, planning, evaluatie en communicatie. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de kwaliteit van de voorgestelde organisatie hoger is, blijkend uit onder andere:

  • a. een heldere beschrijving van de projectorganisatie die de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen het samenwerkingsverband omvat;

  • b. een heldere beschrijving van de inhoudelijke inbreng en deskundigheid van de partners en van eventuele externe partijen;

  • c. een heldere beschrijving van het profiel van de trekker(s) of projectleider(s);

  • d. de doelgroep(en) waarop de doelstellingen van het project zijn gericht een rol hebben binnen de projectorganisatie (bv. een klankbordgroep van studenten of docenten).

De doelstellingen en activiteitenplanning zijn uitvoerbaar en haalbaar binnen de gehele projectperiode.

De uitvoerbaarheid en haalbaarheid van het project zijn inzichtelijk gemaakt in een faseplan (inclusief taakverdeling tussen de partners) voor de eerste twee jaar van de projectperiode en een globale activiteitenplanning voor overige jaren van de projectperiode. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van de het faseplan groter is, blijkend uit onder andere:

  • a. een uitgewerkt en realiseerbaar faseplan voor het eerste jaar van de projectperiode, bestaande uit fasering, mijlpalen, beoogde (tussentijdse) resultaten, plus taakverdeling partners (wie doet wat en wanneer) en een globaal en realiseerbaar faseplan voor de overige jaren van de projectperiode met fasering, mijlpalen en beoogde eindresultaten;

  • b. het faseplan geeft beoogde aanpakken, producten en processen voldoende weer waardoor aansluiting van de activiteiten bij de beoogde doelstellingen inzichtelijk wordt.

De project gerelateerde risico’s en de beheersmaatregelen zijn in kaart gebracht.

Uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan de mogelijke risico’s en bijbehorende beheersmaatregelen. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de risico’s worden beschreven en ondervangen in het plan van aanpak, blijkend uit:

  • a. een heldere beschrijving van de projectgebonden risico’s, waaruit blijkt dat er goed is nagedacht over mogelijke risicofactoren en bedreigingen;

  • b. een beschrijving van mogelijke maatregelen als deze risico’s zich werkelijk voordoen;

  • c. een beschrijving van mogelijke maatregelen als deze risico’s zich werkelijk voordoen.

Er is voldoende aandacht voor evaluatie en bijsturing.

Uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan evaluatie en bijsturing.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan evaluatie en bijsturing, blijkend uit:

  • a. een heldere beschrijving over hoe (methoden en instrumenten) en door wie (inzet externe of interne deskundigheid) de voortgang (realisatie beoogde doelen en effecten) wordt gemonitord en bijgestuurd;

  • b. een heldere beschrijving van de wijze waarop actuele en bruikbare (voortgangs-) gegevens worden verzameld, geanalyseerd en gebruikt voor (tussentijdse) bijsturing;

  • c. evaluatie en bijsturingsmomenten zijn als onderdeel opgenomen in de activiteitenplanning.

Uit het project blijkt dat er aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie (op het niveau van het project).

Uit het plan van aanpak blijkt dat systematische reflectie plaatsvindt met alle organisatiegeledingen op de voortgang in processen, activiteiten en effecten.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie (op het niveau van het project), blijkend uit:

  • a. de verduurzaamde PPS betrekt alle geledingen (management, werknemers, docenten, studenten, bedrijvenpartners) bij de monitoring en reflectie;

  • b. de verduurzaamde PPS faciliteert kennisdeling en kennisontwikkeling tussen de deelnemers van de verschillende partners en met anderen buiten het project;

  • c. monitoring en reflectie vinden op een systematische manier plaats, bijvoorbeeld via professionele leergemeenschappen of met behulp van een practoraat of lectoraat.

