Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer, ieder voor zover bevoegd,

 

Gelet op hoofdstuk IV van de Wet gemeenschappelijke regelingen,

 

Overwegende dat de gemeenschappelijke regeling is geactualiseerd in verband met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022,

 

BESLUITEN:

 

De Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden als volgt gewijzigd vast te stellen:

 

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1. Algemene bepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de omgevingsdienst;

  • b.

    college: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer;

  • c.

    dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst;

  • d.

    deelnemers: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende colleges van burgemeester wethouders en gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland;

  • e.

    gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland;

  • f.

    gemeenten: de rechtspersonen waartoe de colleges van burgemeester en wethouders behoren;

  • g.

    omgevingsdienst: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Omgevingsdienst Haaglanden als bedoeld in artikel 3 van de regeling;

  • h.

    provinciale staten: de provinciale staten van Zuid-Holland;

  • i.

    raden: de raden van de gemeenten;

  • j.

    regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden;

  • k.

    wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Hoofdstuk 2: Omgevingsdienst Haaglanden

Artikel 2. Doelstelling

Deze regeling heeft ten doel het ondersteunen van de deelnemers bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht en andere opgedragen taken.

Artikel 3. Instelling

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Haaglanden, gevestigd in Den Haag.

  • 2.

    Het openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid.

Artikel 4. Taken

  • 1.

    De omgevingsdienst verricht adviserende, ondersteunende en voorbereidende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving, één en ander afhankelijk van de per deelnemer af te nemen taken, en de uitvoering van programma’s en projecten voor de deelnemers, waaronder begrepen het voor de gemeenten ontwikkelen en handhaven van een gemeenschappelijk beleid, het aan gedeputeerde staten leveren van technische inbreng, zoals in milieueffectrapporten c.q. door gedeputeerde staten vast te stellen richtlijnen ten behoeve van milieueffectrapportages, het uitvoeren van onderzoek en metingen en het leveren van een bijdrage aan beleidsontwikkeling.

  • 2.

    De omgevingsdienst verricht werkzaamheden voor de deelnemers, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van het door de deelnemers vastgestelde beleid op het gebied van:

    • a.

      de Omgevingswet en de op die wet gebaseerde regels;

    • b.

      de Wet milieubeheer;

    • c.

      de Natuurschoonwet 1928;

    • d.

      de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

    • e.

      de Wet explosieven voor civiel gebruik;

    • f.

      het Vuurwerkbesluit;

    • g.

      het Asbestverwijderingsbesluit;

    • h.

      het Besluit geluidsproductie sportmotoren;

    • i.

      de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;

    • j.

      de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Waterwet, de Woningwet, voor zover deze (op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet) van toepassing blijven;

    • k.

      de handhavings- en toezichtstaken bij of krachtens de onder a tot en met j genoemde wetten; alsmede

    • l.

      milieu-, handhavings- en toezichtstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd in onder a tot en met i.

  • 3.

    De omgevingsdienst verricht werkzaamheden ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering zoals:

    • a.

      het opstellen en vaststellen van een bedrijfsplan en beleidsplannen van de omgevingsdienst;

    • b.

      het jaarlijks vaststellen van een jaarverslag.

  • 4.

    Voor zover bij de mandaatverlening niet anders is bepaald kan ten aanzien van de aan de omgevingsdienst in mandaat toekomende taken en bevoegdheden ondermandaat worden verleend.

  • 5.

    Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen ter bescherming van het milieu, de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze regeling strekten, dan welindien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door hun wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die in de genoemde artikelleden aan de omgevingsdienst zijn opgedragen.

  • 6.

    De omgevingsdienst kan op verzoek van derden, niet-deelnemers aan deze regeling, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden verrichten op het gebied van de zorg voor het milieu.

  • 7.

    Op een verzoek zoals bedoeld in het zesde lid, beslist het dagelijks bestuur in incidentele gevallen en het algemeen bestuur in de overige gevallen.

Hoofdstuk 3: Inrichting en samenstelling van het bestuur

Artikel 5. Het bestuur

Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit:

  • a.

    het algemeen bestuur;

  • b.

    het dagelijks bestuur;

  • c.

    de voorzitter.

Paragraaf 1 Algemeen bestuur

Artikel 6. Samenstelling algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat, de voorzitter inbegrepen, uit dertien leden.

  • 2.

    Gedeputeerde staten wijzen uit hun midden twee leden van het algemeen bestuur aan.

