28 286 Dierenwelzijn

Nr. 989 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 september 2018

In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 juli 2018 is gesproken over het organiseren van een algemeen overleg Paarden. Met het oog daarop verzoekt u mij om een stand van zakenbrief paarden te sturen, waarin wordt ingegaan op de onderstaande punten.

1) De laatste ontwikkelingen inzake duurzame stalsystemen voor paarden

Duurzaamheid in stalsystemen is de afgelopen jaren een steeds belangrijker onderwerp geworden, ook in de paardenhouderij. Zo moeten de houderijsystemen duurzaam zijn voor mens, dier en milieu. Ze moeten betaalbaar (investerings- en exploitatiekosten), werkbaar en veilig zijn en het milieu mag er niet teveel onder lijden. Daarnaast past een duurzaam systeem in het landschap en wordt het geaccepteerd door de samenleving (landschappelijke en maatschappelijke inpassing). Het is vooral de sector die aan zet is bij een verdere duurzame ontwikkeling van de houderijsystemen. Voorbeelden van duurzame initiatieven zijn: LTO Duurzame paardenhouderij en de publicatie van de brochure Out of the Box.

Verder komt in Nederland steeds meer vraag naar kuddesystemen, waarin paarden gehuisvest kunnen worden. Een kuddesysteem is een huisvestingsysteem waarbij een groep paarden bij elkaar gehuisvest wordt. Deze huisvesting situeert een omheinde grotere oppervlakte, waarin verschillende functies van huisvesting collectief aan de paarden gepresenteerd worden. Deze concepten dragen namen als Paddock Paradise en Hit-Actiefstallen. De systemen dragen bij aan het welbevinden van het paard, doordat het paard gehouden wordt in een kudde waarbij de natuurlijke behoefte aan sociaal contact met soortgenoten vergroot wordt. Momenteel telt Nederland zo’n 25 locaties variërend met een capaciteit van 10 tot 50 paarden.

2) De stand van zaken van de ontwikkelingen in de paardensector in het algemeen

Nederland is een land met een hoge paardendichtheid. Nederland kent veel mensen die op vele manieren bezig zijn met deze dieren. Zo worden paarden door particulieren gehouden soms op grond van emoties die gelijk zijn aan die voor de bekende gezelschapsdieren. Paarden worden ook bedrijfsmatig gehouden. In de sector zijn professionele houderijen en bedrijven actief. De grootste groep bestaat uit burgers die enkele uren per week met een paard in contact komen. Er zijn dan ook vele ontwikkelingen. Ik wil me beperken tot een aantal belangrijke gebieden.

a) Paardengezondheid

Paardenhouders zijn en voelen zich verantwoordelijk voor de gezondheid van hun paarden. De eigenaar wordt bij het nemen van beslissingen die de gezondheid betreffen, ondersteund door paardendierenartsen, paardensport-, fokkerij- en ondernemersorganisaties en de overheid die maatregelen kan nemen op wettelijke gronden.

Globalisering, het relatief hoge aantal wisselingen in het paardenbestand en toenemend transport van (sport)paarden over de hele wereld maken de paardensector kwetsbaar voor insleep van nieuwe ziekten en verspreiding van besmettelijke ziekten. Deze ziekten kunnen het welzijn, de gezondheid en de export van paarden ernstig belemmeren.

In december 2013 is de Sectorraad paarden (SRP) een samenwerking met het toenmalige Ministerie van Economische Zaken aangegaan op het gebied van paardengezondheid (het project «Samen werken aan paardengezondheid 2013 – 2016»). Deze samenwerking hield onder meer in:

  • opzetten van een monitor voor een aantal infectieuze ziekten;

  • opzetten van een helpdesk voor dierenartsen;

opzetten van een landelijk gezondheidsoverleg.

De monitoring is afgelopen jaren uitgevoerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) in opdracht van de SRP. De belangrijkste uitkomsten van de monitoring worden besproken in het gezondheidsoverleg. Zo zijn onder meer de zoönoserapporten besproken en is de casus van het paard dat vorig jaar zomer besmet was met Infectieuze Anemie uitgebreid geëvalueerd.

De helpdesk voor en door dierenartsen is sinds juli 2014 actief. Dierenartsen kunnen de Helpdesk gebruiken als vraagbaak. De GD geeft in opdracht van de SRP uitvoering aan de helpdesk in nauwe samenwerking met de Groep Geneeskunde Paard (GGP), de Faculteit diergeneeskunde (FD) van de Universiteit Utrecht en Wageningen Bioveterinair Research (WBVR).