Onderwerp 4. Financiering

Er is een realistische begroting van het project, die inzichtelijk en evenwichtig is. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de begroting realistischer is, blijkend uit onder andere:

  • a. een gedetailleerde begroting voor de eerste twee jaar van de projectperiode waarin is weergegeven welke kosten worden gemaakt en door wie;

  • b. de realiteitszin van de kosten voor de verschillende partners;

  • c. de kosten zijn voldoende gespecificeerd, sluiten aan op het activiteitenplan en zijn opgesteld volgens het principe p*q;

  • d. indien de onderwijsinstelling kosten opvoert wordt aangetoond dat het hierbij gaat om additionele, niet regulier bekostigde activiteiten van de onderwijsinstelling.

De doelstellingen worden op een zo kostenefficiënt mogelijke manier bereikt.

Uit de aanvraag blijkt dat de middelen (geld, tijd en mankracht) zo efficiënt mogelijk worden ingezet om maximale resultaten te bereiken. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de doelstellingen van de verduurzaamde PPS zo efficiënt mogelijk worden bereikt, blijkend uit onder andere:

  • a. de inzet van mankracht, geld en apparatuur/machines draagt daadwerkelijk bij aan de realisatie van het beoogde doel;

  • b. de kosten staan in verhouding tot de opbrengsten en resultaten die in het plan van aanpak zijn beschreven;

  • c. de kosten van de projectorganisatie of projectmanagement worden zo laag mogelijk gehouden.

De vereiste cofinanciering is aangetoond.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de cofinanciering beter is geborgd voor de gehele subsidieperiode, blijkend uit onder andere:

  • a. er is duidelijk weergegeven hoe de cofinanciering is opgebouwd en hoe deze verdeeld is over de partners;

  • b. de cofinanciering is realistisch voor de verschillende partners;

  • c. de cofinanciering is voor de gehele subsidieperiode inzichtelijk.

Onderwerp 5. Verduurzaming

Er voldoende aandacht wordt besteed aan de verduurzaming van de activiteiten, zodat de samenwerking na afloop van de subsidieperiode kan worden voortgezet.

Uit het plan van aanpak en de meerjarenbegroting blijkt dat er voldoende aandacht wordt besteed aan toekomstverkenningen zodat de samenwerking na afloop van de subsidieperiode kan worden voortgezet. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate er een heldere beschrijving van concrete activiteiten is waaruit blijkt dat de partners in de projectperiode verduurzamingsmogelijkheden en verdienmodellen gaan verkennen.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking op 20 maart 2023.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 13 maart 2023

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, M.A.M. Adriaansens

TOELICHTING

I. Algemeen

1.1 Aanleiding en doel

Het groei- en concurrentievermogen van Nederland staat onder druk. Transities op het gebied van klimaat, energie, zorg, landbouw en wonen vragen veel van ons menselijke kapitaal. De vakmensen van morgen hebben andere kennis en vaardigheden nodig. En er zijn er méér van nodig. Onderwijs heeft moeite om te kunnen leveren waar de samenleving om vraagt. Publiek-private samenwerkingen in het (beroeps)onderwijs (hierna PPS’en) dragen bij aan het stimuleren van vraagsturing uit het bedrijfsleven en scholing in de techniek door het bundelen van kennis, financiën en organisatiekracht.

Om een verdere impuls te geven aan bestaande succesvolle publiek-private samenwerkingsverbanden in het beroepsonderwijs start het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: EZK) met een opschalingsprogramma van acht jaar inclusief evaluatie en monitoring. Het opschalingsprogramma is ontwikkeld na aanleiding van een Nationaal Groeifonds (NGF) aanvraag ‘Opschaling van publiek private samenwerking in het beroepsonderwijs’. Deze aanvraag is vanuit een breed consortium van onderwijs, bedrijfsleven en overheden vormgegeven en is uiteindelijk onder penvoerderschap van het Ministerie van EZK ingediend. Het doel van het NGF-voorstel is een deel van de kloof te dichten tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt met een specifieke focus op het aansluiten van het mkb.