  • 3.

    Het college van de gemeente Den Haag wijst uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur aan. Het college van de gemeente Westland wijst uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur aan.

  • 4.

    De overige colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het algemeen bestuur aan.

  • 5.

    De colleges en gedeputeerde staten kunnen voor de door hen aangewezen leden van het algemeen bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen aangewezen leden bij ontstentenis of verhindering vervangen. Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het algemeen bestuur is op de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.

  • 6.

    De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur, zoals bedoeld in het tweede, derde en vierde lid geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor het betreffende college of gedeputeerde staten worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering van het betreffende college of gedeputeerde staten in nieuwe samenstelling.

  • 7.

    De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuw aangewezen leden van het algemeen bestuur in functie treden.

  • 8.

    Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid te zijn van het college of gedeputeerde staten dat hem heeft aangewezen, dan houdt hij tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Het college of gedeputeerde staten dat hem heeft aangewezen, voorziet zo spoedig mogelijk in opvulling van de vacature.

  • 9.

    De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen.

  • 10.

    Bij tussentijds ontslag voorziet het betreffende college of gedeputeerde staten zo spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid van het algemeen bestuur.

  • 11.

    Leden van het algemeen bestuur, die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien.

  • 12.

    De colleges en gedeputeerde staten kunnen een door hen aangewezen lid in het algemeen bestuur ontslaan bij gebrek aan vertrouwen. Het college of gedeputeerde staten dat het lid heeft benoemd, voorziet zo spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid.

Artikel 7. Stemverdeling

  • 1.

    Het aantal stemmen per deelnemer en per lid is als volgt:

    • a.

      Provincie Zuid-Holland: 29;

    • b.

      Gemeente Den Haag: 27;

    • c.

      Gemeente Delft: 16;

    • d.

      Gemeente Zoetermeer: 16;

    • e.

      Gemeente Westland: 14;

    • f.

      Gemeente Pijnacker-Nootdorp: 8;

    • g.

      Gemeente Rijswijk: 8;

    • h.

      Gemeente Leidschendam-Voorburg: 4;

    • i.

      Gemeente Midden-Delfland: 4;

    • j.

      Gemeente Wassenaar: 4.

  • 2.

    De stemverhouding wordt eens in de vier jaar geëvalueerd of op een eerder moment indien de financiële bijdragen van de deelnemers en de begroting behorende bij het moment dat de geldende stemverdeling werd vastgesteld, substantieel ten opzichte van elkaar wijzigen. Het algemeen bestuur doet in dat geval voorstellen aan de deelnemers om met toepassing van artikel 32 de stemverhouding als gegeven in het eerste lid te wijzigen.

  • 3.

    Een stemming is alleen geldig als meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft, en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

  • 4.

    Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte stemmen, die tot stand wordt gebracht door minimaal drie deelnemers.

  • 5.

    Een lid neemt niet deel aan de stemming over:

    • a.

      een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

    • b.

      de vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welk bestuur hij behoort;

    • c.

      een benoeming die hem zelf aangaat, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door voordracht of stemming is beperkt.

Artikel 8. Incompatibiliteiten

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de hoedanigheid van ambtenaar bij één van de gemeenten, de provincie Zuid-Holland dan wel bij de omgevingsdienst.

  • 2.

    Met een ambtenaar worden voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel gelijkgesteld zij die op basis van een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst werkzaamheden of diensten verrichten voor één van de gemeenten, de provincie Zuid-Holland dan wel de omgevingsdienst.

Artikel 9. Vergaderingen algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert ten minste twee maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, dan wel ten minste een vijfde van het aantal leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoekt.

  • 3.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. Indien de voorzitter dan wel een vijfde gedeelte van de aanwezige leden het nodig oordeelt, dient het algemeen bestuur te besluiten of zal worden vergaderd met gesloten deuren.

Artikel 10. Bevoegdheden algemeen bestuur

  • 1.

    Alle bevoegdheden in het kader van de regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 57a van de wet en naast de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde, is het algemeen bestuur in ieder geval bevoegd tot het besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappijen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit bijdraagt aan de behartiging van het doel als genoemd in artikel 2 dan wel aan de uitvoering van de taken als genoemd in artikel 4.

  • 3.

    Ingezetenen van de deelnemers en andere belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de deelnemers worden betrokken bij besluiten van het algemeen bestuur.