In november 2014 is gestart met het gezondheidsoverleg paard. Dit overleg was een nieuw initiatief, waarbij deskundigen op het gebied van paardengezondheid bij elkaar komen om te overleggen over mogelijke bedreigingen voor de sector. Het doel is het uitwisselen van informatie en kennis delen. Als vanuit een bepaalde regio meerdere signalen worden ontvangen over paarden met een onduidelijke aandoening kan worden geconcludeerd dat er iets aan de hand is en dan kan daar door deskundigen snel onderzoek naar worden gedaan.

Eind 2016 is geconcludeerd dat het project «Samen werken aan paardengezondheid 2013 – 2016» een toegevoegde waarde heeft gehad voor zowel het toenmalige Ministerie van Economische Zaken als de SRP. Gezien het beperkte budget is er voor gekozen om een vervolgprojectplan te maken op basis van twee onderdelen:

  • voortzetten van de Helpdesk voor en door paardendierenartsen;

  • voortzetten van het gezondheidsoverleg.

Het grotere monitoringsprogramma is komen te vervallen, omdat de verwachting was dat de kosten die het programma met zich zou brengen niet in verhouding zouden staan met de waarde van de gegevens die de monitoring zou opleveren. De helpdesk paard en het gezondheidsoverleg worden door mij zowel financieel als beleidsmatig ondersteund.

b) Paardenwelzijn

Het welzijn van paarden is de afgelopen jaren meer en meer de agenda van de sector gaan domineren. De SRP heeft hiervoor de Gids Goede Praktijken ontwikkeld. Als logisch vervolg op de 12 richtlijnen voor paardenwelzijn en de Gids voor Goede Praktijken is er een Paardenwelzijnscheck (website) ontwikkeld. De Paardenwelzijnscheck is een initiatief van de samenwerkende partijen in de SRP. De informatie in de Paardenwelzijnscheck is tot stand gekomen in samenwerking met de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. De website is ontwikkeld om de kennis over paardenwelzijn bij alle paardenhouders in Nederland verder te vergroten. Door middel van het beantwoorden van de vragen wordt inzicht verkregen in de relevante parameters voor de beoordeling van het welzijn van het paard. Aan de hand van de Paardenwelzijnscheck wordt een inschatting gemaakt van het welzijnsniveau van een paard. Het doel van deze check is het bewustzijn omtrent paardenwelzijn te vergroten bij paardenhouders en hen te wijzen op verbeterpunten op dit vlak.

Het bestuur van de SRP heeft in 2017 besloten om het Keurmerk Paard en Welzijn (KPW) over te nemen en verder uit te rollen. Dit keurmerk was reeds uitontwikkeld en werd gebruikt door enkele paardenhouders en onderkend door de verschillende stakeholders. De bereidheid tot samenwerken en het keurmerk verder te brengen (zodat het meer gebruikt gaat worden), komt mede voort uit de gezamenlijke behoefte om het bewustzijn omtrent paardenwelzijn bij paardenhouders te vergroten en hen te wijzen op verbeterpunten op dit vlak en hierdoor paardenwelzijn in de sector op een hoger niveau te brengen.

c) Problemen met paardenpaspoorten en vleesfraude

In het verleden zijn er regelmatig onvolkomenheden geconstateerd met paardenpaspoorten. Soms werd het paspoort zo gemanipuleerd dat een paard dat ongeschikt was voor menselijke consumptie weer geschikt gemaakt werd. Regelmatig werden en worden daartoe strafrechtelijke onderzoeken gestart (onder andere door de NVWA IOD) en personen vervolgd. Sinds 1 januari 2016 is een gewijzigde Europese Verordening van kracht, die nadere eisen stelt aan het paspoort, waardoor in combinatie met een centrale I&R-database, fraude wordt bemoeilijkt.

In Nederland mogen paarden alleen gehouden en vervoerd worden, als voor die paarden een geldig paspoort met bijbehorende transponder (chip) is afgegeven. Uit het hoofdstuk met veterinaire behandelingen in het paardenpaspoort, van een voor de slacht bestemd paard, dient te blijken dat het paard geschikt is voor humane consumptie. Een paard wordt uitgesloten voor slacht voor humane consumptie als het behandeld is met bepaalde diergeneesmiddelen. Bij een behandeling met een dergelijk middel, dient de dierenarts dan wel de houder/eigenaar in het paspoort de ongeschiktheid voor slacht voor humane consumptie aan te tekenen.