Op 21 oktober 2022 heeft het kabinet op advies van de Adviescommissie NGF 152,4 miljoen definitief toegekend en 57,6 miljoen voorwaardelijk toegekend. Vanuit dit voorstel is de onderhavige regeling ‘Opschaling van verduurzaamde PPS in het beroepsonderwijs’ opgezet waarmee de beschikbare gelden met behulp van een competitieve prikkel over een periode van zes jaar en twee tranches doelmatig te besteden. Hiertoe wordt een nieuwe titel 3.29 ingevoegd in de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna: RNES), die betrekking heeft op de eerste periode van vier jaar.

PPS’en in het beroepsonderwijs dragen bij aan het stimuleren van vraagsturing uit het bedrijfsleven en scholing in de techniek door het bundelen van kennis, financiën en organisatiekracht. De afgelopen tien jaar zijn ruim 400 PPS’en ontstaan met 12.000 ondernemingen, 8.000 docenten en 124.000 studenten die de aansluiting tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt aantoonbaar verbeteren. Door systeem- en transformatiefalen blijft vaak de benodigde schaalgrootte echter uit en is impact nog te bescheiden. Dat komt mede doordat er vanuit het Rijk vaak wordt geïnvesteerd in de startfase van nieuwe initiatieven, maar investeringen in de opschalingsfase van PPS’en vallen momenteel tussen partijen in. Een eenmalige bijdrage vanuit het Rijk kan deze impasse doorbreken en het effect van PPS’en structureel op een hoger niveau brengen.

Om de beschikbare gelden over te verdelen is een afweging gemaakt tussen een maatwerkbeschikking en een subsidieregeling. Er is gekozen voor een subsidieregeling, waarvan de eerste fase loopt vanaf het school-, leer- of studiejaar 2023–2024 tot en met het school-, leer- of studiejaar 2026–2027. Hierbij is gekozen om de kwaliteit en de competitieve prikkel tussen de verschillende PPS’en te stimuleren. De geselecteerde aanvragers ontvangen in eerste instantie over de eerste vier jaar subsidie. Vervolgens is er voorwaardelijk een subsidie beschikbaar voor twee aanvullende jaren (tweede fase). In het vierde jaar van het opschalingsprogramma zal er een onafhankelijke evaluatie plaatsvinden, naast de jaarlijkse impactmetingen en peer reviews via het kennis- en ontwikkelingsprogramma van Platform Bèta Techniek. De uitkomsten van de evaluatie zijn input voor de Adviescommissie van het NGF voor het advies richting het kabinet over de toekenning van de resterende middelen. Voor de omzetting van de voorwaardelijke toekenning van 57,6 miljoen voor de laatste twee jaar van het opschalingsprogramma moet sprake zijn van een positieve evaluatie over de eerste fase, waaruit blijkt dat de aanpak werkt en de doelen zijn behaald.

Het uitgangspunt is dat de in de tweede fase geselecteerde PPS’en een duurzaam businessmodel ontwikkelen dat hen in staat stelt om het netwerk en de activiteiten na zes jaar duurzaam te kunnen continueren. Het is belangrijk dat de geselecteerde PPS’en gedurende de looptijd laten zien in staat te zijn om inkomsten te genereren om zo tot verdere verduurzaming van de opschaling te komen. Daarom wordt ervoor gekozen om de bijdrage van het groeifonds disproportioneel te verdelen over de zes jaar, waarbij het percentage over de tijd wordt afgebouwd.

Voor de regeling is 58 procent cofinanciering vereist. Van de totale begroting moet 33 procent van de kosten worden gedekt vanuit het bedrijfsleven. De regeling omvat rangschikkingscriteria die door een onafhankelijke adviescommissie worden toegepast.

1.2 Inhoud van de regeling

Het doel van deze regeling is de opschaling van verduurzaamde publiek-private samenwerkingsverbanden in het beroepsonderwijs. Hiermee wil het Rijk een deel van de kloof dichten tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt door het geven van een impuls aan een leven lang ontwikkelen, versterking van ketens en ecosystemen, talentontwikkeling van werknemers, een leven lang leren voor werknemers en werkzoekenden, innovatie van de beroepspraktijk en een contextrijke infrastructuur.