  • 4.

    In aanvulling op lid 3 kan het algemeen bestuur ertoe besluiten om ingezetenen van de deelnemers of andere belanghebbenden te betrekken bij de besluiten die het neemt, en de manier waarop dat gebeurt.

 

Paragraaf 2 Dagelijks bestuur

Artikel 11. Samenstelling dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat, de voorzitter inbegrepen, uit een oneven aantal en maximaal vijf leden welke door en uit het algemeen bestuur worden aangewezen.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur bestaat in ieder geval uit één lid van de provincie, één lid van de gemeente Den Haag en één lid van de gemeente Westland.

  • 3.

    De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling.

  • 4.

    De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop zij ophouden lid van het algemeen bestuur te zijn.

  • 5.

    De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen.

  • 6.

    Het ontslag in het vijfde lid gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.

  • 7.

    Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur, de voorzitter inbegrepen, ontslag verlenen indien hij het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

  • 8.

    Indien een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

Artikel 12. Vergaderingen dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 2.

    De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het dagelijks bestuur niet anders heeft bepaald.

Artikel 13. Bevoegdheden dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur is naast het uitoefenen van de taken en bevoegdheden genoemd in artikel 57b van de wet belast met:

  • a.

    het beheer van de financiële administratie;

  • b.

    de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

  • c.

    het stimuleren en coördineren van overleg tussen de deelnemers;

  • d.

    het behartigen van de belangen van de omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de omgevingsdienst van belang is;

  • e.

    het houden van toezicht op al hetgeen de omgevingsdienst aangaat;

  • f.

    het conform artikel 10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, instemmen met een mandaat verleend aan de secretaris.

Paragraaf 3 Voorzitter

Artikel 14. Voorzitter

  • 1.

    De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

  • 2.

    De voorzitter is voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

Artikel 15. Bevoegdheden voorzitter

  • 1.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 2.

    Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een door het dagelijks bestuur uit zijn midden aan te wijzen lid van dit bestuur.

  • 3.

    De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan.

  • 4.

    De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten rechte. De voorzitter kan deze bevoegdheid opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

Hoofdstuk 4: Informatie en Verantwoording

Artikel 16. Informatie van het bestuur aan raad of provinciale staten

  • 1.

    Het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken de raden en provinciale staten schriftelijk ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur van de omgevingsdienst gevoerde en te voeren beleid nodig is.

  • 2.

    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en provinciale staten schriftelijk alle inlichtingen die door één of meer leden van die bestuursorganen worden verlangd.

  • 3.

    Het reglement van orde van het betreffende bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid.

  • 4.

    De vergaderstukken en verslagen van het algemeen bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid.

  • 5.

    Besluitenlijsten en andere documenten van het dagelijks bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid.

Artikel 17. Informatie en verantwoording van leden van het algemeen bestuur aan college of gedeputeerde staten

  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur geeft aan het college of gedeputeerde staten, dat hem heeft aangewezen, alle inlichtingen die door het betreffende college of gedeputeerde staten, of één of meer leden daarvan, worden verlangd op de binnen die gemeente of de provincie gebruikelijke wijze.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur kan door het college of gedeputeerde staten, dat hem heeft aangewezen, ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid op de binnen die gemeente of de provincie gebruikelijke wijze.

Artikel 18. Informatie en verantwoording van leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter aan algemeen bestuur

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur, tezamen en ieder afzonderlijk, en de voorzitter zijn aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter geven mondeling of schriftelijk de door het algemeen bestuur dan wel door één of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen.

Hoofdstuk 5: Commissies

Artikel 19. Adviescommissies

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

  • 2.

    De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter.

  • 3.

    Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.

Artikel 20. Bestuurscommissies

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan bestuurscommissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

  • 2.

    Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een bestuurscommissie dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de raden en provinciale staten. Ter verkrijging van deze verklaring wordt het ontwerp van een besluit tot instelling van een bestuurscommissie als bedoeld in het eerste lid met een toelichting aan de deelnemers toegezonden.

Hoofdstuk 6: Vergoedingen

Artikel 21. Tegemoetkoming in de kosten

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van de wet, een regeling vaststellen voor een tegemoetkoming in de kosten van de leden van het algemeen bestuur, de leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van de wet, een regeling vaststellen voor een tegemoetkoming in de kosten van de leden van bestuurscommissies zoals bedoeld in artikel 20 van de regeling.