Een paspoort wordt aangevraagd bij de instantie van uitgifte binnen zes maanden na de geboorte van het paard. Indien de verstrekking later dan zes maanden na de geboorte plaatsvindt, vindt uitsluiting voor slacht voor humane consumptie automatisch plaats. Tussen 1 juli 2009 en 1 januari 2010 konden voor paarden met oude paspoorten zonder medicijnverklaring of voor oude paarden die geen paspoort hadden volledig nieuwe paspoorten gemaakt worden, zonder dat zij uitgesloten werden voor de slacht. Bij paspoorten uitgegeven vanaf 1 januari 2010 zit het veterinair hoofdstuk vast in het paspoort, bij paspoorten afgegeven voor die tijd kan het veterinaire hoofdstuk los bij het paspoort bijgevoegd zijn door de paspoort uitgevende instantie.

d) Gevreesd risico van insleep van zoönosen via import paarden derde landen

In Nederland is op grote schaal intensief contact tussen mensen en paarden. Uit eerder onderzoek was bekend dat een aantal zoönosen mogelijk kan voorkomen in de paardenpopulatie. Zoönosen zijn infectieuze ziekten die van dier (i.c. het paard) op de mens kunnen overgaan. Met het oog op deze onbekendheid is aan de GD en het toenmalige Centraal Veterinair Instituut gevraagd om onderzoek te verrichten naar risico’s voor de mens van besmettelijke ziekten bij het paard. Dat heeft geresulteerd in tweetal rapporten. Deze zijn aan uw Kamer aangeboden op 27 januari 2015 (Kamerstuk 28 286, nr. 780). De vraag kwam mede voort uit intensivering van het beleid rondom de gezondheidszorg voor paarden dat enkele jaren geleden is ingezet.

Uit de risicobeoordeling blijkt dat de meeste ziekteverwekkers een laag risico vormen voor overdracht via paarden. Wel wordt geconcludeerd dat regelmatige consumptie van vers (onvoldoende verhit) paardenvlees een risico vormt, net zoals dit bij vlees afkomstig van andere diersoorten het geval is. Er is een aantal ziekteverwekkers geïdentificeerd, waarbij het risico niet goed kon worden ingeschat omdat nog onvoldoende kennis aanwezig is om het risico te bepalen. Een aanbeveling uit de rapporten is dan ook om nader onderzoek uit te voeren om bestaande kennislacunes te vullen.

Andere aanbevelingen zijn dat personen met een verlaagde immuunstatus enige voorzichtigheid in acht dienen te nemen bij omgang met paarden en wordt aangeraden de handen goed te wassen na contact met paarden en contact met zieke paarden te vermijden. De rapporten zijn ook gedeeld met het RIVM en daar is het advies gegeven om vooral nader onderzoek te verrichten naar het risico van Cryptosporidium. Dat is een ziekteverwekker die diarree kan veroorzaken. Dit advies is door het Ministerie van VWS opgepakt en er wordt nader onderzoek gedaan. Dat onderzoek zal enkele jaren duren.

e) Diergezondheidsverordening

Op 19 april 2016 is de Diergezondheidsverordening (AHR) door de Europese Commissie gepubliceerd. Middels gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen wordt het geheel van de huidige Europese regelgeving aangaande diergezondheid daarin opgenomen en waar nodig aangepast. In april 2021 zal het geheel in werking treden. Voor de paardensector gaat er naar verwachting nogal wat veranderen. Zo moeten alle inrichtingen waar paarden (ook slechts één paard) worden gehouden, worden opgenomen in een centrale door de overheid beheerde database. In die centrale database moeten ook gegevens (zoals chip- en paspoortnummer) worden opgenomen van de paarden die gewoonlijk op die inrichting worden gehouden. Dit wordt door de Europese Commissie noodzakelijk geacht om een betere tracking en tracing uit te kunnen voeren bij bepaalde aangewezen paardenziekten. Op dit ogenblik vinden er binnen expertgroepen van de Commissie beraadslagingen plaats hoe de verschillende gedelegeerde en uitvoeringshandelingen het beste kunnen worden ingevuld.