De volgende uitgangspunten waren leidend bij het uitwerken van deze regeling:

  • 1. Het realiseren van klimaatdoelstellingen vereist forse én tijdige investeringen in het energiesysteem waaronder infrastructuur, ondernemingen en woningen. Tegelijk zitten we midden in een digitale transitie waarbij allerlei activiteiten en processen in onze economie en maatschappij veranderen. De roep om versnelling van de klimaat- en digitale transitie vraagt om een actieve rol van het beroepsonderwijs en arbeidsmarkt.

    Gezien deze maatschappelijke urgentie dienen de geselecteerde PPS’en een uitdrukkelijke link te hebben met de klimaat- en energietransitie en digitale transitie. Daarnaast zijn de PPS-en gezien de scope en opdracht multisectoraal (verbinding tussen verschillende sectoren), multidisciplinair (verbinding tussen verschillende disciplines) en multilevel (verbinding tussen onderwijsniveaus, in elk geval mbo én hbo) georiënteerd én georganiseerd.

  • 2. We bouwen voort op eerdere subsidies voor publiek-private samenwerkingsverbanden in het beroepsonderwijs en maken gebruik van de kennis en ervaring met de OCW-regelingen ‘Regionaal Investeringsfonds MBO’ en ‘Flexibel MBO’ en de EZK-regeling ‘MKB-Werkplaatsen.’

  • 3. We investeren in vijf pijlers van het nationale groeifondsvoorstel ‘Opschaling van publiek-private samenwerkingen in het beroepsonderwijs’ namelijk versterking van ketens en ecosystemen, talentontwikkeling van aankomende en huidige werknemers, een leven lang leren voor werknemers en werkzoekenden, innovatie van de beroepspraktijk en contextrijke infrastructuur.

De doelgroep van de regeling bestaat uit succesvolle, verduurzaamde PPS’en, mogelijk aangevuld met nieuwe partners uit het bedrijfsleven, onderwijs, overheden en andere relevante maatschappelijke partijen. Deze partijen werken in de PPS samen om de aansluiting tussen onderwijs en bedrijfsleven (met name mkb) te verbeteren en de innovatiekracht van de beroepspraktijk te versterken.

1.3 Consulatie

Over de afbakening van de subsidiabele activiteiten en subsidiabele kosten in deze regeling is uitvoerig overleg geweest met vertegenwoordigers van publiek-private samenwerkingen in het beroepsonderwijs, koepelorganisaties, brancheorganisaties en provincies. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, en het overleg met de stakeholders, zijn in de regeling subsidiabele activiteiten geselecteerd die evident betrekking hebben op de opschaling van verduurzaamde publiek-private samenwerkingsverbanden.

Uit de overleggen met de publiek-private samenwerkingsverbanden is naar voren gekomen dat er voldoende ruimte moet zijn voor innovatie en creativiteit. De regeling voorziet zoveel mogelijk in ruimte voor de aanvrager, zonder het doel van de regeling uit het oog te verliezen.

1.4 Uitvoering

De subsidieregeling is gebaseerd op de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies. Op basis van artikel 2 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies verstrekt de Minister subsidie. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de regeling namens de Minister uit. Deze regeling wordt door RVO uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.

1.5 Openstelling en budget

Voor de eerste tranche is € 135 miljoen beschikbaar. De subsidiabele periode is vier jaar.