Hoofdstuk 7: Ambtelijke organisatie

Artikel 22. Secretaris

  • 1.

    Het dagelijks bestuur wijst de secretaris aan. De aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van secretaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur stelt in een instructie nadere regels vast betreffende de taak en de bevoegdheid van de secretaris.

  • 3.

    De secretaris is tevens de directeur van de omgevingsdienst.

  • 4.

    De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam bij de vervulling van hun taak.

  • 5.

    De secretaris is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig.

  • 6.

    De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris meeondertekend.

  • 7.

    De secretaris is belast met de leiding van het ambtelijk apparaat.

  • 8.

    Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de secretaris.

Artikel 23. Overig personeel

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bepaalt onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten worden aangegaan.

  • 2.

    Waar wordt aangesloten bij een regeling of overeenkomst inzake arbeidsvoorwaarden waarin wordt gesproken van “gemeenteraad”, “college” dan wel “hoofd van de dienst” of daarmee naar de strekking vergelijkbare termen, wordt voor de toepassing in het kader van deze regeling respectievelijk gelezen: algemeen bestuur, dagelijks bestuur en secretaris.

Hoofdstuk 8: Financiën en beheer van de omgevingsdienst

Artikel 24. Begroting

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden en provinciale staten.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden en provinciale staten.

  • 3.

    De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • 4.

    De raden en provinciale staten kunnen gedurende twaalf weken na aanbieding door het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 5.

    Het algemeen bestuur stelt de begroting vast, op uiterlijk 1 september in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting toe aan de raden en provinciale staten.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 8.

    Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

  • 9.

    Het dagelijks bestuur biedt voorgenomen begrotingswijzigingen aan de deelnemers aan voor een zienswijze tenzij:

    • a.

      de wijzigingen minder bedragen dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten);

    • b.

      de wijzigingen voortkomen uit extra opdracht(en) van een of meerdere opdrachtgevers met bijbehorende financiële dekking;

    • c.

      de wijzigingen voortkomen uit overige taken al dan niet bij of krachtens wet opgedragen door derden of deelnemers met bijbehorende financiële dekking.

Artikel 25. Jaarrekening

  • 1.

    Op de voorlopige jaarrekening is artikel 58b van de wet van toepassing.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast op uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli ter kennisneming aan de raden en provinciale staten.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur stelt de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 26. Betaling bijdrage

  • 1.

    Het algemeen bestuur regelt hoe de bijdragen van de deelnemers worden bepaald. In de begroting wordt vervolgens vastgelegd welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is aan de omgevingsdienst.

  • 2.

    De deelnemers betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 2 januari en vóór 1 juli telkens de helft van de in het eerste lid bedoelde bijdrage.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur kan bepalen dat een van het in het eerste lid bedoelde bedrag afwijkend voorschot wordt betaald.

  • 4.

    Uiterlijk 1 juni van enig jaar vindt per deelnemer een eerste afrekening plaats over het voorafgaande boekjaar overeenkomstig het ontwerp van de voorlopige jaarrekening.

  • 5.

    De definitieve afrekening vindt plaats binnen twee maanden na vaststelling van de jaarrekening.

  • 6.

    De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.

  • 7.

    Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemende gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

  • 8.

    Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemende provincie weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, dan wel de minister die het aangaat, het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 Provinciewet.

Artikel 27. Financiële voorschriften

Het algemeen bestuur stelt voorschriften vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het financieel beheer van de omgevingsdienst.

Hoofdstuk 9: Archiefbescheiden

Artikel 28. Archief

  • 1.

    Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen ingesteld bij de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, die aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld.

  • 2.

    Gedeputeerde staten oefenen toezicht uit op de aan het dagelijks bestuur opgedragen zorg voor de archiefbescheiden.

  • 3.

    De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Den Haag.

  • 4.

    De archivaris van de gemeente Den Haag oefent toezicht uit op het onder het derde lid genoemde beheer.

  • 5.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde organen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Den Haag.

  • 6.

    Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling worden de onder het derde lid bedoelde archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Den Haag.

  • 7.

    De onder het vijfde lid bedoelde archiefbescheiden worden beheerd door de archivaris van de gemeente Den Haag.

Hoofdstuk 10: Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 29. Toetreding

  • 1.

    Toetreding door een andere gemeente of een ander bestuursorgaan tot de regeling vindt plaats bij schriftelijk verzoek van het daartoe bevoegde orgaan van de betreffende gemeente of dat overheidsorgaan aan het bestuur.