3) Het couperen van staarten

Het couperen van de staarten van bepaalde raspaarden blijkt in de praktijk een hardnekkige gewoonte. Ik heb daarom onlangs besloten mijn beleid op dit terrein te verscherpen. Reeds in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren was een verbod opgenomen op het tentoonstellen van dieren die een verboden ingreep hebben ondergaan. Dit verbod heeft ook een plaats gekregen in artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren. Het verbod is ontstaan ter ondersteuning van het verbod op deze ingrepen zelf, dat zeer lastig te handhaven is. Er zal immers zelden sprake zijn van een heterdaad. Alhoewel het verbod al jaren bestaat, is nog geen sprake van een gewenste verandering in gedrag. Nog steeds worden paarden gecoupeerd, op tentoonstellingen getoond en worden er prijzen mee gewonnen. Om deze gedragsverandering te bevorderen is besloten om de deelname aan tentoonstellingen en wedstrijden met dieren die een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ingreep hebben ondergaan te verbieden, ongeacht of de ingreep een medische oorzaak heeft. Een dier dat deze ingrepen heeft ondergaan mag nog steeds gehouden worden, maar kan ingevolge dit voorstel niet langer tentoongesteld worden en geen prijs meer winnen. Hierdoor zal dit voorstel naar verwachting bijdragen aan de beoogde en gewenste gedragsverandering. Het wetgevingstraject om dat te realiseren wordt binnenkort gestart. In mijn beleidsbrief dierenwelzijn zal ik u nader informeren over dit wetsvoorstel.

4) Misstanden op paardenmarkten en de handhaving daarop

In maart 2016 heeft mijn voorganger de Raad voor dierenaangelegenheden (RDA) een tweetal verzoeken gedaan aangaande het welzijn van paarden op paardenmarkten. Het eerste verzoek is beantwoord met de Zienswijze Paardenmarkten in «Nederland, Man en paard noemen», die op 17 maart 2017 aan uw Kamer is verzonden (Kamerstuk 28 286, nr. 905).

In de bijlage treft u een brief van de (RDA) aan, waarin zij aangeeft wat er is gedaan met het tweede verzoek1. Zij is in overleg getreden met betrokken gemeenten om na te gaan op welke wijze de Zienswijze wordt gebruikt. Zoals de RDA schrijft heeft deze impact gehad. Drie grote paardenmarkten hebben een deel van de adviezen geïmplementeerd. Daarnaast heeft de Sectorraad paarden aan alle betrokken gemeenten een brief gestuurd met de oproep alleen een vergunning te verstrekken aan markten die aan de Zienswijze van de RDA voldoen (zie bijlage)2. De RDA constateert echter ook een aantal punten dat nog verbetering behoeft en waar meer duidelijkheid nodig is. Zo moet er duidelijkheid komen over een aantal juridische zaken zoals het stellen van eisen aan dierenwelzijn door een gemeente op een paardenmarkt en de toepasselijkheid van de Wet dieren. Mijn ministerie zal daartoe in overleg treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om een en ander uit te zoeken. Ook zal met de VNG en de NVWA bekeken worden of er via scholing extra aandacht voor lokaal deskundig toezicht en handhaving kan komen.

5) Paardentransporten naar het buitenland (o.a. naar Polen)

Paarden die vanuit Nederland in het intra-verkeer (o.a. naar Polen) worden gebracht moeten een exportkeuring ondergaan. De exportkeuring moet aangevraagd worden bij de NVWA via de website van de NVWA. Vervolgens doet de NVWA-dierenarts een klinische controle en controleert de identiteit (chip) en het paspoort van het paard binnen 48 uur voor vertrek. Als alles in orde is en het geplande vervoer aan de transportverordening voldoet, wordt een Tracescertificaat opgemaakt. Dit alles conform de Regeling handel levende dieren en levende producten en de achterliggende EU-regelgeving voor paarden. In detail is de exportprocedure terug te vinden in de exportinstructie voor paarden die op de NVWA-website staat, zie link:

https://www.nvwa.nl/onderwerpen/export-dieren-dierlijke-producten/documenten/export/veterinair/ks-documenten/eisen-eu-landen/prdiu-001-paarden. Deze procedure is ook van toepassing ingeval van export van paarden naar Polen. Navraag bij de NVWA en bij de sector laat geen bijzonderheden zien.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Naar boven