1.6 Staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun. Met de subsidie worden geen economische activiteiten gefinancierd. De onderwijsinstellingen zijn instellingen als bedoeld in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs. Unierechtspraak heeft duidelijk gemaakt dat openbaar onderwijs dat binnen het nationaal onderwijsstelsel wordt gefinancierd door de staat en onder staatstoezicht staat, als een niet-economische activiteit kan worden beschouwd. De activiteiten die de onderwijsinstellingen verrichten worden in het kader van de onderwijstaak gedaan. De PPS is opgericht om studenten te kunnen laten leren en oefenen in de beroepspraktijk, waarbij rekening wordt gehouden met recente ontwikkelingen in de techniek. Voor zover er subsidie verstrekt wordt aan andere partijen binnen de PPS dan de onderwijsinstellingen dan is die subsidie bedoeld voor activiteiten die ondersteunend zijn aan de activiteiten die de onderwijsinstellingen uitvoeren. Om te voorkomen dat op grond van deze titel toch staatssteun wordt verstrekt, zijn bepaalde kosten van ondernemingen als niet subsidiabel opgenomen en is het niet toegestaan om met de subsidie economische activiteiten te financieren.

1.7 Regeldruk

Deze regeling levert administratieve lasten op voor aanvragers van de subsidie. Dit betreft een onderwijsinstelling die verbonden is aan een verduurzaamde publiek-private samenwerking of aan deelnemers van een verduurzaamde publiek-private samenwerking die hun publiek-private samenwerking willen opschalen. Gezien de omvang van de bedragen zijn de administratieve lasten proportioneel.

De regeldruk wordt berekend aan de hand van het standaard uurtarief (€ 80) van deze regeling, dat is getoetst bij de doelgroep en redelijk is bevonden. Met uitzondering van de kosten voor de accountant á € 200 per uur.

Er zijn administratieve lasten te verwachten bij de aanvraag, bij het leveren van voortgangsrapportages, bij het indienen van een actualisatie van het plan en bij de vaststelling van de subsidie met behulp van een externe accountant.

De volgende handelingen voor deelnemende partijen worden gezien:

  • het kennisnemen van de regeling en het stellen van verduidelijkingsvragen aan RVO;

  • het beslaan van interne overleggen ter ontwikkeling van het project;

  • het beslaan van externe overleggen ter ontwikkeling van het project;

  • het invullen een aanleveren van het projectplan via het online format van RVO;

  • het aanleveren van een actualisatie van het projectplan halverwege de projectperiode;

  • het verstrekken van een verantwoordingsrapportage door de aanvrager aan RVO.

Aanvraagfase:

Ontwikkelen van een projectplan 1 maal * 80 dagen *8 uur * 80 = 51.200

Totaal: 20 * 51.200 = 1.024.000

Uitvoeringsfase:

Actualisatie van het projectplan

1 maal * 10 dagen *8 uur * 80 =

6.400

Verantwoordingsrapportages

2 rapportages *5 dagen *8 uur * 80 =

6.400

Accountantscontrole

1 maal *30 uur * 200 =

6.000

Totaal:

€ 18.800 * 15 =

282.000

Totale kosten aanvraagfase en uitvoeringsfase: € 1.024.000 + € 282.000 = € 1.306.000

De regeldrukkosten voor de subsidiemodules bedragen in totaal € 1.306.000 voor de subsidieperiode en gaan gepaard met het indienen van de aanvraag en het verantwoorden van de uitgevoerde activiteiten en de gemaakte en betaalde kosten onder deze subsidiemodules. Dit is 0,97 procent van het totale subsidiebudget van € 135.000.000. De berekening is gebaseerd op de inschatting dat 20 aanvragen worden ingediend.

Deze regeling is voor advies aangeboden aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). ATR beoordeelt alle wet- en regelgeving op nut en noodzaak, minder belastende alternatieven, een werkbare uitvoering van de naleving van de regelgeving door de doelgroepen en het effect van regeldruk voor de beoordeling van met name de effecten van regeldruk die deze nieuwe regelgeving met zich mee zal brengen voor de doelgroepen. ATR heeft deze regeling niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen heeft voor de regeldruk.

II. Artikelen

Artikel I, onderdeel A

Met dit artikel wordt de onderhavige subsidiemodule toegevoegd als titel 3.29.