  • 2.

    Toetreding kan slechts plaatsvinden wanneer alle deelnemers daarin bij eensluidend besluit toestemmen, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet.

  • 3.

    In het besluit als bedoeld in het tweede lid kan toetreding afhankelijk worden gesteld van het voldoen aan bepaalde voorwaarden door de betrokken gemeente of bestuursorgaan.

  • 4.

    Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding van nieuwe deelnemers .

Artikel 30. Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet.

  • 2.

    De deelnemer zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur beziet de consequenties van het besluit tot uittreding en informeert het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot uittreding.

  • 4.

    Uittreding vindt plaats indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers instemmen met de afwikkeling van de financiële en organisatorische gevolgen daarvan.

  • 5.

    De uittreding kan eerst plaatsvinden per 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur heeft ingestemd met de uittreding, tenzij het algemeen bestuur een andere datum heeft bepaald.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke uiterlijk zes maanden na het moment van het voorstel tot uittreding worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.

  • 7.

    Indien een deelnemer uit de regeling wenst te treden, zal in het kader van de afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de overige rechten en verplichtingen.

  • 8.

    De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt bepaald op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding en betreft zowel het directe als het indirecte personeel.

  • 9.

    De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten en verplichten worden bepaald op basis van de kostenverdelingen, welke zijn opgenomen in de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding.

  • 10.

    Compensatie voor de overige rechten en verplichtingen zal in een bijdrage ineens worden voldaan. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de op de in het zevende lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en verplichtingen.

Artikel 31. Wijziging

  • 1.

    De colleges en gedeputeerde staten, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Alleen het algemeen bestuur kan, op grond van artikel 7, tweede lid, van de regeling, een voorstel doen tot wijziging van de stemverhouding.

  • 2.

    Deze regeling kan worden gewijzigd indien tweederde van het aantal deelnemers daarmee heeft ingestemd.

  • 3.

    De artikelen 2, 4, 6 eerste tot en met het vierde lid, 7, 11 eerste en tweede lid, 29, 30, 31 en 32 van deze regeling kunnen alleen worden gewijzigd indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers daarmee instemmen.

  • 4.

    De raden en provinciale staten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpregeling naar voren brengen.

Artikel 32. Opheffing

  • 1.

    De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle colleges en gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden en provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze ter kennis te brengen.

  • 3.

    De deelnemers verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verdeling van de rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemers op een in dat plan te bepalen wijze.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet in ieder geval in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel en stelt regels voor de wijze waarop de deelnemers, voor zover het saldo ontoereikend is, zorgdragen voor de nakoming van de verplichtingen van de omgevingsdienst.

  • 5.

    In geval van een batig saldo wordt dit naar rato van de jaarlijkse bijdrage uitgekeerd aan de deelnemers.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie, tenzij het algemeen bestuur anders besluit.

  • 7.

    De deelnemers blijven na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 11: Slotbepalingen

Artikel 33. Geschillenregeling

  • 1.

    Voordat over geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van een regeling tussen besturen van de deelnemers of tussen besturen van een of meer deelnemers en het bestuur van het openbaar lichaam, de beslissing van de rechter wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan de Commissaris van de Koningin in de provincie Zuid-Holland.

  • 2.

    De commissaris hoort de bij het geschil betrokken partijen.

  • 3.

    De commissaris brengt binnen drie maanden advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

  • 4.

    Indien de aard van het geschil daartoe aanleiding geeft, dan wel indien een bestuursorgaan van de provincie partij is in het geschil, laat de commissaris zich bij de voorbereiding van het in het derde lid bedoelde advies bijstaan door twee door hem aan te wijzen burgemeesters van deelnemende, niet als partij bij het geschil betrokken gemeenten.

Artikel 34. Slotbepaling

  • 1.

    De regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking door gedeputeerde staten in het Provincieblad.

  • 2.

    Gedeputeerde staten zenden de regeling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 3.

    De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien het algemeen bestuur daartoe besluit. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen.

  • 4.

    Gedeputeerde staten maken een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig bekend in het Provincieblad.

Artikel 35. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden”.

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Delft

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Den Haag

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Midden-Delfland

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Pijnacker-Nootdorp

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rijswijk

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wassenaar

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Westland

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zoetermeer

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid- Holland

Naar boven