Artikel 3.29.2 Subsidieverstrekking en voorschot

In dit artikel is de subsidiabele activiteit opgenomen. Bij het versterken van ketens en ecosystemen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het uitbouwen en versterken van het netwerk, vraagarticulatie bij het mkb en kennisdisseminatie in het netwerk (bijvoorbeeld door middel van masterclasses).

Talentontwikkeling is een belangrijke pijler, aangezien het belangrijkste vraagstuk van het mkb meer menselijk kapitaal is. Het gaat daarbij om aankomende werknemers en het vergroten van de vaardigheden en competenties van huidige werknemers. Randvoorwaarden, zoals voldoende techniekdocenten, zijn daarbij relevant. Activiteiten waaraan gedacht kan worden zijn ontwikkelen van nieuwe opleidingen of delen daarvan, extra inzet op de werving van jongeren, aantrekken van meer gastdocenten en hybride docenten en docentprofessionalisering.

Met een impuls voor leven lang ontwikkelen van werkenden en werkzoekenden wordt zowel ingezet op formeel leren als op informeel leren. Activiteiten waaraan gedacht kan worden zijn het ontwikkelen van onderwijs voor werkenden en werkzoekenden.

Innovatie van de beroepspraktijk: in de publiek-private samenwerking staat bij projecten voor ondernemingen het onderwijs centraal (praktijkgerichte ervaringen voor studenten), maar daarnaast draagt het onderwijs indirect ook bij aan de productiviteit van ondernemingen. Activiteiten waaraan gedacht kan worden zijn praktijkgericht onderzoek, de inbedding van de praktijk van het mkb in het onderwijs, het opzetten van learning communities met ondernemingen. Bij een contextrijke infrastructuur kan gedacht worden aan het updaten en inrichten van nieuwe contextrijke praktijkomgeving (en) voor lerenden. Dat kan zowel digitaal als fysiek.

Artikel 3.29.3. Verduurzaamde PPS

Om de doelstelling van deze subsidiemodule te bereiken is van belang dat er sprake is van een solide PPS. Om die reden is in dit artikel en in de bijlage uitgewerkt waar de PPS aan voldoet.

Artikel 3.29.4. Hoogte subsidie en artikel 3.29.5 Uurtarief

Het project bestaat uit kosten die wel voor subsidie in aanmerking komen en kosten die niet voor subsidie in aanmerking komen. Welke kosten wel of niet voor subsidie in aanmerking komen staan in hoofdstuk 4 van het besluit, aangevuld met artikel 3.29.6. De kosten die voor subsidie in aanmerking komen kunnen voor 100 procent gesubsidieerd worden, met dien verstande dat dit niet meer kan zijn dan 42 procent van de totale kosten van het project. Daarnaast geldt voor subsidie een ondergrens van € 4 miljoen en een maximum van € 9 miljoen per aanvraag.

In het derde lid is vastgelegd dat de private partijen uit de verduurzaamde PPS, niet zijnde de onderwijsinstellingen, gezamenlijk 33 procent van de totale kosten van het project financieren. Op de bijdrage van de private partijen uit de PPS zijn artikel 10 en 14 van het besluit en artikel 3.29.5 van overeenkomstige toepassing. Dit betekent onder meer dat in de begroting voor de inbreng van arbeid (in natura) met een tarief van € 80 per uur gerekend wordt.

Artikel 3.29.6. Niet-subsidiabele kosten

In dit artikel zijn aanvullend op hoofdstuk 4 van het besluit niet-subsidiabele kosten opgenomen. Deze beperkingen zijn opgenomen om te voorkomen dat de door de Minister verstrekte subsidie aangewend wordt voor activiteiten die op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gefinancierd worden. Ook is het niet de bedoeling dat de subsidie leidt tot een kwantificeerbaar voordeel voor individuele ondernemers. Daarom mag de subsidie niet aangewend worden voor economische activiteiten of voor de vergoeding van kosten voor een onderneming die samenhangen met opleidingen voor personeel of stageplaatsen.

Artikel 3.29.7. Informatieverplichting

Dit artikel bevat een overzicht van de gegevens die bij de aanvraag om subsidie ingediend worden. Naast de gegevens over de aanvrager, zijn dit documenten die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen. De regiovisie geeft inzicht in de vraag van de regio op welk vlak de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt verbeterd kan worden. De nulmeting wordt gevraagd om inzicht te krijgen in hoe de situatie is voorafgaand aan de uitvoering van het project, zodat achteraf inzichtelijk is wat het project heeft opgeleverd. Uit de begroting blijkt dat het project financieel uitvoerbaar is. De begroting bevat een overzicht van de kosten en een aannemelijke dekking van ten minste 58 procent van de totale projectkosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt. Ook blijkt uit de begroting dat ten minste 33 procent van de totale kosten van het project door de private partijen uit de verduurzaamde PPS wordt ingebracht. Bij het opstellen van de begroting houdt de aanvrager rekening met artikel 3.29.4, derde lid, en artikel 3.29.5.

In dit artikel is tevens vastgelegd welke eisen aan de samenwerkingsovereenkomst worden gesteld. Het zesde lid, onderdeel h, is opgenomen zodat de subsidieontvanger kan voldoen aan alle rapportageverplichtingen en informatieverplichtingen die hem bij de subsidiebeschikking worden opgelegd. Aangezien het budget voor de regeling afkomstig is uit het Nationaal Groei Fonds, wordt er ten behoeve van dat Fonds monitoring uitgevoerd. Het Platform Bèta Techniek monitort onder de naam ‘Katapult’ de uitvoering van de projecten waarvoor op basis van deze regeling subsidie wordt verstrekt.

Om een adhesiebetuiging van de provincies wordt gevraagd omdat zij inzicht hebben in de onderwijs- en arbeidsmarkt in hun provincie. Zij geven door de adhesiebetuiging aan het project van meerwaarde te vinden.

Artikel 3.29.8. Realisatietermijn

In artikel 23, onderdeel b, van het besluit is opgenomen dat de subsidie wordt afgewezen als het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn kunnen worden voltooid. In dit geval is de termijn voor het uitvoeren van de activiteiten gesteld op vier jaar.

Artikel 3.29.9. Verdeling subsidieplafond

Dit artikel bepaalt op welke wijze de Minister het subsidieplafond verdeelt. Dat gebeurt op volgorde van rangschikking van de aanvragen. Projecten worden gerangschikt op basis van het toegekende aantal punten. De criteria, op basis waarvan wordt bepaald hoeveel punten worden toegekend aan projecten, staan in artikel 3.29.10.

Artikel 3.29.10 Rangschikkingscriteria en 3.29.11 Adviescommissie

Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen. Op deze wijze worden projecten hoger gerangschikt naarmate zij meer punten toegekend krijgen. Hoe hoger een project wordt gerangschikt, hoe eerder het voor subsidie in aanmerking komt. Alleen aan de projecten die na de rangschikking binnen het subsidieplafond passen, wordt subsidie verleend. Op het moment dat het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van de subsidieaanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt vastgesteld door middel van loting (artikel 28, tweede lid, van het besluit). De criteria zijn uitgewerkt in de bijlage, die bij deze titel hoort. Een adviescommissie beoordeelt de aanvragen.

Artikel 3.29.12. Faseplan

De aanvrager dient bij de aanvraag een plan van aanpak in hoe het project wordt uitgevoerd (artikel 3.29.7, vierde lid). De verwachting is dat dat plan van aanpak, met name voor de tweede helft van de projectperiode weinig concreet zal zijn. Om die reden is voorgeschreven dat de aanvrager voor elke twee jaar een faseplan opstelt, dat een nadere uitwerking is van het plan van aanpak voor die periode.

Artikel 3.29.13. Voortgangsrapportage

De aanvrager dient gedurende de looptijd van het project een voortgangsrapportage in. In de voortgangsrapportage geeft de aanvrager niet alleen aan hoe de voortgang van het project verloopt, maar ook welk bereik de verrichte activiteiten op de doelgroep van die activiteiten (bestaande uit studenten, docenten, beroepsonderwijs of werknemers) heeft gehad.

Artikel 3.29.14. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieverplichtingen die in dit artikel vermeld staan, hebben grotendeels als doel te voorkomen dat er bij de subsidieverlening door de Minister sprake is van (doorvloei van) staatssteun. Ten eerste geldt de verplichting dat de subsidieontvangers, indien zij tevens economische activiteiten verrichten, ten aanzien van deze activiteiten een gescheiden boekhouding voeren (eerste lid). Ook zijn er verplichtingen opgenomen ten aanzien van de inhuur van derden, zoals dat opdrachtverlening aan een derde voor de uitvoering van (een deel) van de subsidiabele activiteiten plaats moet vinden op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven (zesde lid). Ook voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten moeten voor een ieder zonder onderscheid toegankelijk zijn (derde lid).

Het is belangrijk dat de verduurzaamde PPS een open netwerk is, waar iedere geïnteresseerde partij zich bij moet kunnen aansluiten. Dit betekent dat geïnteresseerde regionale partijen zich, onder transparante en redelijke voorwaarden, als partner moeten kunnen aansluiten bij het samenwerkingsverband (vijfde lid).

Het is van belang dat de subsidieontvangers aantoonbaar en op een systematische manier de effecten en de resultaten van de activiteiten monitoren en daarop evalueren. Dit is dan ook als verplichting opgenomen (achtste lid). De subsidieontvangers moeten op grond van artikel 41 van het besluit ook meewerken aan een evaluatie van de Minister over de doeltreffendheid en de effecten van de op basis van deze subsidiemodule verleende subsidies. Daarbij is het van belang dat de subsidieontvangers de gegevens uit de – op grond van het achtste lid – door henzelf uitgevoerde monitoring en evaluatie op een eenduidige wijze aanleveren bij de Minister. Daartoe zal de Minister te zijner tijd een format beschikbaar stellen, dat subsidieontvangers moeten gebruiken om de gevraagde gegevens aan te leveren. Zo kan de opgedane kennis en ervaring op een eenvoudige en eenduidige wijze worden gedeeld met soortgelijke initiatieven.

Een samenwerkingsverband moet met subsidiemiddelen ontwikkelde onderwijsprogramma’s en producten (al dan niet door derden) openbaar publiceren, vindbaar en toepasbaar maken. Op deze manier kunnen producten die met een subsidie zijn ontwikkeld, zoals leermaterialen, examens, online content platforms, ook door anderen gebruikt worden. Dit draagt bij aan de brede kennisdeling over opleidingstrajecten voor werknemers en werkzoekenden die deze regeling (mede) als doel heeft. Naast het delen van de programma’s en producten zal het samenwerkingsverband actief mee te werken aan de kennisdeling door op landelijke of regionale bijeenkomsten de onderwijs gerelateerde uitkomsten van het project toe te lichten. Deze medewerking richt zich dus niet alleen op de bekostigde instellingen, maar ook op de niet-bekostigde instellingen die deelnemen aan het samenwerkingsverband.

Artikel 3.29.15. Aanvraag subsidievaststelling

In artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit is vastgelegd dat de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een eindverslag indient. In dit artikel is de inhoud van het eindverslag uitgewerkt.

Artikel 3.29.16. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in deze titel, bevat geen staatsteun, zoals reeds toegelicht in paragraaf 1.6 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 3.29.17. Vervaltermijn

Gelet op artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016, is in de regeling vastgelegd wanneer deze vervalt. Deze subsidiemodule vervalt met ingang van 1 september 2027.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking op 20 maart 2023. Hiermee, en met publicatie minder dan twee maanden voor de inwerkingtreding, wordt afgeweken van het beleid inzake vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Dit is gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, M.A.M. Adriaansens

Naar boven